Wat staat er in Hoekstra (1991)?

Eric Hoekstra

Taalkundig Bulletin 24, 7-13.

1. Inleiding 1

Het oordeel van Bennis (1989)2 over mijn dissertatie luidt als volgt:

(1) Ik vind de centrale stelling van dit boek ... interessant.
De uitwerking van deze gedachte lijkt mij consequent
en is toegepast op de relevante deeltheorieën.

Dat mag ik graag lezen. Daarom wil ik allereerst Bennis bedanken voor zijn positieve eindoordeel en tevens voor het feit dat hij de moeite heeft genomen om een recensie te schijven, iets wat uit de aard der zaak een arbeidsintensieve klus is. Bij het kritisch karwei blijkt hij een aantal zaken niet helemaal begrepen te hebben, ten gevolge waarvan hij zijn aanvankelijk positieve eindoordeel aanzienlijk kwalificeert:

(2) Vooral de slordige wijze van argumenteren en de onzorgvuldigheid ten aanzien van feiten en formalisaties doen afbreuk aan het op zichzelf aantrekkelijke concept dat aan deze dissertatie ten grondslag ligt.

Ik wil de door de review opgeroepen misverstanden uit de weg ruimen, opdat het positieve eindoordeel uitgedrukt in (1) niet nader behoeft te worden gekwalificeerd.

2. Iets over Interpretatie en Argumentatie

2.1. Bennis citeert de volgende stelling (stelling 5) van mijn hand:

(3) Een teveel aan feiten leidt de taalkunde tot verwarring
en versnippering. Maar wie kan de verleiding van een nieuw
te ontdekken paradigma weerstaan?

Hij gaat tegen stelling 5 in door te zeggen dat er niet zoiets kan bestaan als “een teveel aan feiten”, omdat een goede theorie alle feiten verantwoordt.
Niemand zal het echter wagen om dat laatste te betwisten. Bennis mag ervan uitgaan dat dat ook voor mij geldt.
Er staat trouwens ook niet in stelling 5 dat er überhaupt teveel feiten zijn, maar er staat dat de taalkunde in verwarring en versnippering wordt geleid als de hoeveelheid feiten een bepaalde maat te boven gaat.
Hiermee wordt simpelweg een bestaande situatie beschreven. Er is nu eenmaal een veelheid aan feiten in de taalkunde. Waar natuurkundigen voor één experiment tien jaar lang aan een deeltjesversneller bouwen, passiviseert een taalkundige even een werkwoord dat twee objecten neemt, bedt het in onder een werkwoord van perceptie, voegt een reflexief pronomen in en ziedaar, een feit (Jan zag zich een boek gegeven worden). Vergeleken met andere wetenschappen is dan de veelheid aan feiten wel bijzonder indrukwekkend.
Het aantal theoretische en anti-theoretische benaderingen is in de taalkunde echter ook bijzonder groot. De portee van mijn stelling is dat er een verband tussen het teveel aan feiten bestaat, en het teveel aan theoretische benaderingen. Door die grote hoeveelheid theoretische benaderingen is er weinig communicatie binnen de taalkunde. Door dat gebrek aan communicatie kunnen inferieure theorieën zich op de been houden, en krijgen talentvolle theoretici met hangen en wurgen een baan.
Stelling 5 bevat ook nog een tweede zin. “Wie kan de verleiding van een nieuw te ontdekken paradigma weerstaan”. Hiermee druk ik uit, naast de diepe liefde voor de feiten die bij uitstek bij actieve chomskyanen wordt aangetroffen, dat het teveel aan feiten een onvermijdelijke situatie is.
Bezie tenslotte stelling 1 bij mijn proefschrift, hieronder weergegeven:

(4) Een eenvoudige analyse wordt vaak ten onrechte veracht.
Wat men niet begrijpt spreekt echter tot de verbeelding,
en wat men begrijpt doet dat niet.

Dit vat Bennis op als een stelling waarmee ik mij indek, omdat ik zou willen rechtvaardigen dat mijn eigen analyse eenvoudig is. Maar stelling 1 zegt niet meer dan wat er staat: een eenvoudige analyse wordt nu eenmaal vaak veracht, en complexiteit wordt nu eenmaal bewonderd, ook als die complexiteit vermoed maar niet begrepen wordt. Dat is een constatering die betrekking heeft op de toestand binnen het vak.

2.2. In hoofdstuk 3 (over negatieve polariteit) verklaar ik een aantal feiten over negatieve polariteit. Maar er zijn ook tegenvoorbeelden, waarbij sprake is van een propositionele interpretatie van een NP, zoals Jan ontkent de bereidheid om ook maar iets aan de situatie te veranderen. Omdat tot dan toe alle feiten wijzen op een samenhang met categoriale status, is het niet meer dan een normale wetenschappelijke procedure dat ik veronderstel dat het onderhavige probleem ook met categoriale status moet worden opgelost.
Vervolgens suggereer ik dat NPs met propositionele inhoud een andere categoriale status hebben dan NPs zonder propositionele inhoud, omdat negatieve polariteit voor dit verschil gevoelig lijkt. De eerste zijn NPs, de laatste DPs. Dat idee werk ik dan verder niet uit. Immers, het specifieke categoriale verschil is voor mij niet van belang, als er maar een categoriaal verschil is. In de afwezigheid van duidelijke ideeën over DP-structuur houdt mijn analyse hier op. Dat komt duidelijk uit in de tekst, en ik verhul dat niet. Het is daarom onterecht dat Bennis beweert dat “de distributie van ook maar complexer is dan Hoekstra ons wil doen geloven”. De tegenvoorbeelden die Bennis in zijn recensie citeert geef ik namelijk zelf in het desbetreffende hoofdstuk: daarom is er geen grond voor Bennis’ bewering dat ik op een opmerkelijke manier met tegenvoorbeelden omspring.

2.3. Bennis verwijt mij “nonchalance ten aanzien van de feiten”.3 Hiervan wordt in de recensie slechts één voorbeeld gegeven. Volgens Bennis is Niemand die wou hem feliciteren ongrammaticaal. Dit heeft echter niets te maken met onzorgvuldigheid ten aanzien van de feiten. Over absolute ongrammaticaliteit is men het wel vaker oneens. De informanten die door mij zijn geraadpleegd vonden deze zin acceptabel. Daarom kan van onzorgvuldigheid van mijn kant geen sprake zijn.
Nu is het in de chomskyaanse syntaxis een normale stand van zaken dat er onenigheid is over absolute oordelen. Deels komt dit door dialectische variatie. Deels komt dit doordat absolute oordelen aan meer variatie onderhevig zijn dan relatieve, doordat goed in absolute termen door de één strenger wordt geïnterpreteerd dan door de ander. Gegeven deze variatie in absolute oordelen geeft het geen pas om te spreken van nonchalance ten aanzien van de feiten.

3. Conceptuele punten

3.1 Een punt van kritiek waar ik mij tot op zekere hoogte in kan vinden is dat ik er niet goed aan gedaan heb een adjacentieconditie op Casus over te nemen uit de literatuur. Zoals Bennis terecht opmerkt hadden de grotere boomstructuren die ik aanneem dit overbodig moeten maken. Ten onrechte gaat Bennis echter over tot het trekken van de volgende conclusie: Dat hij dan toch nog een beroep moet doen op adjacentie pleit niet voor deze [=TULIP] theorie. Dit is een non-sequitur, omdat het beroep op adjacentie niet uit TULIP volgt.4
Waarom heb ik met mijn grotere bomen Casus-toekenning niet exclusief hiërarchisch kunnen maken, zoals in het Minimalisme (Chomsky 1993)? De oorzaak is dat mijn bomen niet groot genoeg zijn! Inderdaad, er is bij mij boomuitbreiding in het thematische domein (waar structurele Casus-toekenning juist niet of veel minder plaatsvindt). Maar er is helemaal geen uitbreiding in het functionele domein. Indien ik Casustoekenners als afzonderlijke hoofden zou hebben gerepresenteerd (in de vorm van de projecties als AgrS en AgrO), dan was een beroep op een adjacentieconditie niet nodig geweest. Het afzonderlijk representeren van AgrO en AgrS kan dan zelfs als steun voor TULIP worden gezien.

3.2. Dezelfde conceptuele moraal is ook hieronder van toepassing. Bennis beweert dat mijn definitie van Agreement circulair is omdat Agreement er deel van uitmaakt. Deze definitie luidt als volgt (Hoekstra 1991:6):

(5) Een hoofd alfa vertoont agreement als (i) en (ii):
(i) alfa vertoont agreement met alle projecties tussen alfa en beta
(ii) alfa c-commandeert beta of
beta c-commandeert alfa

De definitie bestaat uit twee clausules, en alleen in de eerste komt agreement voor. De recursie in clausule (i) houdt echter op als er geen projecties meer tussen alfa en beta inzitten. Daarom is de recursie niet oneindig.5 Mijn definitie is procedureel, van het type dat ook (maar niet alleen) in LISP programma’s gebruikt wordt. Daarin kan een functie zichzelf aanroepen. Zolang er maar een stopclausule in zit is van oneindige recursie geen sprake.
Overigens is het los van de formalisering duidelijk wat ik beoog uit te drukken met de definitie. De tekst zegt immers (p. 24): “Clause (i) expresses the idea that nothing may intervene between a head and its specifier except another specifier”. Dat laatste is zeker geen slecht idee, aangezien de syntaxis nu eenmaal van recursieve lokaliteit aan elkaar hangt.
Waarom zit deze recursie in de definitie ingebouwd? De empirische reden is dat Quand Jean va-t-il venir? moet worden afgeleid, waar het werkwoord in C twee specifiers heeft. Maar wat is de conceptuele reden voor deze stap? Zie sectie 3.1: mijn structuren zijn te klein in het functionele domein. Ik bedoel met grotere structuren, dat elke specifier een apart hoofd bij zich had moeten hebben. Dan is er per hoofd ten hoogste één specifier, en hoeft de definitie van Spec-Head agreement niet recursief gemaakt te worden.
In concreto, zo kan een alternatieve analyse worden voorgesteld van het Franse zinnetje waarbij het Wh-element in de Spec van WhP staat, en Jean in de Spec van TopP. Bewijs voor WhP en TopP heb ik inmiddels geleverd in publicaties in Linguistische Berichte en de NELS proceedings (Hoekstra 1993 a,b), en in gezamenlijk werk met Jan-Wouter Zwart (Hoekstra & Zwart 1993). Onafhankelijk van ons is dit jaar een artikel van Müller & Sternefeld (1993) verschenen, dat ook de WhP/TopP hypothese ondersteunt.
Het aardige van deze ontwikkeling is dat de WhP-TopP structuur in overeenstemming is met de niet-recursieve interpretatie van TULIP, dus één Spec per hoofd. De recursie die ik had ingebouwd wordt dan overbodig.

3.3. Een ander punt van kritiek van Bennis is dat ik het waag om in twee pagina’s een suggestie ten aanzien van een alternatieve analyse van Verb-Second in het Nederlands te doen. Er is geen wet die het doen van suggesties verbiedt. Het ligt verder in de aard van suggesties dat ze niet meer dan twee bladzijden beslaan.
Hoe “standaard” is de standaardanalyse van Verb-Second eigenlijk, aan het begin van de jaren negentig? In de jaren zeventig was het enige argument voor een V-naar-C analyse boven een V-naar-I analyse (voor subject-initiële zinnen) dat er geen extra transformatie voor nodig was, een legitieme en elegante redenering (van Hans den Besten), uitgaande van het transformationele kader van de jaren zeventig, waarin analyses geëvalueerd werden (onder andere) op grond van het aantal transformaties dat ze gebruikten. Zie hierover Zwart (1993a,b), waaruit het nut van enig historisch besef blijkt.
In de jaren tachtig, waarin er geen transformaties meer zijn, gaat deze redenering niet meer op. Daarmee verdwijnt het argument tegen werkwoordsverplaatsing naar INFL. De Nederlandse analyse van Verb-Second mag met recht standaard heten aan het eind van de jaren zeventig. Maar aan het begin van de jaren negentig is deze analyse voornamelijk standaard omdat er zo naar verwezen wordt in de generatieve leerboekjes.
Er is bovendien nog een argument voor mijn suggestie, op basis van Rizzi & Roberts (1989). R&R gaan ervan uit dat vraaginterpretatie correleert met de aanwezigheid van een werkwoord in C, en de afwezigheid van vraaginterpretatie met de afwezigheid van een werkwoord in C. De standaardanalyse schendt deze eis. Als ik een (non-wh) subject-initiële hoofdzin als een IP analyseer dan is dat althans in overeenstemming met R&R.
Kortom, er zijn argumenten voor de gegeven suggestie. Tevens verwijs ik naar onafhankelijke evidentie gegeven in Zwart (1991), zie inmiddels ook Zwart (1993b). Met name de subject-object asymmetrie met betrekking tot clitics in zinsinitiële positie is een raadsel voor de standaardanalyse, terwijl het steun geeft aan een analyse waarin subject-initiële zinnen als IP’s worden gezien.
 

4. Conclusie

Met onzorgvuldigheid ten aanzien van feiten en formalisaties blijkt het gelukkig nogal mee te vallen. Dat is maar goed ook, want men mag van de gemiddelde promovendus uit de jaren negentig toch verwachten dat hij of zij geen fouten begaat die zij die hem voor gingen zouden hebben vermeden. Een aantal misverstanden ten aanzien van de interpretatie van mijn dissertatie is hiermee uit de weg geruimd.
 
 


Bibliografie

Bennis, H. (1989) “Bespreking van: Eric Hoekstra ‘Licensing Conditions on Phrase Structure’”. GLOT 12, 233-246.
Chomsky, N. (1993) “A Minimalist Program for Linguistic Theory”. In K. Hale & S.J. Keyser (eds.) The View from Building 20. MIT Press, Cambridge.
Hoekstra, E. (1991) Licensing Conditions on Phrase Structure. Dissertatie, RUG.
Hoekstra, E. (1993a) “Dialectal Variation inside CP as Parametric Variation”. Linguistische Berichte. Sonderheft 5. Dialektsyntax. W. Abraham & J. Bayer (red.).
Hoekstra, E. (1993b) “On the Parametrisation of Functional Projections in CP”. In A.J. Schafer (ed.) NELS 23. University of Massachusetts, Amherst.
Hoekstra, E. & J.-W. Zwart (1993) “De Structuur van de CP. Functionele Projecties voor Topics en Vraagwoorden in het Nederlands”. Ms, ATW-RUG / P.J. Meertens Instituut.
Müller, G. & W. Sternefeld (1993) “Improper Movement and Unambiguous Binding”. Linguistic Inquiry 24, 461-507.
Zwart, J.-W. (1991) “Clitics in Dutch: Evidence for the Position of INFL”. GAGL 33, 71-92.
Zwart, J.-W. (1993a) “Het Ontstaan van I’ en C’”. Lezing, TIN-dag, Utrecht. Ms, RUG.
Zwart, J.-W. (1993b) Dutch Syntax. A Minimalist Approach. Dissertatie, RUG.
 

1 Met dank aan Jan-Wouter Zwart voor discussie, aan Marcel den Dikken voor correcties, en aan Ron van Zonneveld voor het vinden van het juiste schrijfconcept en het uitgebreide commentaar.

2 Het is natuurlijk vreemd dat de review van een dissertatie die in 1991 is uitgekomen zelf gedateerd is als 1989. Deze tijdsparadox houdt echter verband met de aanzienlijke achterstand die het inmiddels ter ziele gegane tijdschrift GLOT op zijn publicatieschema had opgelopen.

3 Bennis beweert tevens dat de onwaarschijnlijke interpretatie die hij aan mijn stelling 5, in (1) hierboven, geeft, bedoeld is “als een slecht onderbouwde verdediging van het feit dat in zijn werk een verbazingwekkende nonchalance ten aanzien van de feiten aan de dag wordt gelegd”. Het is natuurlijk onzin om te veronderstellen dat ik de verdediging van mijn dissertatie zou willen voeren in de stellingen.

4 TULIP (The Uniqueness of Licensing Principle) is een principe dat eist dat alle licenseringsrelaties 1:1 relaties zijn. Zo kan bijvoorbeeld een Casus-toekenner slechts één Casusbehoevend element licenseren.

5 Bovendien is voor agreement vereist dat het hoofd agreement features heeft (Gosse Bouma, p.c.). In de praktijk heeft een hoofd slechts enkele agreement features, en dat vormt een bovengrens voor het aantal malen dat clausule (i) zichzelf aan kan roepen.