Of en dat nader bekeken

Eric Hoekstra

De Nieuwe Taalgids 85, 441-445.
 

0. Alweer enige tijd geleden zijn er twee interessante artikelen verschenen waarin het eigenaardige gedrag van "of", in het bijzonder in samentrekkingen, aan de orde werd gesteld (Paardekooper 1977, De Rooij 1978). Aan het eind van zijn artikel vraagt De Rooij zich af waarom de volgende zin grammaticaal is:

(1) Hij vraagt me altijd óf of ik een borrel wil óf dat ik wil eten

Op deze constructie wil ik nader ingaan, met name op het optreden van "dat" in het tweede deel van de samentrekking. Ik zal laten zien dat de aanname van een regel van "dat"-deletie die aan een adjacentie-eis gebonden is ons helpt om het systeem in de feiten te zien. Daarna bespreek ik kort de mogelijkheid om deze feiten met een substitutieregel af te leiden, zoals voorgesteld in Den Besten (1976). Tenslotte beoog ik aan te tonen dat in zinnen als (2) en (3), besproken door Paardekooper (1977), sprake is van een semantische restrictie, die verklaart waarom beklemtoonde disjunctie zoals in (3) is uitgesloten:

(2) of het nou regent of dat het mooi weer is, hij komt!
(3) * óf of het nou regent óf dat het mooi weer is, hij komt!

1. Laten we eerst op De Rooij's analyse ingaan. Om de grammaticaliteit van (1) te verklaren suggereert hij dat deze zin toevallig grammaticaal is, daar het tweede disjunct ook op andere manieren met de hoofdzin verbonden zou kunnen worden, bijv. Hij vraagt me altijd dat ik blijf eten. De lichte twijfel omtrent de grammaticaliteit van deze zin zou door de samentrekking verdwijnen.
Het is echter moeilijk in te zien hoe ongrammaticaliteit door samentrekking zou kunnen verdwijnen. Men zou ook graag willen weten welke soort ongrammaticaliteit onder samentrekking kan verdwijnen, en welke soort niet. Voordat deze vraag bevredigend is beantwoord, geldt dat de grammaticaliteit van (1) nog steeds een verklaring behoeft. Voor het overige heeft De Rooij volkomen gelijk wanneer hij vaststelt dat het onderschikkend karakter van (niet-disjunctief) "of" beter verdedigbaar is dan Paardekooper impliceert.

2. Een sleutelobservatie is mijns inziens dat de combinatie "of dat" niet noodzakelijkerwijs in een tweede disjunct hoeft op te treden. Bezie de volgende zin:

(4) Ik twijfel nog of [dat ik zal komen]

(4) is grammaticaal in verscheidene dialecten (De Rooij 1965). Vanuit dit gezichtspunt komt de grammaticaliteit van zinnen als (5) in deze dialecten niet als een verrassing:

(5) Ik twijfel nog of [[dat ik zal komen] of [dat ik thuis zal blijven]]

Er is in (5) sprake van een samentrekking van twee "dat"-zinnen ingeleid door het onderschikkend voegwoord "of". Ik draai nu de probleemstelling om. De vraag is nu: waarom wordt in veel dialecten, het ABN inbegrepen, "dat" verplicht weggelaten na onderschikkend "of"? Teneinde dit te beschrijven postuleer ik een regel (voor ABN en relevante dialecten) die het voegwoord "dat" deleert als het naast het voegwoord "of" staat:

(6) Deleer het voegwoord "dat" indien het rechts-adjacent is aan het
onderschikkend voegwoord "of"

In (5) staat alleen in het eerste disjunct "dat" direct rechts van het onderschikkend "of". Vandaar dat "dat" alleen in het eerste disjunct afwezig is, in ABN en de overige dialecten die regel (6) hebben. Dialectische variatie kan in termen van de aan- of afwezigheid van deze regel beschreven worden.
De voorgestelde deletieregel is syntactisch, zoals blijkt uit het noemen van voegwoorden in de regel. Dat de regel onder lineaire adjacentie werkt, heeft tot gevolg dat het bij een samentrekking alleen op het eerste deel van een samentrekking werkt. Zijn regels die alleen op het eerste deel van een samentrekking werken onafhankelijk gemotiveerd? Jazeker: in het Iers is het werkwoord verbogen voor persoon en getal van het eerste lid van een samentrekking van twee NPs (McCloskey 1986:254 e.v.).
Daarnaast kennen we ook in het Nederlands het verschijnsel dat een voegwoord werkwoordsvooropplaatsing verhindert alleen in het eerste lid van een samentrekking:

(7) Als [je laat thuiskomt] en [je bent je sleutel vergeten] ...
(8) Als [je geen geld hebt] of [je moet een schuld afbetalen] ...

Het voegwoord "als" is niet in staat om werkwoordsverplaatsing in het tweede deel van de samentrekking te blokkeren. Ik noem deze verschijnselen om te laten zien dat het soort regel dat ik voorstel niet uniek is. In tenminste drie gevallen moet een regel een relatie leggen tussen de zuster van een samentrekking en een element uit het eerste deel van de samentrekking.

3. Den Besten (1976:424, 1989:63) stelt voor deze gevallen een substitutieregel voor die "dat" voor "of" substitueert, na nevenschikkend (disjunctief) "of". Dit is verdacht daar er ook een regel is die "dat" voor onderschikkend "of" substitueert na WH-elementen. Hiermee worden sequenties als "wie dat" afgeleid, die regionaal veelvuldig worden aangetroffen. Dat dezelfde substitutieregel werkt na WH-elementen en disjunctief "of" is een onnatuurlijke conjunctie van regelomgevingen. Bovendien is substitutie een sterker mechanisme dan deletie. De mogelijkheid van een deletieregel die uitgaat van "of dat", wordt in noot 8 (1976:431) verworpen, volgens mij ten onrechte. Daar staat tegenover dat Den Besten's theorie-gestuurde inventarisatie en behandeling van voegwoorden, hoewel noch door Paardekooper noch door De Rooij genoemd of besproken, een welkome systematiek in de anders zo chaotische feiten aanbrengt. Het grote voordeel van theorievorming en formalisatie is dat het uiteindelijk leidt tot een eenvoudige beschrijving van complexe feiten.

4. Met behulp van theorievorming krijgen we niet alleen vat op de syntactische eigenschappen van "of", zoals we hierboven zagen, maar ook op de semantische eigenschappen van dit woord. Bezie nu het volgende door Paardekooper (1977) beschreven contrast:

(9) of het nou regent of dat het mooi weer is, hij komt!
(10) * óf of het nou regent óf of het mooi weer is, hij komt!
(11) * óf het nou regent, hij komt

De ongrammaticaliteit van (10) en (11) is mijns inziens een semantische kwestie, geen syntactische. Het eerste "of" in (9), een onderschikkend voegwoord, is negatief in de zin van de theorie der Gegeneraliseerde Quantoren, dat wil zeggen, monotoon dalend (zie Zwarts 1981, Verkuyl 1989, en anderen, voor de formele definitie van dit begrip). Voortaan zal ik de termen "negatie" en "negatief" in deze semantische betekenis gebruiken. De feiten ondersteunen de stelling dat onderschikkend "of" (semantisch) negatief is. Dit "of" kan namelijk de negatief-polaire uitdrukking "hoeven" licenseren:

(12) Of je nu hoeft te werken of niet ...
(13) Of je nu met Jan hoeft te praten of niet ...

Negatief-polaire uitdrukkingen zoals "hoeven" (Zwarts 1981, Hoekstra 1991, en anderen) moeten namelijk in het bereik van een negatieve constituent staan, zoals de volgende zinnen illustreren:

(14) Niemand hoeft te werken
(15) Geen jongen hoeft te werken
(16) * Jan hoeft te werken
(17) * Twee jongens hoeven te werken

Het vermogen van "of" om de negatief-polaire uitdrukking "hoeven" te licenseren toont het negatieve karakter ervan aan.
Ten tweede verraadt dit negatieve karakter zich, zij het in mindere mate, door positief-polaire uitdrukkingen (Van der Wouden 1988) te weerstaan:
 

(18) * Of je allerminst tevreden bent of dat je allerminst gelukkig bent, je hebt de juiste keus gedaan
(19) * Of Jan nogal mager is of dat Piet nogal lastig is, je hebt de juiste keus gedaan

Hiermee is het negatieve karakter van het eerste "of" voldoende aangetoond. Nu is het algemeen bekend dat natuurlijke taal twee genegeerde conjuncten kan uitdrukken door een disjunctie in het bereik van een negatie te plaatsen. Voorbeelden:

(20) Jan lacht of praat niet ===>
(21) Jan lacht niet EN Jan praat niet
(22) Niemand lacht of praat ===>
(23) Niemand lacht EN niemand praat

De disjunctie in (20) impliceert de conjunctie in (21), en de disjunctie in (22) impliceert de conjunctie in (23). Merk op dat dat niet algemeen mogelijk is:

(24) Twee mensen lachen of dansen =/=>
(25) Twee mensen lachen EN twee mensen dansen

(24) impliceert niet (25). In (24) mag het totaal aantal mensen dat lacht of danst twee zijn, maar in (25) moet het totaal aantal mensen dat lacht of danst vier zijn.
Laten we nu terugkeren tot (9) herhaald als (26):

(26) of het nou regent of dat het mooi weer is, hij komt!

Het tweede "of" (disjunctief "of") gedraagt zich alsof het in het bereik van een negatie staat. Die negatie wordt teweeggebracht door het eerste "of" (onderschikkend voegwoord). Dit komt bij een parafrase aan het licht:

(27) Ongeacht of Jan rookt of drinkt ===>
(28) Ongeacht of J. rookt EN ongeacht of J. drinkt
(29) Ongeacht of twee mensen roken of drinken ===>
(30) Ongeacht of twee mensen roken EN ongeacht of twee mensen drinken

Beide implicaties zijn geldig. Deze implicatie karakteriseert een disjunctie in het bereik van negatie.
We zijn nu in staat om een verklaring te geven voor Paardekooper's observatie dat emfatisch "of" is uitgesloten in zinnen als (3), hieronder herhaald als (31):

(31) * óf of het nou regent óf dat het mooi weer is, hij komt!

Normaal "A of B" (ook wel interne disjunctie genoemd) laat toe dat A, B of A en B waar zijn. Emfatisch "of" (externe disjunctie) laat niet toe dat A en B beide waar zijn. Dit laatste is nu precies de semantische conditie die het onderschikkend "of" in (26) en (31) eist. Emfatisch "of", zoals in (31), is niet verenigbaar met deze conditie. De waarheid van alle disjuncten (wellicht in verschillende mogelijke werelden) moet het geval zijn. Het normale "of" is uiteraard wel verenigbaar met deze conditie.

5. Bezie nu nogmaals zin (1), hieronder herhaald als (32), waarvan De Rooij zich aan het eind van zijn artikel afvroeg waarom hij grammaticaal was:

(32) Hij vraagt me altijd óf of ik een borrel wil óf dat ik wil eten

We hebben voorgesteld dat "dat" gedeleerd wordt na een onderschikkend voegwoord. Tevens hebben we een semantische eis gemotiveerd om de ongrammaticaliteit van (31) te verklaren. Door theorievorming wordt aldus een efficiente beschrijving van deze weerbarstige feiten verkregen.
Hiermee is nog lang niet alles gezegd over de syntaxis en de semantiek van "of" en "dat". Tot besluit wil ik laten zien dat waar de theorie faalt of incompleet is nieuwe feiten kunnen worden ontdekt. Merk bijvoorbeeld op dat de gepostuleerde semantische eis niet aanwezig lijkt in (32): emfatische (externe) disjunctie leidt niet tot ongrammaticaliteit, hetgeen in (31) wel het geval was. Men zou kunnen veronderstellen dat het verschil tussen (31) en (32) samenhangt met het verschil in functie tussen de "of"-zinnen: de "of"-zin is een adverbiale bepaling in (31), een direct object in (32). Toch is dit niet correct, want in de volgende "of"-zin, die als direct object fungeert, is emfatische (externe) disjunctie nogal vreemd:

(33) ?* Jan vraagt me nooit óf of ik kom óf niet

De vraag is nu waarom deze zin ongrammaticaal is. Met de suggestie dat negatie een rol speelt verwijzen we deze vraag naar het grote dossier dat het etiket "voor toekomstig onderzoek" draagt.
 

Bibliografie

Besten, H. den (1976), 'Het kiezen van lexicale delenda'. Spektator 5, 415-432.
Besten, H. den (1989), Studies in West Germanic Syntax, Dissertatie, Universiteit van Amsterdam.
Hoekstra, E. (1991), Licensing Conditions on Phrase Structure, Dissertatie, Rijksuniversiteit Groningen.
McCloskey, J. (1986), 'Inflection and Conjunction in Modern Irish'. Natural Language and Linguistic Theory 4, 245-281.
Paardekooper, P. (1977), 'Of dat het nou regent of dat het mooi weer is als bw bep.'. De Nieuwe Taalgids 70, 162-170.
Rooij, J. de (1965), ALS-OF-DAT, Dissertatie, Katholieke Universiteit Nijmegen.
Rooij, J. de (1978), 'Het ene of is het andere niet'. De Nieuwe Taalgids 71, 146-148.
Verkuyl, H. (1989), 'Aspectual Classes and Aspectual Composition'. Linguistics and Philosophy 12, 39-94.
Wouden, T. van der (1988), 'Positief Polaire Uitdrukkingen 1'. GLOT 11, 165-190.
Zwarts, F. (1981), 'Negatief Polaire Uitdrukkingen 1'. GLOT 4, 35-132.

P.J. Meertens Instituut E. HOEKSTRA
Keizersgracht 569-571
1017 DR Amsterdam