Taal & Tongval 46, 201-205.
1. Inleiding1
Het eerste deel van het Stellingwarfs Woordeboek
is uitgekomen, maar het eerste deel is eigenlijk het tweede deel. De reden
daarvoor is dat het taalonderzoek in de Stellingwerven parallel moesten
lopen met dat in Drente. Drente was echter al een eind in de letter B gevorderd,
vandaar dat de letters A-B in de Stellingwerven tussendoor moesten worden
afgevraagd. Uiteraard maakt het bij een alfabetisch geordend woordenboek
niet uit welk deel als eerste verschijnt. Een beknopte verantwoording wordt
in het Woord Vooraf bij dit deel twee gegeven en in de Aanwijzingen
voor het gebruik. Een uitvoerige toelichting zal worden opgenomen in
het inleidende gedeelte van het nog te verschijnen eerste deel. Hieronder
wordt kort ingegaan op de inhoud en opbouw van de woordenboekartikelen,
met bijzondere aandacht voor de syntaxis, en op doelstelling en gevolgde
methode. Ten slotte zal ik in de uitleiding enige aandacht besteden aan
het belang van de studie van het Stellingwerfs voor de dialectologie.
2. Opbouw en inhoud van de artikelen
2.1. Opbouw van de artikelen
De artikelen zijn bijzonder duidelijk en overzichtelijk
uitgevoerd. Onder elk lemma wordt een schat aan informatie gegeven, zoals
ik hieronder duidelijk zal maken.
Het lemma zelf wordt vet afgedrukt, eventueel gevolg
door een aanduiding van de plaats in de Stellingwerven waar het voor is
gerapporteerd. Alternatieve vormen van hetzelfde woord, indien die er zijn,
worden eveneens gegeven, ook weer gevolgd door een geografische aanduiding.
Woordgeslacht, meervoud en verkleinwoord worden bij zelfstandige naamworden
vermeld. Bij bijvoeglijke naamwoorden worden vergrotende en overtreffende
trap vermeld alsmede of het woord ook als bijwoord gebruikt kan worden.
Daarna volgt een fonetische transciptie.
Vervolgens worden de verschillende betekenissen van elk
woord gegeven, rijk geïllustreerd aan de hand van zinnen uit de enquêtes,
waarbij bij elke zin ook weer wordt aangegeven uit welke plaats in de Stellingwerven
hij komt. Dat rijke materiaal is een sine-qua-non voor elk serieus woordenboek.
Immers, het is vaak onmogelijk om van een woord een afdoende betekenisomschrijving
te geven. Niet voor niets heeft Socrates al aangetoond dat het onmogelijk
is om een sluitende definitie van een zo eenvoudig woord als "tafel" te
geven. En wie herinnert zich niet de taallessen op de middelbare school
waarbij woorden in woordenlijsten werden geleerd die in een zin heel anders
vertaald moesten worden. Uit onderzoek is trouwens gebleken dat men in
het vreemde-talen onderwijs veel beter zinnen kan leren dan losse woorden.
Met dit alles wil ik duidelijk maken dat een woordenboek van het type goolden
is "van goud" weinig zinvol is. Een woordenboek moet zich ook op de zin
baseren. En dat doet het Stellingwerfse woordenboek dan ook. Bij goolden
vinden we bijvoorbeeld zinnen Et is zien goolden uurtien met de
uitleg "gezegd van een toestand waarin iemand flink kan verdienen". Bij
hebben, idioomvormend werkwoord bij uitstek, passeren meer dan drie
bladzijden met uitdrukkingen de revu. Dit maakt dat het woordenboek een
waardevolle bron van informatie over het Stellingwerfs is.
2.2. Inhoud van de artikelen: hoeveel morfosyntactische
informatie?
Het is jammer dat bij de grammaticale informatie onder
lemma’s betreffende sterke werkwoorden niet tevens de onregelmatige vormen
zijn opgenomen, temeer daar van zwakke werkwoorden wel de verleden tijdsvorm
wordt opgenomen. De onregelmatige vormen van sterke werkwoorden zullen
volgens de auteur naar alle waarschijnlijkheid in een aparte lijst aan
deel een worden toegevoegd. Niettemin zijn de onregelmatige vormen vaak
terug te vinden, dankzij het grote aantal voorbeeldzinnen dat het woordenboek
bevat. Hier rijst dan ook de vraag hoeveel morfosyntactische informatie
een woordenboek moet geven.
De huidige praktijk, niet alleen bij streektaalwoordenboeken
maar ook in de standaardtaalwoordenboeken, is dat er bijna geen morfosyntactische
informatie wordt gegeven. Hoe vaak moet de dialectsyntacticus niet een
woordenboek met een iets te harde zet in de kast terugschuiven, omdat bijvoorbeeld
bij kunnen niet de aan- of afwezigheid van een IPP-effect2
uit de voorbeeldzinnen af te leiden is, laat staan dat het expliciet vermeld
wordt. Op het gebied van de syntaxis blijven alle woordenboeken in gebreke,
maar hier doet het Stellingwarfs Woordeboek het toch beter dan de
meeste andere. Zo wordt bij heuren "horen" na de tijdsvormen het
volgende vermeld: "in werkwoordsreeksen met heuren kunnen zelfst. ww.,
anders dan bij de meeste andere werkwoorden, ook aan de rechterzijde verschijnen:
'k Heb 'm heurd zingen naast 'k Heb 'm zingen heurd, ...omda'k
'm heurd heb zingen naast ...omda'k 'm zingen heurd heb". Merk
op dat Bloemhoff zelfs voorbeelden van ondergeschikte zinnen geeft. Dat
is natuurlijk uiterst relevant omdat in hoofdzinnen niet te zien is welke
positie de persoonsvorm in de werkwoordsgroep zal innemen. Uit de ondergeschikte
zinnen blijkt dan dat heb midden in de werkwoordsgroep kan opduiken
(heurd heb zingen).
3. Doelstelling en methode
3.1. Methode
Volgens sommige sociolinguisten verzamelt men idealiter
zijn materiaal door met een onzichtbare bandrecorder in “spontane” talige
situaties opnames te maken. Eigenlijk zou men dan ook nog een onzichtbare
videorecorder moeten hebben om de lichaamsmimiek, waarmee immers een deel
van de communicatie plaats vindt, vast te leggen opdat het talige van het
niet-talige kan worden afgebakend. Het is evident dat men op een dergelijke
manier enkele decennia nodig zou hebben alsmede het tienvoudige aan mankracht
om hetzelfde woordenboek te maken als dat nu voor ons ligt. Bloemhoff heeft
zijn materiaal middels schriftelijke en mondelinge enquêtes verzameld.
Deze enquêtes zijn gehouden van 1975-1991 in een vijfentwintigtal
dorpen verspreid over de beide gemeenten Oost- en West-Stellingwerf. Uit
elk dorp komen minstens drie personen, doorgaans zijn het er vijf of meer.
Door gericht allerlei zaken af te vragen, uitgaande van zijn kennis van
het Stellingwerfs en van de omringende streektalen, heeft hij in een relatief
korte tijd een enorme hoeveelheid informatie kunnen verzamelen. In gevallen
van twijfel heeft hij door opnieuw contact te zoeken met de desbetreffende
informant(en) bepaalde zaken alsnog tot klaarheid gebracht.
3.2. Doelstelling
Een belangrijke doelstelling van het Stellingwarfs
Woordeboek is "een naslagwerk te zijn ten behoeve van het aktief gebruik
van het Stellingwerfs in onder meer literatuur, pers en onderwijs" (p.7).
In dezelfde alinea verwijst Bloemhoff naar de Van Dale die hij als checklist
heeft gebruikt om ontbrekende woorden op te sporen. Bloemhoff's woordenboek
beoogt eigenlijk dan ook een soort Van Dale van het Stellingwerfs te zijn,
en niet zonder succes.
Aan dit alles zit ook een taalpolitieke kant. Men kan
zich afvragen of een streektaalwoordenboek naast een documentatieve ook
een educatieve functie moet hebben, en wat de argumenten zijn om een woordenschat
met totaal uitgestorven vaktalen te conserveren en om een moderne woordenschat
nagenoeg altijd in de vorm van rechtstreekse ontleningen uit de standaardtaal
in een dialectische vorm aan te bieden; men vergelijke inflaosie
“inflatie” en haolspit “ijzeren staaf in de schoorsteen waaraan
spek werd gerookt”, kiezersbedrog “kiezersbedrog” en koezetange
“bep. tang om kiezen mee te trekken”. Een aantal Nederlandse woorden is
dus in ver-Stellingwerfste vorm in het woordeboek opgenomen, zoals gooldpries,
jaorperduktie, joarpergramme, e.d. Een deel van deze woorden
komt ook voor in het werk van Stellingwerfse auteurs (van voornamelijk
na 1970), zoals de laatste twee woorden, en dat is met een code aangegeven.
Het woord gooldpries draagt die vermelding niet. Is het nu te verdedigen
dat dat woord toch is opgenomen? Aangezien het woordenboek ook in het onderwijs
gebruikt moet worden is dat inderdaad te verdedigen. Het onderwerp taalpolitiek
is een wespennest waar ik mijn hand niet in wil steken. Ik wil volstaan
met de opmerking dat een eventueel taalpolitieke overtuiging van de woordenboekmaker
het wetenschappelijk gehalte van het woordenboek, voor zover ik dat kan
overzien, nergens ten nadele heeft beïnvloed.
4. Uitleiding
Uit de kwaliteit en omvang ervan (843 bladzijden!) moge
blijken dat dit één van de beste streektaalwoordenboeken
genoemd kan worden die ooit in Nederland verschenen is. Ik wil besluiten
met te wijzen op het belang van het Stellingwerfs als studieobject voor
dialectologen die in taalcontact zijn geïnteresseerd, alsmede voor
hen die belangstelling hebben voor de geschiedenis en het ontstaan van
dialecten. De Stellingwerven behoren sinds 1498 bij de provincie Friesland,
maar ook daarvoor waren de Stellingwerven sterk op Friesland geörienteerd.
De Stellingwerfse woordenschat vertoont dan ook een grotere overeenkomst
met het Fries dan die van zuidelijker en oostelijker Saksische dialecten,
zoals o.a. blijkt uit Stellingwerfse woorden als heit "vader", opgegeven
voor verschillende plaatsen, hoewel “thans uitsluitend met ongunstige klank
in Wolvega”. Een systematische vergelijking van de Stellingwerfse woordenschat
met de Friese en de Drentse zou ons meer inzicht kunnen geven in de vraag
welke woorden bij taalcontact worden overgedragen. Omgekeerd mag men verwachten
dat het Stellingwerfs invloed op de aangrenzende Friese dialecten heeft
uitgeoefend, iets wat ook onderzocht zou kunnen worden, aangezien de Stellingwerven
in de middeleeuwen regelmatig samen werkten met de aangrenzende Friese
landjes zoals Schoterland en Oosterzeeïngerland. Maar ook op naamkundig
terrein is er nog veel te doen. Volgens een nog niet uitputtend onderzochte
theorie, als zodanig gegeven in Bloemhoff (1991:28-30 en de verwijzingen
aldaar), komen de Stellingwervers oorspronkelijk uit de streek ten Zuiden
van de lijn tussen Osnabrück en Hannover vandaan. Daar leefde een
groep Saksische “stellingen”5 die samen
Lotharius steunden in diens strijd tegen zijn broer Lodewijk de Duitser.
Lodewijk won en nam bloedig wraak. De Stellingwervers zouden toen gevlucht
zijn naar de streek waar ze nu te vinden zijn. Er doen zich zeer interessante
naamkundige parallellen voor tussen de Stellingwerven en voornoemde streek
in Noord-Duitsland; nader onderzocht zou moeten worden of deze parallellen
solide zijn. Bij het aanroeren van deze onderzoeksvragen, naar aanleiding
van het verschijnen van het voortreffelijke Stellingwarfse Woordeboek,
laat ik het hier.
Bibliografie
Bloemhoff, H. (1991) Stellingwarf in de Middelieuwen.
Een uutgifte van de Intergemientelike Begeleidingsgroep Hiemkunde in Oost-
en West-Stellingwerf, Wolvega.
Buurman, O. (1967) Hochdeutsch-plattdeutsches Wörterbuch.
Auf der Grundlage ostfriesischer Mundart. Band 5. Gur bis J.
Karl Wachhollz Verlag, Neumünster.
Eric Hoekstra, P.J. Meertens Instituut, Amsterdam.
1 Jan Berns en Ton Goeman lazen eerdere versies van deze bespreking.
2 Het IPP-effekt (Infinitivus-pro-Participio) houdt in dat op de plek waar men een voltooid deelwoord zou verwachten een infinitief opduikt, zoals in (ib) hieronder: (i) a. Ik heb dat gekund; (i) b. Ik heb dat kunnen doen; (i) c. * Ik heb dat gekund doen. In de talen der wereld is (ic) de normale vorm, terwijl (ib) bij mijn weten alleen in een deel van de Westgermaanse dialecten voorkomt. Zo kennen bijvoorbeeld het Fries en het Stellingwerfs geen IPP-effekt.
3 Natuurlijk hoeft er geen complete vormleer in het woordenboek verwerkt te zijn, zoals het woordenboek evenmin een complete klankleer bevat.
4 Zo bevat Buurman’s (1967) Hoogduits-Platduits woordenboek zo’n 11 bladzijden tekst onder het kopje haben. Daarvan zijn er 2 voor wat het woordenboek hulpwerkwoord haben noemt. Niettemin bevat het overgrote deel van die 2 bladzijden verbindingen van haben met niet-verbaal materiaal. Haben “als Zeitform” (p.74) krijgt precies 7 regels, en de werkwoordsgroepen erin bestaan uit maximaal één werkwoord, de vooropgeplaatste finite vorm van hebben zelf uiteraard niet meegerekend.
5 ”Stellingen” betekent in deze context vrije mensen en knechten die zich met elkaar verbonden hebben. In de middeleeuwen echter is “stelling” de Stellingwerfse benaming voor de rechter.