Home
Wat is een erfgooier?
Floris V
Koptienden
waarschouwinge
Hortensius
Lustigh
Buurmeesters
Gooische boerderijen
Floris vos
dr. van Hengel
Albertus Perk
Blekers
Stamboom
Familie geschiedenis
Nico van den Berg.
Cresedo
Over mij
Familiewapen
Begraafplaatsen
Fotoboek
Gastenboek


 


Hortensius een van onze eerste Latijnsche en Nederlandsche Renaissance-dichters.

 

Dat de Renaissance eerst zoo laat invloed heeft geoefend op de Nederlandse letteren, behoeft wel gene bevreemding te wekken: want al hadden de vaders der Renaissance, Petrarca en Boccaccio, het ook niet geminacht door hunne poëzie en hun proza in de volkstaal de ontwikkeling der toen nog jeugdige Italiaanse letterkunde te bevorderen, de bewondering der latere Renaissancemannen voor het klassieke Latijn was te groot, om nog plaats te laten voor ene even grote liefde tot de volkstaal, zelfs tot die hunner eigene landgenoten. Latijn en Grieks waren in hun oog de volmaakte talen, de enige, die waard waren het voertuig van verheven, artistieke gedachten of wetenschappelijke redenering te zijn. De taal der klassieken was voor hen de enige ware taal: elke andere was onbeholpen en onbeschaafd, alleen geschikt voor het lagere volk en den dagelijkse omgang. Gedichten in andere talen dan Grieks en Latijn waren, naar hunne schatting, gene echte voortbrengselen der kunst, want ieder kon ze maken; voor het schrijven van Latijnse gedichten daarentegen was studie en beschaving ene onverbiddelijke voorwaarde, en eerst wie aan die voorwaarde had voldaan, kwam in aanmerking om mee te mogen dingen naar den lauwerkrans der kunst. Zelfs de beeldende kunstenaars konden het zonder kennis van de klassieke talen, zonder kennis van het Latijn althans, niet meer stellen. Alle grote Italiaanse schilders waren destijds dan ook te gelijk in meerdere of mindere mate geleerden, zoals de geleerden alle in meerdere of mindere mate kunstenaars waren. De kunst der Renaissance is in haar wezen ene aristocratische kunst, gekweekt aan de hogescholen, maar vooral aan de hoven der vorsten en in de paleizen der geldkoningen, die zelf met hunne vrouwen en dochters als dilettanten mede op het gebied van kunst en wetenschap hunne krachten beproefden. De minachting voor de volkstaal in Italië (doch dáár nog het minst), maar vooral in Frankrijk, Engeland, Duitsland en de Nederlanden, maakte dus scheiding tussen de kunstwereld en het volk, terwijl daarentegen de algemene bewondering voor de taal van Latium aan de Renaissancekunst in kor ten tijd een internationaal karakter gaf. Voor de kunst bestond gene nationaliteit meer. De kunstenaar vond in ieder land zijne geestverwanten. Zoo werd hij wereldburger, althans in de wereldrepubliek van letteren en kunst.Evenals elders ging het ook in de Nederlanden. De geleerden, de fijn beschaafden en letterkundig ontwikkelden keerden zich hooghartig af van de litteratuur in de volkstaal, om te wedijveren met geheel Europa of zij zich roem konden verwerven tot ver buiten de enge grenzen van hun land. Velen onder ons zijn daarin uitnemend geslaagd: Agricola, Hegius en Erasmus, de grote zon te Rotterdam verrezen en te Bazel ondergegaan, vooral; maar naast hen zijn in de zestiende eeuw ook nog vele andere Nederlanders te noemen, die onder de woordkunstenaars hunner dagen ene eervolle plaats innamen, zoo dat men voor dien tijd en ook nog voor veel lateren tijd zou kunnen spreken van ene dubbele Nederlandse litteratuur: ene in het Latijn en ene in de Volkstaal. Met de eerste kunnen wij ons hier natuurlijk niet in bijzonderheden bezighouden, omdat zij eigenlijk een onderdeel van de grote internationale letterkunde uitmaakt, maar geheel mogen wij er toch niet van zwijgen, omdat zij ten dele ook het voorbeeld is geworden voor de Nederlandse letteren der zeventiende eeuw  1)  .

 1)  Levensberichten en beoordeeling van de Noord- en Zuidnederlandsche Latijnsche dichters kan men vinden bij Paquot, Mémoires pour servir à l'histoire littéraire, Louvain 1765-70, III dln. en bij F. Hofman Peerlkamp, Liber de vita, doctrina et facultate Nederlandorum, qui carmina latina composuerunt, Brux. 1822, 2 ed. Harlemi 1838.

 In de Zuidelijke Nederlanden, die te Leuven reeds lang ene eigene hogeschool bezaten  1)  , was des ondanks de Renaissance niet spoedig in ere gekomen; maar toen op aandringen van Erasmus en door de bemoeiïngen van mannen als Martinus Dorpius vooral en door den geldelijke steun van een ontwikkeld Maecenas als Gillis Busleyden in 1518 aan die hogeschool het ‘Collegium Trilingue’ was gesticht, won de Renaissance ook dáár meer en meer veld, terwijl in de Noordelijke Nederlanden de humanisten der fraterscholen reeds den weg voor haar hadden gebaand.Ter zelfde tijd dat aan het hof van den geleerden en kunstlievende bisschop van Utrecht, Philips van Bourgondië, de humanistische oudheidkenner Gerardus Noviomagus (Geldenhauer)  2)   den toon aangaf, kon Amsterdam bogen op Erasmus' vriend Nicolaus Cannius, den bestierder van het Ursulinenklooster, op den priester Alardus, die zich o.a. naam maakte met zijn lofzang, aangeheven ter ere van Karel V, toen deze in 1531 de Heilige Stede had bezocht, en op zijn rector Johannes Sartorius, den leermeester van meer geleerden dan er helden uit het Trojaansche paard te voorschijn kwamen. Te Delft leefde Cornelius Musius, geleerd beoefenaar der Aristotelische wijsbegeerte en dichter van stichtelijke liederen en leerdichten, later gevallen als slachtoffer der wreedheid van den geuzenadmiraal Lumey, omstreeks denzelfden tijd, waarin de grijze Naardensche rector Lambertus Hortensius  3)   van Montfoort bezweek onder de ellende, die hij bij den moord van Naarden door de Spanjaarden had moeten aanschouwen. 's-Gravenhage kon er zich op verheffen, den beroemdste aller Latijnsche dichters hier te lande te hebben voortgebracht, den jong gestorven Janus Secundus  4)  , kunstenaar met graveerstift, beitel en penseel, maar vooral geliefd als dichter

 1)  Voor de Leuvensche hoogeschool zie men Félix Nève, Mémoire historique et litt. sur le collège, des Trois Langues à l'université de Louvain (in Mémoires couronnés, publiés par l'Acad. royale de Belgique, XXVIII 1856).

 2)  Voor Geldenhauer zie J. Prinsen J.Lz., Gerardus Geldenhauer Noviomagus, 's-Grav. 1898, die ook Collectanea van hem uitgaf, Amst. 1901.

 3)  Voor Hortensius zie men G. Mees, Lambertus Hortensius van Montfoort als geschiedschrijver, Utrecht 1836. Zijn geschrift ‘Over de opkomst en den ondergang van Naarden’ is uitg. door Peerlkamp en A. Perk, Amst. 1866.

 4)  De Basia van Janus Secundus, die eerst na zijn dood gedrukt zijn in 1539 en later herhaaldelijk, werden te Berlijn in 1899 door G. Ellinger nog eens weer herdrukt en zijn ook meermalen in het Nederlandsch vertaald, o.a. door A.W. Engelen, Gron. 1830, en het laatst door J.H. Scheltema, Het boek der kusjes van Janus Secundus, Leiden 1902.