Woordvolgorde en het Infinitivus-pro-Participio Effect in het Zaans

Eric Hoekstra

Taal & Tongval 46, 132-141.
 

1. Woordvolgorde in de werkwoordsgroep1

Over het algemeen wordt aangenomen dat de volgorde van de werkwoorden in de werkwoordsgroep in Noordnederlandse dialecten hoofd-finaal is of was, d.w.z. gespiegeld ten opzichte van het ABN. Als vage karakterisering, en wanneer we ons beperken tot clusters bestaande uit twee werkwoorden, klopt dat redelijk (zie bijv. Pauwels 1953, Gerritsen 1991).
Stroop (1970) heeft echter al aangetoond dat het ABN zelf niet principieel de hoofd-initiële volgorde aanhoudt. In feite staat een voltooid deelwoord in gesproken taal praktisch altijd aan het begin van een cluster, met uitzondering van het koppelwerkwoord geweest. Daarnaast moet voor wat betreft groepen met twee werkwoorden waarvan één de persoonsvorm is onderscheid gemaakt worden tussen voltooide deelwoorden en infinitieven (Weijnen 1966:329). De volgorde waarbij een hoofdwerkwoord in de vorm van een voltooid deelwoord aan de rest van de werkwoordsgroep vooraf gaat overheerst in het grootste deel van het land; bij hoofdwerkwoorden in de vorm van een infinitief daarentegen alleen in het noorden (Friesland, Groningen en delen van Drente en Noord-Holland). Voor een strukturele verklaring van asymmetrieen tussen infinitieven en voltooide deelwoorden, zie Zwart (1994a).
Ik introduceer nu eerst enige termen die van pas zullen komen. Het complementswerkwoord (of kortweg complement) is het werkwoord dat door een ander werkwoord geselecteerd wordt. Zo is in (1a) hieronder blaive het complement van benne, en zitte het complement van blaive. Ik nummer van boven naar onder, zoals uit de nummering achter de voorbeeldzinnen blijkt. De persoonsvorm is de 1., het complement van de persoonsvorm is de 2., ... het hoofdwerkwoord is de n. Ik zal zinnen als (1) waarin hebben of zijn voorkomt als n-2 ook wel aanduiden als IPP-zinnen (Infinitivus-pro-Participio). Wanneer een hulpwerkwoord aan zijn complement vooraf gaat spreek ik van een hoofd-initiële volgorde (traditioneel ook wel “rood” genoemd). Wanneer een hulpwerkwoord op zijn complement volgt spreek ik van een hoofd-finale volgorde.
Stroop laat zien dat er in de dialecten verschillende schakeringen tussen exclusief hoofd-finaal en exclusief hoofd-initieel voorkomen (p.140): “Als een werkwoordsgroep drie verwisselbare leden telt dan is het aantal mogelijke volgorden zes. Die blijken nu ook werkelijk voor te komen ...”. Dit heeft natuurlijk consequenties voor theoriën die de positie van het werkwoord willen beregelen.
Een van de zes volgordes is 1.3.2. in de bijzin, zoals in bijvoorbeeld omdat hij (1:) had (3:) komen (2:)willen. Hier is 1. de persoonsvorm, 2. het complement van de persoonsvorm, 3. is het complement van 2., enz. Volgens de kaart van Stroop, gebaseerd op min of meer contemporain gesproken taalmateriaal, komt deze volgorde alleen voor in Twente. Een andere volgorde is 3.1.2., die voorkomt op de grens van Zuid-Holland en Utrecht, en in Twente weer. Over deze beide volgordes zegt Stroop: “In de laatste twee besproken volgorden die weinig talrijk zijn, nl. 5 stuks in totaal, heb ik geen systeem kunnen ontdekken.”
Nu zijn Stroop zijn gegevens gebaseerd op een steekproef. Het is daarom niet verwonderlijk dat diens resultaten aanvulling behoeven.2 Dit artikel geeft een dergelijke aanvulling, voor met name de Zaanstreek, gebaseerd op geschreven dialectmateriaal (Woudt 1984) en de dissertatie van Boekenoogen (1897).3 Behalve deze geografische aanvulling wordt ook een taalstructurele aanvulling gegeven. Stroop heeft er in de volgordes 1.3.2. en 3.1.2. geen systeem kunnen ontdekken. Getoond wordt dat dat, althans voor het Zaanse materiaal, toch heel goed mogelijk is.
 

2. De drie volgordes met IPP: 1.3.2., 3.1.2 en 1.2.3.

2.1. Probleemstelling
Het is o.a. in Weijnen (1966:320) gesuggereerd dat er een verband is tussen woordvolgorde en IPP. Immers, de dialecten van Friesland en Groningen vertonen een tamelijk rigide hoofd-finale woordvolgorde en hebben geen IPP. Het ABN vertoont een overwegend hoofd-initiële woordvolgorde en heeft wel een IPP-effect. Het Zaans nu vertoont normaliter een hoofd-finale volgorde, zo blijkt uit de teksten in Woudt (1984), en dat sluit aan bij Boekenoogen’s (1897:72) opmerking dat de van een (modaal) werkwoord afhangende infinitief voorop staat. We zouden daarom op grond van de in Weijnen verwoorde hypothese verwachten dat het Zaans geen IPP heeft. Het probleem is nu dat het Zaans altijd IPP heeft, bij schijnbaar hoofd-finale volgorde:

(1) a. Ze benne zo stil zitte blaive as ze konne (1).3.2. / W127
PfP = ebleve
b. Et had der niet overtoige kenne (1).3.2. / W128
PfP = ekend

Op basis van dit verschijnsel concludeerde ik eerder (Hoekstra 1993:137) dat het verband tussen IPP en woordvolgorde moest worden opgegeven. We zullen echter zien dat dat althans voor het Zaans niet nodig is. Het zal blijken dat IPP-zinnen in het Zaans nooit een strikt hoofd-finale volgorde vertonen. De werkwoordsvolgorde in IPP-zinnen wijkt systematisch af van de volgorde in zinnen zonder IPP, iets wat echter pas is bijzinnen met drie werkwoorden zichtbaar wordt.

2.2. De volgorde 1.3.2.
Deze volgorde wordt aangetroffen in de volgende voorbeelden, ontleend aan Boekenoogen (1897) en Woudt (1984):

(2) a. As ie nog langer in die koledamp hadde zitte moete 1.3.2.
zou je bezeeuwd hebbe (“flauwgevallen zijn”) / B72
b. Me vrouw heb welderes ezeid dat ik domenie had worre moete
IPP 1.3.2. / W143
c. Behalleve den die in derloi automobiele hadde blaive moete
IPP 1.3.2. / W150
d. Meskien begraipe jollie nou dat ik puur wet knope
heb deurhakke moete 1.3.2. / W177

Opmerkelijk is nu dat deze zinnen alle IPP zinnen zijn, d.w.z. dat ze een voorkomen van hebben bevatten waarbij hebben noch het hoofdwerkwoord is, noch het werkwoord dat het hoofdwerkwoord selecteert. Ook de voorbeelden van Stroop zelf zijn van dit type (Stroop 1970:139). Op basis van deze voorbeelden kunnen we toch een duidelijke generalisatie poneren: de volgorde 1.3.2. komt voor wanneer een vorm van hebben de persoonsvorm is: m.a.w. deze volgorde komt alleen voor in IPP-zinnen. Wanneer we dit generaliseren kunnen we zeggen dat bij een sequentie van n werkwoorden (n, n-1, ... 2,1) hebben n-2 moet zijn of lager.4 Bij een totaal van drie werkwoorden is hebben dan natuurlijk de 1., d.w.z. de persoonsvorm. Merk op dat deze volgorde alleen in de bijzin als zodanig waar te nemen is, doordat de persoonsvorm zich in de hoofdzin niet in de werkwoordsgroep bevindt.

2.3. De volgorde 3.1.2.
In de volgende twee voorbeelden wordt de volgorde 3.1.2. aangetroffen.

(3) a. ik zel et je wel zien hebbe late 4.2.3. = 3.1.2. / B72
b. Nou wul ik helegaar niet zegge dat me de veroitgang
teugehouwe hadde moete 3.1.2. / W97

Het (a)-voorbeeld is trouwens een hoofdzinsvoorbeeld met 4 werkwoorden. Net als Stroop reken ik dat om naar de bijzin. Deze beide voorbeelden vallen ook weer onder de generalisatie: het zijn IPP-zinnen. Merk op dat ook hier geldt dat de volgorde alleen in de bijzin te observeren valt, gegeven een cluster met drie werkwoorden. Pas bij een cluster met vier werkwoorden valt de volgorde ook in de hoofdzin te observeren, zoals in (3a).

2.4. De volgorde 1.2.3.
Het Zaans kent eveneens IPP bij hoofd-initiële volgorde. IPP is dan echter beperkt tot één specifiek type hulpwerkwoord. Dat type komt hieronder aan bod:

(4) a. Maar ik hew ok zitte glouwe nee de stikkies van Boorsma, Husslage,
‘Saime’ Kooijman, Hain de Molenaar (T. Stelder) en Wullem Smit.
PfP = ezete (1).2.3. / W.177
b. Toe ze tien minute hadde zitte lillepitte, gong een paar honderd meter
bai hullie vedaan de skoit van et melleksoikerfebriek langes
1.2.3. / W. 162
c. Ik hew effe zitte dubbe of ik me vrund ze geskiedenis
opskraive kon (1).2.3. / W.157 d. Deer hewwe hullie zekers een hallef uur mee zitte oetele
(1).2.3. / W. 149
e. Ik hew een hele taid zitte wrikbille voor ik an dut stikkie
beginne dorst (1).2.3. / W. 145

Een aspectueel hulpwerkwoord zoals zitten of beginnen komt juist voor met IPP bij hoofd-initiële volgorde, zoals met name blijkt uit het bijzinsvoorbeeld (b). Het lijkt hier te gaan om de groep aspectuele hulpwerkwoorden die in het ABN te-afval vertonen wanneer ze niet finiet zijn. Ik heb bij deze groep aspectuele hulpwerkwoorden in een IPP-constructie met drie werkwoorden dan ook geen andere volgorde aangetroffen dan deze. Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de noordelijke dialecten nemen deze aspectuele hulpwerkwoorden eveneens een complement ter rechterzijde (hoofd-initieel), maar zonder IPP en altijd met te. Daarom is het stellig niet toevallig dat we uitgerekend bij deze groep hulpwerkwoorden in het Zaans een IPP-effect bij puur hoofd-initiële volgorde aantreffen.
Taanman heeft er in ongepubliceerd werk op gewezen dat het Westfries alleen in constructies met zitten of liggen een IPP-effect vertoont (met hoofd-initiële volgorde 1.2.3.). En zoals we zagen heeft het Zaans uitgerekend bij deze groep een 1.2.3. volgorde in IPP-zinnen.
Samenvattend, we vinden IPP zinnen met de volgorde 1.2.3. (puur hoofd-initieel) bij werkwoorden zoals zitten die in de noordelijke dialecten hun complement ter rechterzijde nemen. We vinden IPP zinnen met de volgorde 3.1.2. of 1.3.2. bij werkwoorden die in de noordelijke dialecten hun complement ter linkerzijde nemen.
 

2.5. Overeenkomst tussen de drie constructies
Alledrie de constructies hebben gemeen dat het werkwoord hebben (n-2) voorafgaat aan zijn complement, het door hebben geselecteerde werkwoord: n-2 < n-1. De variatie zit hem in de positionering van het hoofdwerkwoord (n). Het hoofdwerkwoord kan in drie posities worden aangetroffen: (3) 1 (3) 2 (3) . Deze overeenkomst, 1 < 2, is niet zonder belang wanneer we overgaan tot de bespreking van IPP-effecten in het Zaans.
 

3. Een IPP-generalisatie voor het Zaans

3.1. IPP bij schijnbaar hoofd-finale volgorde
Het IPP-effect is met een flink aantal voorbeelden hieronder geïllustreerd. Hier duikt een infinitief op waar men een voltooid deelwoord zou verwachten, een verschijnsel dat in de talen van de wereld even uitzonderlijk is als het normaal is in de Nederlandse streektalen:

(5) a. Hoe had je et ehad hewwe wulle? zee me nuwe kapper
PfP = ewild (B69) (1).4.3.2 / W99
b. Ze hewwe slote otbaggere lete (1).3.2. / W107
PfP = elete
c. Ome Cor heb gien vrouwevlees, al had ie der an elleke vinger ientje
kraige kenne PfP = ekend ekend(1).3.2. / W171
d. Die kirrel had ok denke kenne ‘morrege is der weer een dag’
PfP = ekend (1).3.2. / W130
e. Die hewwe ons Zedaikers nooit et licht in onze oge gunne wulle
PfP = ewild/ewuld (1).3.2. / W133
f. As ie nag effe groter eweest had, de klok den, den hadde ze em
nag trugsture moete PfP = emoete (1).3.2. / W135
g. Later hew ik in me femilie nag heel wet oitlegge moete
PfP = emoete (1).3.2. / W142
h. Hai was niet helegaar bai ze klappertje, hew ik me welderes
vertelle lete PfP = elete (1).3.2. / W136
i. God heb em vloeke hore PfP = ehoord (1).3.2. / W173
j. Ze benne zo stil zitte blaive as ze konne
PfP = ‘ebleve (1).3.2. / W127
(6) Et geval wul dat ze de keuningin met een bus deur de streek
raie hewwe lete PfP = elete 3.1.2. / W108

Hierbij moet tevens worden vermeld dat ik in het Zaans geen voorbeelden heb kunnen vinden waar een IPP-effect in de relevante context achterwege bleef, hetgeen in de Friese en Groningse dialecten juist regel is. Op basis van de voorbeelden in (5) is men geneigd te concluderen dat we gevallen hebben van IPP bij hoofd-finale volgorde.

3.2. Nieuwe generalisatie
Dit is echter niet terecht, aangezien het niet duidelijk is waar de persoonsvorm in (5) vandaan is gekomen. Wanneer we een strikte hoofd-finale volgorde aannemen zouden we kunnen veronderstellen dat de persoonsvorm achter de werkwoordscluster vandaan is gekomen. In dat geval kunnen we concluderen tot IPP bij volledige hoofd-finale volgorde. De bijzinnen (2a,b,c,d), (3b) en (6) laten echter zien dat de persoonsvorm van hebben in IPP-zinnen systematisch die positie mijdt! Een hoofdzin met vier werkwoorden zoals (3a) laat t.a.v. de positie van hebben hetzelfde beeld zien. De bijzinsfeiten laten juist zien dat in IPP zinnen er geen sprake is van een volledig hoofd-finale volgorde. Ik heb dan ook geen zuiver hoofd-finale volgorde met IPP in de bijzin aan mogen treffen. Een en ander leidt tot de volgende generalisatie:

(7) IPP-Generalisatie voor het Zaans (en het ABN)
Hebben (n-2) gaat in alle gevallen van IPP vooraf
aan zijn complement (n-1).

Deze formulering doet recht aan zowel het Zaans als het ABN. Immers, bij de volgordes 3.1.2. en 1.3.2. en 1.2.3. gaat hebben (1) vooraf aan de infinitief (2) die i.p.v. het voltooid deelwoord opduikt. Bij het ABN met zijn 1.2.3. volgorde is dat ook het geval. In de Friese en Groningse zinnen daarentegen is sprake van een strikte hoofd-finale volgorde 3.2.1., en daar vinden we dan ook geen IPP.

3.3. Enquêtemateriaal
Teneinde de empirische basis voor de generalisatie wat te versterken heb ik enquêtemateriaal, waarover De Rooij (1991) in een ander verband geschreven heeft, afgezocht naar afwijkende zinnen (enquête 62 (1987)). Immers, de ABN volgorde valt al onder de generalisatie, dus die doet niet ter zake. Het zijn de afwijkingen van het ABN die ons interesseren, d.w.z. zinnen die mogelijkerwijs IPP vertonen bij een geheel of gedeeltelijk hoofd-finale volgorde. Dit leverde voor Noord-Holland één voorbeeld op:

(8) a. Ik merrek dat ik al opouwen ad ewwe moeten (Enkhuizen)
b. Ik vind dat ie dat tach wete kennen ad (id.)

(8b) is een normaal Westfries voorbeeld: helemaal hoofd-finaal en geen IPP. De schwa op wete markeert de infinitief, en de -n op kennen het voltooid deelwoord. (8a) vertoont de volgorde 4.1.3.2.: moeten is voltooid deelwoord bij de persoonsvorm ad, ewwe is infinitief bij moeten, en ophouwen is voltooid deelwoord bij ewwe. Onder deze analyse is er geen IPP. Maar misschien is (8a) ook te analyseren als 4.1.2.3., met IPP op ewwe en moeten, aannemende dat moeten verkeerd gespeld is en eigenlijk moete behoort te zijn. Maar onder die analyse valt de zin onder de generalisatie (ewwe gaat vooraf aan moeten), en levert evenmin een probleem op. Een dubbele hebben-constructie is voor het Fries van Jubbega al eens gesignaleerd door Bloemhoff (1979), maar met de volgorde 4.3.2.1.5
Het enquêtemateriaal levert in dit geval dus weinig op. Dit hangt stellig samen met de vraagstelling: er werd slechts één IPP variant aangeboden, nl. degene die uit het ABN bekend is, met puur hoofd-initiële volgorde. Het ging er overigens bij de vraagstelling dan ook niet om om afwijkende woordvolgordes bij IPP op het spoor te komen.
 

4. Een IPP-generalisatie buiten het Zaans?

We hebben laten zien dat het Zaans (net als het Twents) de woordvolgordes 3.1.2. en 1.3.2. kent. Daarnaast hebben we laten zien dat IPP bij aspectuele werkwoorden als zitten en beginnen net zo werkt als in het ABN: helemaal hoofd-initieel en IPP. Deze werkwoorden vertonen in noordelijker dialecten eveneens een hoofd-initiële volgorde, maar zonder IPP en met te. De andere werkwoorden (modale hulpwerkwoorden en werkwoorden van perceptie) vertonen echter nooit een puur hoofd-initiële volgorde bij IPP, in tegenstelling tot het ABN. Uit bijzinnen en uit zinnen met vier werkwoorden blijkt dat het IPP-effect hier opduikt bij een volgorde 3.1.2. en 1.3.2. In de hoofdzin wordt de persoonsvorm echter naar voren geplaatst, en houden we een staartje 3.2. over. Als we met sporen zouden werken dan zouden we voor de hoofdzin moeten uitgaan van 3.t.2. of t.3.2. maar niet van 3.2.t. Dit maakt het tevens mogelijk om een verband te blijven leggen tussen volgorde en het optreden van het IPP-effect, hetgeen verwoord is als de IPP-generalisatie.
Is de gepostuleerde generalisatie ook buiten het Zaans geldig? Dit lijkt niet het geval te zijn, aangezien het Westvlaams zinnen als (9) kent (uit Den Dikken 1994:83):

(9) Da Valére zou [[[willen [dienen boek kuopen]] een]
“dat Valére dat boek zou hebben willen kopen”

Een “hebben” is hier de n-2 die willen selecteert, en dat laatste werkwoord duikt op als infinitief, m.a.w. een IPP-effect, terwijl er bovendien doorbreking van de cluster plaatsvindt (zie Haeseryn 1990:72 voor vergelijkbare voorbeelden maar zonder doorbreking van de cluster) . Merk op dat deze cluster in elk geval niet helemaal hoofd-finaal is, maar op twee plekken hoofd-initieel, namelijk bij de persoonsvorm en bij willen. Niettemin is het opmerkelijk dat hebben in bovenstaand voorbeeld op zijn werkwoordelijk complement volgt, iets wat bij andere werkwoorden in het Westvlaams, voor zover ik weet (zie bijv. Haegeman 1992), niet voorkomt.6 Deze volgorde (zonder doorbreking van de werkwoordsgroep) in IPP-zinnen is zelfs algemeen in heel Vlaanderen. Een studie van IPP en woordvolgorde in het Vlaams is dus ten zeerste gewenst.
Een ander tegenvoorbeeld tegen de voorgestelde generalisatie vormt het Duits. Zoals De Schutter (1974:84) terloops opmerkt kent het Duits hoofd-finale constructies met IPP, zoals hieronder weergegeven (uit Haftka 1989):

(10) ? daß sicher keiner gern Geld verschenken wollen haben wird
dat zeker niemand graag Geld weggeven willen hebben zal

Dat deze zin niet een ster krijgt suggereert dat er meer aan de hand is. Op zijn best is de voorgestelde generalisatie slechts geldig voor een beperkte groep dialecten.
Er is door Lange (1981), Vanden Wyngaerd (1994) voorgesteld dat de aanwezigheid van IPP samenhangt met de aanwezigheid van een prefix op het voltooid deelwoord. Dit zou wel eens correct kunnen zijn, aangezien de noordelijke dialecten (geen prefix) ook geen IPP kennen. De vraag naar een verband met lineaire volgorde moet dan echter worden opengelaten, of zelfs ontkennend beantwoord worden, voor de West-Germaanse dialecten als geheel.
 
 

Bibliografie

Besten, H. den (1989) Studies in West Germanic Syntax. Rodopi, Amsterdam.
Bloemhoff, H. (1979) “Heranalyse van een Stellingwerver Oppervlaktestructuur”. In N. Århammar en T. Hoekema (red.) Scripta Frisica. Tinkbondel foar Arne Spenter. Us Wurk, 31-38.
Boekenoogen, G.J. (1897) De Zaanse Volkstaal. Bijdrage tot de kennis van de woordenschat in Noord-Holland. A.W. Sijthoff, Leiden.
Dikken, M. den (1994) “Minimalist Verb (Projection) Raising”. In J.-W. Zwart (red.), 71-88.
Gerritsen, M. (1991) Atlas van de Nederlandse Dialectsyntaxis. Publicaties van het P.J. Meertens Instituut, Amsterdam.
Haegeman, L. (1992) Theory and description in generative syntax. A case study in West Flemish. Cambridge, Cambridge University Press.
Haeseryn, W. (1990) Syntactische normen in het nederlands. Een empirisch onderzoek naar woordvolgorde in de werkwoordelijke eindgroep. Dissertatie, Katholieke Universiteit te Nijmegen.
Hoekstra, E. (1993) “Over de implicaties van enkele morfo-syntactische eigenaardigheden in West-Friese dialecten”. Taal & Tongval 45, 135-154.
Lange, K.-P. (1981) “Warum Ersatzinfinitiv?” In Groninger Arbeiten zur Germanistischen Linguistik 19: 62-81.
Pauwels, A. (1953) De plaats van hulpwerkwoord, verleden deelwoord en infinitief in de Nederlandse bijzin. Drukkerij M. & L. Symons, Leuven.
Rooij, J. de (1991) “Ik had al moeten eindigen vs Ik moest al geëindigd hebben”. Gramma 15, 235-246.
Schutter, G. de (1974) “Wezen vissen. Dialectgeografie van een konstruktie”. Taal & Tongval 26, 70-85.
Smit, W. (1933) Theetaid in de Haremakerai. Toneelschats in één bedrijf. N.V. Zaanlandsche Stoomdrukkerij v/h E.N. Smit Ez, Koog a.d. Zaan.
Stroop, J. (1970) “Systeem in gesproken Werkwoordsgroepen”. Taal & Tongval 22, 128-147.
Taanman, W. (1994) “Enige opmerkingen m.b.t. een Westfries dialect”. Ongepubliceerd manuscript.
Weijnen, A. (1966) Nederlandse Dialectkunde. Van Gorcum, Assen.
Wijngaerd, G. Vanden (1994) “IPP and the Structure of Participles”. In J.-W. Zwart (red), 265-276.
Woudt, K. (1984) Deer hoor ik je. Gedachten over de Zaanse streektaal. Stichting Uitgeverij Noord-Holland.
Zwart, J.-W. (1994a) “Verb Clusters in Continental West Germanic Dialects.” Lezing gegeven op de 18th Annual Meeting of the Atlantic Provinces Linguistic Association, U. of New Brunswick, Saint John. Ongepubliceerd ms, ATW, RUG, Groningen.
Zwart, J.-W. (1994b,red) Minimalism and Kayne’s Asymmetry Hypothesis. Groninger Arbeiten zur germanistischen Linguistik 37.
 

1 Ik bedank Jan Berns, Hans den Besten, Leonie Cornips, Ton Goeman en Jan-Wouter Zwart voor discussie, en Georges de Schutter voor diens gedetailleerd schriftelijk commentaar.

2 Voor een recent globaal overzicht van variatie in de werkwoordsgroep, zie Haeseryn (1990), voor IPP-zinnen met name (1990:65-66,71-72).

3 In Smit’s (1933) Theetaid in de Haremakerai. Toneelschats in één bedrijf worden meer rode volgordes aangetroffen dan in Woudt (1984). Bij een combinatie van een modaal hulpwerkwoord met infinitief bezigt Woudt zelden de rode volgorde, Theetaid daarentegen regelmatig maar niet uitsluitend.

4 Immers, als hebben de n-1 is treedt er geen IPP effect op:

(i) Hij zou dat kunnen hebben gedaan

5 Aangezien verdere data ontbreken zal ik niet trachten de woordvolgorde in het voorbeeld uit Enkhuizen nader te analyseren.

6 Hans den Besten wijst me erop dat IPP wel vaker samengaat met afwijkende woordvolgordes. Dit is in elk geval zo in het Zaans en het Westvlaams, maar ook bijvoorbeeld in het Afrikaans (cf. Den Besten 1989:161-162).