Home
Wat is een erfgooier?
Floris V
Koptienden
waarschouwinge
Lustigh
Buurmeesters
Gooische boerderijen
Floris vos
dr. van Hengel
Albertus Perk
Blekers
Stamboom
Familie geschiedenis
Nico van den Berg.
Cresedo
Over mij
Familiewapen
Begraafplaatsen
Fotoboek
Gastenboek



Gooische boerderijen

Het landschap in het Gooi bepaalde het boerderij type. De erfgooiers-boeren hadden het niet makkelijk met de arme gronden in het Gooi. De meenten waren nog niet in cultuur gebracht en op de hogere heidegronden werden alleen schapen gehouden. Door de bepalingen van het erfgooiers recht waren de bedrijven kleinschalig. Men mocht immers maar een beperkt aantal vee weiden op de meenten. In een slechte zomer kwamen de koeien vaak magerder terug op stal. Meer koeien op een schaar laten weiden betekende inbeslagname. Loting bepaalde waar je de koeien kon weiden en het betekende voor de bedrijfsvoering vaak grote afstanden om het vee te melken en verzorgen. door de eeuwen heen hebben de boeren te lijden gehad van oorlog en plunderingen zoals bij het beleg van Naarden. Schadeloosstellingen bleven uit. 

 

De Gooise boerderij is een hallehuis met lage zijgevels waarin grote deuropeningen zitten. Het Gooi was altijd een arm gebied met schrale grond. 's Winters kochten veel boeren extra vee om 's zomers meer grond te bemesten. Er was dus ook meer opslagruimte nodig voor hooi. In de deel van een Gooise boerderij (bij één van de grote deuren in het licht) stond vaak een weefgetouw dat voor extra inkomsten zorgde

STADSBOERDERIJEN
In het vestingstadje Naarden leefden boer en burger eeuwenlang samen tot beider voordeel. De boer kon zijn producten direct afzetten bij het garnizoen en de burgers, die zo steeds vers voedsel ter beschikking hadden. Ook fungeerde de boerderij 1), bij belegering van de Vesting, als voedselvoor­raad voor het ingesloten leger en burgerij. 2) Het garnizoen maakte bij allerlei gelegenheden altijd gebruik van de vervoermiddelen van de boeren. Zowel paarden als wagens werden bij tijd en wijlen gevorderd. Zelfs het vooroorlogse Nederlandse leger (en uiteraard de bezetters) spanden de vestingboeren voor hun karretje, zelfs voor de kanonnen. 3)



Boerderijen en woonhuizen stonden pal naast elkaar. De boerderijen waren daardoor aange­past aan de rechte straten en de beschikbare ruimte. Ze verschilden sterk van de boerderijen in de omliggende dorpen, met een hooiberg op het erf en een tuin ernaast. In plaats van het brandbare riet op de Saksische boerderijen werden in Naarden de daken bedekt met dakpannen. De voorschrif­ten dateerden uit de 17e eeuw, na de grote brand, die het westelijk deel van de Vesting grotendeels verwoest had. Tot in de 19e eeuw hadden de vestingboeren een gemengd bedrijf. De koeien stonden in potstallen en werd vooral gehouden voor de mest. 4) Dit was noodzakelijk om de zanderige akkers vruchtbaar te maken. Voordat de aardappel zijn intrede deed, verbouwde men boekweit en koren. De roggeoogst werd opgeslagen op slieten ( losse balken) boven de dorsvloer. De schoven konden daar verder drogen Iedere wintermorgen werden enkele schoven op de dorsvloer uitgespreid en de aren met de dorsvlegel bewerkt. Tijdens de hongerwinter in WO II werd deze manier van dorsen weer toegepast, omdat dorsmachines ontbraken.

Begin 20e eeuw werd in Naarden de potstal vervangen door de schone groepstal. Vanaf die tijd woonden binnen de wallen hoofdzakelijk veehouders , die tevens ’melkboer’ waren. Melk werd ook geleverd aan het vooroorlogse garnizoen, de levering geschiedde na inschrijving. In 1945 waren er nog 17 boerenbedrijven binnen de vestingwallen. Van deze veehouders waren er 7 niet van oorspronkelijke Gooise families afkomstig. ( Bijvoorbeeld de veehouders Linck waren van Duitse afkomst) De andere 10 waren scharende erfgooiers, die verenigd waren in de ’Vereniging van Stad en Lande van Gooiland’. Ze hadden het schaarrecht om hun ’schaar’ vee te laten grazen op de Naarder Meent en het Ondersloot. Nog in de 19e eeuw was de schaardag op de 1 mei volgens de 16e eeuwse tijdrekening, dat wil zeggende op 12 mei volgens de huidige kalender. 5) In de 20e eeuw werd de schaardag afhankelijk gemaakt van de toestand van het grasgewas, wat neer kwam op omstreeks de 1e mei. In de Gooise dorpen bepaalde deze datum ook de trouwdatum van de jonggehuwden. Praktisch alle jonge katholieke erfgooiers (alleen de dorpelingen van Huizen waren overwegend Hervormd) trouwden na het Paasfeest en voor de 12 mei. (tijdens de vastenperiode werd normaal nooit katholiek getrouwd ). De jonggehuwden konden dan gebruik maken van hun recht om goedkoop wat koeien te houden, van de opbrengst konden ze dan de winter doorkomen. 6) In de winter vormde de mest en de gier een probleem. Veel mocht en kon niet opgeslagen worden op het boerenerf. Bij ijzel en strenge vorst moest de mest weggereden worden in wagens met gladde ijzeren ’banden’. Ook het paard kon uitglijden en werd daarom ’op scherp gezet’. In de hoefijzers zaten tapgaten, waarin stalen pinnen werden gedraaid. De mest ging gedeeltelijk naar een gepacht akkertje, de grootste afnemers waren de groente- en boomkwekerijen.

Naarden had oorspronkelijk een verzorgingsfunctie voor de omgeving, daarom waren er winkels en bedrijven. De vestingboerderijen behoorden tot de voedselleveranciers. Ze waren zichtbaar en ruikbaar aanwezig. (er werd zelden over geklaagd) Het leven en werken op die boerderijen maakte ook deel uit van de tradities van generaties Naardense jeugd. Naardense meisjes en jongens hebben jaarlijks tijdens de hooibouw deelgenomen aan het hooitrappen. Ongeveer 50 voer hooi werd in een maand tijd per boerderij ondergebracht. De buurtjeugd, ieder had wel een ’eigen’ boerderij om de hoek, kwam tijdens het lossen van het hooi opdagen. De kleinsten dansten en sprongen rond op de hooiklamp, de groteren stouwden het hooi in alle hoeken en gaten. Hiermee voorkwam de boer dat de hooiklamp te snel steeg en de hooischuur te vol raakte. Thuis kreeg de jeugd op z ‘n kop, omdat ze onder de hooikrok (graszaad) zaten. Bij het eieren rapen liepen ze weleens kippeluis op, dat kon flink jeuken.

 

Gooise Hooibergen

In het Gooi komen voornamelijk de vierroeier voor waarvan hieronder een afbeelding te zien is. Op oude kaarten van Blaricum zijn een groot aantal hooibergen te zien met 5 of 6 kanten. Kenmerken zijn de rieten kap. Veel van deze hooibergen zijn verdwenen uit het landschap in het Gooi.

 

De vierroeier is typisch voor Gooi, Gelderse Vallei en Utrechtse Heuvelrug

 

 

 

 

Noten;

 

1 ]   Stadsboerderijen is eigenlijk de juiste benaming. Nu echter in de Naardense woningadvertenties staat ’vestingpand’  of  ‘vestinghuis’ , lijkt ook het begrip vestingboerderij geschikt.  

2]  Het zijn echter vooral de Franse troepen geweest, die  tijdens het beleg in 1672 en 1813 van de voedselvoorraad hebben geprofiteerd.

 3 ]  Hoewel de boerenzoon Herman de Gooijer uit de Pijlstraat 12 nog geen militair was, moest hij bij het begin van WO I  in 1914  met eigen paardentractie kanonnen wegbrengen naar Utrecht. Einde WO II stal de Duitse wehrmacht zijn paard, net als bij de overige boeren.

 4 ]  In een potstal staat een koe op haar eigen mest.   In het begin van de stalperiode stond ze in een kuil, die steeds verder gevuld werd met een nieuwe laag heiplaggen.  Steeds steeg dus de  mestbodem. Bij een  moderne  groepstal  komt de mest in een goot achter de koe. 

Bron: F.F.J. de Gooijer: kadstrale kaart Blaricum 

        De Hr. Lanphen site Hooibergen


Home / Wat is een erfgooier? / Floris V / Koptienden / waarschouwinge / Lustigh / Buurmeesters / Gooische boerderijen / Floris vos / dr. van Hengel / Albertus Perk / Blekers / Stamboom / Familie geschiedenis / Nico van den Berg. / Cresedo / Over mij / Familiewapen / Begraafplaatsen / Fotoboek / Gastenboek