|






















| |


Hortensius een van onze eerste Latijnsche en Nederlandsche
Renaissance-dichters.
Dat de Renaissance eerst zoo laat invloed heeft geoefend op
de Nederlandse letteren, behoeft wel gene bevreemding te wekken: want al
hadden de vaders der Renaissance, Petrarca en Boccaccio, het ook niet
geminacht door hunne poëzie en hun proza in de volkstaal de ontwikkeling der
toen nog jeugdige Italiaanse letterkunde te bevorderen, de bewondering der
latere Renaissancemannen voor het klassieke Latijn was te groot, om nog
plaats te laten voor ene even grote liefde tot de volkstaal, zelfs tot die
hunner eigene landgenoten. Latijn en Grieks waren in hun oog de volmaakte
talen, de enige, die waard waren het voertuig van verheven, artistieke
gedachten of wetenschappelijke redenering te zijn. De taal der klassieken
was voor hen de enige ware taal: elke andere was onbeholpen en onbeschaafd,
alleen geschikt voor het lagere volk en den dagelijkse omgang. Gedichten in
andere talen dan Grieks en Latijn waren, naar hunne schatting, gene echte
voortbrengselen der kunst, want ieder kon ze maken; voor het schrijven van
Latijnse gedichten daarentegen was studie en beschaving ene onverbiddelijke
voorwaarde, en eerst wie aan die voorwaarde had voldaan, kwam in aanmerking
om mee te mogen dingen naar den lauwerkrans der kunst. Zelfs de beeldende
kunstenaars konden het zonder kennis van de klassieke talen, zonder kennis
van het Latijn althans, niet meer stellen. Alle grote Italiaanse schilders
waren destijds dan ook te gelijk in meerdere of mindere mate geleerden,
zoals de geleerden alle in meerdere of mindere mate kunstenaars waren. De
kunst der Renaissance is in haar wezen ene aristocratische kunst, gekweekt
aan de hogescholen, maar vooral aan de hoven der vorsten en in de paleizen
der geldkoningen, die zelf met hunne vrouwen en dochters als dilettanten
mede op het gebied van kunst en wetenschap hunne krachten beproefden. De
minachting voor de volkstaal in Italië (doch dáár nog het minst), maar
vooral in Frankrijk, Engeland, Duitsland en de Nederlanden, maakte dus
scheiding tussen de kunstwereld en het volk, terwijl daarentegen de algemene
bewondering voor de taal van Latium aan de Renaissancekunst in kor ten tijd
een internationaal karakter gaf. Voor de kunst bestond gene nationaliteit
meer. De kunstenaar vond in ieder land zijne geestverwanten. Zoo werd hij
wereldburger, althans in de wereldrepubliek van letteren en kunst.Evenals
elders ging het ook in de Nederlanden. De geleerden, de fijn beschaafden en
letterkundig ontwikkelden keerden zich hooghartig af van de litteratuur in
de volkstaal, om te wedijveren met geheel Europa of zij zich roem konden
verwerven tot ver buiten de enge grenzen van hun land. Velen onder ons zijn
daarin uitnemend geslaagd: Agricola,
Hegius en Erasmus, de
grote zon te Rotterdam verrezen en te Bazel ondergegaan, vooral; maar naast
hen zijn in de zestiende eeuw ook nog vele andere Nederlanders te noemen,
die onder de woordkunstenaars hunner dagen ene eervolle plaats innamen, zoo
dat men voor dien tijd en ook nog voor veel lateren tijd zou kunnen spreken
van ene dubbele Nederlandse litteratuur: ene in het Latijn en ene in de
Volkstaal. Met de eerste kunnen wij ons hier natuurlijk niet in
bijzonderheden bezighouden, omdat zij eigenlijk een onderdeel van de grote
internationale letterkunde uitmaakt, maar geheel mogen wij er toch niet van
zwijgen, omdat zij ten dele ook het voorbeeld is geworden voor de
Nederlandse letteren der zeventiende eeuw
1)
. |
1)
Levensberichten en beoordeeling van de Noord- en Zuidnederlandsche
Latijnsche dichters kan men vinden bij Paquot, Mémoires pour servir à
l'histoire littéraire, Louvain 1765-70, III dln. en bij F. Hofman
Peerlkamp, Liber de vita, doctrina et facultate Nederlandorum, qui
carmina latina composuerunt, Brux. 1822, 2 ed. Harlemi 1838. |
|
In de
Zuidelijke Nederlanden, die te Leuven reeds lang ene eigene hogeschool
bezaten
1)
, was des ondanks de Renaissance niet spoedig in ere gekomen; maar toen
op aandringen van Erasmus en door de bemoeiïngen
van mannen als Martinus Dorpius vooral en door den
geldelijke steun van een ontwikkeld Maecenas als Gillis Busleyden in 1518
aan die hogeschool het ‘Collegium Trilingue’ was gesticht, won de
Renaissance ook dáár meer en meer veld, terwijl in de Noordelijke
Nederlanden de humanisten der fraterscholen reeds den weg voor haar hadden
gebaand.Ter zelfde tijd dat aan het hof van den geleerden en kunstlievende
bisschop van Utrecht, Philips van Bourgondië, de
humanistische oudheidkenner Gerardus Noviomagus (Geldenhauer)
2)
den toon aangaf, kon Amsterdam bogen op Erasmus' vriend
Nicolaus Cannius, den bestierder van het
Ursulinenklooster, op den priester Alardus, die
zich o.a. naam maakte met zijn lofzang, aangeheven ter ere van
Karel V, toen deze in 1531 de Heilige Stede had
bezocht, en op zijn rector Johannes Sartorius, den
leermeester van meer geleerden dan er helden uit het Trojaansche paard te
voorschijn kwamen. Te Delft leefde Cornelius Musius,
geleerd beoefenaar der Aristotelische wijsbegeerte en dichter van
stichtelijke liederen en leerdichten, later gevallen als slachtoffer der
wreedheid van den geuzenadmiraal Lumey, omstreeks
denzelfden tijd, waarin de grijze Naardensche rector
Lambertus Hortensius
3)
van Montfoort bezweek onder de ellende, die hij bij den moord van
Naarden door de Spanjaarden had moeten aanschouwen. 's-Gravenhage kon er
zich op verheffen, den beroemdste aller Latijnsche dichters hier te lande te
hebben voortgebracht, den jong gestorven Janus Secundus
4)
, kunstenaar met graveerstift, beitel en penseel, maar vooral geliefd
als dichter |
1)
Voor de
Leuvensche hoogeschool zie men Félix Nève, Mémoire historique et litt.
sur le collège, des Trois Langues à l'université de Louvain (in Mémoires
couronnés, publiés par l'Acad. royale de Belgique, XXVIII 1856).
2)
Voor Geldenhauer zie J. Prinsen J.Lz., Gerardus Geldenhauer
Noviomagus, 's-Grav. 1898, die ook Collectanea van hem uitgaf,
Amst. 1901.
3)
Voor Hortensius zie men G. Mees, Lambertus Hortensius van Montfoort
als geschiedschrijver, Utrecht 1836. Zijn geschrift ‘Over de opkomst en
den ondergang van Naarden’ is uitg. door Peerlkamp en A. Perk, Amst. 1866.
4)
De Basia van Janus Secundus, die eerst na zijn dood gedrukt zijn
in 1539 en later herhaaldelijk, werden te Berlijn in 1899 door G. Ellinger
nog eens weer herdrukt en zijn ook meermalen in het Nederlandsch vertaald,
o.a. door A.W. Engelen, Gron. 1830, en het laatst door J.H. Scheltema,
Het boek der kusjes van Janus Secundus, Leiden 1902. |
|
|
|
|