Door Valerius Andreas.
P. Opmeer geboren 1526.
-1-
Petrus Opmeer is tot Amsterdam, de vermaarde Koopstad van Holland Ao. 1526. op het feest van den H. Bernardus gebooren/ uit een rijk aloud/ en Adelijk Geslagt der Opmeeren, afkomstig uit Westvriesland, anders Noordholland genaamd/
Deze factie heeft sijn begin genomen Ao. 1350. by Joh. Gerbrandus van Leiden in sijn Chronicon.
't geen wegens derselver getrouwigheid haar wettige Princen betoond/ in de factieuse tijd/ en Troubelen der Hollandsche Edelen, de Hoekse en Cabeljauwse genaamd/ tot de Adelijke stand is verheven door Vrouwe Jacoba van Beyeren, Gravinne van Holland.
P. Opmeers Ouders.
Sijn Vader was even als hy genaamd; tot Moeder heeft hy gehad Maria van Akersloot, een Adelijke Matrone, en van besondere Deugd en Godvruchtigheid.
Naulijks was hy de Kindsche jaren doorgeworsteld/ of hy verloor sijn Vader/ maar van sijn Moeder/ die dese haar eenige Soon teederlijk beminde/ seer sorgvuldig en Godvruchtig opgevoed/
Zijn Meesters.
en al vroeg gebragt onder de tugt van den seer Geleerden en vermaarden Man Allardus van Amsterdam, een voortreffelijk Godsgeleerde/ om van hem in de goede Konsten/ en Wetenschappen onderwesen te werden.
Na desselfs afsterven is hy wyders onderwesen van Nicolaus Kannius van gelijken een voornaam Gods geleerde/ en voortijds Uitschryver/ of Copyst van Desiderius Erasmus van Rotterdam.
Dese beide Mannen hebben voortreffelijke hoop van hem opgevat.
P. Opmeer groot verstand en sterke Memorie.
-2-
dewijl in hem uitblonk een levendig/ wakker/ en waardig vernuft/ insgelijks een grote lust/ en begeerte tot kennis en wetenschap/ een gelukkige geheugenis/ en sterke memorie.
Soo dat hy byna 70. jaren oud sijnde/ al de Comædien van Pub. Terentius, en de Oden van Horatius (die hy by Cannius in sijn kindsche jaren geleerd had) van buiten sonder eenige hapering kon opseggen.
Reist na Leuven.
Dus gelukkig in sijn Vaderland de gronden sijner studien geleid hebbende/ is hy na Leuven gesonden/ om sig tot hooger Wetenschappen te bekwamen/ en heeft een gantsch jaar sijn ar heid en neerstigheid geoeffend onder den Grooten Petrus Nannius van Alkmaar,
Oeffend sig onder Petrus Nannius Claudius Warin.
doenmaals Opziender van het vermaarde Buslidianer Collegie, daar drie Talen in geleerd wierden.
Van daar na Doornik gereyst/ heeft hy de Fransche Taal en Mathematische Konsten geleerd onder Claudius Warin, Kerkmeester van onser L. Vrouwen Kerk, een groot en ervaren Wiskonstenaar.
Maar tragtende naar grooter voortgank/ soo wierd hy van sijn Moeder/ die ten uiterste begeerig was/ om na soo langen afwesen/ haar Soon te sien/ na huis ontboden.
Trout Sophia Sasbout. Sijn Kinderen.
Op het sterk aanhouden van sijn Moeder/ heeft hy 21. jaar oud sijnde/ de voortreffelijke en Adelijke Maagd Sophia, Dochter van Petrus Sasbout ten huwelijk genomen/ en verscheide Kinderen/ soo Soonen als Dochters by haar gewonnen/ onder andere Petrus sijn oudste Soon (aan wie de dankbare Nakomelingschap de voortreffelijk laatste vrucht van sijn Vaders geest de Chronographische Beschrijving der gantsche Wereld verschuldigd is/) en Lucas een voortreffelijk Rechtsgeleerde.
-3-
P. Opmeers neerstigheid tot de Studien.
Maar dewijl sijn vernuft als bekwaam en gebooren scheen tot de Studie, soo heeft hy alles aan een sijde stellende/ sig geheel en al daar toe begeven.
Hy liet geen tijd voor by gaan/ die hy niet aanleide tot de Studien, soo met lesen als schrijven/ om alles te weten/ 't geen hem eenigsins kon nut of voordelig sijn.
Oeffend sig in 't Grieksch.
Ten dien einde was hy gewoon een Potlootje by sig te dragen/ om alles wat hem voorkwam/ aan tetekenen: het Latijn in 't Nederduitsch, en het Nederduitsch in 't Latijn oversettende.
Heeft Vinc. Lyrinensis vertaalt.
Onder andere heeft hy Vincentius Lirinensis seer gelukkig in sijn Moedertaal overgeset/ en door den Druk de geleerde Wereld medegedeeld; ingelijks heeft hy het scheepje van Geduld en Berouw voor sijn Landsgenooten t' samen gesteld/ om daar door haar te leeren/ dat de ware Kerk niet sijn kan/ daar dese Deugden geen plaats grijpen.
Ook heeft hy/ nu al hoog bejaard sijnde/ de Grieksz Taal soodanig geleerd/ dat hy alle Schrijvers in die taal grondig kon verstaan.
Petrus Resenius Rector tot Delft.
Daar toe gebruikende de hulp en onderwijsinge van Petrus Resenius Rector der Schoole van Delft, seer ervaren in 't Grieksz, die onsen Petrus Euclides voorlas/ tot beider groot voordeel/ dewijl Petrus in korten tijd daar door grondige kennis kreeg de Grieksche Taal, en Resenius van hem leerde de Mathematische konsten, soo dat hy van den Prins van Orangie tot sijn Landmeter wierd aangenomen.
Opmeer neemt voor een Medicus, en Jurist te worden.
Daar en boven kon het vernuft van onsen Opmerus, 't geen tot alles bekwaam was/ binnen de enge paalen deser Wetenschappen niet besloten blijven/ dewijl hy groote kennis hebbende verkregen in de Geneeskunde, en Rechtsgeleerdheid, voornemens was sig tot Leuven te laten Promoveeren tot Doctor in beide die konsten.
Maar onderwijle het onweer der Calvinische Secte oprysnde/ heeft hy sijn gedachten/ laten gaan over de Studie der H. Godsgeleerdheid, ten einde hy de oude Gods- dienst sou mogen beschermen/ en al de opkomende Secten der Nieugesinden tegenstaan.
-4-
P. Opmeer sijn neerstige studie in de H. Bladeren, oude Vaderen, en Kerk geschiedenissen.
t' Was hem niet genoeg de Outvaders eens gelezen te hebben/ maar hy was dag en nagt daar in bezig/ sig verbeeldende datter niet bekwamer/ als hy ook elders seid/ om de gemoederen der Menschen door dwalingen vervoerd/ te regt te brengen/ als haar vertoonen/ het aloud, Rechtsinnig, eenparig gevoelen, en over eenstemming der Katolijke Kerk.
Sijn bondig Tractaat dat de Mis, van begin en navolgens in de Christen Kerk is geweest.
Dus heeft hy seer treffelijk opgesteld de Historische beweering van den H. Dienst der Misse, opgehaald uit de vier eerste Concilien, Outvaders, en Kerkelijke Leeraaren.
Met dit Tractaat is hy in 't strijdperk getreden met Leo Empacius, een Doctor, en vergiftig Kalvinist Predikant, en heeft daar door de dertele pen en taal van Leo wederhouden
Onderwijle de wederspannigheid der Hollanders meer en meer toenemende/ en dagelijks aanwasschende/ en de staat der oude Gods- dienst beroerd werdende/ wanneer veele in Ballingschap verzonden/ en veel sterke Zuilen, en Pilaren van het Katolijke Geloof wredelijk wierden om hals gebracht.
Nic. Cannius, en Musius, opgehangen. P. Opmeer vlugt.
(onder welke ook waren Nicolaus Cannius Pastoor van Sparwoude, en Cornelius Musius den trouwen Achates van onsen Opmeerus) soo heeft hy liever sijn Vaderland willen verlaten/ als met goede oogen beschouwen de 't samensweeringen der Catilinarische Kapernaiten.
(dus pleegt hy dese nieuwe Geusen te noemen) hier op is hy na Leiden gereist by den Overste Franciscus Valdesius, Colonel van het Regiment van Lombardien, en Geheimschrijver geweest van zijn Krijgs- raad.
Tot dat alles in Holland in rep en roer sijnde/ hy gedwongen is geweest sijn Vaderland te verlaten/ en met Valdesius na Henegouwen te wijken.
P. Longus versoekt P. Opmeer t' Amsterdam.
-5-
van daar is hy na Amsterdam geroepen/ door den Schout Petrus Longus, om sijn medeburgers in het aloud en Regtsinnig Katolijk Geloof te onderwijsen/ en te versterken; waar in hy/ na sijn gewoonen yver voor het Katolijk Geloof, sig treffelijk gequeeten heeft.
Woont te Delft.
Maar niet langer daar konnende verblijven/ is hy eindelijk in 't stille na Delft geweeken/ en heeft daar syn verblijf genomen/ en droevig in 't midden der Kalvinisten geleefd/ egter niet zonder veel vrugt/ dewijl hy eenig behield by het Katolijk Geloof, andere tot dwalingen vervallen/ wederom bragt op de regte weg.
Ook heeft hy de Nakomelingschap door sijn treffelijke schriften grootelijks verpligt.
Hebbende sijn Historische Beweering van den Dienst der Misse op veel plaatsen seer vermeerderd/
Schrijft de Historie der Hollandse Martelaren.
En getrouwlijk beschreven de Historie der Hollandse Martelaren, onder welke die van Cornelius Musius uitblinkt/ even als de Maan onder de minder Sterren.
P. Opmeers Kerk en Wereldsche Historien in Folio en Octavo.
Ook heeft hy opgesteld het Chronographische Werk van de gantsche Wereld, en dat gebracht tot het jaar 1590. niet tegenstaande hy door de Dood voorgekomen de laatste hand aan dat Werk niet heeft konnen slaan.
Sterft 1594. 4. Nov. Out 69. jaar.
Verbrooken/ en door veel arbeids afgeslooft met is hy binnen Delft overleden den 4. November 1594. sijnes Ouderdoms 69. en begraven in de St. Hypoliti Kerk voor het Choor aan de Noord- sijde.
Hy was een Man van voortreffelijke statuur/ een vast lichaam/ breed van aangesigt/ wat roodagtig van wesen/ 't geen een deftige Majesteit verbeelden.
Onder al desen arbeid besat hy/ geen onaangename Land- hoeve, een seldsame Tabbert, en een gerust gemoed, soo dat hy na het gevoelen van Martialis een genoeglijk leven leide.
P. Opmeers besondere Deugden.
Over tafel was hy blygeestig/ beleeft/ en vermakelijk: aangenaam en gelieft by allerlei slag van Menschen.
Met de Katolijken handelde hy opregt, en met de Nieugesinden omsigtig:
-6-
het geen hy ook door sijn Devijs, of Symbolum te kennen gaf: ontrent den Armen/ en besonder Geleerde Luiden was hy uitermate mild en liberaal.
Vele heeft hy in haar studien behulpsaam geweest/ onderhouden/ en grootelijks bevorderd.
Tot Vrienden heeft hy gehad/ dese navolgende Mannen/ Doorluchtig soo wegens haar Deugden/ als uitgegevene Schriften.
Met de Geleerdste Mannen, heeft P. Opmeer gemeen geweest.
Stanislaus Hosius Cardinaal, Benedictus Arias Montanus, Michaël Bajus, Cornelius Musius, Petrus Nannius, Martinus Duncanus, Petrus Baccerus, Ponter Heuterus;
Benevens veel Schilders/ Beeld- houwers/ Bouw- konstenaars/ die hy/ als geleid door sekere Simpathie, Wonderlijk beminde/ en aan sig verbonden had/ als genoegsaam blijkt uit sijn Chronographisch werk.
Doenmaals bloeiden in Holland, en onderhielden groote Vriendschap met hem Martinus Heems- kerkius, Petrus Longus, Guiljelmus Tethrodius, Franciscus Floris, Antonius Morus, en Philippus Gallæus altsame Hollanders, en voortreffelijke Schilders/ en Konstenaars.
****
APPROBATIE.
Dese Historie der Hollandsche Martelaaren getrouwelijk opgesteld door Petrus Opmeer Amsterdammer, heb ik geoordeeld dat deselve in openbaren druk mag werden uitgegeven, tot voortsetting dr waardigheid van het Katolijke Geloof, versterking der vroomen, en vermeerdering van het Geloof aller Godvruchtige Catolijken.
Gegeven binnen Antwerpen den 6. Augusti 1607.
Laurentius Beyerling, S. Theolog, Licent. Librorum Censor.
|