Everdina Cornelia Schermer-Vermeer "Substantiële versus Formele Taalbeschrijving: het Indirect Object in het Nederlands". [Amsterdam: E.C. Schermer-Vermeer, 1991.] XX, 328 blz., ISBN 90 90041060. (Dissertatie Universiteit van Amsterdam).

Spektator 22, 78-80.

1. Inhoud van het proefschrift

Het proefschrift vangt aan met een beschrijving van de doelstellingen van het onderzoek (hoofdstuk 1). Direct hiermee corresponderend is het proefschrift in twee delen opgedeeld.
De eerste doelstelling is het verschaffen van inzicht in de grammatische status van het indirect object. Het is algemeen bekend dat het in veel gevallen mogelijk is om het indirect object als een NP of als een PP uit te drukken, zoals in het voorbeeld hieronder:

(1) Marie geeft Henk een boek
(2) Marie geeft een boek aan Henk

Als een rode draad loopt door het proefschrift heen de vraag of de relatie tussen deze beide zinnen op enigerlei wijze in de grammatica moet worden vastgelegd. Deze vraag wordt met een ferm "nee" beantwoord.
De tweede doelstelling is te laten zien hoe "de uitkomsten van wetenschapstheoretische analyses als die van Elffers en De Haan, een verklaring bieden voor de gang van zaken in de generatieve onderzoekspraktijk met betrekking tot het IO."
Het eerste deel van het proefschrift ("Het Indirect Object Formeel-Taalkundig Behandeld", blz. 10-146) is geheel aan deze tweede wetenschapsfilosofische doelstelling gewijd. Er wordt een theorie van wetenschapsbeoefening voorgesteld, die een onderscheid maakt tussen formele beschrijving en niet-formele (ofwel substantiële) beschrijving. De generatieve grammatica (en ook de relationele grammatica) wordt verweten een dergelijk onderscheid niet te maken. Uit dit gebrek kan de onderzoeksstagnatie van de generatieve grammatica en van de relationele grammatica in de afgelopen decennia worden verklaard. Tevens wordt beweerd dat de generatieve grammatica en de relationele grammatica notationele varianten van elkaar zijn.
Het tweede deel ("Het Indirect Object Substantieel-Taalkundig Beschouwd", blz. 148-317) behandelt de vraag of het Nederlands een grammatische categorie indirect object heeft. Het uitgangspunt hierbij is dat grammatische categorieën vorm-inhoudscategorieën zijn. Een vorm-inhoudscategorie heeft als eigenschappen dat het syntactisch en semantisch als unieke categorie geidentificeerd kan worden. In de vorm-inhoudscategorie moet dan de unieke vorm met een unieke inhoud verbonden worden opdat de verbindingsrelatie een isomorfisme (een één-op-één relatie) is. Nu blijkt uit het onderzoek dat een categorie als indirect object noch syntactisch noch semantisch uniek te identificeren is. Immers, nominale indirecte objecten onderscheiden zich noch morfologisch noch in woordvolgorde van directe objecten. Ook semantisch zijn ze niet uniek te identificeren daar de betekenis ervan vaak met verschillende PP's overlapt. De conclusie van het onderzoek luidt dan ook dat er geen grammatische categorie indirect object bestaat.
Er wordt zeer veel aandacht besteed aan allerlei interessante betekenisverschillen die samenhangen met de aan- of afwezigheid van het voorzetsel bij het indirect object. Bezie het volgende voorbeeld (Schermer-Vermeer 1991:220, zie bijvoorbeeld ook Kraak & Klooster 1968):

(3) Joost bereidde heer Ollie een voedzame maaltijd
(4) Joost bereidde een voedzame maaltijd voor heer Ollie

Allereerst valt op dat er geen omschrijving met "aan" mogelijk is. Ten tweede betekenen deze zinnen niet geheel hetzelfde. Zin (3) kan niet gebruikt worden in een situatie waarin heer Ollie voor langere tijd buiten slot Bommelstein vertoeft. Zin (4) kan in die context wel gebruikt worden. Maar er is ook een groot aantal contexten waarin zowel (3) als (4) gebruikt kunnen worden. Een aparte inhoudscategorie indirect object kan dus niet onderscheiden worden. De betekenis van verschillende voorzetsels en van indirecte objecten zonder voorzetsel wordt zeer uitvoerig besproken, terwijl, overeenkomstig het gekozen uitgangspunt, niet gepoogd wordt een formele verantwoording te geven van deze betekenisverschillen.

2. Enkele kritische kanttekeningen bij de wetenschapsfilosofie van S.

Er is een omvangrijke literatuur op het gebied van de wetenschapsfilosofie. Men had enige bekendheid met deze literatuur mogen verwachten, maar die ontbreekt geheel, behoudens de hierboven vermelde namen uit de eigen parochie. Ook buiten de vakgroep Nederlandse taalkunde te Amsterdam wordt over wetenschapsfilosofie nagedacht, ja, sommigen verdienen er zelfs hun brood mee. Het getuigt van een grote arrogantie om extreme wetenschapsfilosofische beweringen te poneren, zonder de ruime literatuur te raadplegen die op dit gebied toch voorhanden is. Wetenschap is immers communicatie, en die communicatie geschiedt onder andere via vakliteratuur.
Gezien deze onwil tot communicatie is het geen wonder dat de wetenschapsfilosofie die S. aanhangt angstaanjagend primitief is. Een goed gesprek met een ter zake kundig iemand, een blik in de literatuur hadden hier wonderen kunnen doen.
Teneinde de wereld aan het wereldbeeld aan te passen ziet de auteur zich gedwongen om een aantal beweringen te doen over generatieve grammatica en relationele grammatica die pijnlijk onjuist zijn. Zo wordt gesproken van een onderzoeksstagnatie in de relationele grammatica, en zou de generatieve grammatica elk verband met de feiten verloren hebben. Dit is pertinent onwaar. In beide theorieën is juist een vooruitgang geboekt waaraan geen enkele andere theorie zich kan spiegelen. En die vooruitgang toont zich bij uitstek op descriptief niveau: nog nooit is ons inzicht in natuurlijke taal zo groot geweest als nu. We danken dat inzicht aan de formele middelen waarmee we taal onderzoeken.
De relationele grammatica toont zich bijvoorbeeld op haar best in het briljante artikel van Perlmutter in Natural Language & Linguistic Theory (1983). Niet voor niets heeft de opvolger van de generatieve grammatica, de regeer- en bindtheorie, de analyse van onaccusativiteit zoals door Perlmutter en de zijnen ontwikkeld overgenomen binnen het eigen kader. Maar ook de regeer- en bindtheorie zelf heeft fantastische ontdekkingen gedaan. Het onderzoek naar verplaatsing en parasitaire gaten heeft onvermoede complexiteit aan het licht gebracht, en is er toch in geslaagd om die complexiteit op een eenvoudige manier te beschrijven (Chomsky 1982). Bezie bijvoorbeeld de volgende feiten:

(5) Which book did John file t [without reading e]
(6) * Which book t was filed [without reading e]

In (5) kan er een extra lege plek ("e") parasiteren op het spoor van de verplaatste constituent "which book". In (6) kan dit niet. Dit zijn feiten om van te smullen. Hoe worden ze beschreven? Met behulp van een formeel middel, namelijk, de anti-c-commandeerconditie op parasitaire gaten. Volgens deze conditie mag een spoor een parasitair gat niet c-commanderen. In (5) wordt hieraan voldaan, in (6) niet, daar de adjunct PP "without reading" hoger dan het direct object maar lager dan het subject is aangehecht. Deze conditie maakt het mogelijk om te begrijpen waarom zin (5) grammaticaal is en zin (6) niet. Deze conditie verklaart een enorme hoeveelheid schijnbaar complexe feiten. Moraal: telkens worden we verrast door de complexiteit van de feiten over natuurlijke taal, en telkens blijkt er toch weer een systematiek in te ontdekken.
Sla "Linguistics in the Netherlands" eens op, en lees alleen de voorbeeldzinnen. Tijdschriften in binnen- en buitenland geven hetzelfde beeld: er zijn talloze nieuwe feiten ontdekt, en er is een prachtige systematiek in gevonden. Dit gebeurt ook in andere formele theorieën. Binnen de theorie van gegeneraliseerde quantoren heeft Frans Zwarts (1981) een prachtige samenhang tussen negatieve polariteit en patronen van logische inferentie aan het licht gebracht, die met eenvoudige wiskunde verklaard kan worden. Ik denk hier aan de distributie van het negatief-polaire werkwoord "hoeven" dat optreedt in monotoon dalende omgevingen.
Met al dit moois in gedachten is het onbegrijpelijk dat iemand formeel onderzoek wil verwerpen of ondergeschikt maken aan "substantieel" onderzoek. Afgezien van het descriptief nut van formeel onderzoek is er ook nog een andere reden om formeel onderzoek te verkiezen boven niet-formeel onderzoek. Alleen bij formeel onderzoek kunnen inconsistenties aan het licht komen, en kan de correctheid van de beschrijving precies worden getest. Bij niet-formeel onderzoek kan inconsistentie nooit aan het licht komen: de niet-formele onderzoeker kan zich verschuilen achter ongedefinieerde termen en begrippen.
Wetenschap is nooit af. Er komen regelmatig inconsistenties en foute voorspellingen aan het licht. Wat dan? Creatief nadenken en tot een betere formele theorie komen! Daarbij is elke hulp welkom. Het valt te betreuren dat die hulp van een toch intelligente taalkundige als S. niet te verwachten valt.

3. Waartoe "substantieel" onderzoek leidt

Het substantieel onderzoek gaat voorbij aan de talloze assymetrieën die er tussen direct en indirect object bestaan. Neem bijvoorbeeld het feit dat het voltooid deelwoord van een dubbelobjectswerkwoord prenominaal gebruikt alleen de thematische rol van direct object, niet die van indirect object beschikbaar heeft voor modificatie (zie bijvoorbeeld Van der Putten 1986):

(7) het gegeven boek
(8) * de gegeven kinderen

Of neem de generalisatie over idiomen bij dubbelobjectswerkwoorden (zie bijvoorbeeld Hoekstra 1991):

(9) Als één van twee objects NP's idiomatisch gefixeerd wordt dan
zal dat het direct object zijn
(NP een bad geven, NP de mantel uitvegen, etc.)

Dit soort systematiek toont aan dat er syntactisch wel degelijk een onderscheid tussen direct en indirect object gemaakt dient te worden.
Het in het onderhavige proefschrift gepresenteerde onderzoek gaat aan deze systematiek voorbij, en vooral aan de interessante vragen die het bestaan van dergelijke systematiek oproept.
Laten we tot slot dan de voornaamste conclusies van het substantieel onderzoek noemen. Enerzijds wordt beweerd dat er geen syntactisch onderscheid is tussen indirect object en direct object: "het IO en het DO onderscheiden zich alleen van elkaar door hun semantische rollen" (blz. 309). Op dezelfde bladzij wordt dit echter weer ontkend: "Dat het IO meestal voor het DO staat, is het gevolg van de interactie van de syntactische constellatie in een dubbelobjectsconstructie, de relationele betekenis van de nominale constituenten en de informatieverdeling in de zin". Nu blijkt er dan toch weer een rol voor de syntaxis te zijn weggelegd, hetgeen in het vorige citaat nog werd ontkend.
Typerend voor dit proefschrift is dat de belangrijkste conclusie binnen het eigen kader negatief van strekking is:

(10) Het substantieel-taalkundig onderzoek leidt tot de conclusie dat
noch het nominaal IO noch de aan-bepaling een afzonderlijke
syntactische categorie is. ...En dat niet alleen, de categorieën
hebben ook geen gelijksoortige status. (blz. 314)

De positieve bijdrage van dit onderzoek aan de taalwetenschap is echter een gemeenplaats van angstaanjagende proporties en een naamloze ouderdom:

(11) Het nominaal IO is een nominale bepaling bij het gezegde, en de
omschrijvende voorzetselbepaling een prepositionele bepaling
bij het gezegde. (blz. 314)

Verder commentaar is hier overbodig.
 
 
 
 

Bibliografie

Chomsky, N. 1982 Some Concepts and Consequences of the Theory of Government and Binding, Cambridge (Mass.), MIT Press.
Hoekstra, E. 1991 Licensing Conditions on Phrase Structure, dissertatie, Rijksuniversiteit Groningen.
Kraak, A. en W.G. Klooster 1968 Syntaxis, Culemborg.
Perlmutter, D. 1983 Personal vs. Impersonal Constructions, Natural Language and Linguistic Theory 1, 141-201.
Putten, F. van der 1986 Deverbal Adjectives: Grammatical or Thematic Relations?, in F. Beukema en A. Hulk (eds) Linguistics in the Netherlands 1986, Dordrecht, Foris.
Zwarts, F. 1981 Negatief-Polaire Uitdrukkingen I, GLOT 3, 35-132.
 
 

Eric Hoekstra
P.J. Meertens Instituut
Keizersgracht 569-571
1017 DR Amsterdam