

Gooische boerderijen
Het landschap in het Gooi bepaalde het
boerderij type. De erfgooiers-boeren hadden het niet makkelijk met de arme
gronden in het Gooi. De meenten waren nog niet in cultuur gebracht en op de
hogere heidegronden werden alleen schapen gehouden. Door de bepalingen van het
erfgooiers recht waren de bedrijven kleinschalig. Men mocht immers maar een
beperkt aantal vee weiden op de meenten. In een slechte zomer kwamen de koeien
vaak magerder terug op stal. Meer koeien op een schaar laten weiden betekende
inbeslagname. Loting bepaalde waar je de koeien kon weiden en het betekende
voor de bedrijfsvoering vaak grote afstanden om het vee te melken en verzorgen.
door de eeuwen heen hebben de boeren te lijden gehad van oorlog en plunderingen
zoals bij het beleg van Naarden. Schadeloosstellingen bleven uit.
De Gooise boerderij is
een hallehuis met lage zijgevels waarin grote deuropeningen zitten. Het Gooi was
altijd een arm gebied met schrale grond. 's Winters kochten veel boeren extra
vee om 's zomers meer grond te bemesten. Er was dus ook meer opslagruimte nodig
voor hooi. In de deel van een Gooise boerderij (bij één van de grote deuren in
het licht) stond vaak een weefgetouw dat voor extra inkomsten zorgde
STADSBOERDERIJEN
In het vestingstadje Naarden leefden boer en
burger eeuwenlang samen tot beider voordeel. De boer kon zijn producten direct
afzetten bij het garnizoen en de burgers, die zo steeds vers voedsel ter
beschikking hadden. Ook fungeerde de boerderij 1), bij belegering van de
Vesting, als voedselvoorraad voor het ingesloten leger en burgerij. 2) Het
garnizoen maakte bij allerlei gelegenheden altijd gebruik van de vervoermiddelen
van de boeren. Zowel paarden als wagens werden bij tijd en wijlen gevorderd.
Zelfs het vooroorlogse Nederlandse leger (en uiteraard de bezetters) spanden de
vestingboeren voor hun karretje, zelfs voor de kanonnen. 3)
Boerderijen en woonhuizen stonden pal naast elkaar. De boerderijen waren
daardoor aangepast aan de rechte straten en de beschikbare ruimte. Ze
verschilden sterk van de boerderijen in de omliggende dorpen, met een hooiberg
op het erf en een tuin ernaast. In plaats van het brandbare riet op de Saksische
boerderijen werden in Naarden de daken bedekt met dakpannen. De voorschriften
dateerden uit de 17e eeuw, na de grote brand, die het westelijk deel van de
Vesting grotendeels verwoest had. Tot in de 19e eeuw hadden de vestingboeren een
gemengd bedrijf. De koeien stonden in potstallen en werd vooral gehouden voor de
mest. 4) Dit was noodzakelijk om de zanderige akkers vruchtbaar te maken.
Voordat de aardappel zijn intrede deed, verbouwde men boekweit en koren. De
roggeoogst werd opgeslagen op slieten ( losse balken) boven de dorsvloer. De
schoven konden daar verder drogen Iedere wintermorgen werden enkele schoven op
de dorsvloer uitgespreid en de aren met de dorsvlegel bewerkt. Tijdens de
hongerwinter in WO II werd deze manier van dorsen weer toegepast, omdat
dorsmachines ontbraken.
Begin 20e eeuw werd in Naarden de potstal vervangen door de schone groepstal.
Vanaf die tijd
woonden binnen de wallen hoofdzakelijk veehouders , die tevens ’melkboer’ waren.
Melk werd ook geleverd aan het vooroorlogse garnizoen, de levering geschiedde na
inschrijving. In 1945 waren er nog 17 boerenbedrijven binnen de vestingwallen.
Van deze veehouders waren er 7 niet van oorspronkelijke Gooise families
afkomstig. ( Bijvoorbeeld de veehouders Linck waren van Duitse afkomst) De
andere 10 waren scharende erfgooiers, die verenigd waren in de ’Vereniging van
Stad en Lande van Gooiland’. Ze hadden het schaarrecht om hun ’schaar’ vee te
laten grazen op de Naarder Meent en het Ondersloot. Nog in de 19e eeuw was de
schaardag op de 1 mei volgens de 16e eeuwse tijdrekening, dat wil zeggende op 12
mei volgens de huidige kalender. 5) In de 20e eeuw werd de schaardag afhankelijk
gemaakt van de toestand van het grasgewas, wat neer kwam op omstreeks de 1e mei.
In de Gooise dorpen bepaalde deze datum ook de trouwdatum van de jonggehuwden.
Praktisch alle jonge katholieke erfgooiers (alleen de dorpelingen van Huizen
waren overwegend Hervormd) trouwden na het Paasfeest en voor de 12 mei. (tijdens
de vastenperiode werd normaal nooit katholiek getrouwd ). De jonggehuwden konden
dan gebruik maken van hun recht om goedkoop wat koeien te houden, van de
opbrengst konden ze dan de winter doorkomen. 6)
In de winter vormde de mest en de gier een probleem. Veel mocht en kon niet
opgeslagen worden op het boerenerf. Bij ijzel en strenge vorst moest de mest
weggereden worden in wagens met gladde ijzeren ’banden’. Ook het paard kon
uitglijden en werd daarom ’op scherp gezet’. In de hoefijzers zaten tapgaten,
waarin stalen pinnen werden gedraaid. De mest ging gedeeltelijk naar een gepacht
akkertje, de grootste afnemers waren de groente- en boomkwekerijen.
Naarden had oorspronkelijk een verzorgingsfunctie voor de omgeving, daarom waren
er winkels en bedrijven. De vestingboerderijen behoorden tot de
voedselleveranciers. Ze waren zichtbaar en ruikbaar aanwezig. (er werd zelden
over geklaagd) Het leven en werken op die boerderijen maakte ook deel uit van de
tradities van generaties Naardense jeugd. Naardense meisjes en jongens hebben
jaarlijks tijdens de hooibouw deelgenomen aan het hooitrappen. Ongeveer 50 voer
hooi werd in een maand tijd per boerderij ondergebracht. De buurtjeugd, ieder
had wel een ’eigen’ boerderij om de hoek, kwam tijdens het lossen van het hooi
opdagen. De kleinsten dansten en sprongen rond op de hooiklamp, de groteren
stouwden het hooi in alle hoeken en gaten. Hiermee voorkwam de boer dat de
hooiklamp te snel steeg en de hooischuur te vol raakte. Thuis kreeg de jeugd op
z ‘n kop, omdat ze onder de hooikrok (graszaad) zaten. Bij het eieren rapen
liepen ze weleens kippeluis op, dat kon flink jeuken.
Gooise Hooibergen
In het Gooi komen voornamelijk de vierroeier
voor waarvan hieronder een afbeelding te zien is. Op oude kaarten van Blaricum
zijn een groot aantal hooibergen te zien met 5 of 6 kanten. Kenmerken zijn de
rieten kap. Veel van deze hooibergen zijn verdwenen uit het landschap in het
Gooi.
De vierroeier is typisch voor Gooi, Gelderse
Vallei en Utrechtse Heuvelrug
Noten;
1 ] Stadsboerderijen is eigenlijk de juiste benaming. Nu echter in de
Naardense woningadvertenties staat ’vestingpand’ of ‘vestinghuis’ , lijkt ook
het begrip vestingboerderij geschikt.
2] Het zijn echter vooral de Franse troepen geweest, die tijdens het beleg in
1672 en 1813 van de voedselvoorraad hebben geprofiteerd.
3 ] Hoewel de boerenzoon Herman de Gooijer uit de Pijlstraat 12 nog geen
militair was, moest hij bij het begin van WO I in 1914 met eigen paardentractie
kanonnen wegbrengen naar Utrecht.
Einde WO II stal de Duitse wehrmacht zijn paard, net als bij de overige boeren.
4 ] In een potstal staat een koe op haar eigen mest. In het begin van de
stalperiode stond ze in een kuil, die steeds verder gevuld werd met een nieuwe
laag heiplaggen. Steeds steeg dus de mestbodem. Bij een moderne groepstal
komt de mest in een goot achter de koe.
Bron: F.F.J. de Gooijer: kadstrale kaart Blaricum
De
Hr. Lanphen site Hooibergen
Home / Wat is een erfgooier? / Floris V / Koptienden / waarschouwinge / Lustigh / Buurmeesters / Gooische boerderijen / Floris vos / dr. van Hengel / Albertus Perk / Blekers / Stamboom / Familie geschiedenis / Nico van den Berg. / Cresedo / Over mij / Familiewapen / Begraafplaatsen / Fotoboek / Gastenboek
|