|
Petrus Opmeer werd in 1526 te Amsterdam geboren en is 4 november 1594 te Delft overleden. Hij studeerde eerst geneeskunde en rechtsgeleerdheid. Hij kwam te Amsterdam, waarna hij in stilte naar Delft vertrok
DERTHIENDE HOOFD-DEEL.
Behelsende de Martelarie en Dood van Eilardus Waterland Pastoor tot Alkmaar, en David Leonards Soon Priester en andere. 1573.
Inleiding.
-197-
Gedenk mij dat den voortreffelijke man Petrus Nannius, onze zeer geleerde meester binnen Leuven in 't Buslidianer college met grote lof en toeloop van studenten ons voorlezende T. Lucretius Carus en Cicero van de wetten/ wanneer hij gemeenzaam met ons koutende/ zijn geboortestad Alkmaar hogelijk pleeg te verheffen.
-199-
Nademaal die stad zeer wel gelegen was om een leger ter neder te slaan/ en bij gevolg bij de Graven van Holland was uitgekozen voor dezelver legerplaats/ wanneer zij oorlog voerden tegen de Friezen, zeggende zulks genoegzaam te blijken uit de overblijfselen van het verwoeste Verona, door Graaf Jan van Henegouwen in den jare 1303. opgebouwd.
Eylardus Waterland David Leonards.
Maar onder andere doorluchtige martelaars heeft ons die stad uitgeleverd Eylardus Waterlandus, en David Leonards Zoon.
Want deze stad/ na het overgaan van Haarlem aan den Koning/ te vergeefs zijnde aangezocht den 12. van september, zo is die op nieuws wederom zeer strengelijk belegerd door het Koninklijk leger.
Alkmaar belegerd.
Jacob Mullem een Vlaming, Cabeljauw bijgenaamd/ had bevel over de stad/ en het garnizoen, een man van een wrede aard/ en bitter van gemoed tegen de rechtzinnigen.
Deze zijnde overeengekomen met de bevelhebbers van de soldaten/ en de voornaamste der stad/ om geenszins te verdragen met Don Frederik van Toledo veldoverste van het Koninklijk leger, wenden al zijn devoir aan/ om de stad/ zo veel hem doenlijk was/ te versterken.
Conradus Olenius. David Leonards Soon gevangen.
Wanneer hij nu neerstig en onvermoeid zich dagelijks bevond bij de gravers/ en die de sterktens opmaakten/ zo gebood hij dat men David Leonards Zoon, en neef van Conraad Olenius eertijds een vermaard landmeter in s' Gravenhage, bij geval daar gaande wandelen/ zou aangrijpen/ en gevangen zetten/ omdat zijn buurman hem had bekend gemaakt/ dat hij een priester was/ en gezeid wierd zeer vrijmoedig tegen de calvinisten te hebben uitgevaren.
Ten hielp den jonkman niet dat hij een vroom en eerlijk burger was/ endat zijn vader veel jaren na een met lof had op den orgel gespeeld onder het opzingen der H. kerkelijke liederen/ en gezangen.
Eylard Waterlant Willems Soon gevangen.
-200-
Terzelver tijd wierd Eylard Waterland Willemsz Zoon van Haarlem, die nu bijna een jaar was verscholen geweest bij zekere bakker/ door het aanbrengen van een vrouw/ met zijn hospes, en desselfs ganse huisgezin/ in nauwer hechtenis opgesloten/een man volmaakt in alle dele/ en die buiten het bereik van haat en nijd scheen gesteld te zijn.
Want buiten de heiligheid zijner zeden/ en grote geleerdheid was hij aanzienlijk wegens zijn aloud geslacht/ en deftigheid van statuur; waar nog bij kwam zijn grote vriendelijkheid en beleefdheid tegen alle/ en eerbare spaarzaamheid/ de Kennemers en Friezen ten hoogste aangenaam/ waarom hij geacht wierd zeer rijk te zijn doende dit vermoeden hem wel het meeste kwaad.
Engelmundus te Velsen gemarteld.
't Geen daardoor vermeerderde/ omdat behalve de giften en gaven van het gelovig volk/ hem nog jaarlijks 200. karolijnen uit de algemene schatkist werden toegeteld.
Dit beloofde pensioen, 't geen hij te Velzen genoot/ een dorp in Kennemerland van ouds vermaard door het H. streng leven van Engelmundus, en daar hij lange jaren de kerk bediend had/
Wilh: Lindanus Bisschop.
wierd hem gegeven/ en hij daardoor na Alkmaar gelokt door Guilielmus Lindanus van Dort, het enige sieraad van Zuid-Holland, en waardig bisschop van Roermonde, dewijl hij zeer vlijtig waarnam den dienst van Nicolaus a Terranova, bisschop van Haarlem, bedlegerig zijnde.
Willem van Terranova Bisschop te Haarlem.
Deze had uit den dienst weggejaagd een der voornaamste priesters zijner Diocese, die gezeid wierd door een onachtzame zorgeloosheid/ of liever vervloekte gierigheid enige boze en ketterse mannen het bestier der kerk nog onlangs te hebben aanbevolen/ de stout op de hulp der menigte/ en aangedaan met een ijdele glorie niet nalieten stoutmoedig haar vergiftigde leer door de ganse stad te verspreiden.
-201-
om in dit kwaad te voorzien/ zo had deze voorzichtige men nodig geoordeeld/ onze Eylardus in desselfs plaats te stellen.
Want hij was niet alleen zeer geoefend in de H. godgeleerdheid, maar ook zeer ervaren in de kennise der wetten/ en van het burgerlijk recht, dewijl hij binnen Leuven opendlijk was verklaard tot Baccalaureus in de rechten, eer hij nog zijn studiën in de H. godgeleerdheid had ten einde gebracht.
Maar wanneer hij nu zijn dienst in de kerk van Alkmaar zeer vlijtig waarnam/ en bemerkte dat alle hulp/ om de ketterie te weren/ door den raad hem wierd geweigerd/ en dat die ook niet lichtelijk konde gebeterd werden.
Atticus Bisschop van Constantinopolen.
Zo heeft hierin nagevolgd Atticus bisschop van Constantinopolen, die/ na dat hij eerst de ketters door schrik had zoeken te verbazen/ en dat niet helpende/ naderhand door zachtmoedigheid trachtte te winnen.
Maximiliaan de Bossu Gouverneur van Holland.
Want als Maximiliaan van Bossu Gouverneur van Holland, over enige jaren zeer strengelijk dacht te handelen met de Magistraat en burgers/ omdat zij/ de bezetting door hem haar toegezonden/ niet alleen hadden buiten gesloten/ maar ook de foeriers, die de soldaten zochten onder dak te brengen/ bijna aan de woede van het volk hadden over geleverd/
Eylardus en Daniel bidden den Grave op hun Knien, hy de Stad niet straffen wil.
zo vielen Eylardus, en Daniel Arendonk overste der minnebroeders voor den Graaf op haar knieën/ en smeekten zeer ernstelijk voor de stad/ en desselfs regenten, die daarop de voorgenomen straffe/ achterliet.
Welke zachtmoedigheid des gemoed van deze man enige nijdige mensen en lasteraars ten ergste hebben geduid/ alsof hij dit gevoelen uit Erasmus zou hebben gezogen (dewijl hij gezeid wierd veel van hem te houden ) die zeid dat men de ketters niet behoort te doden:
-202-
teneinde de goeden niet werden uitgeroeid/ maar dat men haar moet verdragen/ of zij haar misschien mochten bekeren.
Want Erasmus werd bevonden daartoe bij te brengen de gelijkenis van de zaaier/ die gelezen werd Matthei 13. en die te verklaren met een zeer vrijmoedige stijl/ daar hij Chrisosthomus niet ter goeder trouw navolgt.
S. Chrisosthomus S. Augustinus.
Dat grote licht der westerse kerk, den zalige Augustinus was voormaals ook van dat gevoelen/ maar die is vrijwillig daarvan af geweken/ niet zozeer overreed door het zeggen der tegensprekers (als hij opentlijk betuigt in zijn 48. brief) als wel overwonnen door voorbeeldelijke bewijzen.
Voor het overige nademaal Eylardus om deze reden geloofd wierd bij zijn landsgenoten in groter aanzien te zijn/ en ook in 't begin dezer vervolging van Haarlem vluchtende/ de burgermeesters van Alkmaar onder treffelijke beloften hem in haar stad hadden genodigd/ maar dewijl hij in strikte gevangenis was opgesloten/ zo wierden nauwelijks enige verontwaardigingen van goeden gehoord/ veel min dat enige klachten tegen hem te voorschijn kwamen.
Onderwijle wierd de stad te vergeefs aangetast/ en Frederik gedwongen door het doorsteken der dijken/ tempeesten/ en zware slagregens de belegering op te lichten/ de dorpen en omleggende vlekken in brand gestoken hebbende.
Henricus Pygius met een Kogel door-schoten.
Het leger daarop na Holland gevoerd werdende om te overwinteren onder den overste Franciscus Valdesius, zo werd Henricus Pygius uit een voortreffelijk Haags geslacht/ broeder van Stephanus, en broeders zoon van Albertus, zo als hij onvoorzichtig voorttrekt/ met een kogel door een van de rovers ter neder geveld.
-203-
Maar die van Alkmaar na zo veel uitgestane ellenden/ niet kunnende gebracht worden tot betere gedachten/ breiden haar uit om Eylardus te plagen.
De Predikanten komen om met Eylardus te Disputeren.
Gedurig kwamen hem Calvinistiese ministers bezoeken/ om over zaken van godsdienst met hem te disputeren, en van zijn rechtzinnige gevoelen tot haar over te halen.
Maar hij bleef volstandig met groter kloekmoedigheid in zijn eens aangenomen godsdienst.
Den H. geest hem tijdig ingevende/ 't geen hij deze predikers had te antwoorden.
Jacob Cabeljauw Willem Sonnen-berg.
Wanneer zij dan zagen niet te vorderen met disputeren, schoon spreken/ of dreigen/ uitermate toornig geworden zijnde (daar dit volk zeer toe genegen is) zo gaan zij bij den overste Cabeljauw, en Willem van Sonnen-berg desselfs Luitenant, den man zwaarlijk beschuldigende/ zeggende datter haar kerk grotelijks aangelegen is/ dat deze man uit het midden van haar werd weggenomen/ dat zij anders bezwaarlijk haar leerstukken zullen kunnen staande houden/ dewijl al de wereld geloofde dat er geen geleerder man ter dier plaats te vinden was.
Op de klagten der Predikanten Eylardus en David gevangen.
Den overste en zijn Luitenant stonden gewillig haar beiden toe/ een deels omdat zij wreed en bloeddorstig waren/ anders deels omdat zij de priesters een dodelijke haat toedroegen.
Maar zij namen eerst voor de man die gezeid wierd zeer rijk te zijn/ van zijn geld te beroven.
Weshalve hem uit de gevangenis doende halen/ laten zij hem brengen ten huize van den provoost, aldaar beloven zij heiliglijk hem te zullen loslaten/ en op vrije voeten stellen/ zo hij volgens contract haar nog 300. Carolijnen voor zijn rantsoen wil aantellen.
Betalen 300. gl. Om vry te sijn.
Want 200. had Eylardus haar al gegeven/ verwachtende dat de overige hem van Haarlem zouden worden toegezonden/ ook had hij op hoop dezer verlossing wat liberaalder avondmaal gehouden.
Maar houden hun woort niet kort dood vonnis.
-204-
Als wanneer den provoost zeer schielijk haar des nachts ontrent 2. uren komt opwekken (want David en hij sliepen in ene kamer) en aanzeggen dat dit haar laatste levens nacht is/ en dat zij haar tegen den uiterste nood hebben te bereiden.
Op welker zeggen/ wanneer Waterland zag/ dat zijn metgezel zeer bitter begon te wenen/ en groot misbaar te maken/ zo vertroostede hij hem zeer treffelijk/ hem voorhoudende de troostelijke leerstukken van het Christelijk geloof, namendlijk de onsterfelijkheid der zielen/ en de heerlijke wederopstanding onzer lichamen uit den doden/ en wat een grote zaak het is zijn bloed te mogen storten voor de zaken van Christus, en de H. godsdienst; dat de loop van dit leven kort/ maar de glorie eeuwig durend is.
Eylardi trouwe aanspraak om David te verkloeken.
En dewijl wij alle moeten sterven/ en eenmaal dit leven afleggen/ het veel wenselijker/ heerlijker/ en voortreffelijker is dat te besteden tot lof en eer der goddelijke majesteit, dan dat vadsig te laten varen als een schuld der natuur.
Want/ zeide hij/ wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende, door veel verdrukkingen moeten wij ingaan in het koninkrijk der hemelen, ook is dit lijden dezes tijd niet te vergelijken bij de heerlijkheid, die ons namaals zal geopenbaard werden; wetende dat wij zijnde deelgenoten geweest zijnes lijden, ook zijner glorie zullen deelachtig zijn.
Daar en boven telde hij op veel ware martelaren Gods/ wiens gedachtenis de kerke van ouds heeft geëerd en gevierd.
En betoonde wijders dat men na dezer voorbeeld het martelaarschap moest opvolgen.
En om u aan te wijzen/ zeide hij enige martelaren dezer ongelukkige eeuw/ u niet onbekend zo gedenkt dat het nog geen drie jaren is geleden/ dat de calvinistische rovers met lichte schepen de Hollandse kust aandoende/
Guilielmus Montanus Priester deerlijk vermoord.
uit Schorel een dorp in Kennemerland bij nacht Guilielmus Montanus Isbrandsz Zoon naakt van zijn bedde hebben gelicht.
Eilaas!
Wat smaadheid en tormenten hebben zij hem niet aangedaan; na hem met ijzeren ketenen het bloed ter nagelen hadden uitgeperst/ hebben zij echter hem niet kunnen dwingen/ om het katholiek geloof te verzaken.
Want hij meende dat wel met hem gehandeld wierd/ wanneer hij de eer van zijn priesterschap met de palmtak van het martelaarschap mocht verheerlijken.
Weshalve zij hem den 3. februari als een slachtoffer den honden hebben voor geworpen.
Gij zult misschien zeggen de oude wet verbied dat men geen honden loon moest opbrengen in het huis des Here, maar deze offerande van de nieuwe wet is Gode geweest van een aangename reuk.
Godefridus Walingius op sijn bedde vermoort, de Schout van de Zijp doorschoten, nog een verstikt.
Wat zal ik u zeggen van de voortreffelijke mannen zijn gebeuren?
Waarvan de ene Gosuinus Walingus genaamd/ op zijn bedde is vermoord; de andere schout van de Zijp, eer het onderliep/ na de Zuiderzee met een schuitje gevoerd/ en aan de mast gebonden/ wierd ellendig met kogels doorschoten.
Den derde is door de stank en vuiligheid van het schip om hals gebracht.
't Zou te lang zijn om u te verhalen/ hoedanig Arendonck overste der Franciscanen met zijn medebroederen binnen Enkhuizen is opgehangen.
Daar en boven is desselfs geschiedenis u bekend.
Weshalven/ bid ik u/ dezer voetstappen na wandelende/
fo fijt getrouw tot der dood,
en Jefus Chriftus fal u de Kroone des eeuwigen
Levens geven, defe is de getrouwe Getuige, de
Eerftgeboorne uit den Dooden, den Koning van
de Koningen der aarde; defe heeft ons lief ge-
Had, en door fijn Bloed onfe fonden afgewaffen
Hebbende, heeft ons gemaakt tot Priesters Go-
de fijnen Vader, hem fy magt en Heerlijkheid
In alle Salige Eeuwen.
Eylardus vereerd de meid, een goude ring.
-206-
Dusdanig redenerende/ en David met een zekere hoop versterkende/ zo liet hij de dienstmaagd van het huis/ die hem deze weinig dagen trouwelijk had gediend/ deze begiftigd hij in 't heimelijk met een gouden ring/ dit uit zijn dijen zak halende/ opdat die niet en werde tot een roof der soldaten.
Met dit geschenk als willende vergelden haar dienstwilligheid.
De Predikanten willen weer Disputeren.
Terwijl deze dingen geschieden/ zo doen de Calvinistische dispuutanten zich andermaal op/ veel valse redenen voortbrengende; daar Eylardus op antwoord/ zeggende/ 't is gans onnodig tegenwoordig den tijd te verslinden door u ijdele disputen/ die ons geen voordeel doen/ wij moeten onze overige tijd besteden/ om ons wel ter dood te bereiden.
Eylardus en David worden gebonden ter Galge gevoert.
Nauwelijks had hij dit uitgesproken/ of de rakkers hem en David aangrijpende/ brengen hem op de befaamste plaats der stad/ namendlijk op de stenenbrug van waarlangs de Langestraat men de kerk beschouwd/ aldaar een galg ziende opgerecht/ en dat er geen burgers ontrent waren/ zo roept hij luidkeels uit.
Droeve klagte sonder gehoor.
Landsgenoten sta mij bij, helpt een ellendige!
Word den herder dusdanig van zijn schapen verlaten?
Den overste van zijn onderzaten ten prooi gegeven?
Is het betamelijk, of meer gehoord, dat iemand geenszins schuldig aan enig misdrijf in 't midden der stad dus wredelijk werd vermoord?
Zal nu niemand voor een onschuldig priester den mond openen, die zo menigmaal tot God heeft gesproken voor het volk?
Hebt gij mij daarom van Haarlem ontboden, ten einde gij u ogen met dit aangenaam gezicht zou vermaken?
Op dit ellendige geroep van den man, kwam geen burger uit zijn huis te voorschijn, als een enige vrouw die manmoedig haar spinnewiel latende varen, zich op straat begeeft, en alles wat haar voor de mond komt, uitlapt.
Eylardus treed kloekmoedig in God, ter Galge.
-207-
Dewijl deze dingen geschieden/ zo trachten de fielen Eylardus een weinig vertoevende/ met een dik touw/ ten dien einde daar toe bereid/ omhoog te trekken.
Daarop hij zei.
Laat af/ als ik met weinig woorden God mijn ziel zal aanbevolen hebben/ zal ik 't geen mij te doen staat/ zelfs kloekmoedig volvoeren.
Daarop de ladder opklimmende/ spreekt hij in het Duits de 30. psalm van David, en de touw om zijn hals gedaan zijnde/ werd hij van de beul afgeworpen/ Christo zijnen heer zijn onsterfelijke ziel overgevende/ en dit aardse leven verwisselende met een veel heerlijker/ en glorieuzer daar boven den 3. december, s' morgens vroeg ontrent zes uren/ nog niet ten volle bereikt hebbende het 44ste jaar zijner ouderdoms.
Als ook zijn maat David LeonardsSoon.
Aanstonds daarop wierd den van God beminden David met dezelve straffe gedood.
VVorden op 't Kerkhof naakt in d' aarde gestoken.
Tegen den avond de lijken dezer H. martelaren van de galg gelaten zijnde/ werden langs de Breedestraat na het kerkhof op een wagen gevoerd/ en daar door de stads lijkbezorger eerst van haar klederen beroofd/ en daar bloot gelaten/ totdat zij eindelijk in een kuil werden gesmeten na het oosten in een grazige weide/ de jongens harer naaktheid staande uit te jouwen/ en haar half begraven lichamen met drek/ en vuiligheid ophopende.
Maar de naaktheid harer leden/ of de geringheid van het graf heeft deze martelaren geen leed toegebracht; dewijl hare zielen omhangen met den mantel der gerechtigheid/ geloof en waarheid/ onder het groot altaar roepen/ zeggende, hoe lange o Here wreekt gij ons bloed niet van de inwoonders der aarde.
-208-
zekerlijk dien dag zal komen/ en dat licht eens verschijnen/ wanneer de vijanden van het rechtzinnige geloof zijnde 't ondergebracht/ en de vrede de ware gelovige wedergegeven/ ook den altaar aan dat zalige gebeente haar behoorlijke rust zal verschaffen.
Dien altaar zeg ik/ op welke God een offerande zal werden toegebracht; daar den Here zal priester zijn/ daarop het lichaam van Christus zal werden opgeofferd/ en zijn bloed uitgestort voor de zondaren.
Daar de dood des Here dagelijks zal werden verkondigd; als hij zelfs zei.
Zo dikwijls als gij dit doet, zo verkondigd gij mijn dood, totdat ik kome.
Terecht dan rusten zij door de verborgenheid van dit sacrament, die om de name van Christus gestorven zijn.
Gerardus Bastius, Petrus Nannius van Alcmaar.
Wijders is Alkmaar verheerlijkt door twee harer zeer geleerde burgers Gerardus Bastius en Petrus Nannius, waarvan de eerste de Hollandse jeugd heeft onderwezen in de goede kunsten/ Griekse en Latijnse talen.
En de andere de Latijnse talen binnen Leuven in het Buslidianer college heeft voorgelezen/ en betoond dat hem niets verborgen was in de gedenkschriften der Grieken, alhoewel hij onder een Hollands lucht geboren was/ dewijl hij na veel grote dichters/ redenaars/ historieschrijvers/ filosofen, en godgeleerden ook dien grote pilaar der katholieke kerk, ik meen den goddelijke Athanasius van Alexandrië in het Latijn heeft overgezet.
Lof deser Alkmaarse Martelaren.
Maar hoeveel meer zullen deze H. priesters, en onverwinnelijke martelaars van Christus deze stad verheerlijken/ die als heilig en onschuldig opgeofferd/ Gode en Christus zijn geweest als een slachtoffer van een zeer aangename/ en welriekende reuk.
Het naburig Egmond pleeg ook te roemen/ wegens haar doorluchtige Deur, zo genaamd.
Omdat den H. Clemens Willebrordus uit Engeland daar aanlandende/
Het Dorp Hekmunda.
-209-
alder-eerst onze landsgenoten van haar afgodische superstitie tot het Christelijk geloof bekeerd/ en dat dorp door verandering van weinig letteren Hekmunda genaamd heeft.
Als ook omdat de asse en het gebeente van zijnen Aarts leviet, en confessoor van Christus Aldabertus, zoon van den Koning der Denen, in dit koninklijk klooster zijn begraven/ en naderhand door Dirk de Tweede Grave van Holland door het opbouwen van een kostelijke tombe, godsdienstig daar werden bewaard.
Maar nog veel meer mag Alkmaar roemen daar den H. Eylardus deze leer met zijn dood heeft bevestigd; en daar David zijn priester die stad door zijn offerande luister heeft bijgezet/ en verheerlijkt tot in de navolgende eeuwen.
Beide hebben zij als Leeuwen gevochten/ en als van de Wolven en Beren omringt haar H. bloed gestort; dus zullen wij harer altoos gedenken/ en haar gedachtenis geprezen werden bij de nakomelingen.
******
|