Maria Beshof

Maria Elisabeth Bes (1882-1938) is de dochter van Klaas Bes, docent wiskunde aan de school (koning Willem ІІ college in Delft) van 1880-1911. In 1894 wordt ze hier als de eerste vrouwelijke leerlinge ingeschreven, daarmee de eventuele toorn van de katholieke bevolking van de stad trotserend. Edouard de Nève geeft in zijn Tilburgse roman Bij ons op den Heuvel (1948) de kijk van de Tilburger op de school zo rond de eeuwwisseling weer. Als de hoofdpersoon Hubert Lagache, alter ego van de schrijver, naar de HBS gaat, heeft zijn moeder niet alleen bezwaar tegen de afwezigheid van godsdienstonderricht, maar ook angst voor de omgeving waarin haar zoon terecht zal komen: er waren protestanten, er waren ook joden, maar ‘dat er ook meisjes waren was wel het ergste van alles’. Ze doet eindexamen HBS-B in 1899 en schrijft zich in 1900 in aan de Polytechnische Hogeschool te Delft waar ze in 1904 slaagt voor het examen technoloog en daarmee één van de, of de eerste, vrouwelijke ingenieur(s) in Nederland wordt. Wellicht liep ze college bij Ir. G.J. van Swaay die in 1898, na zijn docentschap wiskunde aan onze school –was ze ook hier zijn oud-leerlinge?- vertrok naar Delft om daar tot 1922 het ambt van docent en hoogleraar elektrotechniek (vanaf 1905) uit te oefenen. Van Swaay wordt in 1922 minister van Waterstaat in het kabinet Ruys de Beerenbrouck II voor de R.K. kiesvereniging. Gedurende de periode 1905-1926 is ze assistente theoretische en toegepaste natuurkunde aan genoemde hogeschool.
Ze kent ook een korte actieve politieke carrière. In 1919 wordt ze als lijsttrekker van de Vrijzinnig Democratische Bond gekozen in de gemeenteraad van Delft en is daar dan één van de drie eerste vrouwelijke gemeenteraadsleden. Het passief kiesrecht voor vrouwen was in 1917 vastgelegd. De aanwezigheid van vrouwen, en die van Bes in het bijzonder, in de politiek werd enigszins meesmuilend bekeken.

Haar grote liefde was ds Theodoor Gottlieb Stellwag, Evangelisch-Luthers predikant, waarmee ze in 1920 trouwt. Ze wordt actief binnen de Lutherse gemeente als onderwijzeres aan de zondagsschool en als lid van het bestuur van de Jonge dochtersvereniging “Bid en Werk”. In 1926 wordt ze afgekeurd voor haar werk aan de Polytechnische Hogeschool. Na de dood van haar man verhuist ze samen met haar dienstbode in 1936 naar Den Haag waar ze in 1938 overlijdt. Ze wordt in Delft begraven.