|
|
|
|
Lambertus Hortensius
De werken van Hortensius waren in het Latijns geschreven. Waarom in het Latijns? Een mooie vertaling waarom er in deze tijd door vooraanstaande dichters en schilders in het latijn werd geschreven staan hier (click op het onderstreepte gedeelte)Op deze site worden de verhalen van Hortensius geplaatst. Dit vraagt natuurlijk tijd omdat het een behoorlijk boekwerk is. De verhalen van Hortensius bezorgen de lezer nu nog kippenvel. De slachting onder de Naardense bevolking is afschuwelijk geweest en van een ongekende wreedheid. Ook de redding van Hortensius door een sterke vrouw met een kind op haar arm is wonderbaarlijk te noemen. Om u vast een indruk te geven van de inhoud van het boek staat hieronder de index alvast.Om het leesbaar te houden heb ik de Nederlandse vertaling geplaatst. Geregeld zal er een aanvulling worden toegevoegd.
HortensiusOver de opkomst en den Ondergang van Naarden Met vertalingen en aantekeningen Van Prof. Peerlkamp En Nalezingen en bijvoegsels van A.Perk Uitgave Kemink en Zoon Utrecht 1866
Voorwoord
Het handschrift van Hortensius over de opkomst en den ondergang van Naarden, bekend door uittreksels, was in het ongereede, de nasporingen van den Heer Mees, in zijn geschrift over deze geleerde vermeld, van den Heer de Wind , en die welke door mij met tusshenkomt van den Heer Dedel, Archivaris van het Domijn te Utrecht, en den Hoogleraar Tydeman reeds voor meer dan dertig jaren een afschrift van hetzelfde voorkwam op eenen auctie te ’s Hage, van manuscripten uit de nalatenschap van den Minister van Maanen, was mij de gelegenheid tot verkrijging bijzonder welkom. Behalve de betrekkelijke waarde voor de kennis van de geschiedenis van Gooiland, deed de meer algemeene voor die van de Vaderlandse Historie, ook anderen daar prijs op stellen. Het afschrift, door iemand vervaardigd, der taal niet kundig, was op vele plaatsen onduidelijk en de zin dikwerf duister; ook plaatselijke bekendheid werd ter opheldering veeischt. Het was eene nieuwe uitkomst, dat de Hoogleeraar Peerlkamp, die in zeer werkzame rust zijne laatste jaren doorbracht, zich met de verbetering en vertaling wilde belasten. Dit vrij moeijelijk werk eenigermate buiten zijn vak, grootendeels ondernomen uit vriendschap, die ik , ook in andere opzichten ondervonden, steeds met dankbaarheid zal erkennen, kon wel niet in betere handen zijn gevallen. De werkzaamheid, zorg en volharding op zijnen hooge leeftijd daaraan besteed, heb ik dikwijls bewonderd. Gaarne bracht ik nu ook het mijne toe tot opheldering en aanvulling. Geschiedkundige berichten en stukken in den tijd van Hortensius, ten minste aan hem onbekend , schenen mij die opheldering wenschelijk te maken. Hier aan zijn mijne Nalezingen en Bijvoegselen hunnen oorsprong verschuldigd, welke ik met daaraan toegevende kaarten hoop dat met enige belangstelling en toegevende beoordeling mogen ontvangen worden door het publiek, zoo als zulk geschiedde door het Bestuur van het Historisch Genootschap, hetwelk de uitgave van dit een en ander op zich nam, waarvoor ik mijne erkentelijkheid betuige.
Hilversum,
Augustus 1866 A. Perk
Overzicht van de nalezingen en Bijvoegsels . Blz. Verhaal van Hortensius Onderwerp Nalezing Blz
Bijvoegsel Bladz
1 Twisten overdegrenzen 237 11 Lijst der Baljuwen 251111 Het Gooische Bosch 254 1V Kloosters 264 V Eerste toestand enz. van de Gooische dorpen 274 V1 Krijgsverrichtingen 280 V11 Toestand van Naarden, bloei en verval 293 V111 Geslacht van Nijenrode 299 1X Naardens ondergang 306 Korte aanteekeningen op bladz. 92 en voll. Hoofdinhoud 325 van het beschrijvend gedicht van Hortensius Hortensius
Over de opkomst en den Ondergang van Naarden Met vertalingen en aantekeningen Van Prof. Peerlkamp En Nalezingen en bijvoegsels van A.Perk Uitgave Kemink en Zoon Utrecht 1866
59 De oude stad Naarden is in den beginne gesticht door Keizer Otto 1. Maar die stad was gelijk ik van de inwoners vernomen heb, toen nader aan de Zuiderzee gelegen, dan de na verloop gestichte andere stad. Er dreven van tijd tot tijd doodsbeenderen uit de graven, voornamelijk rond de kerk, een oude wilgenboom en de molen. Bij mijn geheugenis zag men, toen het ebbende zeewater door een geweldigen zuiderstorm noordwaards gejaagd werd. Zeer ver van ’t strand, een ijzeren hek, waardoor men kon opmerken hoeveel land de ebbe in die tijd heeft weggespoeld. Voorts heeft Joan van Arkel, Bisschop an Utrecht, de oude stad verwoest in een oorlog, die ontstaan was wegens een voormalig ontegt en geschil over de veenen en grensscheidingen: welk geschil onlangs beslecht is bij den Hoogen Raad, waar de zaak van weerskanten met grote drift bepleit werd. De grensscheiding is toen aangewezen door het leggen van een dijk van het Oosten naar het Westen. Anderen meenen dat de stad verdelgd is omdat de stadsvoogd der Naarders een neerlaag aan de Amersfoorders had toegebracht. Hoe dit zij, men stichte een andere stad, meer binnenwaarde, verder van de zee onder ’t opzicht van Melis van Mijnden, een man van oud adelijk geslacht, daartoe aangewezen door een Graaf van Holland aangewezen.
60 Die stad minder aan den zeevloed blootgesteld, behield de naam van Naarden. Ook bleef de benaming van het aan de stad onderhoorige land, in zwang, het werd een tijd lang Nardingerlant geheeten. Maar in den beginne, toen de oude stad nog ongeschonden stond, was het land , gelijk de Goijers beweerden schaars bewoond en door rooverijen onveilig. Men toont nog, op een veenachtige plek, een eilandje, dat oudtijds door een zeer diepe gracht omgeven, en schier ontoegangkelijk was. Die gracht is door verloop van jaren verslijkt. Er wordt verteld, dat twee broeders Wer en Ner beruchte geweldenaars en roovers, daar eene hoeve gehad hebben, die nog heden zou bekend zijn onder een uit die beide woorden zaamgestelde naam. Dit is een alleroudst vertelsel in die streek. Toen die oude stad alzoo gesticht was, heeft de keizer op eene vergadering, door hem te Arnhem gehouden, haar met het grondgebied van ’t Gooi, in bezit en vollen eigendom geschonken aan de Abdisme van Elten, Godelinde geheeten. Gelijk landen en koningrijken met veranderingen van heeren dikwijls ook van naam veranderen, Zoo geraakte ook de naam in dit gewest in onbruik. Men begon het Goodelindelant te noement toen met een kleine verbastering Godelant. Eindelijks, Gooilant. Die naam bestaat nog heden. Wat voorts het land betreft, het is klein van omvang, en in nauwe grenzen besloten ten westen en zuiden wordt het bepaald , door de landerijen en veenen van Utrecht, ten noorden door de Zuiderzee bepaald. Ten noodwesten door ’t slot van muiden, ten noorden door de akkers en veenen van Eemnes begevend. 61
De stad Muiden stond weleer onder het gebied van haar Graven, gelijk de oude oorkonden der Keizers getuigen. In lateren tijd is zij door Jan van Arkel te gelijk met Wesop, verwoest. Er is een slot waarin de kastelein zijn verblijf houdt, men noemt hem de “Baljuw van Gooyland”. Dat ambt werdt in onze tijd bekleed door Paulus van Loo, een man als voor den oorlog geboren, tevens geschikt voor tijd van vrede, een goed Heer voor zijn ’t volk. En door alles gelijk bemind, zolang de zaken voor de wind gingen. Na het deerlijke lot en den ondergang van de stedelingen, was hij dezelfde niet meer. Het gemeen gebruik der weidenen, de vrijheid om turf voor den haardbrand uit de veenente mogen graven, bragten er veel aan toe, dat het land allengs, bij streken en dorpen bewoond werd.Daarenboven werden velen uitgelokt om zich hier te vestigen, door den grond die , wel bemest geschikt is om graan voort te brengen, en door het schone uitzigt van ’t oord, iets dat de mensch gewoonlijk aanmoedigt, om ergens te gaan wonen, zowel te ontginnen, als het houden van vee. Daarbij kwam het voordeel dat de zee kan opleveren
62
overvloed van hout uit de naburige bosch, en vrijheid van jacht, naderhand met uitzonderingvan jagt op konijnen. De dorpen waren van den Beginne af zes in getal: twee Bussums, hete ene groot-, het andere klein-Bussum genaamd, Laren, huizen, Blaricum, Hilversom. Dat volk nu, groeide spoedig vanzelf, als tot een ligaam zaam, omdat het vrij was, en door lasten gedrukt werd, die de landslieden gewoonlijk aan hun Vorsten moeten opbrengen. Doch eer ik tot mijn werkelijke onderwerp overga, komt het mij wel de moeite voor, iets dat ’t midden te brengen, aangaande den oorsprong en de aanwas van het bovengenoemde klooster deer Regulieren, en die zaak van den beginne op te halen. Zeventiger jaren, gelijk ik verneem , na het verwoesten der stad door de Bisschop van Utrecht, kwamen twee monniken van de orde van St. Paulus, uit Amsterdam, te dezer plaatse. Zij namen de ligging der streek naauwkeurig op, vonden veel behagen in de aangename luchtgesteldheid en bouwden, tusschen de puinhoopen der verwoeste stad , twee hutten tot hun verblijf. Aan de Noordzijde lag een e grazige weide, geschikt om er vee op te houden. Zij begonnen eerst die weide , door een soort van rieten wering min of meer tegen de zee te beveiligen, opdat er bij ;t aflopen van water, niet meer grond van ’t strantd worden weggespoeld. Ook stichten zij een kleine kapel naar omstandigheden en vermogen. De weide werd meer en meer tegen het zeewater beveiligd. Kleine zaken groeijen door noeste vlijt der stervelingen tot groote aan.. Eerst kwam nu en dan een enkel Regulier bij die twee monniken, naderhand kwamen er meer en rijker in vermogen.
63 Van toen af werd het begonnen werk voortgezet, en werden grootere gebouwen aangelegd. De twee Amsterdamse monniken verenigden zich met de Regulieren in een genootschap, en namen hun gelofte en kleding aan. Zo ontstond dit klooster uit een klein begin, uit hutten die op herders-hutten geleken. De gebouwen zelve, die nog eerder ruw dan fraai konden heeten, verkregen met der tijd een grootscher aanzien en omtrek, door de milde geschenken van van adelijke Heeren en Vrouwen, die het klooster uit een godsdienstige zin met vele landerijen begiftigden deels tot eerlijk onderhoud der monniken, deels om in de armen rijkelijk te ondersteunen, of om de daar komende gasten van enig aanzien naar hun vermogen behoorlijk te kunnen onthalen, en uigekozen hulpbehoevenden op vaste tijden in het jaar, wanneer de winter op handen was van kledij te voorzien. Spaarzaamheid, op zichzelf reeds een groot inkomen voor zuinige lieden, vermeerderde intuschen hunne inkomsten, en daar de boekdrikkunst nog niet was uitgevonden hielden de kanniken van de orde, zich toen en naderhand onledig met het schrijven van boeken. Geen luiheid verleidede hen toteen ongeregeld leven, noch gaven ze toe aan de begeerte van keel en buik, en andere lusten, want zij begrepen wel dat door weelde en niets te doen al wat mensch bezit verloren raakt. In onze tijd maakten sommigen van die orde zich los van den band der huiselijke tucht. De kloosterlingen werden arm 64 Zij verpanden niet alleen niets voor niets voor schuld of vervreemde landerijendoor verkoop maar hadden ook nog uit den vorige jaren geld hunne inkomsten over. Vooral waren zij in den tijds bedacht dat de hongerigen, arm en aan niets ontbrak. Zo verre was het eraf, dat hun vermogen iets verminderde. Toen mij mijn geheugenis alle gebouwen door bij een toeval ontstane brand verteerd waren, zijn ze door die spaarzaamheid de kanunniken, binnen weinig jaren geheel hersteld. Tot die ordeder Regulieren behoorde ook de Heer Cornelis van Hoorn, schrijver van een boek over zaken in ’t begin.
70 omvang uit den grond. Het groene heidkruid wordt afgemaaid. Onder de schapen gestrooid, en alzoo met de mest vermengd. Die mest is, na de duivenmest, het meest geschikt tot verbetering van de akkers, maar gelijk ik reeds aanmerkte, is het, volgens oude bepalingen, aan alle dorpen niet geoorloofd, schaapskudden te houden en schapen te weiden. Laren en Hilversum hebben alleen dit regt. De grenzen zijn voor elk dorp bepaald door kleine aarden dijkjes; overschrijdt iemand die grenzen een schaap of de kudde is zijn boete. Voorts is het aan niemand geoorloofd hout in het bosch te hakken, heidekruid af te maijen, hout te sprokkelen, bladeren weg te nemendan zonder het verlof der Overheid van Naarden en Hilversum. Vandaar is er tusschen de stedelingen en andere dorpen onophoudelijk onmin en strijd met die twee over de dorpen; aan vonnissen pleitgedingen, ten laatste aan beradingen, geen gebrek. Gelijk de aard van den grond.
|
|
|