Eric Hoekstra
Taalkundig Bulletin 24, 7-13.
1. Inleiding 1
Het oordeel van Bennis (1989)2 over mijn dissertatie luidt als volgt:
(1) Ik vind de centrale stelling van dit boek ... interessant.
De uitwerking van deze gedachte lijkt mij consequent
en is toegepast op de relevante deeltheorieën.
Dat mag ik graag lezen. Daarom wil ik allereerst Bennis bedanken voor zijn positieve eindoordeel en tevens voor het feit dat hij de moeite heeft genomen om een recensie te schijven, iets wat uit de aard der zaak een arbeidsintensieve klus is. Bij het kritisch karwei blijkt hij een aantal zaken niet helemaal begrepen te hebben, ten gevolge waarvan hij zijn aanvankelijk positieve eindoordeel aanzienlijk kwalificeert:
(2) Vooral de slordige wijze van argumenteren en de onzorgvuldigheid ten aanzien van feiten en formalisaties doen afbreuk aan het op zichzelf aantrekkelijke concept dat aan deze dissertatie ten grondslag ligt.
Ik wil de door de review opgeroepen misverstanden uit de weg ruimen, opdat het positieve eindoordeel uitgedrukt in (1) niet nader behoeft te worden gekwalificeerd.
2. Iets over Interpretatie en Argumentatie
2.1. Bennis citeert de volgende stelling (stelling 5) van mijn hand:
(3) Een teveel aan feiten leidt de taalkunde tot verwarring
en versnippering. Maar wie kan de verleiding van een
nieuw
te ontdekken paradigma weerstaan?
Hij gaat tegen stelling 5 in door te zeggen dat er niet
zoiets kan bestaan als “een teveel aan feiten”, omdat een goede theorie
alle feiten verantwoordt.
Niemand zal het echter wagen om dat laatste te betwisten.
Bennis mag ervan uitgaan dat dat ook voor mij geldt.
Er staat trouwens ook niet in stelling 5 dat er überhaupt
teveel feiten zijn, maar er staat dat de taalkunde in verwarring en versnippering
wordt geleid als de hoeveelheid feiten een bepaalde maat te boven gaat.
Hiermee wordt simpelweg een bestaande situatie beschreven.
Er is nu eenmaal een veelheid aan feiten in de taalkunde. Waar natuurkundigen
voor één experiment tien jaar lang aan een deeltjesversneller
bouwen, passiviseert een taalkundige even een werkwoord dat twee objecten
neemt, bedt het in onder een werkwoord van perceptie, voegt een reflexief
pronomen in en ziedaar, een feit (Jan zag zich een boek gegeven worden).
Vergeleken met andere wetenschappen is dan de veelheid aan feiten wel bijzonder
indrukwekkend.
Het aantal theoretische en anti-theoretische benaderingen
is in de taalkunde echter ook bijzonder groot. De portee van mijn stelling
is dat er een verband tussen het teveel aan feiten bestaat, en het teveel
aan theoretische benaderingen. Door die grote hoeveelheid theoretische
benaderingen is er weinig communicatie binnen de taalkunde. Door dat gebrek
aan communicatie kunnen inferieure theorieën zich op de been houden,
en krijgen talentvolle theoretici met hangen en wurgen een baan.
Stelling 5 bevat ook nog een tweede zin. “Wie kan de
verleiding van een nieuw te ontdekken paradigma weerstaan”. Hiermee druk
ik uit, naast de diepe liefde voor de feiten die bij uitstek bij actieve
chomskyanen wordt aangetroffen, dat het teveel aan feiten een onvermijdelijke
situatie is.
Bezie tenslotte stelling 1 bij mijn proefschrift, hieronder
weergegeven:
(4) Een eenvoudige analyse wordt vaak ten onrechte veracht.
Wat men niet begrijpt spreekt echter tot de verbeelding,
en wat men begrijpt doet dat niet.
Dit vat Bennis op als een stelling waarmee ik mij indek, omdat ik zou willen rechtvaardigen dat mijn eigen analyse eenvoudig is. Maar stelling 1 zegt niet meer dan wat er staat: een eenvoudige analyse wordt nu eenmaal vaak veracht, en complexiteit wordt nu eenmaal bewonderd, ook als die complexiteit vermoed maar niet begrepen wordt. Dat is een constatering die betrekking heeft op de toestand binnen het vak.
2.2. In hoofdstuk 3 (over negatieve polariteit)
verklaar ik een aantal feiten over negatieve polariteit. Maar er zijn ook
tegenvoorbeelden, waarbij sprake is van een propositionele interpretatie
van een NP, zoals Jan ontkent de bereidheid om ook maar iets aan de
situatie te veranderen. Omdat tot dan toe alle feiten wijzen op een
samenhang met categoriale status, is het niet meer dan een normale wetenschappelijke
procedure dat ik veronderstel dat het onderhavige probleem ook met categoriale
status moet worden opgelost.
Vervolgens suggereer ik dat NPs met propositionele inhoud
een andere categoriale status hebben dan NPs zonder propositionele inhoud,
omdat negatieve polariteit voor dit verschil gevoelig lijkt. De eerste
zijn NPs, de laatste DPs. Dat idee werk ik dan verder niet uit. Immers,
het specifieke categoriale verschil is voor mij niet van belang,
als er maar een categoriaal verschil is. In de afwezigheid van duidelijke
ideeën over DP-structuur houdt mijn analyse hier op. Dat komt duidelijk
uit in de tekst, en ik verhul dat niet. Het is daarom onterecht dat Bennis
beweert dat “de distributie van ook maar complexer is dan Hoekstra
ons wil doen geloven”. De tegenvoorbeelden die Bennis in zijn recensie
citeert geef ik namelijk zelf in het desbetreffende hoofdstuk: daarom is
er geen grond voor Bennis’ bewering dat ik op een opmerkelijke manier met
tegenvoorbeelden omspring.
2.3. Bennis verwijt mij “nonchalance ten aanzien
van de feiten”.3
Hiervan wordt in de recensie slechts één voorbeeld gegeven.
Volgens Bennis is Niemand die wou hem feliciteren ongrammaticaal.
Dit heeft echter niets te maken met onzorgvuldigheid ten aanzien van de
feiten. Over absolute ongrammaticaliteit is men het wel vaker oneens. De
informanten die door mij zijn geraadpleegd vonden deze zin acceptabel.
Daarom kan van onzorgvuldigheid van mijn kant geen sprake zijn.
Nu is het in de chomskyaanse syntaxis een normale stand
van zaken dat er onenigheid is over absolute oordelen. Deels komt dit door
dialectische variatie. Deels komt dit doordat absolute oordelen aan meer
variatie onderhevig zijn dan relatieve, doordat goed in absolute
termen door de één strenger wordt geïnterpreteerd dan
door de ander. Gegeven deze variatie in absolute oordelen geeft het geen
pas om te spreken van nonchalance ten aanzien van de feiten.
3. Conceptuele punten
3.1 Een punt van kritiek waar ik mij tot op zekere hoogte
in kan vinden is dat ik er niet goed aan gedaan heb een adjacentieconditie
op Casus over te nemen uit de literatuur. Zoals Bennis terecht opmerkt
hadden de grotere boomstructuren die ik aanneem dit overbodig moeten maken.
Ten onrechte gaat Bennis echter over tot het trekken van de volgende conclusie:
Dat hij dan toch nog een beroep moet doen op adjacentie pleit niet voor
deze [=TULIP] theorie. Dit is een non-sequitur, omdat het beroep
op adjacentie niet uit TULIP volgt.4
Waarom heb ik met mijn grotere bomen Casus-toekenning
niet exclusief hiërarchisch kunnen maken, zoals in het Minimalisme
(Chomsky 1993)? De oorzaak is dat mijn bomen niet groot genoeg zijn! Inderdaad,
er is bij mij boomuitbreiding in het thematische domein (waar structurele
Casus-toekenning juist niet of veel minder plaatsvindt). Maar er is helemaal
geen uitbreiding in het functionele domein. Indien ik Casustoekenners als
afzonderlijke hoofden zou hebben gerepresenteerd (in de vorm van de projecties
als AgrS en AgrO), dan was een beroep op een adjacentieconditie niet nodig
geweest. Het afzonderlijk representeren van AgrO en AgrS kan dan zelfs
als steun voor TULIP worden gezien.
3.2. Dezelfde conceptuele moraal is ook hieronder van toepassing. Bennis beweert dat mijn definitie van Agreement circulair is omdat Agreement er deel van uitmaakt. Deze definitie luidt als volgt (Hoekstra 1991:6):
(5) Een hoofd alfa vertoont agreement als (i) en (ii):
(i) alfa vertoont agreement met alle projecties tussen
alfa en beta
(ii) alfa c-commandeert beta of
beta c-commandeert alfa
De definitie bestaat uit twee clausules, en alleen in
de eerste komt agreement voor. De recursie in clausule (i) houdt
echter op als er geen projecties meer tussen alfa en beta inzitten. Daarom
is de recursie niet oneindig.5
Mijn definitie is procedureel, van het type dat ook (maar niet alleen)
in LISP programma’s gebruikt wordt. Daarin kan een functie zichzelf aanroepen.
Zolang er maar een stopclausule in zit is van oneindige recursie geen sprake.
Overigens is het los van de formalisering duidelijk wat
ik beoog uit te drukken met de definitie. De tekst zegt immers (p. 24):
“Clause (i) expresses the idea that nothing may intervene between a head
and its specifier except another specifier”. Dat laatste is zeker geen
slecht idee, aangezien de syntaxis nu eenmaal van recursieve lokaliteit
aan elkaar hangt.
Waarom zit deze recursie in de definitie ingebouwd? De
empirische reden is dat Quand Jean va-t-il venir? moet worden afgeleid,
waar het werkwoord in C twee specifiers heeft. Maar wat is de conceptuele
reden voor deze stap? Zie sectie 3.1: mijn structuren zijn te klein in
het functionele domein. Ik bedoel met grotere structuren, dat elke specifier
een apart hoofd bij zich had moeten hebben. Dan is er per hoofd ten hoogste
één specifier, en hoeft de definitie van Spec-Head agreement
niet recursief gemaakt te worden.
In concreto, zo kan een alternatieve analyse worden voorgesteld
van het Franse zinnetje waarbij het Wh-element in de Spec van WhP staat,
en Jean in de Spec van TopP. Bewijs voor WhP en TopP heb ik inmiddels
geleverd in publicaties in Linguistische Berichte en de NELS
proceedings (Hoekstra 1993 a,b), en in gezamenlijk werk met Jan-Wouter
Zwart (Hoekstra & Zwart 1993). Onafhankelijk van ons is dit jaar een
artikel van Müller & Sternefeld (1993) verschenen, dat ook de
WhP/TopP hypothese ondersteunt.
Het aardige van deze ontwikkeling is dat de WhP-TopP
structuur in overeenstemming is met de niet-recursieve interpretatie van
TULIP, dus één Spec per hoofd. De recursie die ik had ingebouwd
wordt dan overbodig.
3.3. Een ander punt van kritiek van Bennis is dat
ik het waag om in twee pagina’s een suggestie ten aanzien van een alternatieve
analyse van Verb-Second in het Nederlands te doen. Er is geen wet die het
doen van suggesties verbiedt. Het ligt verder in de aard van suggesties
dat ze niet meer dan twee bladzijden beslaan.
Hoe “standaard” is de standaardanalyse van Verb-Second
eigenlijk, aan het begin van de jaren negentig? In de jaren zeventig was
het enige argument voor een V-naar-C analyse boven een V-naar-I analyse
(voor subject-initiële zinnen) dat er geen extra transformatie voor
nodig was, een legitieme en elegante redenering (van Hans den Besten),
uitgaande van het transformationele kader van de jaren zeventig, waarin
analyses geëvalueerd werden (onder andere) op grond van het aantal
transformaties dat ze gebruikten. Zie hierover Zwart (1993a,b), waaruit
het nut van enig historisch besef blijkt.
In de jaren tachtig, waarin er geen transformaties meer
zijn, gaat deze redenering niet meer op. Daarmee verdwijnt het argument
tegen werkwoordsverplaatsing naar INFL. De Nederlandse analyse van Verb-Second
mag met recht standaard heten aan het eind van de jaren zeventig. Maar
aan het begin van de jaren negentig is deze analyse voornamelijk standaard
omdat er zo naar verwezen wordt in de generatieve leerboekjes.
Er is bovendien nog een argument voor mijn suggestie,
op basis van Rizzi & Roberts (1989). R&R gaan ervan uit dat vraaginterpretatie
correleert met de aanwezigheid van een werkwoord in C, en de afwezigheid
van vraaginterpretatie met de afwezigheid van een werkwoord in C. De standaardanalyse
schendt deze eis. Als ik een (non-wh) subject-initiële hoofdzin als
een IP analyseer dan is dat althans in overeenstemming met R&R.
Kortom, er zijn argumenten voor de gegeven suggestie.
Tevens verwijs ik naar onafhankelijke evidentie gegeven in Zwart (1991),
zie inmiddels ook Zwart (1993b). Met name de subject-object asymmetrie
met betrekking tot clitics in zinsinitiële positie is een raadsel
voor de standaardanalyse, terwijl het steun geeft aan een analyse waarin
subject-initiële zinnen als IP’s worden gezien.
4. Conclusie
Met onzorgvuldigheid ten aanzien van feiten en formalisaties
blijkt het gelukkig nogal mee te vallen. Dat is maar goed ook, want men
mag van de gemiddelde promovendus uit de jaren negentig toch verwachten
dat hij of zij geen fouten begaat die zij die hem voor gingen zouden hebben
vermeden. Een aantal misverstanden ten aanzien van de interpretatie van
mijn dissertatie is hiermee uit de weg geruimd.
Bibliografie
Bennis, H. (1989) “Bespreking van: Eric Hoekstra ‘Licensing
Conditions on Phrase Structure’”. GLOT 12, 233-246.
Chomsky, N. (1993) “A Minimalist Program for Linguistic
Theory”. In K. Hale & S.J. Keyser (eds.) The View from Building
20. MIT Press, Cambridge.
Hoekstra, E. (1991) Licensing Conditions on Phrase Structure.
Dissertatie, RUG.
Hoekstra, E. (1993a) “Dialectal Variation inside CP as
Parametric Variation”. Linguistische Berichte. Sonderheft 5. Dialektsyntax.
W. Abraham & J. Bayer (red.).
Hoekstra, E. (1993b) “On the Parametrisation of Functional
Projections in CP”. In A.J. Schafer (ed.) NELS 23. University of
Massachusetts, Amherst.
Hoekstra, E. & J.-W. Zwart (1993) “De Structuur van
de CP. Functionele Projecties voor Topics en Vraagwoorden in het Nederlands”.
Ms, ATW-RUG / P.J. Meertens Instituut.
Müller, G. & W. Sternefeld (1993) “Improper
Movement and Unambiguous Binding”. Linguistic Inquiry 24, 461-507.
Zwart, J.-W. (1991) “Clitics in Dutch: Evidence for the
Position of INFL”. GAGL 33, 71-92.
Zwart, J.-W. (1993a) “Het Ontstaan van I’ en C’”. Lezing,
TIN-dag, Utrecht. Ms, RUG.
Zwart, J.-W. (1993b) Dutch Syntax. A Minimalist Approach.
Dissertatie, RUG.
1 Met dank aan Jan-Wouter Zwart voor discussie, aan Marcel den Dikken voor correcties, en aan Ron van Zonneveld voor het vinden van het juiste schrijfconcept en het uitgebreide commentaar.
2 Het is natuurlijk vreemd dat de review van een dissertatie die in 1991 is uitgekomen zelf gedateerd is als 1989. Deze tijdsparadox houdt echter verband met de aanzienlijke achterstand die het inmiddels ter ziele gegane tijdschrift GLOT op zijn publicatieschema had opgelopen.
3 Bennis beweert tevens dat de onwaarschijnlijke interpretatie die hij aan mijn stelling 5, in (1) hierboven, geeft, bedoeld is “als een slecht onderbouwde verdediging van het feit dat in zijn werk een verbazingwekkende nonchalance ten aanzien van de feiten aan de dag wordt gelegd”. Het is natuurlijk onzin om te veronderstellen dat ik de verdediging van mijn dissertatie zou willen voeren in de stellingen.
4 TULIP (The Uniqueness of Licensing Principle) is een principe dat eist dat alle licenseringsrelaties 1:1 relaties zijn. Zo kan bijvoorbeeld een Casus-toekenner slechts één Casusbehoevend element licenseren.
5 Bovendien is voor agreement vereist dat het hoofd agreement features heeft (Gosse Bouma, p.c.). In de praktijk heeft een hoofd slechts enkele agreement features, en dat vormt een bovengrens voor het aantal malen dat clausule (i) zichzelf aan kan roepen.