Henk Bloemhoff Stellingwarfs Woordeboek. Diel 2 . F-K. Met medewerking van Sietske Bloemhoff en vele anderen. Een uutgifte van de Stichting Stellingwarver Schrieversronte. Oosterwoolde, 1994. 843 blz.

Taal & Tongval 46, 201-205.

1. Inleiding1

Het eerste deel van het Stellingwarfs Woordeboek is uitgekomen, maar het eerste deel is eigenlijk het tweede deel. De reden daarvoor is dat het taalonderzoek in de Stellingwerven parallel moesten lopen met dat in Drente. Drente was echter al een eind in de letter B gevorderd, vandaar dat de letters A-B in de Stellingwerven tussendoor moesten worden afgevraagd. Uiteraard maakt het bij een alfabetisch geordend woordenboek niet uit welk deel als eerste verschijnt. Een beknopte verantwoording wordt in het Woord Vooraf bij dit deel twee gegeven en in de Aanwijzingen voor het gebruik. Een uitvoerige toelichting zal worden opgenomen in het inleidende gedeelte van het nog te verschijnen eerste deel. Hieronder wordt kort ingegaan op de inhoud en opbouw van de woordenboekartikelen, met bijzondere aandacht voor de syntaxis, en op doelstelling en gevolgde methode. Ten slotte zal ik in de uitleiding enige aandacht besteden aan het belang van de studie van het Stellingwerfs voor de dialectologie.
 

2. Opbouw en inhoud van de artikelen

2.1. Opbouw van de artikelen
De artikelen zijn bijzonder duidelijk en overzichtelijk uitgevoerd. Onder elk lemma wordt een schat aan informatie gegeven, zoals ik hieronder duidelijk zal maken.
Het lemma zelf wordt vet afgedrukt, eventueel gevolg door een aanduiding van de plaats in de Stellingwerven waar het voor is gerapporteerd. Alternatieve vormen van hetzelfde woord, indien die er zijn, worden eveneens gegeven, ook weer gevolgd door een geografische aanduiding. Woordgeslacht, meervoud en verkleinwoord worden bij zelfstandige naamworden vermeld. Bij bijvoeglijke naamwoorden worden vergrotende en overtreffende trap vermeld alsmede of het woord ook als bijwoord gebruikt kan worden. Daarna volgt een fonetische transciptie.
Vervolgens worden de verschillende betekenissen van elk woord gegeven, rijk geïllustreerd aan de hand van zinnen uit de enquêtes, waarbij bij elke zin ook weer wordt aangegeven uit welke plaats in de Stellingwerven hij komt. Dat rijke materiaal is een sine-qua-non voor elk serieus woordenboek. Immers, het is vaak onmogelijk om van een woord een afdoende betekenisomschrijving te geven. Niet voor niets heeft Socrates al aangetoond dat het onmogelijk is om een sluitende definitie van een zo eenvoudig woord als "tafel" te geven. En wie herinnert zich niet de taallessen op de middelbare school waarbij woorden in woordenlijsten werden geleerd die in een zin heel anders vertaald moesten worden. Uit onderzoek is trouwens gebleken dat men in het vreemde-talen onderwijs veel beter zinnen kan leren dan losse woorden. Met dit alles wil ik duidelijk maken dat een woordenboek van het type goolden is "van goud" weinig zinvol is. Een woordenboek moet zich ook op de zin baseren. En dat doet het Stellingwerfse woordenboek dan ook. Bij goolden vinden we bijvoorbeeld zinnen Et is zien goolden uurtien met de uitleg "gezegd van een toestand waarin iemand flink kan verdienen". Bij hebben, idioomvormend werkwoord bij uitstek, passeren meer dan drie bladzijden met uitdrukkingen de revu. Dit maakt dat het woordenboek een waardevolle bron van informatie over het Stellingwerfs is.

2.2. Inhoud van de artikelen: hoeveel morfosyntactische informatie?
Het is jammer dat bij de grammaticale informatie onder lemma’s betreffende sterke werkwoorden niet tevens de onregelmatige vormen zijn opgenomen, temeer daar van zwakke werkwoorden wel de verleden tijdsvorm wordt opgenomen. De onregelmatige vormen van sterke werkwoorden zullen volgens de auteur naar alle waarschijnlijkheid in een aparte lijst aan deel een worden toegevoegd. Niettemin zijn de onregelmatige vormen vaak terug te vinden, dankzij het grote aantal voorbeeldzinnen dat het woordenboek bevat. Hier rijst dan ook de vraag hoeveel morfosyntactische informatie een woordenboek moet geven.
De huidige praktijk, niet alleen bij streektaalwoordenboeken maar ook in de standaardtaalwoordenboeken, is dat er bijna geen morfosyntactische informatie wordt gegeven. Hoe vaak moet de dialectsyntacticus niet een woordenboek met een iets te harde zet in de kast terugschuiven, omdat bijvoorbeeld bij kunnen niet de aan- of afwezigheid van een IPP-effect2 uit de voorbeeldzinnen af te leiden is, laat staan dat het expliciet vermeld wordt. Op het gebied van de syntaxis blijven alle woordenboeken in gebreke, maar hier doet het Stellingwarfs Woordeboek het toch beter dan de meeste andere. Zo wordt bij heuren "horen" na de tijdsvormen het volgende vermeld: "in werkwoordsreeksen met heuren kunnen zelfst. ww., anders dan bij de meeste andere werkwoorden, ook aan de rechterzijde verschijnen: 'k Heb 'm heurd zingen naast 'k Heb 'm zingen heurd, ...omda'k 'm heurd heb zingen naast ...omda'k 'm zingen heurd heb". Merk op dat Bloemhoff zelfs voorbeelden van ondergeschikte zinnen geeft. Dat is natuurlijk uiterst relevant omdat in hoofdzinnen niet te zien is welke positie de persoonsvorm in de werkwoordsgroep zal innemen. Uit de ondergeschikte zinnen blijkt dan dat heb midden in de werkwoordsgroep kan opduiken (heurd heb zingen).


Een woordenboek kan omschreven worden als een encyclopedisch werk. Er wordt immers in beknopte vorm globale informatie gegeven over de betekenis (semantiek) en de uitspraak (fonologie/fonetiek) van woorden. Er wordt naar verhouding buitengewoon weinig syntactische informatie gegeven.3 Toch zou het in een groot aantal gevallen heel goed mogelijk zijn om aan de hand van enkele zinnen, zoals Bloemhoff gedaan heeft bij heuren, beknopte syntactische informatie te geven. Het zou zelfs al voldoende zijn om desnoods zonder commentaar, eventueel in een aparte rubriek, die voorbeeldzinnen te geven die een paradigma vormen. Deze syntactische rubriek zou alleen voor hoeven komen bij functiewoorden, zoals hulpwerkwoorden. Zo kan men bij (de verleden tijd van) het hulpwerkwoord zullen gemakkelijk enkele voorbeeldzinnen maken die een irrealis uitdrukken, en waarvan de werkwoordsgroep niet slechts twee maar drie of vier werkwoorden bevat (voorbeelden: hij zou het kunnen hebben gedaan, hij zou het hebben kunnen doen). Dergelijke zinnen zouden het woordenboek voor de leek geenzins minder toegankelijk maken terwijl het voor de syntacticus een stuk waardevoller zou worden.4 Dan zou het woordenboek een completere encyclopedie worden dan het nu is.
 

3. Doelstelling en methode

3.1. Methode
Volgens sommige sociolinguisten verzamelt men idealiter zijn materiaal door met een onzichtbare bandrecorder in “spontane” talige situaties opnames te maken. Eigenlijk zou men dan ook nog een onzichtbare videorecorder moeten hebben om de lichaamsmimiek, waarmee immers een deel van de communicatie plaats vindt, vast te leggen opdat het talige van het niet-talige kan worden afgebakend. Het is evident dat men op een dergelijke manier enkele decennia nodig zou hebben alsmede het tienvoudige aan mankracht om hetzelfde woordenboek te maken als dat nu voor ons ligt. Bloemhoff heeft zijn materiaal middels schriftelijke en mondelinge enquêtes verzameld. Deze enquêtes zijn gehouden van 1975-1991 in een vijfentwintigtal dorpen verspreid over de beide gemeenten Oost- en West-Stellingwerf. Uit elk dorp komen minstens drie personen, doorgaans zijn het er vijf of meer. Door gericht allerlei zaken af te vragen, uitgaande van zijn kennis van het Stellingwerfs en van de omringende streektalen, heeft hij in een relatief korte tijd een enorme hoeveelheid informatie kunnen verzamelen. In gevallen van twijfel heeft hij door opnieuw contact te zoeken met de desbetreffende informant(en) bepaalde zaken alsnog tot klaarheid gebracht.

3.2. Doelstelling
Een belangrijke doelstelling van het Stellingwarfs Woordeboek is "een naslagwerk te zijn ten behoeve van het aktief gebruik van het Stellingwerfs in onder meer literatuur, pers en onderwijs" (p.7). In dezelfde alinea verwijst Bloemhoff naar de Van Dale die hij als checklist heeft gebruikt om ontbrekende woorden op te sporen. Bloemhoff's woordenboek beoogt eigenlijk dan ook een soort Van Dale van het Stellingwerfs te zijn, en niet zonder succes.
Aan dit alles zit ook een taalpolitieke kant. Men kan zich afvragen of een streektaalwoordenboek naast een documentatieve ook een educatieve functie moet hebben, en wat de argumenten zijn om een woordenschat met totaal uitgestorven vaktalen te conserveren en om een moderne woordenschat nagenoeg altijd in de vorm van rechtstreekse ontleningen uit de standaardtaal in een dialectische vorm aan te bieden; men vergelijke inflaosie “inflatie” en haolspit “ijzeren staaf in de schoorsteen waaraan spek werd gerookt”, kiezersbedrog “kiezersbedrog” en koezetange “bep. tang om kiezen mee te trekken”. Een aantal Nederlandse woorden is dus in ver-Stellingwerfste vorm in het woordeboek opgenomen, zoals gooldpries, jaorperduktie, joarpergramme, e.d. Een deel van deze woorden komt ook voor in het werk van Stellingwerfse auteurs (van voornamelijk na 1970), zoals de laatste twee woorden, en dat is met een code aangegeven. Het woord gooldpries draagt die vermelding niet. Is het nu te verdedigen dat dat woord toch is opgenomen? Aangezien het woordenboek ook in het onderwijs gebruikt moet worden is dat inderdaad te verdedigen. Het onderwerp taalpolitiek is een wespennest waar ik mijn hand niet in wil steken. Ik wil volstaan met de opmerking dat een eventueel taalpolitieke overtuiging van de woordenboekmaker het wetenschappelijk gehalte van het woordenboek, voor zover ik dat kan overzien, nergens ten nadele heeft beïnvloed.
 

4. Uitleiding

Uit de kwaliteit en omvang ervan (843 bladzijden!) moge blijken dat dit één van de beste streektaalwoordenboeken genoemd kan worden die ooit in Nederland verschenen is. Ik wil besluiten met te wijzen op het belang van het Stellingwerfs als studieobject voor dialectologen die in taalcontact zijn geïnteresseerd, alsmede voor hen die belangstelling hebben voor de geschiedenis en het ontstaan van dialecten. De Stellingwerven behoren sinds 1498 bij de provincie Friesland, maar ook daarvoor waren de Stellingwerven sterk op Friesland geörienteerd. De Stellingwerfse woordenschat vertoont dan ook een grotere overeenkomst met het Fries dan die van zuidelijker en oostelijker Saksische dialecten, zoals o.a. blijkt uit Stellingwerfse woorden als heit "vader", opgegeven voor verschillende plaatsen, hoewel “thans uitsluitend met ongunstige klank in Wolvega”. Een systematische vergelijking van de Stellingwerfse woordenschat met de Friese en de Drentse zou ons meer inzicht kunnen geven in de vraag welke woorden bij taalcontact worden overgedragen. Omgekeerd mag men verwachten dat het Stellingwerfs invloed op de aangrenzende Friese dialecten heeft uitgeoefend, iets wat ook onderzocht zou kunnen worden, aangezien de Stellingwerven in de middeleeuwen regelmatig samen werkten met de aangrenzende Friese landjes zoals Schoterland en Oosterzeeïngerland. Maar ook op naamkundig terrein is er nog veel te doen. Volgens een nog niet uitputtend onderzochte theorie, als zodanig gegeven in Bloemhoff (1991:28-30 en de verwijzingen aldaar), komen de Stellingwervers oorspronkelijk uit de streek ten Zuiden van de lijn tussen Osnabrück en Hannover vandaan. Daar leefde een groep Saksische “stellingen”5 die samen Lotharius steunden in diens strijd tegen zijn broer Lodewijk de Duitser. Lodewijk won en nam bloedig wraak. De Stellingwervers zouden toen gevlucht zijn naar de streek waar ze nu te vinden zijn. Er doen zich zeer interessante naamkundige parallellen voor tussen de Stellingwerven en voornoemde streek in Noord-Duitsland; nader onderzocht zou moeten worden of deze parallellen solide zijn. Bij het aanroeren van deze onderzoeksvragen, naar aanleiding van het verschijnen van het voortreffelijke Stellingwarfse Woordeboek, laat ik het hier.
 
 
 

Bibliografie

Bloemhoff, H. (1991) Stellingwarf in de Middelieuwen. Een uutgifte van de Intergemientelike Begeleidingsgroep Hiemkunde in Oost- en West-Stellingwerf, Wolvega.
Buurman, O. (1967) Hochdeutsch-plattdeutsches Wörterbuch. Auf der Grundlage ostfriesischer Mundart. Band 5. Gur bis J. Karl Wachhollz Verlag, Neumünster.
 
 
 
 
 

Eric Hoekstra, P.J. Meertens Instituut, Amsterdam.
 

1 Jan Berns en Ton Goeman lazen eerdere versies van deze bespreking.

2 Het IPP-effekt (Infinitivus-pro-Participio) houdt in dat op de plek waar men een voltooid deelwoord zou verwachten een infinitief opduikt, zoals in (ib) hieronder: (i) a. Ik heb dat gekund; (i) b. Ik heb dat kunnen doen; (i) c. * Ik heb dat gekund doen. In de talen der wereld is (ic) de normale vorm, terwijl (ib) bij mijn weten alleen in een deel van de Westgermaanse dialecten voorkomt. Zo kennen bijvoorbeeld het Fries en het Stellingwerfs geen IPP-effekt.

3 Natuurlijk hoeft er geen complete vormleer in het woordenboek verwerkt te zijn, zoals het woordenboek evenmin een complete klankleer bevat.

4 Zo bevat Buurman’s (1967) Hoogduits-Platduits woordenboek zo’n 11 bladzijden tekst onder het kopje haben. Daarvan zijn er 2 voor wat het woordenboek hulpwerkwoord haben noemt. Niettemin bevat het overgrote deel van die 2 bladzijden verbindingen van haben met niet-verbaal materiaal. Haben “als Zeitform” (p.74) krijgt precies 7 regels, en de werkwoordsgroepen erin bestaan uit maximaal één werkwoord, de vooropgeplaatste finite vorm van hebben zelf uiteraard niet meegerekend.

5 ”Stellingen” betekent in deze context vrije mensen en knechten die zich met elkaar verbonden hebben. In de middeleeuwen echter is “stelling” de Stellingwerfse benaming voor de rechter.