Iets over dialectonderzoek vanuit een autobiografisch gezichtspunt

Eric Hoekstra, Meertens Instituut, KNAW

LINK. Tijdschrift voor Linguistiek te Utrecht 7, 51-52.

In 1992 kwam ik als de syntacticus te werken op de afdeling "Dialectologie" van het P.J. Meertens Instituut te Amsterdam. Ik was blij dat ik na mijn promotie een baan had gekregen. Maar ik had het idee dat ik de boel aan het oplichten was: waren er eigenlijk wel dialectverschillen op het gebied van de syntaxis? Ik dacht dat er alleen wat uitspraakverschillen waren. Toch herinnerde ik me wat moedgevende gebeurtenissen, zoals de ruzies over grammaticaliteitsoordelen waarbij soms onderzoekers van de RUG tegenover andere universiteiten stonden. Ik herinner me nog goed dat Jan Jullens "IJsco's houd ik niet zo van" eigenlijk grammaticaal vond. Ik ook trouwens. Ik zeg dat soort dingen maar ik zou ze niet schrijven in een wetenschappelijk artikel, tenzij in het Fries, maar wel weer in een Nederlandse brief, behalve als ie voor publicatie is, etc. Een ingewikkelde zaak, waarbij een taalkundig verschil sociologisch gedetermineerd is.
Het verschijnsel van prepositiestranding bij volle NPs is typisch noordelijk. Het wordt vermeld in grammatica's van of artikelen over het Westfries, het Fries en het Gronings. Blijkbaar is het erin geslaagd in het noordelijk regiolect binnen te dringen (dat is, het Nederlands der gegoede middenklasse uit het noorden). Is het ook ABN? Dat laatste is een prescriptieve zaak: we beslissen er zelf over, of liever, we laten dat voor ons beslissen door het gezag te accepteren van bijvoorbeeld de mensen die het groene boekje schrijven. Het onderhavige verschijnsel is geen ABN. In het ABN is splitsing van voorzetsel en complement alleen bij R-pronomina (waar, er hier, daar, ergens, nergens en overal) toegestaan.
Aan dit verschijnsel zit niet alleen een Nederlandse maar zelfs een Europese dimensie. Naar het Zuiden en Oosten toe wordt splitsing steeds moeilijker. In de Romaanse talen is het uitgesloten. In het Duits worden vraagwoord en voorzetsel bij voorkeur niet gesplitst. Naar het Noorden en Westen toe wordt het makkelijker. In het Engels en de Scandinavische talen kan splitsing zelfs bij passief optreden, zoals in "he was talked about", hetgeen in het Fries, Gronings en Noordhollands noch in het noordelijk regiolect kan, laat staan in het ABN of het Duits. Wijze lessen: "foute" grammaticaliteitsoordelen bestaan niet; variatie in het Nederlands gaat vaak terug op dialectvariatie. Het Nederlands zit niet op een eiland: dit soort variatie moet in de Europese context bestudeerd worden. Duits en Vlaams zijn belangrijk, maar ook Deens en Engels. De dialecten van de eerstgenoemde drie talen gaan redelijk vloeiend in elkaar over.
Dialectonderzoek heeft een culturele kant. Waarom geven mensen hun dialect op? Waarom blijven ze het juist spreken? Aan deze vragen zit een psychologisch aspect vast: taal is een markering van zowel individuele identiteit als van groepsidentiteit. Wie dialect opgeeft, kiest voor de identiteit die het ABN verschaft, al is men zich daar weinig van bewust omdat die identiteit zo vanzelfsprekend is (in tegenstelling tot bijv. de Brabantse identiteit). Wie het dialect naast het ABN hoog houdt, heeft een dubbele identiteit. Hier gaat de dialectologie over in de volkskunde, de theoretische taalkunde in de antropologie.
Aan onderzoek naar dialecten zit ook een evident theoretisch taalkundig belang, zoals Richard Kayne regelmatig benadrukt. Inzicht in microparametrische variatie leidt tot inzicht in het menselijk taalvermogen, dat onder de naam Universele Grammatica door het leven gaat. Genoeg generatieve retoriek: hoe staat het met de feiten?
Er is wel iets bekend over dialectsyntaxis maar wat mij frappeert is wat er allemaal niet bekend is. Waar je ook prikt, het is overal raak. Samen met een Utrechtse stagiaire onderzoek ik nu zowel dialect als regiolect in de Achterhoek. Daar zijn zinnen grammaticaal zoals "Omdat ik dat koopm ewild had". We zien een heel andere volgorde dan in het ABN, en afwezigheid van IPP (dat is, het voorkomen van een infinitief waar men een voltooid deelwoord zou hebben verwacht zoals in "Omdat ik dat had willen kopen", cf. “*Omdat ik dat had gewild kopen”). Ook komt voor: "Zou hij dat edoan hebm ewild", dus dubbele voltooide deelwoorden, iets wat ook in het Fries, en nog veel meer in de Scandinavische talen voorkomt. Er is variatie op het gebied van de syntaxis, maar ook op het gebied van de morfologie, de fonologie, de fonetiek, de semantiek, en zelfs op het gebied van de dialoogstructuur (relaties over zinnen heen).
Ik maak me nu ernstig zorgen over mijn onderzoek. Was ik eerst bang dat er te weinig zou zijn, nu weet ik het zeker: er is te veel.