|
Gruwelijke rechtsgang te Hoorn in 1575. #1
Door Petrus Opmeer, 1701.
Petrus Opmeer, werd geboren in 1529. en overleed te Delft op 9 november 1595.
Petrus Opmeer werd in 1526 te Amsterdam geboren en is 4 november 1594 te Delft overleden. Hij studeerde eerst geneeskunde en rechtsgeleerdheid. Hij kwam te Amsterdam, waarna hij in stilte naar Delft vertrok
De Martelarye en Dood, van Koppe Cornelis Soon, en andere.1575.
Behelsende de Martelarie en Dood van Koppe Kornelis Soon, en Nanning sijne Soon, Huisluiden van Woggenum, buiten Hoorn in Westvriesland, in het jaar 1575. Midsgaders de Martelarie van Pieter Nannings Soon van Benningbroek, en Jan Jeroens Soon, Burger tot Hoorn.
-254-
Den filosoof en natuurkenner Heraclitus, die het vuur zeide te zijn het beginsel der ganse natuur, dat alles daaruit voortkwam/ en wederom daar in eindigde/ werd gezegd/ dat hij zittende op het vuur/ de voorbijgaanders met luide stemme pleegt te nodigen zeggende/ Komt hier in, want deze zijn de Goden.
Dit zeggen van deze vermaarde wijsgeer komt mij te binnen/ wanneer ik met mijn gedachten West-Friesland doorloop.
Want alhoewel dezelver inwoners zeer boers/ rouw/ en van een wreed naturel voor het merendeel werden bevonden/ en daar en boven besmet met veel dwalingen en gebreken; echter ontbreken onder haar niet veel voortreffelijke mannen/ en begaafd met geen geringe geleerdheid en deugd.
Daar en boven werden daar gevonden veel aanzienlijke luiden/ eerwaardig wegens haar geduld en lijdzaamheid/ eenvoudige voorzichtigheid/ en voorzichtige ootmoed/ en bijzonder door haar oprecht geloof.
St. VVerenfridus en St. Odulphus, patroonen van Noort Holland.
Dit zijn namelijk spruiten/ en takken dier gelukkige bomen/ die den H. Werenfridus heeft geplant/ en den zalige Odulphus bedauwd en nat gemaakt/ en God naderhand een voorspoedige wasdom heeft gegeven.
-255-
't heeft gebleken dat zij godvruchtige mannen zijn geweest/ nademaal zij beproefd zijn door het vuur der verdrukkingen/ even als de aarde vaten in de oven des pottenbakkers.
Onder welke ik vele heb gekend/ die de berovingen hare goederen met blijdschap aanschouwd/ en een vijfjarige ballingschap niet zonder armoede/ en verachtingen hebben uitgestaan.
De Martelarie van Pieter Nanning Soon van Benningbrock.
Enige van haar hebben banden en gevangenissen geleden/ andere met veel kloekmoedigheid ongehoorde pijnen en tormenten verdragen.
Ik heb enen Pieter Nannings gekend/ wiens buik door gloeiende kolen was verbrand/ en zijn borst door ratten doorboord/ en zijn navel op een verwonderlijke wijze verscheurd: nadat zij hem enige dagen hadden uitgehongerd/ en wakker gehouden/ hebben zij hem 24. maal na een ter pijnbank gebracht/ en allerlei onbedenkelijke smerten aangedaan.
P. Opmeer heeft Jan Jeroen te Schagen in de gevankenis besogt.
Dit alles is ons verhaald/ en wijders gebleken bij authentelijke stukken ons vertoond door Johannes Jeroen burger van Hoorn, een zeer eerlijk/ en welgemoed man/ van overlang mij zeer wel bekend/ wanneer ik hem in de gevangenis bezocht.
Onder ander soorten van pijnigen/ die deze goddeloze zielen bedachten/ was ook deze zeer vuile en schandelijke/ dat die zij niet konden bewegen tot afval van haar geloof door de wreedste tormenten/ dat zochten te doen door beestachtige wellusten.
De Martelarie van Jan Jeroense Burger tot Hoorn.
Want een Jongeman zijnde in 't fleur van zijn leven/ lijden zij hem ruggelings op een tafel/ en smeerden zijn manlid met room/ en staken dat in de muil van een zogend kalf dat zeer sterk zoog/ daarvoor aan de eigenaar van 't kalf betalende negen stuivers.
Waarlijk onze haren moeten hier ten berge rijzen/ al hadden wij honderd tongen en monden/ echter zouden die niet bekwaam zijn om zo gruwzame euveldaden uit te drukken.
-256-
Ik geloof niet dat Sodoma zodanige gruwelen heeft kunnen uitvinden/ als nu.
Ja zelfs! onder het dekkleed van bestelling des godsdienst, werden uitgevoerd van die/ welke binnen Amsterdam geboren/ en in West-Friesland opgevoed/
Nog willen beleefd schijnen/ en zich niet willen ontzien met de H. profeet op te zingen.
Wij wandelen in ootmoed onzer herte in het midden van u Huis, en durven nog zeggen met den H. man Job.
Wij hebben niemand beledigd, en onschuldig geleefd.
Het groot verval der tijden.
Terwijl zodanige monsters in de Republiek insluipen/ en tot de bediening der Magistratuur werden gevorderd/ en geenszins naar verdiensten/ maar door geld daartoe werden verheven; zo is 't niet langer nodig wetten te maken tegen de kuiperten/
Geestelijke en wereldse ambten zijn nu veil voor de meest biedende.
Maar op een ander tijd zal het genoeglijker zijn hierover te klagen.
Zekerlijk zo ooit/ maar bijzonder ter dezer tijd/ zo heeft men gewoed met strop/ vuur en zwaard/ en allerlei soort van straffen tegen de onschuldige.
Wanneer de Hoogduitse soldaten (naar de wijze van die landsaard) haar soldij vorderende/ wegens gebrek van geldmiddelen weigerde op te trekken/ den veldoverste Franciscus Valdesius ziekelijk zijnde/ te vergeefs door Gillis van Barlaimont Here van Hierges, met enige vaandelen Spaanse soldaten/ en 300. Albanese ruiters getracht werd een inval in Noord-Holland te doen.
Wanneer enige rechtzinnige, wat rijker als 't gemeen in die landstreek gevonden werden/ de zodanige werden door deze schelmse mensen gelasterd/ in de gevangenis gesmeten/ en gevaar lopende van haar leven minste van haar tijdelijke middelen beroofd.
Diderik van Sonoi Gouverneur van NoortHolland Hoorn.
Want daar was geen zwaarder misdaad bij Diderik Sonoi Gouverneur van Noord-Holland, en zijns gelijke bloeddorstige bevelhebbers/ als katholiek en rijk te zijn, en veel landerijen te bezitten.
Jacobus Ceratinus Hadrianus Junius.
Daar was Hoorn een rijke en machtige stad/ gelegen aan de Zuiderzee, vaderland der voortreffelijke mannen Jacobus Ceratinus en Hadrianus Junius, vermaard door den koophandel der ossen die mager uit Holstein derwaarts werden overgevoerd/ maar nu nog meerder befaamd door haar ongehoorde tirannie/ en onmenselijke wreedheid.
De Nonnetjes te Hoorn weggevoerd. sie T. Veli Kronijk.
Want den haat en woede van den nieuwe raad en het volk scheen nog niet ten volle gevoed door het uitjagen van veel eerlijke/ vrome/ en rechtzinnige burgers van het katholiek geloof, naakt en berooid in 't midden en felste van de winter; ten daar dat daar bijkwam het verdrijven der H. nonnen op den 9. maart 1573. het paasfeest aanstaande zijnde/ die zij bij nacht uit zeven kloosters gans onbeleefd uit het bed jagende/ 't scheep brachten/ en door een ongehoord voorbeeld overgaven aan de spotternij/ woede/ schimp/ en wellust van een deel onbeschofte soldaten/ en woeste matrozen en schuitenvoerders.
De Nonnetjes te Amst komende, sijn wellekom.
Deze gescheurde/ en half naakte maagden, des anderendaags met veel tranen/ en gejammer aan den Antonis Dijk zijnde aangeland/ werden van de Amsterdammers zeer vriendelijk en met christelijke liefde en mededogen ontvangen.
Ook was het een bloeddorstig en wreed stuk werk van deze verwoedde mensen begaan tegen 143 Hoogduitse knechten/ die katholiek waren.
Deze dienende onder den Overste Polwyler, en van haar medemakers verlaten/
-248-
143. Soldaten te Hoorn om hals gebragt.
Hadden haar op bescheidenheid te Wormer aan den vijand overgegeven/ daarop naar Hoorn zijnde gevoerd/ werden zij daar op een gans wrede wijze om hals gebracht.
Want te scheep gezet/ werd een gedeelte in zee verdronken/ met kogels doorschoten/ of met pieken en helbaarden doorregen/ en veel andere ten doel gesteld van de schutters gezellen/ die als na het wit op haar schoten.
Men zei dat de scherprechter haar zeer bedankt heeft omdat zij hem zo trouw geholpen hadden/ en dat hij ter stad uitgaande/ niet zonder een schamper verwijt zou geseid hadden/ dat den raad van Hoorn zijn dienst niet meer van node hadden, andermaal haar burgers dat ambacht zeer wel verstonden.
Woggenom een Dorp by Hoorn. Koppen Cornelis Soon, en Nanning Koppen Soon.
Ten noorden van deze stad is zeker dorp Woggenum 2 mijlen daarvan af gelegen/ daar ene Koppen Cornelisz Soon, zijn vaderlijke landen in stilte en grote neerstigheid beschouwde/ deze was een eerlijk/ zachtmoedig/ en zedig man/ beschaamd van wezen; en onder andere deugden de herbergzaamheid beminnende/ terwijl hij zorg droeg om de armen en verdrevene in zijn huis op te brengen/ de hongerige te verzadigen/ en de ellendige van zijn middelen mede te delen/ zo veel hem mogelijk was.
Hun Godvrugtig Leven.
Gij zoude geseid hebben dat hij niet ongelijk was aan Tobias uit de stam van Napthalin, terwijl hij ook maar een enige zoon had Nanning genaamd/ die hij veel eer vlug van verstand/ als ter been 9 want die waren door ziekte den jongeman zeer opgezwollen) van jongs af aan geleerd had God te vrezen/ en zich te onthouden van alle kwaad.
Deze dan met de naam en in der daad een onderdrukker der fouten en gebreken/ en die onder zijn gezag geacht werd een van de voornaamst onder de rechtzinnige katholieken.
Koppe en Nannink gevangen.
-249-
Sonoy had al aanstonds/ even na het vertrek der Spanjaarden uit Kennermerland en Noord-Holland, belast/ dat men deze man gebonden nevens zijn vrouw en beide kinderen/ zou naar Alkmaar voeren.
Maar zijn vrouw en dochter kort daaraan zijnde losgelaten/ begon hij hem te beschuldigen/ dat hij brandstichters had gehuurd om de omliggende landstreek in kolen te leggen.
Koppe, 10. maal fel gepijnigt.
Hij dat ontkennende hebben zij hem meer dan tien maal gepijnigd/ en allerhande uitgezochte tormenten aangedaan.
Want zij branden zijn oksels onder de armen/ en de planten zijner voeten met brandende kaarsen/ en zijn andere leden op een afgrijselijke wijze met linnen doeken bedekkende/ alvorens doorweekt in brandewijn/ of andere combustibile wateren/ die zij dan in brand staken.
Zijn krachten begonnen nu door de grote smerten te bezwijken/ en tot scherper onderzoek gebracht zijnde/ zo viel hij uit vrees van nog groter pijn/ angstvallig onder de voet/ en gaf zijn geest/ die bevelende in de handen van zijn almachtige schepper/ den 14. juni 1575.
Zijnde de feestdag der H. drievuldigheid/
Koppe, de oude Man dood gepijnigt sterft.
Terwijl zij ondertussen onder het domme volk een gerucht lieten lopen/ dat den duivel hem de nek had gebroken, om een schandig schelmstuk/ 't geen hij niet had willen bekennen.
Maar omdat zij niet zouden schijnen zonder reden gewoed te hebben/ zo lieten zij het lijk door den beul vierendelen/ de ingewanden uithalen/ en zijn hoofd steken op een der poorten van Alkmaar, zijn goederen daar en boven confisquerende
Dit was het rampzalig einde van deze vrome man/ die zijn leven gedurende had bewaard de eenvoudige waarheid van het rechtzinnig katholiek geloof, gewandeld in de vreze Gods/ en de arme had welgedaan.
-250-
Buren door de Spaansche ingenomen.
Onderwijle den Overste Valdes enigszins in zijn vorige gezondheid hersteld zijnde/ zo brengt Hierges het Spaanse leger voor Buren; gelegen in het opperste van Holland; dit stedeke en desselfs sterk kasteel/ door de rivier de Linge bespoeld ingenomen hebbende/ zo rukt hij met aller spoed met het leger naar Holland, en belegerd Oudewater.
Als ook Oudewater.
Dit stedeke was naar zijn grote zeer wel versterkt/ en met vier vaandelen soldaten bezet.
De muren daarop door het geschut zijnde ter neder geveld/ werd dat in Augusto ingenomen/ en bij geval in brand gebracht/ door den overwinnaar schandelijk mishandeld.
Dat verbrand en deerlijk mishandeld word.
In dezer stad hadden zich verborgen bij de Celliten zekere nonnen zogenaamd/
Splinterus gerardi Nicolaus van Suijd polsbroek.
De voortreffelijke priesters en belijders van Christus Splinterus gerardi Soon/ en Nicolaus pastoor van zuid polsbroek een geestig geleerd man van tachtig jaren/ deze werden in deze algemene woede ellendig om hals gebracht.
Schoonhoven ingenomen.
Daarna hebben die van Schoonhoven, beschoten met enige stukken kanon/ zich ook aanstonds overgegeven/ en de vijanden verdreven uit al haar sterktes langs de Lek en de Maas.
Van al die kleine steden van Holland, die Utrecht van voren enigszins belemmerden/ was Woerden alleen overig/ de geboorteplaats van Jan de Bakker, deze een priester, en aangedaan met een zinloze begeerte om een vrouw te trouwen/ heeft onder de Hollanders aldereerst de ketterij van Luther omhelst/
Jan de Bakker tot Woerden luiters Predikant, Woerden de sleutel van Holland.
Om deze reden geloof ik/ dat die van Woerden tot deze sekte altoos meer zijn genegen geweest/ als tot de Calvinistiese godsdienst.
Dit stedeke werd vanouds de sleutel van Holland genaamd omdat de legers der Romeinen, en van andere volken gewoon waren/ den Rijn afzakkende hierdoor naar Holland en het heilige Boich, ( Latijn: Bô(i)î, ôrum m Kelt. Volksstam. ik denk dat hier bedoeld wordt, Landstreek.)
-251-
Het heilige Boich te trekken.
“t Welk/ zo het door de wapenen had kunnen gebracht werden onder de gehoorzaamheid des Koning het met de Hollander zou zijn gedaan geweest.
Maar de kracht van het legerdoor Requelens zijnde op ontboden/ tot de tocht naar Zeeland, en de belegering van Zierikzee, zo zijn de vijanden veeleer binnen de vesting ingesloten/ als krachtdadig overwonnen.
Nanning Koppens Soon 26. maal seer fel gepijnigt.
Terwijl deze dingen voorvielen/ zo heeft men onderwijle nog wreder gehandeld met de zoon Nanning Koppens, ziekelijk aan dikke benen/ en die zij veertien maal binnen Alkmaar, en twaalfmaal zeer wredelijk op het slot van Schagen hebben gepijnigt.
Hier ontbraken geen kaarsen/ brandende olie/ brandewijn/ rotten/ en zoogkalveren/ ook geen pijpen/ daar zij zijn blaas mede opbliezen/ nog riederen daar zij hem mede in de liezen sloegen.
Grouwelijk gehandeld.
Het is gruwzaam om te verhalen.
Zij zetten den hongerige jongeling gezouten haring en droog brood voor/ en benemen hem allerlei drank/ door welke zoute kost hij onlijdelijke dorst leed.
Wat zal ik veel zeggen! Hij zou zekerlijk onder zo veel tormenten gebukt hebben/ en had voor genomen/ ik weet niet welke onschuldige te betichten/ en door pijnen overwonnen alles te zeggen/ 't geen deze wrede rechter begeerden/ zo daar enige vrienden niet geweest waren/ die in 't heimelijk hem vertroosten/ het H. Evangelium voorhoudende/ en hem aanmanende om te gedenken aan het lijden onzer Here.
P. Opmeer 's moedgeving aan Nannink.
Zeggende dat hij met des te groter pogingen moet strijden om de hemelse kroon te verlangen/ en zo veel dappere helden navolgen.
Daar in de schippers gelijk/ die veel zeeën hebbende overgevaren/
-252-
met kostelijke waren bevracht/ al haar zorgen aanwendende/ om alle klippen en rotsen/ die haar zouden kunnen schadelijk zijn/ te vermijden/ en dus doende/ een gewenste haven te bezeilen.
Sententie om gevierendeeld te worden.
Daarop naar Hoorn gevoerd zijnde/ waar de gecommitteerden van West-Friesland vergaderd waren/ werd hij daar veroordeeld tot zodanige straf/ als men gemeenlijk de landverraders aan doet/ namelijk/ dat hij zou gevierendeeld/ en zijn hart uit het lijf werden gehaald.
Wanneer hij nu te voorschijn werd gebracht om deze gruwzame straf te ondergaan/ zo heeft deze jongeman met een verwonderlijke standvastigheid des gemoed/ en een onvergelijkelijke kloekmoedigheid zijner ziele voor den raad en het volk zichzelf verdedigt/
Nannink op het schavot komende, betuigt hun beider onschult.
En zijn/ mitsgaders zijn vaders onschuld ten volle beweerd/ en zo treffelijk deze schandvlek van trouweloosheid/ en het verraden van zijn vaderland af gewist/dat daardoor een algemene oproer en murmuratie onder het volk ontstond/ en zelfs zijn wreedste vijanden/ en de Calvinistische predikers bij de rechter aanhielden/ dat hem geen smerten meer mochten worden aangedaan.
O, bloeiende bloemen der kerke! O! kostelijke steen onder de kerkelijke sieraden! O! hemels gemoed/ en wonderlijke standvastigheid van deze doorluchtige belijder/ die alleen aangezet door huiselijke voorbeelden van geloof en deugd van zijn vader niet heeft willen ontaarden/ of minder zijn dan hij.
Zo deze man zich zo treffelijk heeft gedragen in deze zware strijd/ en den arbeid deze tijd zo kloekmoedig heeft uitgestaan/ wat glorie rijke kroon menen wij in den hemel niet wel ontvangen heeft! Des anderendaags nog maar half geworgd zijnde/ werd hem nog levend zijnde het hert uit het lijf gerukt/ nadat hij nogmaals zijn onschuld had verklaard/
-253-
Wort half gewurgt, 't hert uitgehaald en gevierendeelt.
En gezegd deswege te zullen zijn een erfgenaam des eeuwigen levens, zijn lichaam werd wijder gevierendeeld/ en de kwartieren ter poorten van de stad Hoorn uitgestoken.
Sijn Hooft op de toorn te Woggenum geset.
Zijn hoofd op een staak gesteld/ werd op de toren der kerke van Woggenom opgehangen; terwijl zijn ziel opgenomen in de hemelse vergadering daar boven genietverzadiging der vreugde voor eeuwig en altoos.
Onderwijle liep er een sterk gerucht door West-Friesland dat men toe geleid had op het leven van 400 rijke katholieke roomsgezinde, die uit dit nakende gevaar verlost door toedoen van Johannes Jeroenz. En zijner metgezellen.
Johannes Jeroens van Hoorn.
Een smeekschrift overleveren aan het hof van Holland in den Haag, waarin zij klagen van het geweld haar aangedaan/ en dat zij voor het hof mochten te recht gesteld worden.
Men verhaald dat Heraclitus zijn Ephesiers scherpelijk berispt heeft/ en geoordeeld dat al de volwassenen dier stad/ de onnozele jeugd alleen uitgezonderd/ de dood verdiend hadden/ terwijl zij Hermodorum haar voortreffelijke de stad hadden uitgejaagd/ zeggende; niemand moet ons ongelijk zijn/ en die dat wil zijn/ laat dat op een andere plaats/ en met andere geschieden.
Gelijkenis van Heraclitus.
Wat meent gij dat hij zeggen zou/ als hij bezag de bloeddorstige wreedheid dezer barbaarse mensen? maar laat zulks gezwegen werden/ laat ér een Heraclitus ontbreken/ die de ellende dezer ongelukkige wereldlingen bewenende/ echter die na verdiensten niet kan straffen?
Hoe? zal daarom haar geweten nalaten haar te beschuldigen/ die zij alom met zich omvoeren/ en als met ketenen aangebonden zijn/ zonder hoop van ooit daar van te zullen ontslagen worden/ maar in dit schelmse leven bewaard/ eindelijk eens na een korte levensstond zullen moeten rekenschap geven voor de ontzaglijke vierschaar der goddelijke majesteit
-254-
behoren zij niet opgewekt te worden door de voorbeelden hare metgezellen?
Register, van de straffe Gods over 't meestendeel deser Tyrannen.
Terwijl Cabeljaauw door onlijdelijke pijnen binnen Alkmaar is gestorven/ Houtebeen te Enkhuizen onder gasten en brassen is om hals geraakt/ 't Seraarts na een ongelukkige schermutseling/ van verraad beschuldigd/ voor de St. Jans poort binnen Geertruidenberg zeer wredelijk is vermoord.
Ænocapito van de Spanjaarden binnen Utrecht onthalst; Wigbold de Vries binnen Medemblik, Marinus Brand binnen Saftinge een dorp in Vlaanderen zijn vermoord; d' Aumale te Delft zeer schandelijk is opgehangen/ de Croix van de zijne wredelijk gedood.
Ripperda binnen Haarlem voor het zwaard van de overwinnaar heeft moeten bukken/ en alle op een ongelukkige wijze zijn aan haar einde geraakt
Wat zal ik veel zeggen van den vermaarden Zeerover Lumei en deselfs Luitenant Bartel Entens?
Wanneer die beide beschuldigd van grote euveldaden binnen Delft zijn gevangen/ en van daar naar Engeland gevlucht/ eindelijk na veel uitgestane ellenden/ den laatste als een verrader van zijn vaderland voor Groningen is door de kop geschoten/ en den eerste als een Grouwelijk afschouwelijk monsterdier/ onwaardig om door een menselijke hand te sneuvelen/ door een Engelse Dog zodanig is gebeten/ dat hij als een razende in het land van Luik is omgekomen.
Godt spaart dikwils de straffe tot het toekomendeleven.
Maar zult gij zeggen/ altsame is haar dat noodlot niet te beurt gevallen.
Nademaal de voornaamste stichter dezer grouwelen/ als Willem Sonnenberg, en Willem Kalf tegenwoordig nog in levenden lijven zijnde
-255-
en den eens om zijn heldendaden met het schoutschap van Amsterdam, en den ander met het Bailliouschap van Brederode zijn begiftigd.
Maar de tijd laat niet langer toe dusdanige Perillen, als uitvinders in haar eigen koperen sterren op te fluiten/ die schijnen nu gemeenzame en beleefde mensen/ en bekwaam tot onderhandelingen.
Laat dit zo zijn/ en andere vrij geloven dat zij gerust en gelukkig leven/ voor mij ik acht dat zij ongelukkig zijn/ en een wroegend geweten in haar boezem omdragen/ en dat de voorwerpen van begane afgrijselijkheden menigmaal haar slaap storen/ en wakker houden.
Moeten wij niet geloven dat wij gedurig bevangen zijn met de vrees van dat onuitblusselijke vuur/ en de schrik van het laatste oordeel?
Gelukkige VVoggnumse Martelaren.
Daar onderwijle onze H. martelaren Koppe en Nanning opgeschreven in het register der hemelingen/ genieten van onuitsprekelijke goederen/ terwijl haar gedachtenis op der aarde onder de levenden in zegening is.
Zij hebben wel kunnen zondigen/ maar niet verloren gaan/ wel misdoen/ maar daarin niet volharden.
Daarom zijn haar goede werken bevestigd in de Here/ en de kerke zal haar mildadigheden prijzen.
Jesus Sy rach.
De gedachtenis der rechtvaardigen zal in zegening zijn, maar de naam der goddeloze zal verrotten.
Byvoegend kort verhaal der Martelarie en doot van Koppe Kornelis Soon, met Nannink, sijnen Soon, Huisluiden tot Woggenum, buiten Hoorn, 1575. Uit de Gedenkschriften der Nieugesinden.
Door de onmenselijke wreedheid/ en uitmuntende tirannie/ aan deze vrome katholieke huisluiden bedreven/ vereist de voortreffelijkheid van dit martelaarschap, dat wij deze geschiedenis wat hoger van 't begin/ ophalen.
Daar werd een vals gerucht uitgestrooid/ dat er enige landlopers en leeggangers/ van de vijand omgekocht waren om enige dorpen in brand te zetten/ hierop werden enige van zulk slag/ ook andere die geen kwaad bedreven hadden/ opgevat/ tot xx. In getal.
Diderik Sonoi, Gouverneur van Noord-Holland, een uitlander zuur van aard, en graag na 't scherpste, stelde een nieuwe rechtbank, in plaats van de gewone vierscharen/
De namen deser Regters, vint men by P. Bor. En P. C. Hooft op 't jaar 1575.
Onder welke de ingezetenen stonden/ waartoe hij verkoos/ meestal onhebbelijke mensen, die hij vertrouwde/ uit zijn ogen te zullen zien/ en wat tot zijner vinnigheid lusten mocht/ te zullen doen/ tot 6 of 7 in getal/ welke naderhand/ door haar uitstekende wreedheid/ door geheel Noord-Holland, de bloedraad genoemd werd.
De gevangenen van deze rechters/ ten scherpe onderzoek gebracht zijnde/ beleed d' een deze/ en d' ander die kleine misdaad/ en meer was er met force niet uit te halen.
-257-
Onder deze was er ene Jan Driemunt van Hoorn, zijn standvastigheid verdiend/ dat men hem noemt/
Jan Driemunt op de Pijnbank.
Deze heeft 3 of 4 maal een zeer felle pijnbank te Alkmaar uitgestaan/ zonder enig huisman te bekladden/ hoe sterk hem deze rechters zulks afvorderden.
Eindelijk binden zij hem ruggelings op een ladder/ de armen omhoog achterwaarts uitgestrekt/ en meer dan 200 pond gewicht aan zijn grote tenen/ hing dus wel vier een half uren lang/ dat hem 't zweet als water langs `t lijf afliep/ en op de zolder droop/ nu vraagde hem deze rechters/ lezende het hem uit een boekje voor/ of/ Koppe Cornelis en Nannink Koppens zijn zoon, Midsgaders Pieter Nanninks van Benningbroek, hem niet omgekocht hadden/ om brand te stichten/ daar bijvoegende/ ziet wij weten het toch wel/dat het waar is/ gij zult het ons zeggen/ en hun beschuldigen/ of wij zullen u alle dagen gedurig dus pijnigen:
Sijn Taije Lijdsaamheid.
(vehemente: Latijn, Frans. hevig, sterk, geweldig. Van Dale.)
Op al het welke jan Driemunt niets geantwoord heeft; de rechters niets van hem/ in deze vehemente pijn krijgen kunnende/ laten hem dus hangen/ en gaan naar de herberg in 't Moeriaans hooft/ mits dat de beul bij hem bleef.
De Regters drinken haar sat in de Herberg.
Nadat deze ellendige dus wederlang gehangen had/ zij hij tegen de beul, Meester Jacob ik kan 't onmogelijk niet langer lijden, ei lieve ras, haalt de heren, de beul in de herberg komende/ vindt deze rechters lustig beschonken/ en na lang dralen/ komen ze eindelijk op gestoven van de drank/ bij de patiënt.
Jan Driemunt zei/ wat begeer je van mij te weten, zij zeiden/ dat je ons de waarheid van 't verraad zult zeggen, en wie de makkers en Complicen zijn, zeg dit, en wij zullen u aflaten, en niet meer pijnigen.
Door de Pijn beklat hy, die de Regters beklagt wilde hebbe.
De patiënt zeide/ laat mij af, ik zal 't u al zeggen: afgelaten zijnde/ zeiden de rechters tegen hem/ zeg het ons nu, en u leven is u geschonken.
-258-
toen zegde hij/ dat hij van de voornoemde huisluiden van Woggenum en Benningbroek omgekocht was/ correct/ zoals de rechters/ hem het uit haar boekje te voren gelezen hadden.
Jan Driemunt hierop menende vrij te zijn/ niet twijfelende aan de beloften die de rechters hem gedaan hadden/ is des anderendaags op een wagen gezet en buiten de Alkmaarse Kennemers poort gevoerd/ op een plaats die men noemde Repkiskuil, alwaar hij zijn sententie kreeg om levendig verbrand te worden.
Korte Sententie om Levendig verbrant te worden.
Als hij van de wagen trad/ ging hij knielen/ en op een hoogte aldaar gaande/ sprak hij tot al het volk zeer kloekmoedig/ deze woorden: Gij goede luiden, daar zal ik de dood op sterven, dat die huisluiden die ik door het zwaar pijnigen, beschuldigd heb, nog ik, geen schulden hebben aan enig verraad, ja niet meer dan de stenen in de straat, of 't jongste kind, dat van de nacht geboren is:
Sijn Letste Reden voor 't Volk.
Nu ging hij opstaan/ om op 't krukje te zitten/ en verbrand te worden/ toen heeft hij nog gezegd/ hier en heeft mij geen recht mogen gebeuren, dan ik hoop, dat god mij genadig zal wezen, die te zijner tijd mijn zaak zal rechten.
Daarop werd hij voort half gewurgd/ verbrand werd.
Dus veel tot een voorbereiding van onze martelaren.
Koppe Cornelisz wort 8. maal vreeslijk gepijnigt.
Hierop is Koppe Kornelisz, en Nannink, vader en zoon, ten eerste in hechtenis genomen/ en gevoerd op 't huis, of slot, te Schagen, de oude man/ moest er het eerst aan.
Deze rechters hebben hem 8 of 9 maal zeer wreed gepijnigd/ daarna hebben zij oud lijnwaad/ met 8 kannen brandewijn/ op zijn naakt lichaam verbrand/ van 't hoofd tot de voeten/ zodat hij geheel zwart en mismaakt was/ gaan noch staan kon/ want de zolen van zijn voeten/ tot de zenuwen toe/ waren uitgebrand/ waardoor hij gedurig in zwijm lag/
-259-
Valt t' elkens in swijm.
Doch zijn standvastigheid en onnozelheid bezweek nooit: in alle welke onmenselijke tormenten/ deze vrome man/ niets ten lustte dezer rechters uitte.
Koppens Defensie.
Vraagt, zijde hij/ na mij in ons dorp, aan de wet, officier, en al het volk, wat ik voor een man ben, en hoe ik mij altijd gedragen heb.
Op den 2. juni/ werd hij weder opnieuw/ zeer vreselijk gepijnigd/ dat ze telkens meenden hij op de plek dood bleef.
Na de middag/ geboden zij hem/ boven bij haar te komen/ maar moest/ ondersteund/ door flauwheid/ telkens op de trappen rusten/ op de kamer komende is hij door machteloosheid/ met zijn handen/ op de tafel gevallen/ zeggende/ wat begeer je van mij te weten, zij zeiden/ 't geen wij u vandaag voorgehouden hebben/ waarop deze ellendige/ dus deerlijk gehavend/ voor zijn laatste woorden/ nog zei/ ik weet u niets te zeggen, en met/ zo valt hij dood op de zolder neer,
Koppe valt dood ter neder den 18 Juni.
De beul vatte hem op/ menende hij weer in zwijm viel/ maar ziende dat hij dood was/ zeiden deze rechters, de duivel heeft deze schelm den hals gebroken, en ter helle gevoerd.
Zijn dood lichaam werd in 4. stukken gehouwen/ en ten toon gesteld.
Dit is 't uiteinde/ van deze vrome huisman.
Die met de goddelijke hulp/ in al deze vreselijke tormenten/ dus dood gepijnigd/ hem standvastig gehouden/ en niets tegen zijn goed geweten, ten gevalle van deze boze rechters/ gedaan heeft.
Psalm. 116.
Kostelijk is in de ogen des heren, de dood, zijner gunstgenoten.
|