Ik denk dat Jan en dat Piet elkaar niet mogen

Eric Hoekstra, Meertens Instituut, KNAW

Taalkundig Bulletin 25, 158-159.

Bezie de zin in de titel van deze squib. Deze zin betekent hetzelfde als ik denk dat Jan en Piet elkaar niet mogen. Vreemd genoeg evenwel kan het voegwoord dat in de conjunctie Jan en Piet herhaald worden na de coördinator en, zoals uit de titelzin blijkt. Normaal wordt aangenomen dat coordinatie twee constituenten coördineert, niet zomaar een arbitrair deel van de lineaire woordenstreng. Constateren wij echter om te beginnen dat dat Piet geen constituent is, uitgaande van de standaardtheorie. Dat is het probleem.
Dus moet de zin via een combinatie van voorwaartse en achterwaartse gapping zijn afgeleid, zou men zeggen, aangezien met name achterwaartse gapping niet aan een constituentsschapseis gebonden is. Echter, een afleiding via gapping is uitgesloten: ik denk dat Jan elkaar niet mag en ik denk dat Piet elkaar niet mag is geen welgevormde semantische representatie aangezien de reciprook elkaar niet het vereiste meervoudige antecedent heeft. Om dit probleem te omzeilen kan worden uitgegaan van de volgende parafrase: ik denk dat Jan en ik denk dat Piet elkaar niet mogen. Deze parafrase helpt ons niet verder aangezien ik denk dat Jan evenmin een constituent is als dat Jan. De vraag blijft dus: hoe kan de titelzin worden afgeleid?
Zijn de condities op coordinatie of op gapping anders dan we tot nog toe gedacht hadden? Of is er een zodanige onderliggende semantische representatie te verzinnen dat de condities op gapping en coordinatie in hun traditionele vorm gehandhaafd kunnen blijven? Ik kies op heuristische gronden voor de tweede mogelijkheid: het is makkelijker om aan semantische representaties te sleutelen (waar weinig vast staat) dan aan wat reeds ontdekt is m.b.t. gapping en coordinatie.
Eerder zagen we dat geen correcte onderliggende parafrase was: ik denk dat Jan elkaar niet mag en ik denk dat Piet elkaar niet mag. Maar deze parafrase is misschien naïef. We weten dat reciproken door talen heen uit een dubbele quantificatie bestaan: ze mogen elk de ander niet, elk van hun mag de ander niet. Te denken valt nu aan een parafrase: ik denk dat Jan de ander niet mag en ik denk dat Piet de ander niet mag.
We beschouwen de ander in deze quasi-semantische representatie als een anafoor die de andere leden van een verzameling als antecedent neemt. Ander legt een tweedeling op aan een verzameling.
Nu gaan we eerst voorwaartse gapping loslaten op ik denk: ik denk dat Jan de ander niet mag en ik denk dat Piet de ander niet mag. Vervolgens passen we achterwaartse gapping toe op de ander niet mag: ik denk dat Jan de ander niet mag en ik denk dat Piet de ander niet mag. De volgorde van de regeltoepassing maakt niet uit voor het eindresultaat. We zijn er nu nog niet. In plaats van de ander willen we elkaar, en van Jan en Piet willen we een meervoud maken, evenals van het werkwoord.
Voor NPs als Jan en Piet geldt in het onderhavige geval dat ze optelbaar zijn. Uit Lacht Jan en Lacht Piet volgt, met aanpassing van getal, Lachen Jan en Piet. Evenzo uit: ik denk dat Jan en ik denk dat Piet de ander niet mag volgt met aanpassing van getal ik denk dat Jan en dat Piet de ander niet mogen. De vorm van het reciprook is elkaar, met verplichte markering van universele distributiviteit die een vorm als de ander ontbeert. Regels voor optelbaarheid, agreement en reciprookformatie moeten ons van ik denk dat Jan en dat Piet de ander niet mag helpen naar ik denk dat Jan en dat Piet elkaar niet mogen. Kan dat in de syntaxis?
Welnu, de fonologische vorm van de reciprook is eenvoudig te beregelen. We nemen aan dat de reciprook een sterk kenmerk voor universele distributiviteit bezit: dus moet het semantische item [DE ANDER] worden uitgespeld als elk-ander ofwel elkaar, waar elk de universele distributiviteit uitspelt. Van agreement is al sinds jaar en dag bekend dat het een oppervlakkig syntactisch verschijnsel is dat per taal verschilt. Dat zal ook wel lukken. De optelbaarheidsoperatie heeft echter iets van een semantische transformatie weg en is daarom verdacht. Ik weet hier niks beters voor.
Ik wil niet beweren dat gapping zinnen van zinnen afleidt. Er is meer dan eens aangetoond dat dat niet zo is. Maar in de afwezigheid van een algemeen aanvaarde theorie over semantische representaties heb ik zinnen gebruikt als semantische representaties. Meer specifiek denk ik dat er bij gapping wel syntactische structuren aanwezig zijn, waarvan de terminale knopen semantische inhouden domineren. Lexicale insertie vindt evenwel pas na gapping plaats, evenals syntactische vormverschijnselen zoals agreement.
Tenslotte moet iets gezegd worden over kenmerken die syntactisch relevant zijn, zoals agreementskenmerken. Om agreement te beregelen plempt de syntacticus maar weer een atomair hoofd in de boom. Dit leidt ertoe dat het aantal posities waarin lexicaal materiaal kan optreden telkens groter wordt. Te overwegen valt om posities in de syntaxis te hebben die niet gelexicaliseerd mogen worden: ze dienen louter en alleen om agreementskenmerken weer te geven. Zulke posities zijn dan verbonden met andere posities die wel gelexicaliseerd mogen worden, zoals de N-positie (nomen), de D-positie (determiner) en de V-positie (werkwoord). Getal lijkt me typisch zon positie die je niet als landingsplaats in je boom wel hebben, maar als component op de achtergrond die is verbonden met NP, V en COMP.