Positie- en Bewegingsaspect bij Selectie van de Infinitief op -E of -EN in het Westfries en het Fries

Eric Hoekstra1

Taal en Tongval 46, 66-73.

1. Inleiding

Dialecten van het Fries, waaronder ook het Noordfries en het Oostfries, onderscheiden de infinitief op -EN van de infinitief op -E (zie J. Hoekstra 1992 en de referenties daar gegeven).2 De syntactische distributie van beide typen infinitieven is in deze dialecten grotendeels maar niet helemaal hetzelfde. Zo selecteren werkwoorden van perceptie in alle dialecten de infinitief op -EN. Het werkwoord gaan daarentegen selecteert in de Friese dialecten in Nederland werkwoorden van positie op -EN, terwijl dit werkwoord in het Noordfriese dialect van de eilanden Föhr en Amrum de infinitief op -E selecteert.3
Het is bekend dat de Noord-Hollandse dialecten in het algemeen en het Westfries in het bijzonder een aanzienlijk Fries substraat bezitten (Karsten 1942, Gosses 1942, onder anderen). Naamkundige overwegingen verschaffen onafhankelijke evidentie hiervoor (zie bijvoorbeeld Blok 1968) Onlangs heb ik laten zien dat de distributie van de twee infinitieven in het Westfries (zie Daan 1956) in hoge mate identiek is aan die van het Fries (zie Hoekstra 1993:140-141). In dit artikel wil ik verder gaan met de dialecttypologische studie van deze beide soorten infinitieven. Om meer data te verkrijgen heb ik een in het Westfries dialect geschreven roman doorgenomen, namelijk Trienke Boôd. De Roman van een Boeredochter door F. Butter.4
Butters gebruik van de twee infinitieven is in hoge mate consequent te noemen (voor zover men hieraan zou willen twijfelen). Zo gebruikt hij na werkwoorden van perceptie (zien, horen, voelen) consequent de infinitief op -EN, terwijl hij op modale werkwoorden (zullen, willen, moeten, kunnen) netjes de infinitief op -E laat volgen. Het correct en consequent gebruik van de juiste vorm is een lakmoestest voor de betrouwbaarheid van het boek Trienke Boôd als bron van interessante dialectdata.
Ik zal laten zien dat het Westfries en het Fries beide een onderscheid maken tussen positionele werkwoorden, bewegingswerkwoorden met richtingspartikel (of richtingsvoorzetsel met complement) en de rest. Dit onderscheid komt in het Westfries in de keus van de uitgang van de infinitief (-E tegenover -EN) tot uitdrukking.

2. Probleem

Nu lijkt het alsof Butter niet consequent is in zijn gebruik van de infinitief bij gaan:

(1) a. Gaan zitt-EN, zoide Aris (96)
b. Maar gaat Piet Renooij den trouw-E? (282)

In (1a) krijgt zitten de uitgang -EN, terwijl in (1b) trouwe de uitgang -E krijgt. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de infinitief bij blijven (Westfries bloive):

(2) a. 'K bloif maar legg-EN (130)
b. Nou, bloif dat dan maar denk-E (49)

In de (a)-zin neemt bloive een infinitief op -EN, terwijl in de (b)-zin bloive een infinitief op -E neemt. Ook bij het werkwoord komen (Westfries komme) treffen we een vergelijkbare inconsequentie aan:

(3) a. En 'n paar dage later kwam domenee zoo
d'rs anloup-EN (108)
b. Deer kwam Trienke Boôd zegg-E dat moeder en de
tantes danse wou-E (27)

In (3a) neemt komme een infinitief op -EN terwijl hetzelfde werkwoord in (3b) een infinitief op -E neemt. Bij nader inzien blijkt de inconsequentie echter slechts in het hoofd van de onderzoeker te bestaan.

3. De Friese connectie

3.1. Inleiding

Wanneer we bovenstaande zinnen in het Fries vertalen levert ons dat het volgende resultaat op:

(4) a. Gean sitt-EN, sei Aris
b. * Mar giet Piet Renooij dan trouw-E?
(5) a. Ik bliuw mar lizz-EN
b. * No, bliuw dat dan mar tink-E
(6) a. En in pear dagen dêrnei kaam dominy ris oanrinn-EN
b. * Dêr kaam Trienke Boôd sizz-EN dat mem en
de tantes dûnsje woene

In die gevallen waarin het Westfriese hulpwerkwoord (gaan, komme, bloive) een infinitief op -EN selecteert, doet het Fries dat ook. In die gevallen waarin het Westfriese hulpwerkwoord een infinitief op -E selecteert is de Friese vertaling ongrammaticaal, zowel met een infinitief op -E als met een infinitief op -EN. Eén en ander is reden om wat voor het Fries over infinitiefselectie reeds ontdekt is eens nader te bestuderen, in de hoop dat we er dan tevens achter komen wat er in het Westfries precies aan de hand is.

3.2. Gaan

Het hulpwerkwoord gaan (gean) wordt in het Fries veel minder vrij gebruikt dan in het Nederlands. Hierbij beperken we ons tot constructies waarin gaan een infinitief zonder te selecteert. Dan blijkt dat gaan alleen maar kan voorkomen bij werkwoorden van positie, zoals liggen (lizze), zitten (sitte), staan (stean), hangen (hingje). Andere werkwoorden dan deze kunnen niet als infinitief bij gaan voorkomen. Wil men toch bijvoorbeeld (1b/4b) in het Fries uitdrukken dan moet het werkwoord zullen (sille) gebruikt worden, zoals in (7):

(7) Mar sil Piet Renooy dan trouw-E?

Opmerkelijk genoeg is de uitgang van de infinitief hetzelfde als in het Westfries, alleen is er sprake van een ander hulpwerkwoord om toekomende tijd mee uit te drukken.
Het Fries maakt een onderscheid tussen infinitieven van positie en de overige werkwoorden. De eersten kunnen bij gaan (gean) voorkomen en krijgen dan de uitgang -EN. De rest kan niet bij gaan (gean) voorkomen, maar vaak wel bij zullen (sille) en krijgt dan de uitgang -E.5
Dit brengt ons op het idee dat Butters gebruik van de infinitiefuitgang in (1), hieronder herhaald als (8), weleens consequent zou kunnen zijn.

(8) a. Gaan zitt-EN, zoide Aris (96)
b. Maar gaat Piet Renooij den trouw-E (282)

Infinitieven van positie krijgen, zo veronderstellen we, de uitgang -EN terwijl de overige de uitgang -E krijgen. Deze hypothese wordt door de volgende voorbeelden bevestigd:

(9) a. Ga d’rs zitt-EN (153)
b. Gaan deer maar in ‘t midden van de tafel zitt-EN (263)
(10) a. Hai zou maar wat stekels pikk-E gaan (68)
b. Moeder gaat thee zett-E (89)
c. Op ‘n draffie gong-ie toe de voorwaarde lez-E (92)
d. Den zou-ie gouw trouw-E gaan (147)
e. Dat-ie Trienke zoek-E gong (151)
f. Dat-ie maar gouw trouw-E gong (159)
g. Of ze mee fiets-E gong (165)
h. Dat gonge de diakenies voor mekaar zett-E (167)
i. Nei ‘t ete gonge ze allegaar de bongerd d’rs
bekoik-E (177)

(9) laat zien dat het Westfriese gaan net als zijn Friese tegenhanger bij werkwoorden van positie de infinitiefuitgang -EN vereist. Bij de overige werkwoorden vereist het Westfriese gaan een infinitief die op -E uitgaat. In het Fries is dit gebruik van gaan niet mogelijk maar moet voor een ander werkwoord worden gekozen. Dit zal om toekomende tijd uit te drukken zullen (sille) zijn, die net als zijn Westfriese tegenhanger de infinitief op -E selecteert.

3.3. Blijven

In het Fries kan het werkwoord blijven alleen bij werkwoorden van positie worden gebruikt.6 Dit kan worden geïllustreerd met behulp van (5), hieronder herhaald als deel van (11):

(11) a. Ik bliuw mar lizz-EN/stea-N/sitt-EN/hingj-EN
b. * No, bliuw dat dan mar tink-E

Vergelijking met het Fries suggereert de hypothese dat Butter bij blijven de infinitief op -EN gebruikt indien er sprake is van één van de vier bovenstaande werkwoorden van positie, terwijl hij in de overige gevallen de infinitief op -E gebruikt. Dit komt inderdaad uit:

(12) a. Al die pulle die om de kip loup-EN bloive (15)7
b. Deer moet bai Jan Kramer nag wel wat hang-EN
bloive weze (73)
c. Bloif maar zitt-EN (89)
d. De mense begonne al te denken dat de
"Gouwen Ploeg", die 't hougst an bod worren
was, d'r an hang-EN bloive zou (94)
e. 'K bloif maar legg-EN (130)
(13) Bloif jai maar wat in de keuken stoetel-E (266)

Het aantal voorbeelden van de infinitief op -E is wat mager, namelijk twee in totaal (de andere is (2b)). Bovendien is in deze categorie ook nog sprake van een tegenvoorbeeld, waarbij de verkeerde infinitiefuitgang opduikt:

(14) Maar as moeder me zoo bloift kloineer-EN (64)

Is hier sprake van een echt "foutje" van de kant van Butter? Zonder definitief uitsluitsel te geven willen we drie opmerkingen plaatsen. In de eerste plaats is hier ook sprake van een rode volgorde. Er kan een syntactische factor meespelen. In de tweede plaats is het een fout die in de richting van de het ABN gaat. M.a.w., er kan sprake zijn van een "foutje", veroorzaakt door de ABN-spelling. In de derde plaats is het aantal voorbeelden van blijven met niet-positionele infinitief opvallend laag. Deze categorie komt in het Fries helemaal niet voor. Het is dus mogelijk dat het Westfriese taalsysteem nog maar net begonnen is het domein van blijven uit te breiden naar niet-positionele tijdwoorden, en dat er daarom nog geen voldoende fixatie van de infinitiefuitgang is. Dit laat ik verder open.

3.4. Komen

Vergelijking met het Fries kan wellicht ook enig licht doen schijnen over Butters schijnbaar inconsequent gebruik van de infinitief bij komen. In het Fries kan komen een infinitief zonder te bij zich nemen indien er een richtingspartikel aanwezig is en een werkwoord van beweging. Dit wordt geïllustreerd door (6) (herhaald als (15) hieronder):

(15) a. En in pear dagen dêrnei kaam dominy ris oanrinn-EN
b. * Dêr kaam Trienke Boôd sizz-EN dat mem en
de tantes dûnsje woene

Vergelijk (15) nu met de Westfriese equivalenten in (3) hieronder herhaald als (16):

(16) a. En 'n paar dage later kwam domenee zoo
d'rs anloup-EN (108)
b. Deer kwam Trienke Boôd zegge dat moeder en de
tantes danse wou-E (27)

Dit brengt ons op het idee dat het Westfries hetzelfde onderscheid maakt als het Fries. Indien komen een werkwoord van beweging neemt vergezeld van een richtingspartikel dan krijgt het werkwoord de uitgang -EN. In alle andere gevallen krijgt dat werkwoord bij komen de uitgang -E. Dit blijkt inderdaad het geval te zijn:

(17) a. Vooral toe Jan Kok, de lappiespoep, oploup-EN
kwam (74)
b. Maar ze kwam toch oftig anloup-EN (116)
c. Die warme stouf kwam net antuff-EN (168)
d. As ze 't weet, zel ze wel d'rs an komme
stroik-EN (174)
e. Domenee was al d'rs an komme loup-EN (175)
(18) a. Gert Boôd kwam 'n koppie thee hal-E (12)
b. D'r gong gien uitvoering verbai of de burgemeister
kwam in hougst oigen persoôn zelf koik-E (76)
c. En deerover was 't nou dat tante Jansie en oom
Aris 't nag niet met mekaar iens wasze toe
Trienke kwam opdag-E (82)
d. Wat kom jai uit de hemel vall-E (85)8
e. Want den kom ik bai jou spouk-E (99)

Het Westfriese komen selecteert de uitgang -EN precies bij bewegingswerkwoorden vergezeld van een richtingsbepaling. Dit is gelijk aan de situatie in het Fries. In alle andere gevallen neemt het Westfriese komen de uitgang -E, terwijl in het Fries dit is uitgesloten. Het onderscheid tussen bewegingswerkwoorden met partikel en de rest is zowel in het Fries als het Westfries van belang.
.

4. Uitleiding

We hebben enkele opmerkelijke overeenkomsten en verschillen tussen het Westfries en het Fries geconstateerd. Het Westfries en het Fries maken bij gaan en blijven hetzelfde onderscheid tussen werkwoorden van positie en andere werkwoorden. Bovendien selecteren gaan en blijven in het Fries en in het Westfries de infinitiefuitgang -EN bij werkwoorden van positie. Het verschil is dat niet-positionele werkwoorden in het Fries niet bij gaan en blijven mogen voorkomen; in het Westfries mag dat wel, maar krijgen ze een andere uitgang, namelijk -E.
Een vergelijkbaar patroon zagen we bij komen. Hier maken Fries en Westfries een onderscheid tussen bewegingswerkwoorden met richtingspartikel en de rest. Eerstgenoemde groep krijgt in Fries en Westfries de uitgang -EN. Andere werkwoorden dan deze mogen in het Fries niet bij komen voorkomen; in het Westfries mag dat wel, maar krijgen we een andere uitgang, namelijk -E. De overeenkomsten tussen Fries en Westfries met betrekking tot de keus van infinitief zijn verrassend diepgaand. De kleine verschillen suggereren dat een fijnmazige theorie van syntactische variatie vereist is.
 

Bibliografie

Blok, D.P. (1968) “Plaatsnamen in West-Friesland”. Philologia Frisica 1966, 11-19
Butter, F. (1944) Trienke Boôd. Uitgevers-mij. "West-Friesland", Hoorn.
Daan, J. (1956) “Onze Friese familie”. West-Frieslands Oud en Nieuw 23, 106-110.
Gosses, G. (1942) Een Friesch Substraat in Noord-Holland?” Bijdragen en Mededelingen der Dialecten-Commissie van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 2, 4-14.
Hoekstra, E. (1993) "Over de implicaties van enkele morfo-syntactische eigenaardigheden in West-Friese dialecten". Taal & Tongval 45, 135-154.
Hoekstra, J. (1992) “Fering tu-Infinitives, North Sea Germanic Syntax and Universal Grammar”. In V.F. Faltings, A.G.H. Walker & O. Wilts (red.) Friesische Studien I. Beiträge des Föhrer Symposiums zur Friesischen Philologie vom 10-11 Oktober 1991, Odense, 99-142.
Karsten, G. (1942) “Het Fries Substraat tussen Sincfal en Vlie”. Bijdragen en Mededelingen der Dialecten-Commissie van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam 2, 15-25.
 
 

1 Ik wil de leden van het Taalkundig Werkverband van de Friese Academie bedanken voor hun vragen bij een mondelinge presentatie van het in dit artikel gepresenteerde materiaal. In het bijzonder gaat mijn dank uit naar Marcel den Dikken en Jarich Hoekstra voor hun uitgebreide commentaar.

2 In het Noordfries kan onder bepaalde omstandigheden de -E van de infinitief op -E wegvallen. Zie hiervoor de in de tekst gegeven referentie.

3 In dat laatste geval neemt gaan een reflexief positioneel werkwoord met richtingspartikel, een interessant feit.

4 Uit ongepubliceerd werk van Willem Taanman blijkt dat er tussen de Westfriese dialecten onderling verschillen zijn in de distributie van beide soorten infinitieven.

5 Wanneer gaan/gean tempus uitdrukt kan het door sille vervangen worden. Wanneer het echter inchoatief aspect uitdrukt, dan moet voor een andere oplossing gekozen worden, bijvoorbeeld een constructie met begjinne. Op de relatie tussen tempus en aspect gaan we hier verder niet in.

6 Alsmede bij het werkwoord wonen, maar dan is een plaatsbepaling verplicht. Het enige Westfriese voorbeeld met wonen (ia) neemt dezelfde uitgang als in het Fries, en gaat ook vergezeld van de verplichte plaatsbepaling (ib-ic):

(i) a. En toe kon zai in 't huisie weun-EN bloive (197)
b. En doe koe se yn it húske wenj-EN bliuwe
c. * En doe koe se wenj-EN bliuwe

Bij gebruik van wonen zonder blijven mag in het Fries ook een bijwoordelijke toevoeging optreden in plaats van de plaatsbepaling:

(ii) a. * Jimme bliuwe moai wenjen
jullie blijven mooi wonen
b. Jimme wenje moai
jullie wonen mooi
 

7 Lopen is niet één van de in (11) genoemde positiewerkwoorden, en kan toch met blijven gecombineerd worden, zie (12a). Het Friese equivalent van lopen, rinne, kan weliswaar ook met bliuwe gecombineerd worden, maar niet zonder meer, zie (ia-b).

(i) a * Hy bliuwt efter it fanke oan rinnen
hij blijft achter het meisje aan lopen
b. Hy bliuwt om ‘e âldhin hinne rinnen
hij blijft om de moederkloek heen lopen

Een richtingsbepaling is niet voldoende (ia): het is vereist dat er een plaatsbepaling aanwezig is (ib). Ook in het Westfriese voorbeeld in (12a) is sprake van een plaatsbepaling. De combinatie loupe/rinne plus plaatsbepaling lijkt zich dus als een werkwoord van positie te gedragen

8 Bij (18c-d) liggen de zaken wat komplekser, aangezien deze zinnen in het Fries vertaald.een grammaticaal resultaat opleveren (i.t.t. (18a,b,e)), iets waar ik geen verklaring voor heb:

(i) a. Wat komsto út ‘e loft fall-EN
b. ... doe’t Trynke opdaagj-EN kaam