|





















| |


Wat zijn Erfgooiers
De Erfgooiers en het
Gooi
Het Gooi werd in de
vroege middeleeuwen Naerdincklant of Nardingerland genoemd en de bevolking
Nardingerlanders. Nadat de naam ‘t Gooi ontstond, noemde men de inwoners
Lantgooiers en tenslotte Erfgooiers. Sinds 968 was de streek in het bezit van
de Abdis van Elten, die ook het bestuurde. Een adellijke dame die zo ver weg
woonde van haar bezit, dat had voordelen voor de bewoners. Zij sloten zich al
vroeg aaneen in een soort ‘marke’, die het gemeenschappelijk gebruik van
graslanden en woeste gronden regelde.
Waarschijnlijk wisten ze niet beter of ze
waren niet alleen de gebruikers, maar ook de eigenaren van de grond. Wanneer
een groep boeren besloot een stuk hei te ontginnen tot akkergrond, dan moest men
echter een soort belasting betalen. Deze zogenaamde koptiende werd ook daarna
ieder jaar door de eigenaren van ieder perceel afgedragen aan Elten.
Een mooi
chronologische beschrijving van de erfgooiers geschiedenis is gemaakt door
de Hr. F.F. de Gooier. Met het pijltje linksboven in uw browser komt u weer
terug op deze site.
Eeuwenlang veranderde er weinig aan het
bestuur en de gebruiken. De afwezigheid van een krachtig bestuur had ook zijn
nadelen. Rondom het gebied dreigden edelen het bestuur over te nemen. De Abdis
besloot daarom niet de grond, maar het bestuur van Naerdincklant over te
dragen. Tegen een kleine vergoeding voegde Graaf Floris V in 1280 de streek bij
het Graafschap Holland. Zelfs daarna waren er nog adellijke kapers op de kust,
zoals Van Aemstel. Zij noemden de graaf smalend ‘der Keerlen God’ oftewel ‘de
God van de boeren’. De bevolking was de graaf welgezind en vond deze kreet een
erenaam. Zij bewezen dit tijdens de ontvoering van Floris door zijn
ondergeschikte edelen. De Nardinglanders poogden de graaf te redden, maar hij
werd lafhartig in 1296 vermoord. Onder invloed van de Vaderlandse Geschiedenis
ontstond later de legende van een Floris die de erfgooiers het Gooi had
geschonken. In 1326 wisten de Nardinglanders wel beter, na ontvangst van een
brief van graaf Willem III. De Hollandse graaf verbood daarin zijn goede lieden
van Gooiland om te vergaderen zonder zijn toestemming. Hem was ter ore gekomen
dat door de “ghemeene lande” aangestelde raadslieden een volksvergadering bij
elkaar riepen.

In de middeleeuwen sloten de Gooise boeren zich
aaneen in een 'marke', die het gebruik van de gemeenschappelijke graslanden en
woeste gronden regelde. In 1903 kwam het tot een onderling conflict. Een groep
woedende Erfgooiers hield een protestmars die op dit schilderij is vastgelegd
Erfgooiers
stamden af van de oorspronkelijke middeleeuwse bevolking van Naerdinkland, dat
sinds 968 onder het bestuur stond van de Abdij van Elten.
Zeer waarschijnlijk hadden de Naerdinklanders al onder Elten het
gemeenschappelijk vruchtgebruik van deze streek. Bovendien kregen ze het recht,
tegen betaling van koptienden, akkers te ontginnen rond de dorpen.Graaf
Floris V voegde in 1280 het Gooi bij het graafschapHolland. Over de
rechten en vooral de plichten van de Gooilanders schreef pas in 1326 zijn
opvolger graaf Willem III.
Zegel Abdij van Elten
Schaarbrieven. Door de bijzonder mooie site van Hein Vera is
het mogelijk om met zijn toestemming de eerste schaar en bosbrieven te plaatsen.
Hierin stonden de rechten van de Erfgooiers. De tekst is origineel dus het vraagt
wel even tijd om de brieven te lezen. Heeft u moeite met het lezen, op de site
van Hein Vera staat een complete cursus oud schrift.
Eerste schaarbrief (25-1-1404)
Confirmatie van de eerste schaarbrief (25 jan. 1404)
De derde bosbrief (24 mei
1437)
Die gemeen wilcker van Nairden mitten dorpen van Goylandt (tweede schaarbrief
3-5-1442)
Die ghemene wilkuer van Goylant (derde schaarbrief 13-1-1455)
Een ander boschbrieff (vierde bosbrief 13 februari 1514)
Nieuwe gemeen lantsbrief wilkeur ofte
schaerbrieff (vierde schaarbrief 1-5-1568)
Gemeenschappelijk gebruik
Het ontstaan van het gemeenschappelijk gebruik van heiden
en weiden van het Gooi is onbekend. Vanaf 1404 werd het geregeld in de
zogenaamde schaar-brieven en bosbrieven. In de schaarbrieven stond omschreven
hoeveel vee een gerechtigde mocht scharen. Een schaar is letterlijk een stuk
weiland van bepaalde grootte, zo veel als nodig is om een koe te voeden. In
uitge-breider betekenis kwam het neer op de hoeveelheid koeien die een boer
mocht laten grazen op de gemeenschappelijke weide, de Meent genaamd. In de
opvolgende
schaarbrieven werden de rechten van de “gemeene lantgoyers” steeds verder
uitgewerkt, maar ook het uitsluiten van niet-gerechtigden. Het instituut Stad en
Lande doet zijn intrede, het begrip Erfgooier komt pas in 1702 op schrift voor.
In die tijd waren er al scharende (veehoudende) en niet-scharende leden. Huizer
vissers zullen alleen gebruik hebben gemaakt van het maken van eiken
takkenbossen voor het roken van vis. Hout sprokkelen en turf steken zal door
iedereen zijn gedaan, dat was het enige voordeel dat de wevers en armlastigen
hadden.
De scharende erfgooiers,
de boeren, hadden het meeste voordeel van de gemeenschappelijke rechten. Ook zij
konden niet alleen leven van de veehouderij, de meesten hadden een gemengd
bedrijf. Het vee diende in hoofdzaak voor de levering van mest voor de zanderige
akkers. In de winter stonden de koeien in een potstal op een steeds hoger
wordend mestpakket. Ieder dag strooide de boer stro en heideplagen onder de
koeien. In het voorjaar bepaalde de hoeveelheid mest de oppervlakte van
vruchtbare akkers op de zogenaamde Eng. Aangezien op de hoge gronden sloten
ontbraken, werden tussen de Meent en de Eng zogenaamde koedijken aangelegd. Het
waren muurtjes die bestonden uit opgestapelde plaggen. Na de komst van het
prikkeldraad zijn hieruit houtwallen ontstaan. Veldkeien gaven de onderlinge
grenzen van de lange smalle akkers aan. Het kwam voor dat deze keien stiekem
werden verplaatst en de dader een lange ploegvoor erbij stal.
Erfgooiers anders dan anderen?
Erfgooiers werden eigenschappen toe geschreven
die zij collectief of gemeenschappelijk hadden. De gebeurtenissen in de historie
gaven aan dat zij neiging vertoonden om eigengereid op te treden. Dat zij
hardnekkig vasthielden aan hun inzichten en aan hetgeen zij rechtmatig achten.
Dat zij koppig waren en dat zij zich metterdaad verzetten tegen datgene wat zij
als een aantasting van hun rechten zagen. Ook bleven zij in hun eigen woonplaats.
Door de geschiedenis heen is dit ook gebleken. Mensen zoals Floris Vos hebben
zich nogal eens verzet en met succes. Ook Dr. van Hengel wilde eerst niet naar
het Gooi om zich als dokter te vestigen. Met dat koppige volk was immers toch
niets te beginnen. Zie je deze eigenschappen nu nog? Ik denk het wel de
erfgooiers die ik ken hebben deze trekken nog steeds denk ik. Na de opheffing
van de erfgooiers is er een samenleving van meer dan 1000 jaar een einde
gekomen. De boeren zeg maar landschapsinrichters van het Gooi bestaan niet meer.
Vandaag bepalen projectontwikkelaars en stedenbouwkundige het beeld van het
Gooi. Mijn inziens wordt het er niet mooier op.
Een voorbeeld gebied de Hilversumse Meent
Het gebied waar thans de Hilversumse Meent is gevestigd, alsmede het
omringende land, behoorde oorspronkelijk tot vruchtgebruik van de
erfgooiers. Sinds 1843, na verdeling van grond met Domeinen, werd het
eigendom van de Erfgooiers. (Hetzelfde gold voor de overige meenten en het
grote heidegebied) Er waren toen reeds weinig scharende (veehoudende) en
veel niet-scharende erfgooiers. Onder de laatste categorie veel wevers en
Huizer vissers.
De
gronden in het Gooi waren in het algemeen zeer arm. De boerderijen waren
gemengde bedrijven.Het gebied waar thans de Hilversumse Meent
is gevestigd, alsmede het omringende land, was eigendom van de Erfgooiers.
Erfgooiers waren mannelijke afstammelingen van gerechtigde gebruikers van de
gemeenschappelijke gronden in het Gooi (toen Gooiland geheten)
In de loop der tijd raakten de gebruiksrechten los van de boerderijen, waarmee
ze oorspronkelijk verbonden waren.
Er waren toen scharende (boeren die de grond beweidden) en niet-scharende
erfgooiers.
Omstreeks 1900 waren er onlusten gericht tegen het bestuur van de erfgooiers,
bestaande uit de Gooise burgemeesters en slechts 1 erfgooier.
De Erfgooierswet maakte een eind hieraan. (25-4-1912)
De Vereniging Stad en Lande Gooiland kreeg de 3300 ha meentgronden in eigendom.
Het bestuur werd gevormd uit 15 leden:
- namens elke Gooise gemeente 1 lid (6)
- uit elke Gooise gemeente 1 erfgooier (6)
- niet-scharende erfgooiers 2 (2)
- door de Kroon benoemde voorzitter (1)
De Nederlandse Heidemaatschappij kreeg
opdracht de weidegronden te verbeteren. In dit kader werd ook de Hilversumse
Meent (het hele Hilversumse grondgebied ten westen van Bussum) afgegraven en
bemest.
In verband met het streekplan Gooi- en Vechtstreek werd in 1963 het besluit
genomen de Vereniging te ontbinden. In 1971, toen het ontbindingsbesluit van de
Vereniging Stad en Lande werd bekrachtigd, waren er nog 5040 erfgooiers, waarvan
slechts 149 schaargerechtigd.

Meent betekent: niet-beboste gemene (gemeenschappelijke) gronden. Later: gemene
weilanden.
De Hilversumse meent was al sinds ca 1300 als weide in gebruik.
De Karnemelksloot vormt de westelijke begrenzing van het gebied.
Deze sloot vormde in het begin van de 17e eeuw de verbinding tussen 's-Graveland
en de Zuiderzee (zeehaven van Naarden)
Hij verloor deze rol na het aanleggen van de 's-Gravelandse vaart.
Langs deze vaart werd op de Hilversumse meent een kade gebouwd ter bescherming
van het achterliggende weidegebied tegen hoge waterstanden in de Vecht.
Rond de eeuwwisseling (1900) werd een stoomgemaal voor de Karnemelksloot
gebouwd. In 1915 vervangen door een elektrisch gemaal.
Tussen de heide (ten zuiden van Bussum: Fransche Kampheide) en de weilanden
(Hilversumse en Bussumse meent) was een dijk (houtwal) aangelegd om overlopen
van schapen van heide naar weiland en koeien in de andere richting te voorkomen.
Deze dijk heette vroeger Wijdijk, in de 19e eeuw Koedijk.
De Koedijklaan in Bussum herinnert nog hieraan. Restanten van de Koedijk zijn
nog te vinden tussen de Nieuwe 's-Gravelandseweg in Bussum en Cruysbergen
(Bussumse Meent).
De arme gronden werden gebruikt voor de schapen
Erfgooiers
Eind dertiende eeuw, begin veertiende eeuw kreeg de boerengemeenschap die in het
Gooi woonde van graaf Floris V de gebruiksrechten over de woeste (onontgonnen)
gronden, bestaande uit heide, bos, en stuifduinen.
Eigendom in de middeleeuwen is een samengesteld begrip dat de Saksische
rechtsgang volgt. Eigendom bestaat uit eigenschappen die al dan niet gedeeld en
verdeeld kunnen zijn. Dit tegenover het Romeins rechtstelsel dat uitgaat van
volledig en individueel eigendom.
Het wereldlijk, bestuurlijk eigendom en de rechtspraak behield Floris V zelf.
Het grondbezit had Floris V niet, dat bleef in handen van de abdij van Elten.
Het werelds belastingrecht op de gronden zat weer bij een andere partij.
En het kerkelijk recht weer bij een ander.
Gebruiksrechten
Gebruiksrechten van de woeste gronden waren van groot belang voor de boeren.
Daardoor konden zij door gaan hun vee te laten grazen op niemandsland, zoals ze
natuurlijk al eeuwen daarvoor gewoon waren.
De rechten die graaf Floris hen gaf, verzekerden hen onomstreden van hun
voortbestaan. Aanvankelijk zal het niet meer zijn geweest dan een bevestiging en
zekerstelling van een eeuwenoude traditie.
Maar door toekenning van deze rechten konden andere partijen hun grond niet meer
claimen, en werden zij gevrijwaard van de landhonger van de Stichtse buren
(zoals Gijsbrecht van Amstel kort tevoren nog had geprobeerd).
De woeste gronden in gemeenschappelijk vruchtgebruik (meenten en marken) voorzag
hen in de mogelijkheid er hun vee te laten grazen, heideplaggen te oogsten, turf
te steken, bijen te houden, en zand, stenen, grind en leem te delven naar
behoefte.
Autoriteiten tegen erfgooiers
De erfgooiers hadden niet veel last ondervonden van de Abdis van Elten en ook
niet van de Hollandse graven. De maatschappij veranderde sterk in de Gouden
Eeuw. De nieuwe machthebbers zorgden voor veel problemen en als reactie daarop
kwamen de erfgooiers in verzet. Het begon met het, naar de mening van de
erfgooiers, onteigenen van een flink stuk van het Gooi. De ‘overheid’ van die
tijd stootte op fel verzet tegen de stichting van ‘s Graveland. De Drost van
Gooiland, P.C. Hooft, liet de erfgooiers in de steek, nadat hij ook zijn oog had
laten vallen op een kavel in de ontginning. Uiteindelijk werd een afdeling van
het Staatse huurleger ingezet om de particuliere belangen van bepaalde regenten
te verdedigen. Dat gebeurde notabene tijdens de 80 jarige oorlog. Er ontstond
een nieuw Goois dorp. In tegenstelling tot de rest van het Gooi was de kloof
tussen arm en rijk groot. De rijken bezaten grote landgoederen, die alleen
zomers bewoond werden. De armen woonden op een smalle strook, ingeklemd tussen
de weg en een vaart.
Erfgooiers en autoriteiten
Ook de rest van het Gooi werd bedreigd door de nieuwe rijken. De reder van de
walvisserij, Hinlopen, kocht het landgoed Oud Bussum. Zijn zonen hadden zich
reeds straffeloos vergrepen aan erfgooiers. Op oudere leeftijd gekomen begon
Francois Hinlopen een proces tegen de erfgooiers. Door zijn goede contacten met
Amsterdamse regenten lukte het hem dwang uit te oefenen. Hij wist het bestuur
van Domeinen er toe te brengen de Staten voor zijn karretje te spannen. Die
bevalen dan ook dat Stad en Lande een kaart van Gooiland moest maken met de
aanduiding van de gemene gronden. Tevens moest er een lijst worden opgemaakt met
alle gerechtigden. De kaart kwam in 1709 gereed, de lijst in 1708. Op de lijst
stonden 1088 namen van gerechtigden, waarvan 624 niet-scharenden.
De erfgooiers werden ongeveer een eeuw met rust gelaten. Onder het bewind van
koning Lodewijk Napoleon in 1809, mislukte de poging om de erfgooiers-gronden te
verdelen. Napoleon lijfde Nederland in bij Frankrijk. De erfgooiers waren
daarvan niet onder de indruk en in 1811 togen zij naar de Grote Kerk van Naarden
om zich eensgezind te verzetten tegen delingen. De verdeling kwam er
uiteindelijk onder koning Willem I. Door zijn halsstarrige houding in de
Belgische kwestie was de staatsschuld hoog opgelopen. Willem I zocht dus naar
mogelijkheden om de schatkist weer te vullen. Zonder raadpleging van de
erfgooiers werden delingen uitgevoerd in 1836 en 1846. Domeinen verkocht een
deel van de ‘gemene gronden’ en in ruil verkregen de gerechtigden het resterende
deel in volle eigendom. Voor de erfgooiers betekende het echter, dat de
oppervlakte waar zij ooit het vruchtgebruik hadden werd verkleind. Het
eigendomsrecht was in feite een zoethoudertje.
Vanaf die tijd ging het bergafwaarts met het bestuur van Stad en Lande. De
bestuursleden bestonden al snel uit burgemeesters, die alleen de belangen van de
vroege projectontwikkelaars dienden. Stukken heide, gemeenschappelijk eigendom,
werden verkocht buiten de eigenaren om. De burgemeester van Huizen en Bussum,
Langerhuizen behoorde zelf tot de projectontwikkelaars. Rond zijn landgoed
Crailo wist hij door ruiling erfgooiersgrond te bemachtigen. Hier tegen werd
actie gevoerd en jarenlange rechtszaken volgden. De opbrengst van de verkoop van
zand langs de spoorlijn Hilversum - Bussum, verdween in de gemeentekas van
Hilversum.
Het eigengereide bestuur van Stad en Lande had ook de jacht verpacht. De
beroepsjager Harmen Vos schoot, einde 19e eeuw, een haas op het
gemeenschappelijk domein. Gevolg een rechtszaak, waarbij Harmen terecht
aanvoerde dat hij op ‘eigen terrein’ een haas had geschoten. De onlustgevoelens
onder de erfgooiers leidden daarop tot actie en verzet. Er ontstond een
oppositie tegen het Stad en Lande bestuur. Floris Vos, de eigenaar van het
landgoed Oud Bussem, nam de leiding op zich. Hij richtte een nieuwe partij en
nieuw bestuur op onder de naam ‘Hoofdbestuur van de Berechtigden tot de gemeene
heiden en weiden van Gooiland’.
De burgemeester van Blaricum raakte betrokken bij het boerenprotest.
Boerenjongens probeerden in 1903 vee op de Meent te brengen, tegen de zin van de
burgemeester. Zoals toen gebruikelijk bij protesten en relletjes, liet de
burgemeester soldaten komen. Een Larense boerenjongen riep: ‘Ze zullen je op je
eigen land niet doodschieten. Dat durven ze niet’ . De burgemeester gaf bevel te
vuren en de jongen werd dodelijk getroffen. Deze kwestie haalde de landelijke
pers en uiteraard de regering. Na jarenlang getouwtrek werd in 1912 de
Erfgooierswet ingesteld.
De overheid had het slim bekeken. De wet stelde het belang van de landbouw op de
eerste plaats. Het aantal veehouders was een minderheidsgroep binnen de leden
van de nieuwe Vereniging Stad en Lande. Beide groepen kon men dus steeds tegen
elkaar uitspelen. Logisch dat de overgrote meerderheid van de erfgooiers ook wel
profijt wilde trekken van hun recht. Tijdens de crisisjaren, bij de verkoop van
de Gooische heide gingen de meeste dan ook akkoord met een fooi. De oude Floris
Vos noemde het een bordje linzen. Een meevaller voor de Gooise gemeenten was de
korting op de uitkering van de vele werkeloze erfgooiers. De uitkeringen waren
in handen van de gemeenten en zij kregen dus van veel erfgooiers de gronden om
niet in handen.
De toename van de Gooise bevolking, de woningnood en het teruglopend aantal
veehouders, betekende het einde van de Vereniging Stad en Lande van Gooiland.
Weer was er geen onafhankelijke voorzitter. De burgemeester van Naarden wist
handig in te spelen op de situatie. Nu ging de meerderheid van de erfgooiers
accoord met de opheffing van Stad en Lande. De fooi was dit keer veel lager dan
tijdens de crisisjaren.
Scharende en niet-scharende erfgooiers
Deze voorrechten trok vele anderen naar het Gooi waar het leven goed was. Een
sterk groeiende bevolking maakte het noodzakelijk dit vrij gebruik aan banden te
leggen.
Er werden 'schaarbrieven' ingevoerd om vast te leggen wie wat mocht doen, en
hoeveel koeien en schapen ieder mocht drijven naar de gemeenschappelijke
gronden.
De in de schaarbrieven genoemde Gooiers waren de erfgenamen van het
gebruiksrecht: volwassen mannen die in de mannelijke lijn afstammen van Gooise
families en in een van de Gooise brinkdorpen woonden.
Het ging natuurlijk toch nog weer mis, omdat de stad Naarden (waar de
rechtspraak van het Gooi was gehuisvest) schaarrechten ging verkopen aan nieuwe
burgers van de stad. Dat kon omdat Naarden het rechterlijk archief (en dus de
bestaande schaarbrieven) beheerde in een ijzeren kist op het stadhuis.
De meeste conflicten die zijn ontstaan over de schaarbrieven, bleken conflicten
te zijn tussen Naarden en de brinkdorpen.
In 1708 gaven de Staten van Holland opdracht tot het maken van een kaart waarop
alle gemeenschappelijke gronden waren ingetekend en tot het opstellen van een
lijst van alle scharende en niet-scharende gerechtigden.
Op dat moment waren er 1088 erfgooiers waarvan 624 niet-scharend.
Alleen hij die kan aantonen in directe mannelijke lijn af te stammen van iemand
van deze lijst, heeft het recht zichzelf erfgooier te noemen.
Het maken van die lijst was gedaan met een voorzienige geest, want anderhalve
eeuw later was deze duidelijk hard nodig.
En in 1933 toen een groot deel van de woeste gronden werd verkocht aan het Goois
Natuurreservaat is menige familiestamboom uitgeplozen. In nog geen drie jaar
tijd, steeg het aantal geregistreerde niet-scharende erfgooiers van 2122 naar
3562, want er was geld te verdelen.
Verkaveling woeste gronden
Na de Napoleontische tijd doet het Romeins recht definitief intrede in het Gooi.
Eigendom is in dit rechtsstelsel een persoonlijk recht, geen groepsrecht,
gedeeld of verdeeld recht.
Tussen 1836 en 1843 sloten erfgooiers en het Rijk een overeenkomst onder
begeleiding van de Hilversumse notaris A. Perk.
De erfgooiers hadden het gebruiksrecht over de woeste gronden ooit gekregen van
Graaf Floris V van Holland. Floris V had deze gebruiksrechten gekocht van het
Stift van Elten.
De Nederlandse staat had inmiddels de overige eigendomsrechten verkregen, na de
opheffing van de Eltense abdij. De Dienst der Domeinen beheerde voor het rijk de
gronden.
Voor verkoop van elk afzonderlijk stukje grond was toestemming nodig van beide
partijen.
De scharende erfgooiers voelden niets voor verkoop. De overheid juist wel. Deze
was van mening dat gemeenschappelijk bezit en/of gebruik van grond ontginningen
en intensievere bewerking tegenhield. Voor de overheid stonden de erfgooiers
gebiedsontwikkeling in de weg.
De overeenkomst bestond eruit dat beide partijen het volle eigendom over hun
deel kregen. De erfgooiers kregen bij deze deal 3678 hectare weiden en een deel
van de heide. Het rijk kreeg 1735 hectare heide.
Voortaan hadden de erfgooiers de grond in vol eigendom en konden deze dus zonder
ruggespraak met de overheid verkopen, en ze betaalden voortaan belasting over
hun bezittingen aan de staat. Dat was nieuw. En in ieder geval meer dan de oude
tijns.
Daarmee verdween bovendien het eeuwenoude principe van de 'marke' of 'meent'.
Niet-scharende erfgooiers, dus zij die geen agrarisch beroep uitoefenden, hadden
er vanaf dat moment baat bij dat de eigendommen werden verkocht. Want bij
verkoop kwam geld los, en zij waren wel gerechtigd daarin mee te delen. De
gemeenten rondom hadden er ook baat bij, want die zaten dringend verlegen om
grond om huizen op te bouwen in verband met een grote woningnood.
De Rijksoverheid verkocht vervolgens de aan haar toegevallen 1735 hectare grond
aan particulieren. Veel particulieren besloten hun grond te bebossen.
Deze verkaveling van het Gooi is vastgelegd op een kaart van Oosterhout en
Nelemans met medewerking van notaris A. Perk.
Stad en Lande
In 1912 werd de 'erfgooierswet' van kracht. Daarin werden de belangen van de
scharende erfgooiers (boeren) geregeld.
Er werd een Vereniging van Stad en Lande van Gooiland opgericht. De eerste
voorzitter van het nieuwe bestuur was Emil Luden. Men besloot een eigen
monumentaal gebouw te laten ontwerpen in Hilversum als economisch centrum van
het Gooi. De stad Naarden reageerde verbolgen. In 1917 werd het feestelijk
geopend. In 1968 moest het gebouw wijken voor de NOS-studio (later Van der Ende
productions).
In 1971 is de vereniging opgeheven en is haar archief ondergebracht bij het
stadsarchief van Naarden.
Bronnen:
D. Dekema, De overdracht van het archief van de erfgooiers, tijdschrift Tussen
Vecht en Eem (TVE), 12e jaargang, nr. 1, febr. 1994, pp.17-21.
E.E van Mensch, De 'kaart van Perk' (1843) nader beschouwd, tijdschrift Tussen
Vecht en Eem (TVE), 1e jaargang, nr. 1, febr. 1983,
Dhr. F.J.J. de Gooijer.
correctie/eigen archief
Dhr H. Vera
Home / Wat is een erfgooier? / Floris V / Koptienden / waarschouwinge / Lustigh / Buurmeesters / Gooische boerderijen / Floris vos / dr. van Hengel / Albertus Perk / Blekers / Stamboom / Familie geschiedenis / Nico van den Berg. / Cresedo / Over mij / Familiewapen / Begraafplaatsen / Fotoboek / Gastenboek
|