Over de implicaties van enkele morfo-syntactische eigenaardigheden in West-Friese dialecten

Eric Hoekstra

Taal & Tongval 45, 135-154. (1993)
 

1. Inleiding1

In klassieke dissertaties over West-Friese dialecten (zoals Boekenoogen 1897, Karsten 1931, Daan 1950) worden verschillende morfo-syntactische eigenaardigheden van deze dialecten genoemd. Deze eigenaardigheden lijken typerend voor de onderhavige dialecten, en worden soms ook als zodanig aangemerkt. De term 'eigenaardigheid' is echter alleen op zijn plaats indien deze dialecten vergeleken worden met het Hollands. Wanneer we deze dialecten vergelijken met het Fries is er geen sprake meer van eigenaardigheden maar van twee categorien van verschijnselen. Enerzijds hebben we simpelweg overeenkomsten met het Fries. Dit betreft vooral morfosyntactische overeenkomsten. Anderzijds hebben we gevallen waarbij de overeenkomst met het Fries indirect is.


Deze indirecte overeenkomsten zijn ons inziens alleen te verklaren als gevallen waarin het Hollands als tweede taal wordt gebezigd door een moedertaalspreker van het Fries. Het creatief resultaat hiervan is noch Fries noch Hollands, maar onderhoudt met beide nauwe banden. Synchroon-comparatieve analyse dwingt ons tot de slotsom dat het Westfries ontstaan is uit de pogingen van Westfriezen om Hollands te spreken met behulp van een Friese grammatica.
 

2. Methodologie

Mijn uitgangspunt is in de eerste plaats puur taalkundig. Tevens is het comparatief. Dat wil zeggen, het Westfries wordt op een aantal punten met het Fries vergeleken, enerzijds, en met het Hollands anderzijds.
De term Hollands gebruik ik ter aanduiding van de taal gesproken door de middenklasse (en daarboven) van de randstad. In de praktijk laat ik dat samenvallen met ABN. De term Westfries gebruik ik hier als een parapluterm voor de dialecten van Noord-Holland boven het IJ. Ik illustreer mijn beweringen over het Westfries aan de hand van materiaal uit de Zaanstreek (Boekenoogen 1897), Drechterland (Karsten 1931, Langedijk 1963) en Wieringen (Daan 1950). Onder Fries versta ik het Fries dat zich momenteel tot een standaardtaal lijkt te ontwikkelen. Voor zover het de hier te bespreken morfosyntaxis betreft valt dat samen met de grootste gemene deler van de Friese dialecten.
Mijn studie is niet in de eerste plaats taalgeografisch: ik veronderstel, zonder dit verder aan te tonen, dat de verschijnselen die ik aan de hand van voornoemde dissertaties min of meer karakteristiek zijn of waren voor de Noord-Hollandse dialecten. Hierin weet ik me gesteund door opmerkingen van bijvoorbeeld Pannekeet (1979:1) en door voornoemde auteurs die wijzen op de onderlinge samenhang die deze dialecten vertonen op punten waarin ze zich onderscheiden van het Hollands. Natuurlijk wordt deze onderlinge samenhang tegenover het Holland voortdurend aangetast door datzelfde Hollands (en dus vervangen door de andere samenhang van het Hollands).
Naarmate we verder in de tijd teruggaan worden de voor dit gebied karakteristieke kenmerken dan ook sterker (Boekenoogen 1897:iii). Ook dit is een algemeen bekend beeld binnen de dialectologie. Aan historisch taalkundigen laat ik graag de specifieke beschrijving en analyse over van de historische ontwikkeling van de Westfriese dialecten.
Het artikel valt in twee delen uiteen. In het eerste deel presenteer ik synchroon-comparatieve parallellen tussen het Fries en het Westfries. Dit gedeelte is overwegend taalkundig. In het tweede deel trek ik enkele niet-taalkundige conclusies op grond van mijn taalkundige analyse. Deze conclusies betreffen enerzijds de (historische) oorsprong van de Westfriese dialecten, anderzijds de vraag naar de indeling van de Nederlandse dialecten.
 

Deel I. Comparatieve Taalkunde

2. Infinitieven

2.1. Inleiding

Er zijn een aantal verbluffende infinitivale overeenkomsten tussen het Fries, enerzijds, en de dialecten van het Noordfries anderzijds, waarin ze zich van het Nederlands en het Duits onderscheiden (J. Hoekstra te verschijnen). Hij merkt in het voorbijgaan op dat zowel het Gronings als het Westfries dezelfde overeenkomsten vertonen, en suggereert het bestaan van een dialect continuum dat zich langs de Noordzee uitstrekt en dat hij Noordzeegermaans noemt. We zullen deze infinitivale overeenkomsten hieronder nader in kaart brengen.
2.2. Werkwoordsvolgorde bij kale infinitieven

De volgorde van verbogen werkwoord bij twee kale infinitieven is hetzelfde als in het Fries:

(1) a. Dat had je wel lete kenne WF:Zaans
b. Dat had je wel kunnen laten Holl
c. Dat hiest wol litte kinnen Fries
(2) a. Ze had zitte moete WF:Zaans
b. Ze had moeten zitten Holl
c. Se hie sitte moatten Fries

Hier spreekt Boekenoogen (1897:LXXII) van 'eigenaardigheden' maar hij merkt de parallel met het Fries wel op. Merk overigens op dat het Fries nog het voltooid deelwoord kinnen heeft, terwijl het Zaans een infinitief heeft.2 Het Zaans vertoont net als het Hollands het zogenaamde IPP-effect (Infinitivum-Pro-Participio), ondanks de afwijkende woordvolgorde. De syntactische eigenschap (afwijkende woordvolgorde) blijft dus langer bewaard dan de morfosyntactische eigenschap (voltooid deelwoord waar het Hollands een infinitief heeft).
In het dialect van Wieringen kan overigens ook net als in het Fries een voltooid deelwoord voorkomen (Daan 1950:207), ook al is daar de infinitief ook mogelijk, zoals de ondestaande zinnen laten zien:

(3) a. Dan had ik een nieuw geve kenne
b. Hij is mak staan bleven

(3a) vertoont de infinitief kenne; het voltooid deelwoord is kent. In (3b) staat het voltooid deelwoord bleven; de infinitief is blieve.
Er is beweerd dat de rode volgorde nauw samenhangt met het IPP-effect (Nieuwenhuijsen 1973). Indien bovenstaande voorbeelden solide zijn dan is er echter meer aan de hand. Het optreden van IPP bij groene en rode volgorde toont aan dat IPP niet noodzakelijkerwijs met één van deze volgordes samenhangt (cf. De Haan 1992). Merk echter op dat er toch nog een generalisatie te maken valt. Er is geen dialect waarbij we de rode volgorde aantreffen en toch geen IPP vinden. Met andere woorden, bij de groene volgorde kunnen we IPP vinden, maar bij de rode volgorde is het verplicht.3 Een analyse van het IPP-effect valt echter buiten het bestek van dit artikel.
Evenals in het Fries vinden we in de Westfriese dialecten de zogenaamde groene volgorde waar het Hollands bij kale infinitieven de rode bezigt. In sommige Westfriese dialecten vinden we bovendien geen IPP effect, net als in het Fries.

2.3. Aspectuelete-infinitieven

Bezie de volgende zinnen uit het Westfries (Boekenoogen 1897:LXXIII, zie ook Karsten 1931:103, Daan 1981:206), het Hollands en het Fries:

(4) a. Ik gaan te kaarten WF: Drechters
b. Ik ga kaarten Holl
c. Ik gean te kaarten Fries
(5) a. Ik blaif te slapen WF: Drechters
b. Ik blijf slapen Holl
c. Ik bliuw te sliepen Fries

Fries en Westfries gebruiken beide te in constructies met een aspectueel hulpwerkwoord waar het Hollands dat zou weglaten.
Hetzelfde verschijnsel vinden we eveneens als de infinitivale zin voorafgegaan wordt door een aspectueel partikel:

(6) a. dat Jan uit te winkelen gaat WF:
b. dat Jan uit winkelen gaat Holl
c. dat Jan ut te winkeljen giet Fries

Er is hier sprake van een tamelijk systematisch contrast tussen Westfries en Fries tegenover het Hollands.

2.4. Copulaire infinitieven met passieve interpretatie

Nog frappanter zijn gevallen als de volgende, waarbij er geen direct Hollands equivalent te geven is:

(7) a. Jan het te opereren weest WF: Wieringen
b. * Jan is wezen opereren Holl
c. Jan hat te operaerjen west Fries
(8) a. Ik gaan te heerknippen WF: Drechtsters
b. * Ik ga haar te knippen Holl
c. Ik gean te hierknippen Fries

In de (a)- en (c)-zinnen krijgt het subject de thematische rol die hoort bij het object van opereren en haarknippen. (6b) is alleen grammaticaal in het Hollands als het subject geinterpreteerd wordt als subject van opereren.4

2.5. Twee typen infinitieven

Het Westfries van Wieringen kent volgens Daan (1957) twee typen infinitieven, evenals de andere Westfriese dialecten (Daan 1956). Hieronder staan een aantal relevante voorbeelden vermeld uit Daan. Ik ben zo vrij geweest er zelf direct maar de Friese equivalenten bij te geven:

(9) a. Ik zag him liggEN WF
b. Ik seach him lizzEN Fries
(10) a. Je hore enkeld de klok tikkEN WF
b. Jo hearre inkeld de klok tikjEN Fries
(11) a. Hai voelde 't ankommEN WF
b. Hy fielde it ankommEN Fries
(12) a. Het zal wel hangEN blaivE WF
b. It sil wol hingjEN bleauwE Fries
(13) a. Vader zel deer voor zurregE WF
b. Heit sil der foar soargjE Fries
(14) a. Je moete maar dinkE WF
b. Jo muotte mar tinkE Fries
(15) a. Ik hen m'n heer knippE leiten WF
b. Ik ha myn hiir knippE litten Fries
(16) a. 't soup kouwE litte WF
b. de pap kâld wurdE litte Fries
(17) a. Ik gaan te melkEN WF
b. Ik gean te melkEN Fries

Voor Daan is dit verschijnsel een mysterie, zowel historisch als taalkundig. Ze oppert de mogelijkheid (Daan 1956:109) dat deze infinitieven op -en eigenlijk voltooide deelwoorden zijn; deze suggestie kan direct verworpen worden daar met name een vorm als tikken nimmer voor een voltooid deelwoord door zou kunnen gaan. Syntactisch is het bovendien weinig aantrekkelijk om werkwoorden als blijven een verleden deelwoord te laten selecteren.
Wanneer we het Fries erbij betrekken dan blijkt dat zowel Fries als Westfries de infinitief in -en van de infinitief in -e onderscheiden. Bovendien hebben deze twee infinitieven in beide talen practisch dezelfde distributie, zoals we gezien hebben. We hoeven dan ook maar een Friese grammatica op te slaan (bijv. Van Blom 1889:126ff) om ditzelfde verschijnsel in het Fries te leren kennen. De historische kant van het mysterie krijgt nu duidelijke contouren: het Westfries heeft zijn twee typen infinitieven gemeen met het Fries.
Ruwweg is het zo dat modale hulpwerkwoorden zoals kunnen, moeten, zullen, e.d. de infinitief in -e selecteren, evenals het werkwoord laten. De infinitief in -en wordt geselecteerd door de werkwoorden van perceptie (zien, horen, e.d.), de markeerder te, blijven en werkwoorden van locatie zoals staan, zitten, enz. Voor nadere informatie, zie ook Dyk & Hoekstra (1987). In het Hollands komt dit niet voor, noch in de dialecten van Zuid-Holland.5

2.6. Nomen-incorporatie

Tot besluit van deze sectie noemen we nog het verschijnsel van nomen-incorporatie, zoals in onderstaande zinnen:

(18) a. Ik gaan te heerknippen WF:Drechters
b. Ik kom te ov-ouwen (varken-uitsnijden) WF:Wieringen
c. je kom niet meer te vleisvragen (vragen of ik vlees nodig
heb) WF:Wieringen
(19) Fries
a. Ik gean te hierknippen
b. Ik kom te kouslachtsjen (koe-slachten)
c. Komst net mear te fleis freegjen
.
Het nomen dat anders lijdend voorwerp zou zijn duikt nu tussen te en het werkwoord op (over nomen-incorporatie in het Gronings zie Schuurman 1987, Schuurman & Wierenga 1990). In dit opzicht onderscheiden Westfries en Fries zich van het Hollands.
Daarom is het categoriseren van de Noordhollandse dialecten als dialecten van het Nederlands zeker niet onproblematisch. De Noordhollandse dialecten schijnen in dit opzicht nauwer verwant te zijn aan het Fries, of aan de Noordnederlandse dialecten.

2.7. Theoretische samenhang?

Vanuit taaltheoretisch oogpunt kan men zich afvragen of al deze contrasten niet uit enkele welgekozen parameters zijn af te leiden. J. Hoekstra (te verschijnen) stelt twee parameters voor. Deze zijn als volgt:

(20) Te is
a. een prepositioneelachtig element (een Casusmarkeerder)
b. een inflectioneel element (een verbaal prefix)
(21) -en, de infinitiefuitgang, is
a. een [+N, 0V] element
b. een [0N, 0V] element

Fries (en Westfries) kiezen de (a)-waarden, Hollands kiest de (b)-waarden. Zonder op de specifieke analyse in te gaan kunnen we op de conceptuele formulering wel wat af dingen. In de te-parameter is morfologische informatie opgenomen (prefix tegenover woord), categoriale informatie (prepositioneel tegenover non-prepositioneel), naamvalsinformatie (Casuselement tegenover non-Casuselement) en inflectionele informatie (inflectioneel tegenover non-inflectioneel). Niettemin is eveneens duidelijk dat al deze begrippen relevant zijn, zelfs al is hun betekenis en verhouding tot elkaar nog niet scherp afgegrensd.
Een specifiek probleem dat J. Hoekstra zelf opwerpt is het Gronings. Hoewel het Gronings niet twee morfologische infinitieven onderscheidt, heeft het toch nomen-incorporatie (wellicht meer dan in het Fries). Wij interpreteren dit als een bewijs dat het morfologische onderscheid zelf niet basaal is doch slechts een reflex van een syntactisch verschil, in de geest van het Minimalistische Programma (Chomsky 1992).
Ook de dimensie woord tegenover affix kunnen we weinig syntactische kracht toekennen. Resten nog het onderscheid inflectioneel/non-inflectioneel en prepositioneel/non-prepositioneel. Dit zijn syntactische begrippen, dus hier zou inderdaad de rol van de syntaxis te formuleren zijn.
De -en uitgang is in Fries en Westfries de uitgang die bij nomenincorporatie optreedt. Deze uitgang licenseert een naakt nomen wanneer dit aan een werkwoordsstam gehecht wordt. In minimalistische termen betekent dit dat -en congruentie vertoont met het naakte nomen. Anders gezegd, -en kan aan hoofden Casus toekennen; -e kan dit niet. Merk op dat we hier te maken hebben met een proces dat zich binnen de projectie van het werkwoord afspeelt.
We hebben gezien dat in een aantal gevallen het Hollands een infinitief in schwa heeft waar het Fries en het Westfries te gebruiken. We hebben hier te maken met een relatie die de projectie van het werkwoord betreffen en een regeerder daarbuiten. In het Fries is te nodig om deze relatie te beregelen, maar in het Hollands niet. Het feature dat bij deze relatie essentieel is is noch met het Friese -en noch met het Friese -e geassocieerd is, maar met het Friese te. Dit feature zou wel eens een aspectueel feature kunnen zijn. Voor verdere analyse is een theorie van aspect wel het eerste vereiste, maar dit valt buiten het kader van dit artikel. In de volgende sectie wijzen we op een nadere aspectuele overeenkomst tussen Fries en Westfries tegenover het Hollands.

2.8. Nogmaals een aspectueel verschil

Het idee dat er een aspectuele parameter is die Hollands van Fries onderscheidt wordt ondersteund door de hiernavolgende feiten. Op de vraag Hoe ben je gekomen? krijgt men in de drie talen die we hier vergelijken de volgende antwoorden:

(22) a. Ik ben loopende (rijende, enz.) WF
b. Ik ben komen lopen (rijden. enz.) Holl
c. Ik bin rinnende (riedende, enz.) Fries

Dit is een tamelijk algemeen Westfries verschijnsel, blijkens de veelvuldige vermeldingen in de literatuur (Boekenoogen 1897:LXXIII, Karsten 1931:105, Daan 1950:207). Het Hollands gebruikt een modaal hulpwerkwoord waar Fries en Westfries het tegenwoordig deelwoord gebruiken. Ook hier hebben we te maken met een syntactische overeenkomst tussen Fries en Westfries.

2.9. Conclusie

We hebben een aantal kenmerken de revue laten passeren waarin het Westfries nauw aansluit bij het Fries, en niet bij het Hollands. De in deze sectie besproken verschijnselen worden tniet alleen in Westfriese en Friese dialecten aangetroffen, maar ook in de Groningse en in de Oostfriese en Noordfriese dialecten. Deze overeenkomsten betreffen alle infinitieven. In de volgende sectie gaan we in op overeenkomsten in het werkwoordsparadigma. Ondanks oppervlakteverschillen vertoont het Westfriese werkwoord verbluffende overeenkomsten met zijn Friese tegenhanger.
 

3. Inflectionele Morfologie: het werkwoordsparadigma

3.1. Verbuiging in het enkelvoud in de tegenwoordige tijd

Ook hier vinden we een parallel met het Fries. Men vergelijke eerst een Fries paradigma (in het enkelvoud) met een Nederlands:

(23) 1s ik roep ik rop
2s je roept/roep je do ropst(e)/ropsto
3s hij roept hy ropt

In het Nederlands vinden we een oppositie tussen de eerste en de derde persoon, waarbij de tweede persoon in inversie met de eerste persoon meegaat, en voor het overige met de derde persoon. In het Fries hebben we een oppositie tussen alledrie personen. Het volgende schema geeft dit in abstracto weer:

(24) Hollands Fries
1s I 1s I
2s I/II 2S II
3s II 3S III

Wanneer we nu een westfries paradigma erbij nemen (Karsten 1931:91) dan zien we dat het Westfries net als het Fries drie persoonsvormen onderscheidt binnen het enkelvoud:

(25) Westfries
ik roep I
je roepe II
hij roept III

Het aardige is dat de morfologie geheel Nederlands is. Zowel -e als -t zijn normale werkwoordsuitgangen van het Nederlands. Ze worden echter gebruikt om een morfologische driedeling te maken tussen de drie personen, net als in het Fries. Met andere woorden, de onderscheiden oppervlaktevormen (de fonologische vormen) zijn op zich niet stabiel maar gekoppeld aan de abstracte persoonsonderscheidingen binnen het enkelvoudsparadigma zijn ze dat wel. De westfries perst het Hollands in zekere zin in een Friese mal, een friese syntaxis. De Friese vorm -st is de enige vorm die afvalt, en dat is juist de vorm die we niet in Hollands vinden.6
Dit kan bezwaarlijk toeval zijn. Het onderscheid tussen de 1SG, 2SG en 3SG, uitgedrukt in onderscheiden oppervlaktevormen, vertoont een zekere mate van coherentie, waardoor het bij taalcontact gemakkelijker overleeft dat bijvoorbeeld het onderscheid tussen een 1SG en een 3PL. Ik zal in sectie 4.4. een formele definitie van het begrip coherentiegeven.

3.2. De enkelvoudsvormen in de verleden tijd

Wie nog mocht twijfelen aan de hier gegeven verklaring moet haast wel overtuigd worden door de vormen die we in de verleden tijd vinden. In de verleden tijd maakt het Hollands geen onderscheid tussen de verschillende vormen, terwijl het Fries de tweede persoon onderscheidt van de eerste en derde persoon:

(26) Hollands Fries
1s ik kwam I ik kam I
2s jij kwam I dou kaamst II
3s hij kwam I hy kam I

Ook hier gaat het Westfries in de syntaxis met het Fries mee, ook al is de morfologie Nederlands:

(27) Westfries
1s ik kwam I
2s je kwamme II
3s hij kwam I

Dit is natuurlijk geen toeval maar past precies in het plaatje dat we schetsten. Morfologische onderscheidingen tussen de verschillende persoonsuitgangen blijven bewaard, ook al is het een ander suffix wat het onderscheid uitdrukt. Onder druk van het Hollands neemt de schwa de rol van -st over.
We vinden hier nog een parallel: de afwijkende uitgang van de 2SG in de verleden tijd is identiek in Fries en Westfries met de afwijkende uitgang van de 2SG in de tegenwoordige tijd:

(28) a. (West)fries: ovt 2s = ott 2s
b. Hollands: ovt 2s =/= ott 2s

Deze abstracte paradigmatische overeenkomst tussen Fries en Westfries is blijven bestaan, ook al is de oppervlaktemorfologie (-st versus -e) verschillend.

3.3. Ontstaan van de vormen in -e

De vraag rijst nu hoe het Westfries aan de vorm in schwa is gekomen. Wellicht is hier geen sprake van ontlening aan het Hollands. Het Fries heeft namelijk in enkelvoud en meervoud een beleefdheidsvorm op schwa (Van Blom 1889:104):

(29) je rinne U loopt
je muotte U moet, enz.

Teneinde een Hollands klinkend Fries te produceren hoefden de Westfriezen slechts deze beleefdheidsvorm te gaan gebruiken voor de 2SG.7 Dit is des te gemakkelijker omdat het pronomen jo in zijn zwakke vorm, je, homofoon is met het Hollandse je.
In de verleden tijd gaat de beleefdheidsvorm in het Fries echter niet uit op -e maar op -en:

(30) jo rounen
jo arbeiden
jo wienen

De -en uitgang wordt uitgesproken als een syllabische /n/, net als in het Gronings (de schwa valt weg). De zwakke vorm van jo is je. Niettemin gaat in het Westfries de verleden tijd uit op schwa. Het kan dus niet zo zijn dat het Westfries overal de beleefdheidsvorm uit het Fries voor de 2SG ging gebruiken; dat zou leiden tot *je kwammen.
We kunnen dit echter in termen van abstracte paradigmata begrijpen. In het Fries is de 2SG in de tegenwoordige tijd identiek aan de 2SG in de verleden tijd: beide gaan uit op -st. De -st was in de tegwoordige tijd was echter afgeschaft ten gunste van de -e. Om nu de identiteit van de 2SG in tegenwoordige en verleden tijd te behouden moest de -e ook wel gebruikt worden in de verleden tijd. Vandaar dat we de schwa ook in de 2SG in de verleden tijd vinden.
Als dit correct is dan hebben we het volgende plaatje. Het abstracte paradigma van het Fries blijft in het Westfries grotendeels bestaan. De enige abstracte verandering is dat de 2SG dezelfde uitgang krijgt als het meervoud van de tegenwoordige tijd. De verbale uitgang die in het Hollands niet voorkomt (-st) wordt vervangen door een andere verbale uitgang van het Fries die in het Hollands ook voorkomt (-e).8 De vervanging is semantisch ook minimaal in die zin dat de formele aanspreekvorm nu ook ging fungeren als de informele aanspreekvorm. We veronderstellen daarom dat de Westfries het Hollands geprobeerd heeft te reconstrueren met behulp van zijn Friese moedertaal. Dit betekent evenwel een voortdurende uitholling van het Fries. Het resultaat is een dialect, waarvan sommige eigenschappen uniek zijn, d.w.z. niet voorkomen in het Fries of het Hollands (zie bijv. Pannekeet 1979 voor voorbeelden).9

3.4. Coherentie in werkwoordelijke paradigmata

Het is niet zo dat elke abstracte overeenkomst of elk abstract verschil even sterk is. Homofonie van 1S en 3PL bijvoorbeeld is waarschijnlijk niet iets wat bij taalcontact behouden zal blijven. Het Friese onderscheid tussen 2SG en PL bleef immers in het Westfries ook niet behouden, maar werd opgeofferd aan het handhaven van de driedeling voor persoon in het enkelvoud. Persoonsonderscheidingenen binnen een waarde van getal hadden blijkbaar een zekere psychologische realiteit.
Een werkwoordsparadigma kan worden weergegeven als een kruisclassificatie van persoon en getal:

(31) Kenmerk: Persoon
1 2 3
Kenmerk: Getal
SG SG,1 SG,2 SG,3
PL PL,1 PL,2 PL,3

Hoe kunnen we nu voorspellen welke overeenkomsten en verschillen coherent zijn en welke niet?
We zijn er al vanuit gegaan dat persoonsonderscheidingen binnen getal coherent zijn. Tevens veronderstellen we dat getalsonderscheidingen binnen persoon niet coherent. Het Westfries wijkt immers alleen op het volgende punt af van het Fries: in het Westfries valt de uitgang van de 2SG voortaan samen met het PL, terwijl in het Fries deze twee verschillen. Maar het onderscheid tussen een 2SG en PL, of tussen 2SG en SPL, is niet een coherente oppositie.
De voorgestelde visie is compatibel met het idee dat getal coherent is ten opzichte van persoon. Als dit klopt dan zou een generalisatie over bijvoorbeeld 1SG en 1PL tegenover de andere personen geen psychologische realiteit hebben. Dat houdt in dat 1SG en 1PL wel kunnen samenvallen maar dat een dergelijke samenval toevallig is en geen rol kan spelen bij bijvoorbeeld taalcontact.
Met andere woorden, een verbaal inflectiesysteem dat vereenvoudigd wordt zal gemakkelijker een onderscheid tussen SG en PL (zonder persoon) overhouden dan een onderscheid tussen 1, 2 en 3 (zonder getal). Nu is mij inderdaad geen taal bekend die alleen persoon onderscheidt maar niet getal, terwijl er wel talen zijn die alleen getal onderscheiden maar niet persoon (bijv. het dialect van Gouda, Lafeber 1967:42-44).
Coherente en niet coherente onderscheidingen staan hieronder beschreven:

(32) Twee vormen uit de kruisclassificatie zijn coherent als
ze dezelfde waarde voor getal hebben

De paradigmatische verandering van Fries naar Westfries is in overeenstemming met deze definitie van coherentie. De samenval van 2SG met 2PL (waar die in het Fries verschilden) is toegestaan omdat 2SG en 2PL geen coherent paar vormen. Het onderscheid tussen 1SG en 2SG en 3SG is coherent, en dat blijft dan ook bewaard.
Men kan zich afvragen waarom juist getal coherentie bepaalt en niet persoon. Met andere woorden, ook al is (32) in overeenstemming met de taalfeiten, is er een correlaat tussen (32) en syntactische structuur? Ik wil suggereren dat dat zo is. Syntactische theorievorming is tot nu toe steeds het succesvolst geweest wanneer er meer structuur gepostuleerd werd, en wanneer kenmerken als syntactische (of morfologische) hoofden behandeld werden. In het licht van deze ontwikkeling komt het idee op om het kenmerk getal als een hoofd te zien, dat een ander kenmerk, persoon, selecteert. We kunnen definitie (33) nu generaliseren:

(33) Twee vormen uit een kruisclassificatie zijn coherent als
ze de dezelfde waarde voor het selecterend kenmerk hebben

Aangenomen dat getal persoon selecteert volgt (32) uit (33). Nader onderzoeken zal moeten uitwijzen of een dergelijke correlatie tussen morfosyntactische structuur en paradigma gerechtvaardigd is. Zie ook Postma (1992), die enerzijds geen verband tussen paradigma en syntactische structuur postuleert maar die anderzijds een bredere klasse van overeenkomsten (o.a. betreffende stamverandering) kan verantwoorden.
 

3.5. Conclusie

Samenvattend, de eerste aanpassing van het Fries aan het Hollands betreft (i) de eliminatie van (de fonetische inhoud van) een werkwoordelijke uitgang die in het Hollands niet voorkomt (-st) ten gunste van één die voorkomt in Hollands en Fries (-e) (ii) de eliminatie van de fonetische inhoud van een pronomen dat in het Hollands niet voorkomt (dou) ten gunste van één die in Hollands en Fries voorkomt (je). Semantisch is deze aanpassing minimaal: de formele aanspreekvorm breidt zijn domein uit tot de informele aanspreekvorm. Behouden blijft echter de coherente driedeling in de persoonsverbuiging in het enkelvoud van de tegenwoordige tijd, en de tweedeling in de persoonsverbuiging van het enkelvoud in de verleden tijd. In deze opzichten sluit het Westfries nauw aan bij het Fries en niet bij het Hollands.
 

4. Overeenkomsten uit de derivationele morfologie

Zowel Boekenoogen (1897:LXI) als Karsten (1931:79) vergelijken de Westfriese vormen voortdurend met het Hollands. Boekenoogen noemt dan het volgende verschijnsel "merkwaardig". Er wordt geen verbindings -e ingevoegd in bijvoorbeeld de volgende woorden:

(14) a. mantje, pantje, spintje, ventje, zontje, boltje, steltje, tortje, hentje, enz.
b. mannetje, pannetje, spinnetje, vennetje, zonnetje, bolletje, stelletje, torretje, hennetje, enz.

We zetten nu de corresponderende Friese vormen eronder:

(14) c. mantje, pantsje, spintsje, ventsje, sintsje, boltsje, steltsje, hentsje

De -ts in het verkleinwoord klinkt in modern Fries als een alveolair-palatale affricaat, net als de ch in het Engelse cheers. Het fricatieve karakter heeft het verkleinwoord echter pas in de 17e eeuw gekregen (REF). Het Westfries bewaart dus de oorspronkelijke uitspraak.
Buitengewoon significant is dat we juist in ouder en verouderd Westfries het verkleining suffix -ke aantreffen (Pannekeet 1979:132):

(15) Westfries Fries Hollands
kooike koaike kooitje
deurke doarke deurtje
popke popke popje
woifke wyfke wijfje

Hoe verder we in de tijd teruggaan, hoe groter de overeenkomsten tussen het Fries en het Westfries worden. In het huidige Westfries hebben deze woorden echter doorgaans het Hollandse suffix -tje. Dit geval bevestigt onze hypothese dat het Westfries dialect ontstaan is als tweede taal van moedertaalsprekers van het Fries.
Een aantal interessante overeenkomsten tussen Fries en Westfries betreffen de woordenschat (alle voorbeelden komen uit Pannekeet 1979:130-135).

(12) Westfries Fries Hollands
bedsplank bedsplanke beddeplank
keelsgat kielsgat keelgat
slootswater sleatswetter slootwater

Fries en Westfries hebben een verbindings -s die in het Hollands ontbreekt. In andere gevallen hebben Fries en Westfries een ander suffix dan het Hollands:

(13) groetenis groetenis groeten
anwenst oanwenst aanwensel
betrouwd bitroud betrouwbaar
goedelek guodlik goedaardig
ienelek ienlik eenzaam
vergetelek forjitlik vergeetachtig
oirbaarlek ysbaerlik ijselijk
allienig allinnich alleen
gebrekkelek gebreklik gebrekkig

En in een aantal gevallen hebben Fries en Westfries dezelfde frequentatieven:

(12) knauwele knauwelje aanhoudend knauwen
kuchele kochelje aanhoudend kuchen
lingere longerje hunkeren
stroffele stroffelje struikelen
wukele wjukkelje met armen molenwieken

Verder hebben Westfries en Fries beide een type samenstelling waarvan het eerste lid bestaat uit een werkwoord plus het suffix -er:

(12) eterstoid iterstiid etenstijd
melkerstoid melkerstiid melktijd
hooiersweer haeijerswaer hooiweer
huishouwersgeld húshaldersjild huishoudgeld
waskersdag waskersdei wasdag

Van dit type samenstelling is pas sinds kort bekend dat het buitengewoon productief is in het Noordfries van Helgoland (Århammer 1993). Het suffix -aard wordt in het Fries en Westfries consequent vervangen door -ert, als in gierigerd/gjirgert, valserd/falskert, roikerd/rikert, en zo voort. Een ander systematisch verschil vinden we bij de volgende gevallen:

(12) lompighoid lompichheit lompheid
mooiighoid moaijichheit mooiheid
vreemdighoid frjemdichheit vreemdheid
luiighoid loaijichheit luiheid
gemenighoid gemienichheit gemeenheid
benauwdighoid binaudichheit benauwdheid

Fries en Westfries suffigeren -ig en -heid terwijl Hollands alleen -heid suffigeert. Zo zijn er meer overeenkomsten te geven maar hiermee volstaan we. Het zou ook interessant zijn om de verschillen tussen Fries en Westfries op een rijtje te zetten en na te gaan of deze verschillen verklaard kunnen worden door middel van onze hypothese dat het Noordhollands ontstaan is uit tweede taalverwerving van het Hollands door moedertaalsprekers van het Fries.
 

Deel II. Consequenties

5. Taalcontact

Ik neem aan dat het Westfries ontstaan is toen de Westfriezen, na hun politieke onafhankelijkheid in 1253 te hebben verloren, gedwongen waren in officiele domeinen Hollands te spreken. Omdat men zich bij officiele domeinen in die tijd niet veel hoeft voor te stellen, zal in eerste instantie het Fries dominant zijn geweest terwijl Hollands zelden gebezigd hoefde te worden en dus de niet-dominante taal was.
Theoriën van taalcontact zoals Van Coetsem (1988) onderscheiden tussen twee vormen van taalcontact. Een dominante taal heeft vooral lexicaal contact met een niet-dominante taal, d.w.z. kan lexicale items aan de niet-dominante taal ontlenen. Een niet-dominante taal kan echter morfosyntactische en phonologische eigenschappen ontlenen aan een dominante taal.
Dit zou inhouden dat het prille Hollands der Westfriezen morfosyntactische en fonologische eigenschappen aan het Fries kon ontlenen. Hierbij valt voor het eerste te denken aan de in dit artikel geschetste overeenkomsten. Fonologische overeenkomsten vereisen een aparte studie maar men kan bijvoorbeeld denken aan de voor het Fries en Westfries karakteristieke sk-klank, die in het Hollands sch- is. Ook op de lagere school in het huidige Friesland kan men deze klank in het Hollands van Friezen beluisteren.
Maar naarmate het Hollands der Westfriezen in de gebruiksdomeinen oprukt wordt geleidelijk aan dat "Hollands" de dominante taal. Het Fries sterft uit, maar niet nadat het een deel van zijn grammatica, fonologie en woordenschat op het "Hollands" der Westfriezen heeft overgedragen. Met andere woorden, een nieuw dialect is geboren.
Dit dialect, dat ik Westfries heb genoemd, blijft natuurlijk de concurrentie voelen van het Hollands. Het hierboven gesimplificeerd beschreven proces herhaalt zich dus in feite voortdurend, misschien met elke generatie. Om een metafoor te gebruiken, het Westfries doet telkens twee stappen naar het Hollands toe en één opzij.
 

6. Dialectindeling

We komen nu terug op de indeling der dialecten. Bij zo'n indeling behoren taalkundige overwegingen de boventoon te voeren. Wie dus refereert aan termen als standaardtaal of cultuurtaal maakt eerder een politieke indeling. Met opzet is voor de term Westfries gekozen, omdat in de meeste studies over deze dialecten aan de hier aan te tonen taalkundige overeenkomsten met het Fries voorbijgegaan wordt. Er heerst tevens een consensus dat Friese dialecten uitsluitend voorkomen in de provincie Friesland (Hof 1933, Daan & Blok 1970, Goossens 1977:23).10 Wij hebben laten zien dat Noord-Hollandse dialecten mede in de context van het Fries geanalyseerd moeten worden, gezien de nauwe taalkundige verwantschap die er tussen beide bestond en tot op zekere hoogte nog steeds bestaat.
Hiermee komen we op het vraagstuk van de dialectindelingen, en van de criteria volgens welke een dialectindeling gemaakt wordt. In de eerste plaats moet geconstateerd worden dat zo'n indeling een hachelijke zaak is. Zoals bekend valleen isoglossen nooit geheel samen. Bovendien gaat men doorgaans aan de morfosyntaxis voorbij. Als men dan toch met alle geweld een dialectindeling wil maken, dan zou ik echter willen pleiten voor het mede-hanteren van morfo-syntactische criteria, waar de traditionele dialectindelingen zich voornamelijk laten leiden door lexicale criteria, door oppervlaktevormen, en door overeenkomsten met het Hollands.
Dit artikel heeft dan beoogd een aantal morfo-syntactische overeenkomsten in kaart te brengen tussen het Fries en het Westfries. Daan (1957:197) heeft ooit beweerd: "Voor de tegenwoordige tijd zal niemand ook maar een ogenblik veronderstellen dat de dialecten in Noordholland duidelijke verwantschap met het Fries vertonen." Op basis van de hier genoemde overeenkomsten kunnen we niet langer deze stelling onderschrijven. Overigens had Van Haeringen (1921:3) eerder al geschreven: "Daarentegen moet het als vaststaand gelden. dat in Noord-Holland benoorden het IJ eenmaal Fries is gesproken en de sporen daarvan nog te zien zijn." Ook auteurs als Boekenoogen (1897) en Nawijn (1828) laten zich in dergelijke bewoordingen uit.11 Recentelijk heeft Weijnen (1984) zich ook in dezelfde trant uitgelaten.12
Op de kaart bij is op grond van oppervlaktevormen een indeling in kleuren aangegeven waarbij de afstand tot Hollands primair staat. De nadruk op oppervlaktevormen geeft een vertekend beeld. Zouden we bijvoorbeeld een kaart tekenen op grond van de in secties 3 en 4 besproken verschijnselen, dan zouden West-Friesland, Friesland en Groningen een aaneengeschakeld geheel vormen tegenover Zuid-Holland. Bezie bijvoorbeeld de kaart van nomen-incorporatie in Gerritsen 1991, waar dit het geval is. J. Hoekstra (1992) spreekt op grond van een aantal van dergelijke verschijnselen zelfs van Noordzeesyntaxis.
Het verdient daarom aanbeveling om niet alleen dialectkaarten te tekenen waarop wel de overeenkomsten met het Hollands zijn aangegeven maar niet de overeenkomsten tussen de dialecten onderling.
Verder dienen kaarten gebaseerd te zijn op taalkundige gegevens. De kaart van Daan & Blok (1970) is gebaseerd op de meningen van dialectsprekers zelf over waar hun dialect gesproken wordt. Ten onrechte wordt deze methode "more empirical" genoemd dan kaarten gebaseerd op taalkundig onderzoek en analyse. De auteurs zijn zelf verantwoordelijk voor de kleurenkeus die de afstand tot het Hollands zou moeten uitdrukken en de verwantschap tussen dialecten onderling. Deze kleurenkeus suggereert bijvoorbeeld dat het West-Vlaams weinig van het Hollands verschilt, en dat Fries en Noord-Hollands niks met elkaar gemeen hebben.
Tenslotte is het aanbevelenswaardig dat men zich onthoude van uitspraken als "het Westfries is een Hollands/Fries/Frankisch dialect". Het Westfries is een uniek en compleet taalsysteem. Wel kan men zeggen "Het Westfries vertoont veel overeenkomsten met het Hollands/Fries/Frankisch". Omdat het me leek dat de overeeenkomsten met het Hollands eenzijdig belicht werden, heb ik in dit artikel de schijnwerpers willen richten op de overeenkomsten met het Fries.
 

7. Taalhistorische consequenties

De overeenkomsten tussen Westfriese en Friese dialecten suggereren dat er ooit in de provincie Noord-Holland Fries is gesproken. Puur taalkundige aanalyse geeft zo aanleiding tot een historische hypothese. Is er historisch gezien steun voor deze historische hypothese? Dat is er inderdaad. Ik stip hier even aan dat Noord-Holland vroeger de naam West-Friesland droeg, en dat dit gebied to 1253 zijn politieke onafhankelijkheid bewaarde, alvoren het door Holland werd geannexeerd. In de naamkunde is het Friese karakter van talloze plaats- en veldnamen in de provincie Noord-Holland een gemeenplaats (Karsten 1940, Gysseling 1962, Blok 1968, 1970).
Voor de historische taalkunde heeft dit ook consequenties. Een aantal verschijnselen die in Noord-Holland voorkomen zijn wel eens al te gemakkelijk ingvaeoons genoemd, zonder dat het Friese karakter dat deze provincie vroeger had in acht werd genomen (cf. Schönfeld 1946), terwijl ons dit toch uit de geschiedenis genoegzaam bekend is . Ook werden een paar lexicale items als ingvaeonismen aangedragen terwijl uit taalcontactstudies blijkt dat lexicale items juist heel gemakkelijk worden overgedragen (men denke aan woorden in het Nederlands die uit het Engels, het Frans of het Duits komen). Juist de studie van het Ingvaeoons kan enorm baat hebben bij een systematische vergelijking van Friese en Hollandse dialecten. Juist de studie van het Ingvaeoons kan sommige van zijn hypothesen, slechts gebaseerd op lexicale items, bevestigd of ontkracht zien door morfosyntactische feiten.
Verder suggereert dit onderzoek twee conclusies. In de eerste plaats is een dialectbeschrijving die alleen naar het lexicale uiterlijk, de oppervlaktevormen, kijkt niet alleen incompleet maar ook gebaseerd op juist het minst stabiele deel van het taaleigen. Zoals ook uit recente sociolinguistische studies is gebleken (Vildomec 1962, Gerritsen 1992) is juist de morfosyntaxis een relatief stabiel deel van het taaleigen. Daarom zou een indeling in dialecten op zijn minst mede gebaseerd dienen te zijn op morfosyntaxis, en is het niet verwonderlijk dat we in de provincie Noord-Holland dialecten aantreffen die overeenkomsten vertonen met het Fries.
Meer in het algemeen werpt onze analyse licht op het ontstaan van dialecten. Dialecten ontstaan bij uitstek uit taalcontact. Zien we het ontstaan van dialecten zoals het Westfries als een geval van taalverandering dan kunnen we zelfs stellen dat taalverandering voornamelijk taalcontact is. Dit is een idee waaraan nog te weinig aandacht is besteed. Toch is dit idee al eerder naar voren gebracht. Roorda (1858:72ff) brengt een groot aantal argumenten naar voren die dit idee ondersteunen, en waarvan de hoofdlijnen tot op heden niet weerlegd zijn.13 Ook de zogenaamde Hollandse expansie (Kloeke 1927, Van Reenen 1992) is een directe ondersteuning voor deze stelling. De Oostnederlandse oe ontwikkelt zich niet tot ui, maar wordt erdoor vervangen. We hebben feitelijk te maken met relexificatie. In tegenstelling tot wat we vinden in creooltalen is de relexificatie beperkt tot woordparen die een identieke fonologische structuur hebben. Het enige verschil tussen de leden van elk paar is dat het ene lid de klinker oe heeft en het andere lid de klinker ui. Nu is relexificatie juist taalkundig gezien één van de minst interessante vormen van taalcontact, omdat het exclusief door sociologische factoren bepaald wordt (Van Reenen 1992). Vanuit een taalkundig perspectief is juist systematische fonologische of morfosyntactische verandering het interessantst. We kunnen nu taalcontact beter zien als taalcreatie, het proberen een tweede taal te spreken met behulp van een grammatica die op een andere taal is gebaseerd. Dan zien we dialecten geboren worden.
 
 
 


Bibliografie

Bennis, H. (1992) "Long Head Movement: The Position of particles in the verbal cluster in Dutch". In R. Bok-Bennema & R. van Hout (eds) Linguistics in the Netherlands 1992. Benjamins, Amsterdam, 37-47.
Blom, P. van (1889) Beknopte Friese Spraakkunst. Zijlstra, Joure.
Boekenoogen, G.J. (1897) De Zaanse Volkstaal. Sijthoff, Leiden.
Broecke-de Man, E.J. van den, D.K. Soldaat-Poortvliet & P. Heerschap (1988) Dialect op Goeree-Overflakkee. Zeeuwsche Vereniging voor Dialectonderzoek. Van Koppen, Ouddorp.
Coetsem, F. van (1988) Loan Phonology and the Two Transfer Types in Language Contact. Foris, Dordrecht.
Daan, J. (1957) "Betrekkingen tussen het Fries en het Noordhollands". It Beaken 19, 197-205.
Daan, J. & D.P. Blok (1970) Van Randstad tot Landrand. Noord-Holland, Amsterdam.
Daan, J. (1950) Wieringer land en leven in de taal. Dissertatie, Universiteit van Amsterdam.
Gerritsen, M. (1991) Atlas van de Nederlandse Dialectsyntaxis (AND). P.J. Meertens Instituut, Amsterdam.
Gerritsen, M. (1992) "Taalkundige Hiërarchieën in het Standaardisatieproces". Lezing, Taalkunde-In-Nederland Dag, Utrecht.
Ginneken, J. van (1913) Handboek van de Nederlandsche Taal. Deel 1. De sociologische structuur der Nederlansche taal. Malmberg, Nijmegen.
Goeman, A.C.M. (1984) Klank- en Vormverschijnselen in het Dialect van Zoetermeer. Publicaties van het P.J. Meertens Instituut, Amsterdam.
Goossens, J. (1977) Inleiding tot de Nederlandse Dialectologie. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Haan, G.J. (1992) "The verbal complex in Frisian". Us Wurk 41, 59-92.
Haeringen, C.B. (1923) "Friese elementen in het Hollands". De Nieuwe Taalgids 17, 1-16.
Hoekstra, J. (1990) "Adjectiefnominalisatie in het Fries". TTT 9, 273-285.
Hoekstra, J. (1992) "Fering tu-infinitives, North Sea Germanic syntax and Universal Grammar". NOWELE (te verschijnen).
Hof, J.J. (1933) Friese Dialectgeografie. Nijhoff, Den Haag.
Jansen, F. (1977) "-t in eerste persoon enkelvoud in het Leids: syntaxis of fonologie?". De Nieuwe Taalgids 70, 407-413.
Karsten, G. (1931) Het Dialect van Drechterland. J. Muuses, Purmerend.
Kloeke, G.G. (1927) De Hollandse expensie in de 16e en 17e eeuw en haar weerspiegeling in de hedendaagse Nederlandse dialecten. Nijhoff, Den Haag.
Langedijk, H. (1963) Hé, is dat Westfries? Historisch Genootschap 'Oud West-Friesland, Drukkerij 'West-Friesland'.
Noordegraaf, J. (1985) Norm, geest en geschiedenis. Nederlandse taalkunde in de negentiende eeuw. Foris, Dordrecht.
Nieuwenhuijsen, P. (1973) "Infinitief in plaats van deelwoord". Spektator 3, 477-479.
Pannekeet, J.A. (1979) Woordvorming in het Hedendaags Westfries. Rodopi, Amsterdam. Dissertatie, Katholieke Universiteit Nijmegen.
Reenen, P. van (1991) "De Hollandse expansie, gebruiksfrekwenties en het belang van drempelwaarden". Taal en Tongval 43, 169-209
Roorda, T. (1858) Spreektaal en Schrijftaal. Suringar, Leeuwarden.
Schönfeld, M. (1946) "Ingvaeoons". De Nieuwe Taalgids 39, 55-59.
Schuurman, I. (1987) "Incorporation in the Groningen dialect". In F. Beukema & P. Coopmans (eds) Linguistics in the Netherlands. Foris, Dordrecht.
Schuurman, I. & A. Wierenga (1990) "Syntactische nomen-incorporatie bij infinitieven en deelwoorden". In G. de Schutter e.a. (eds) Dialectsyntaxis (Taal & Tongval themanummer 3), 74-86.
Weijnen, A. (1984) "Fries in Holland". In N.R. Århammar, P. Breuker, F. Dam, A. Dykstra & T. Steenmeijer-Wielenga (eds) Miscellanea Frisica. Van Gorcum, Assen, 97-102.
 

1 Voor nuttige discussie bedank ik Jaap van Marle en Jan-Wouter Zwart, en voor hun uitgebreide commentaar speciaal Jarich Hoekstra en Caroline Smits.

2 Boekenoogen's lexicon geeft als voltooid deelwoord op "kent', "ekent" en "ekenne", maar niet "kenne". De vorm in de tekst is dus niet een vorm waarin de infinitief en het voltooid deelwoord homofoon zijn.

3 Vergelijk ook de volgende observatie: de groene cluster kan niet door een partikel doorbroken worden maar de rode volgorde wel (Bennis 1992):

(i) a. dat hij Jan zou op (willen) bellen
b. * dat hij Jan bellen op zou

Het is niet duidelijk hoe deze feiten geinterpreteerd moeten worden.

4 In het Hollands is iets vergelijkbaars mogelijk bij een beperktere groep werkwoorden en als bovendien het subject indefiniet is, zoals in er is niets te zien. Dan lijkt er tevens van een bepaald soort aspect sprake te zijn.

5 Ook in Zeeuwse dialekten vinden we een infinitief in -en na te. Maar Goeree-Overflakke bijvoorbeeld heeft echter een -e in zinnen met een regerend werkwoord zien of blijven, cf. de teksten in Van den Broecke-de Man, Soldaat-Poortvliet & Heerschap (1988, bijv. 128). De overeenkomst met het Zeeuws is dus duidelijk minder.

6 Evenmin vinden we een dergelijke driedeling in de Zuidhollandse dialecten; men bekijke bijvoorbeeld het dialect van Zoetermeer (Goeman 1984:103), of Leiden (Jansen 1977).

7 Van Blom suggereert dat deze beleefdheidsvorm oorspronkelijk het meervoud van de tweede persoon was. Hoe dit ook zij, voor ons is slechts van belang dat er in het Fries een werkwoordsvorm voorradig was die qua uitgang verschilde van de 1SG en 3SG en die ook voorkwam in het ABN/Hollands.

8 Uiteraard kunnen zulke in eerste instantie oppervlakkige aanpassingen uiteindelijk leiden tot ontwikkelingen die uniek zijn voor het dialect. Elders hopen we hiervan uitgewerkte voorbeelden te presenteren.

9 Zie Pannekeet (1979:130-135) voor een aantal overeenkomsten tussen Fries en Westfries die de woordvorming betreffen.

10 Een uitzondering is Van Ginneken (1913). Taalkundige argumentatie ontbreekt echter volkomen.

11 De laatste presenteert een (niet-uitputtende) reeks van 50 lexicale overeenkomsten tussen Westfries en Fries waarin ze zich van het Hollands onderscheiden.

12 "Ik ben er vast van overtuigd dat, als een Fries Boekenoogen, Karsten en andere Noordhollandse woordenlijsten eens doorleest en de Hollands-Friese overeenkomsten op hun exclusiviteit (...) onderzoekt, hij stellig nog meer zal vinden" (Weijnen 1984:101).

13 Evenals Kloeke ondervond Roorda dat zijn tegenspelers detailkwesties aangrepen om het algemene idee te verwerpen, terwijl deze detailkwesties toch weinig of geen afbreuk deden aan dat algemene idee, dat door voldoende argumenten ondersteund werd (cf. Noordegraaf 1985 over Roorda).