Overtollige voegwoorden en de volgorde of + interrogativum/relativum

Eric Hoekstra

De Nieuwe Taalgids 87, 314-321.
 

1. Introductie1

In het Amsterdams kan of voorafgaan aan interrogativa en relativa. De vraag rijst hoe dit verschijnsel binnen de syntaxis beschreven dient te worden. In sectie 2 zal ik een beschrijving van overtollige voegwoorden geven in verschillende dialecten, alvorens in sectie 3 in te gaan op de problemen die overtollige voegwoorden opleveren wanneer men hun distributie binnen het formele kader van de regeer- en bindtheorie wil beschrijven. Een en ander leidt in sectie 4 tot het postulaat van een rijkere syntactische boomstructuur “boven in de zin” dan tot nu toe is aangenomen. Evidentie voor de voorgestelde analyse wordt gepresenteerd in sectie 5.

2. Overtollige voegwoorden

Herhaaldelijk is gewezen op de systematiek in het gedrag van (logisch) overtollige elementen zoals verbuiging van een werkwoord voor persoon en getal, naamvallen, adjectivale verbuiging, enz. (De Vries 1910). De Vries merkt ook op dat zowel interrogativa als relativa in verscheidene dialecten (in ondergeschikte zinnen) gevolgd kunnen worden door voegwoorden. In veel dialecten is dit voegwoord een variant van dat. Enkele voorbeelden volgen hieronder.
In het Gronings worden interrogativa gevolgd door dat (De Vries 1910:46, Ter Laan 1953:164). Dit is niet alleen het geval in afhankelijke vragen maar ook in betrekkelijke bijzinnen met ingesloten antecedent, zoals de volgende zinnen illustreren (Ter Laan 1953:57):

(1) a. Ik wait nait wel dat 't doan het
Ik weet niet wie dat het gedaan heeft
b. Wel dat 't wait, dij mout 't zeggen
wie dat het weet die moet het zeggen

Het onderscheid tussen deze twee zinstypes is echter in andere dialecten van belang. Verder komt dat ook voor na woordgroepen ingeleid door een interrogativum, zoals in de volgende zinnen:

(2) a. Hou harder dat 't regent, hou gaauwer is 't doan
hoe harder dat het regent hoe eerder is het gedaan
b. Dou wos de liereman van wel dat 't dubbeltje was
toen wist de liereman van wie dat het dubbeltje was

In de schrijftaal ABN wordt dat in deze gevallen liever weggelaten.
Relativa beginnende met een w- worden in Westvlaamse dialecten gevolgd door dat (Vercouillie 1885:29-30). Dit geldt ook voor interrogativa (Joos 1900:162; Haegeman 1983:83). Vergelijkbare voorbeelden van dat na relativa en interrogativa komen bijvoorbeeld ook voor in dialecten in Oost-Vlaanderen (Vanacker 1948:143) en Noord-Brabant (De Bont 1962:457). Het verschijnsel wordt ook aangetroffen in Noord-Duitsland, bijvoorbeeld in Leipzig (Baumgärtner 1959:101).
Voegwoorden met een andere fonologische vorm kunnen ook op deze manier gebruikt worden, waaronder als, a en of (Weijnen 1958:234; De Rooy 1965:176ff). Het voegwoord of wordt op een met dat vergelijkbare manier overtollig gebruikt in het dialect van Katwijk (Overdiep 1940:230):

(3) a. Vrouger ko-je altijd sien wat of Noortechs tauwwerk was,
of wat of Katteks tauwwerk was
b. Wie of-tie vis koft, die skreef-tat op

Het wordt aangetroffen na interrogativa in afhankelijke vragen (3a) en in bijzinnen met ingesloten antecedent (3b).
Het gebruik van of in afhankelijke vragen wordt door de ANS:231 "spreektaal, regionaal" genoemd, maar er wordt geen gewag gemaakt van het gebruik van of in bijzinnen met ingesloten antecedent (ANS:238ff). Hieruit mag worden afgeleid dat of in afhankelijke vragen door althans sommige sprekers eerder als acceptabel Nederlands wordt ervaren dan of in betrekkelijke bijzinnen met ingesloten antecedent. Ook sommigen van mijn informanten deelden deze mening. Voor anderen was er echter geen verschil tussen beide gevallen.2
Voor zover ik weet is het omgekeerde nooit het geval: er is nog nooit melding gemaakt van een dialect waarin een overtollig of in een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent acceptabeler is dan in een afhankelijke vraag. Noch zijn er tot nu toe spekers gevonden die of in de betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent in het ABN acceptabeler achten dan of in de afhankelijke vraag. Voorts is voor ABN-sprekers of na w-relativa in meerdere of mindere mate onacceptabel, en na d-relativa nog onacceptabeler:

(4) a. ??Het huisje wat of hij wil kopen
b. * Het huisje dat of hij wil kopen

De literatuur vermeldt wel het voorkomen van of na w-woorden, maar niet het voorkomen van of na d-woorden (op één uitzondering na3). Eveneens komt of wel voor in afhankelijke vragen en bijzinnen met ingesloten antecedent, zoals we daarnet zagen, maar niet na relativa. We zullen hier niet ingaan op het al dan niet optreden in de dialecten van een verschil tussen afhankelijke vragen en bijzinnen met ingesloten antecedent.4
Overtollige voegwoorden blijken in de dialecten alomtegenwoordig te zijn. In de volgende sectie zullen we zien hoe ze binnen de syntaxis beschreven kunnen worden, als ze na interrogativa en relativa optreden.

3. Probleemstelling: een voorafgaand of

Het optreden van voegwoorden na interrogativa en relativa suggereert de hypothese dat er na deze elementen een positie is die door deze voegwoorden gevuld kan worden, zoals in Hoekstra (1993) uitvoerig is verdedigd. Interrogativa en relativa staan in de specifier positie en het voegwoord staat in de erbij behorende hoofdpositie. Het probleem met deze hypothese is dat het voegwoord of ook vooraf kan gaan aan interrogativa en relativa, zoals in de volgende voorbeelden uit het Amsterdams:5

(5) a. De vrouw of die ik gezien heb
b. Het kind of dat ik gezien heb
(6) Ik heb een vrouw gezien of die tien kinderen bij d'r had
(7) a. Niets of wat hij doet lukt
b. Alles of wat hij doet mislukt
(8) De auto of waar ik in reed

Ten aanzien van deze zinnen waren mijn drie informanten het eens. Over andere zinnen verschillen de meningen. We hebben daar met idiolectische variatie te maken. Er is overigens geen principieel of theoretisch verschil tussen dialectvariatie en idiolectische variatie. Het voorkomen van zinnen als in (5-8) is een probleem voor de hypothese dat er een voegwoordpositie na (en niet voor) interrogativa is.
Of kan niet alleen voorafgaan aan relativa maar ook aan interrogativa. Uit eigen observatie teken ik de volgende voorbeelden aan, die afhankelijke vragen betreffen:

(9) Wie weet of gaat ze helemaal geen huis kopen
(10) Dit doet bij mij de vraag rijzen of wie er op het instituut
werken of niet
(11) We moeten eens vragen of waar die heengaat
Of komt dus niet alleen voor relativa voor maar ook voor interrogativa. Men brenge zich in herinnering dat of ná d-relativa in de dialecten vrijwel niet voorkomt, in tegenstelling tot of na interrogativa. Dit strookt met het feit dat mijn informanten geen of na d-relativa accepteren:

(12) a. * De kinderen die of ik gezien heb
b. * Het kind dat of ik gezien heb

We willen op twee empirische problemen ingaan. Ten eerste: de theorie moet het optreden van voegwoorden voorafgaand aan interrogativa en relativa mogelijk maken, blijkens bovenstaande feiten. De standaard theorie kent maar één voegwoordpositie, namelijk C, die alleen maar kan volgen op interrogativa en relativa. Ten tweede: waarom kan of wel aan relativa voorafgaan, maar er niet op volgen?6
 

4. Analyse en conceptuele verdediging

Dit optreden van of kan op twee manieren formeel verantwoord worden. In de eerste plaats kunnen we een voegwoordpositie voor en na relativa en interrogativa veronderstellen. We hebben dan een beschrijving met één positie voor relativa en interrogativa en twee posities voor voegwoorden, zoals hieronder is vastgelegd:

(13) Voegwoord - Rel./Inter. - Voegwoord
a. of die/wie
b. wie of

Een andere mogelijkheid is de positie van of zelf vast te leggen, en te veronderstellen dat interrogativa en relativa op posities voor en na of kunnen voorkomen, als volgt:

(14) Rel./Interr. Voegwoord Rel./Interr.
a. of die/wie
b. wie of

De hier vermelde feiten zijn verenigbaar met beide alternatieven. Op grond van deze feiten kan daarom geen keus worden gemaakt. Conceptuele overwegingen bieden een aanwijzing om een keus tussen (13) en (14) te maken.
Het voegwoord of, althans in deze voorbeelden, is niet betekenisdragend. In feite kunnen we het beschouwen als een puur syntactisch element. Het doet niets meer dan een bepaalde klasse van elementen (relativa/interrogativa) morfologisch aanduiden. Als puur syntactisch element is het semantisch overbodig. In dit opzicht valt het te vergelijken met bijvoorbeeld meervoudsaanduiding op een werkwoord. Meervoudsaanduiding op een werkwoord geeft aan dat het onderwerp meervoud is. De meervoudsaanduiding heeft de vorm van een suffix, terwijl de aanduiding voor interrogativa/relativa de vorm van een afzonderlijk woordje heeft. Dit is vanuit het oogpunt van de syntacticus een normaal geval van morfologische variatie. Een syntactisch element kan nu eenmaal een woord of een affix zijn.
In het geval van het meervoud zijn er eigenschappen van het onderwerp op het werkwoord gerepresenteerd. Dit betreft de waarde voor getal. Getal is een variabele die twee waardes kan hebben in het Nederlands, namelijk enkelvoud en meervoud.
In het geval van of hebben we niet met twee waardes te maken. In structuralistische termen, er is geen paradigma. We hebben dus niet met een variabele te maken maar met een constante. Dit verschil lijkt echter voor een boomstructurele behandeling niet van belang. In beide gevallen hebben we te maken met een syntactisch element dat zelfs niks betekent en dat een eigenschap van iets anders aangeeft. Ik noem zulke elementen voortaan agreement-elementen, in overeenstemming met de internationale generatieve traditie (zie bijv. Chomsky 1992).
We stellen onszelf nu opnieuw de vraag: moeten we een vaste plaats in de boomstructuur geven aan het agreement-element of aan het betekenisdragende relativum/interrogativum? Welnu, er wordt doorgaans aangenomen dat betekenisdragende elementen een vaste positie in de boomstructuur behoren te hebben (Chomsky 1992:4-5), terwijl de positie en fonologische eigenschappen van puur syntactische elementen aan taalspecifieke variatie onderhevig is. Deze aanname gaat uit van de wenselijkheid van een uniforme semantiek, niet alleen om redenen van eenvoud maar ook opdat de leerbaarheid gegagarandeerd blijft. Daarom nemen we dit desideratum hier over.
Dit desideratum leidt ons nu bij de te maken keus. We gaan nu de positie van het agreement-element, het voegwoord, variabel stellen, maar niet die van het betekenisdragende interrogativum/relativum. We verkiezen (12), d.w.z. de volgorde "(of) die/wie (of)" als uitgangspunt voor verdere analyse.

5. Onafhankelijke evidentie

We veronderstellen nu de volgende partiële structuren voor onderstaande zinnen, die het voorkomen van of voor en na interrogativa illustreren:7

(15) a. We moeten eens vragen of waar die heengaat
b. .
(of) .
1 waar .
2 (-)
3
(16) a. We moeten eens vragen waar of die heengaat
b. .
(-) .
1 waar .
2 (of)
3

Wat tot nu toe een voegwoordpositie is genoemd is in feite een hoofdpositie in de zin van de X'-theorie. Posities 1 en 3 zijn hoofdposities, positie 2 is de specifier positie die volgens de theorie (Chomsky 1992) in de relatie van Spec-Head agreement staat met positie 3. Positie 1 staat niet in deze relatie tot positie 2. Er zijn drie aanwijzingen dat deze analyse op het goede spoor is.

5.1.Of/3 (“of in positie 3”) staat in een relatie van Spec-Head agreement met relativa/interrogativa. Aan het eind van sectie 2 hebben we opgemerkt dat of weliswaar na interrogativa kan voorkomen maar niet na relativa. Dit kunnen we als volgt beschrijven: via het mechanisme van Spec-Head agreement kan of aan de specifier de eis opleggen dat er geen relativum kan staan.
Of/1 kan geen dergelijke eis aan de specifier in positie 2 opleggen, omdat er per definitie (Chomsky 1992) geen Spec-Head agreement is. We verwachten daarom dat of/1 evengoed met relativa als met interrogativa kan voorkomen. Dit is inderdaad het geval, zoals we in sectie 4 hebben gezien.

5.2. Sinds Den Besten (1977/1983) wordt aangenomen dat de voegwoordpositie na relativa/interrogativa een potentiële landingsplaats voor het werkwoord is. In hoofdzinnen wordt immers de positie direct na interrogativa gevuld, maar niet de positie ervoor:

(17) a. Wie hebben ze gisteren gezien?
b. * Hebben wie ze gisteren gezien?

Nu komt in ingebedde zinnen een beperkte mate van werkwoordsverplaatsing voor. Dit type verplaatsing is in de Germaanse talen aan verschillende beperkingen onderhevig, die hier niet van belang zijn. We verwachten nu dat of in eerste positie direct gevolgd kan worden door het werkwoord in de tweede voegwoordpositie, in het relevante type ingebedde zinnen. Bezie nu de volgende twee zinnen:

(18) a. Wie weet of gaat ze helemaal geen huis kopen
b. * Wie weet gaat of ze helemaal geen huis kopen

De voorspelling blijkt correct. In een afhankelijke vraag staan of en het verplaatste werkwoord niet noodzakelijkerwijs in dezelfde positie, zodat ze niet in complementaire distributie hoeven te zijn. Dit volgt uit onze theorie waarin er twee voegwoordposities zijn, waarvan de onderste ook als landingsplaats voor het werkwoord kan dienen.
Merk nu op dat ik er bij mijn theorievorming vanuit ga dat (18b) niet voorkomt in de Nederlandse dialecten. Ik heb het niet aangetroffen (maar hierin zou ik me kunnen vergissen). Veelzeggender is dat alle informanten, ongeacht hun dialect, het erover eens zijn dat (18a) veel beter is dan (18b). Het verschil in relatieve grammaticaliteit tussen deze beide zinnen is niet aan dialectologische variatie onderhevig. Merk overigens op dat het eerste deel van (18), wie weet, een tamelijk idiomatische constructie is.
Op basis van dit contrast moeten we de eerste positie beschouwen als een positie die exclusief voor voegwoorden gereserveerd is terwijl de tweede voegwoordpositie ook werkwoorden kan bevatten in afhankelijke vragen. De volgorde is dus voegwoord-werkwoord en niet omgekeerd.

5.3. Er is onafhankelijke evidentie voor de claim dat het voegwoord aan het werkwoord voorafgaat. De volgorde voegwoord-werkwoord treffen we ook aan in zinnen met het voegwoord al:

(19) a. Al eet hij nog zo veel brood, ...
b. Al is de duivel nog zo snel, ...

Deze constructie is niet idiomatisch, en komt in veel dialecten voor. De constructie kan direct beschreven worden in termen van de structuur in (15). Al bezet de eerste hoofdpositie; de woordgroeppositie voor interrogativa en relativa blijft leeg; het werkwoord vult nu wat we de tweede hoofdpositie kunnen noemen.
Stel nu dat de tweede hoofdpositie niet door een werkwoord maar door een ander voegwoord gevuld wordt. Voegwoorden kunnen doorgaans gemakkelijk naast allerlei woordgroepen voorkomen. Zou dan de woordgroeppositie misschien wel gevuld mogen worden? Dit is een mogelijkheid die in elk geval niet strijdig is met de door ons voorgestelde structuur.
Inderdaad kunnen we deze mogelijkheid ook aantreffen, en wel in het Gronings (bijv. in de Haas-Okken 1906:226):8

(20) aal hou wies da'k mit Frans bin
1 2 3

Het voegwoord aal bezet hier de eerste positie, gevolgd door de woordgroep hou wies ("hoe gesteld") als complex interrogativum, gevolgd door het voegwoord dat, dat door enclise van het persoonlijk voornaamwoord de vorm dak krijgt. Dit feit verschaft onafhankelijke evidentie voor de voorgestelde structuur.

6. Conclusie

In dit artikel is gewezen op feiten omtrent het combineren van relativa en interrogativa met voegwoorden, die niet of nauwelijks bekend zijn. Deze feiten zijn nader in kaart gebracht met behulp van een structuur, waarvoor onafhankelijke evidentie is aangedragen. Met betrekking tot de feiten is geconstateerd dat of zowel voor als na interrogativa kan optreden, maar alleen voor relativa. Teneinde deze feiten te verantwoorden is een extra voegwoordpositie gepostuleerd voorafgaande aan relativa en interrogativa. Dat een volgend of (maar niet een voorafgaand of) incompatibel is met relativa wordt met behulp van Spec-Head agreement tot uitdrukking gebracht: alleen een volgend of kan immers hierin participeren. De complexiteit van de feiten wettigt, althans in onze ogen, een rijkere syntactische structuur dan doorgaans wordt aangenomen.
Tot besluit wil ik wijzen op de vorm van het voegwoord of. Dit is een onafhankelijk woord, en niet een suffix, gezien het feit dat het ook op zichzelf kan voorkomen. Het is echter opmerkelijk dat in het Oud-Gothisch relativa onveranderlijk het suffix -ei droegen (Van Bree 1987:257-258). Het voorkomen van dit soort overtollige elementen, of het nu een overtollig woord of een overtollig suffix is, is blijkbaar ook diachroon geen onbekend verschijnsel.
 
 
 


Bibliografie

Ackema, P., A. Neeleman & F. Weerman (1992) "Deriving Functional Projections". Abstract, 23 Meeting of the North East Linguistic Society (NELS), Ottawa, Canada.
ANS (1984) G. Geerts, W. Haeseryn, J. de Rooy & M.C van den Toorn (eds) Algemeen Nederlandse Spraakkunst (ANS). Wolters-Noordhoff, Groningen.
Baumgärtner, K. (1959) Zur Syntax der Umgangssprache in Leipzig. Akademie-Verlag, Berlin.
Besten, H. den (1973) "Of, of waarom of of niet van of kan worden afgeleid". Spektator 3, 479-483.
Besten, H. den (1977/1983) “On the Interaction of Root Transformations and Lexical Deletive Rules”. Ms, University of Amsterdam. In W. Abraham (red.) On the Formal Syntax of the Westgermania. Benjamins, Amsterdam, 47-131.
Bont, A.P. de (1962) Dialekt van Kempenland. Van Gorcum, Assen.
Bree, C. van (1987) Historische Grammatica van het Gothisch. Foris, Dordrecht.
Calcar, W. van (1973) "Het voegwoord of". Spektator 3, 95-113
Chomsky, N. (1992) "A Minimalist Program for Linguistic Theory". MIT Occasional Papers in Linguistics 1, Cambridge (Mass.).
Dumoulin, P. & J. Coumans Sjöd Miech nog eint in. Het dialect van Maastricht: een groot-Limburgse taal. Uitgeverij BZZTôH, Den Haag. (113)
Haegeman, L. (1983) "Die en dat in West-Flemish relative clauses". In H. Bennis & W.U.S. van Lessen Kloeke (eds) Linguistics in the Netherlands. Foris, Dordrecht.
Haas-Okken, T.K.E. de (1906) In Hörn van Heerd. Noordhoff, Groningen.
Hertog, C.H. den (1904) Nederlandse Spraakkunst. Handleiding, deel 2. De leer van de samengestelde zin. W. Versluys, Amsterdam.
Hoekstra, E. (1993) “Dialectal Variation inside CP as Parametric Variation”. W. Abraham & J. Bayer (red) Linguistische Berichte. Sonderheft 5. Dialektsyntax, 161-179.
Joos, A. (1900) Waas Idioticon. Danthe, Sint-Niklaas.
Kayne, R. (1984) Binary Branching. Foris, Dordrecht.
Laan, K. ter (1953) Proeve van een Groninger Spraakkunst. Van der Veen, Winschoten.
Overdiep, G.S. (1940) De Volkstaal van Katwijk aan Zee Standaard Boekhandel, Antwerpen.
Rooy, Jaap de (1965) Als-of-dat. Van Gorcum, Assen.
Vercouillie, J. (1885) "Spraakleer van het Westvlaamsch Dialect". Onze Volkstaal 2, 3-47.
Vanacker, V.F. (1948) Syntaxis van het Aalsters dialect. Michiels, Tongeren.
Vries, W. de (1910) "Dysmelie I". In Programma van het Onderwijs gedurende de cursus 1910-1911. Stedelijk Gymnasium te Groningen. B. Jacobs, Groningen.
Weijnen, A. (1958) Nederlandse Dialectkunde. Van Gorcum, Assen.
 
 

1 Ik wou graag Herman Beekveldt en Alie Wams bedanken, die mij wezen op het voorkomen van de volgorde of - relativum in het Jordaans, Hans den Besten en Jan-Wouter Zwart voor nuttige gesprekken, en de redactie van DNT voor verhelderend commentaar.

2 Van Calcar (1973) maakt dezelfde inschatting van de feiten op basis van ervaringen in het voortgezet onderwijs, en concludeert terecht dat mogelijke aan- of afwezigheid van of voor lang niet elke Nederlander een goede test is om het verschil te bepalen tussen een afhankelijke vraag en een betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent, zoals Den Hertog (1904) suggereert. Voor argumenten tegen Van Calcar's analyse van of verwijs ik naar Den Besten (1973).

3 Deze uitzondering betreft het plat-Maastrichts. Dumoulin & Coumans (1986:113) geven het volgende voorbeeld: "de vrow die waddof iech gezeen had". We lijken hier een combinatie van d-woord, w-woord en of tesamen aan te treffen, die het verdient nader onderzocht te worden.

4 Indien deze inventarisatie van de feiten juist is, dient de theorie van de syntaxis een formeel onderscheid te kunnen maken tussen deze twee zinstypes. Er moet niet alleen een voegwoordpositie na het w-woord worden aangenomen, maar er dient idealiter ook een formele definitie te worden gegeven van de meestal als primitieven gebruikte begrippen "betrekkelijke bijzin met ingesloten antecedent" en "afhankelijke vraagzin".

5 Ik geef de voorbeelden met ABN-spelling weer, abstraherend van fonetische en fonologische eigenaardigheden.

6 Mij interesseert hier het qualitatieve aspect, d.w.z. het feit dat bepaalde vormen voorkomen, en de taalkundige analyse ervan. Ik ga niet in op quantitatieve aspecten (bij hoeveel mensen komen deze vormen voor), sociologische aspecten (bij wat voor soort mensen of spreeksituaties worden deze vormen aangetroffen) of geografische aspecten (waar wonen de mensen die deze vormen bezigen).

7 Ik neem aan dat boomstructuren binair-vertakkend zijn (Kayne 1984). Op het benoemen van categorieën en knopen wil ik in het bestek van dit artikel niet ingaan (cf. Ackema, Neeleman & Weerman (1992)). Dit hangt mede af van de X-bar theorie die men voorstaat.

8 Mijn Groningse informanten bevestigen dit. Hetzelfde verschijnsel kan ook in het Fries worden aangetroffen.