Iets over eerste leden van samenstellingen

Eric Hoekstra

Leuvense Bijdragen 84, 491-504.

“De grammatica moet de zaken wel beschouwen zoals ze liggen bij maximale deelbewustheid”. (Wobbe de Vries, Iets over Woordvorming, p.43)

1. Inleiding1

Een element dat als eerste lid van een samenstelling wordt gebruikt ziet er vaak anders uit dan wanneer het als zelfstandig woord of als tweede lid van een samenstelling gebruikt wordt. Een voorbeeld illustreert dit:

(1) woord tweede lid eerste lid
a. ABN
boon snijboon : bone-schil * boonschil
dorp watersportdorp : dorps-huis * dorphuis
b. Frysk (Fries)
boek plaatsjeboek : boeke-planke * boek-planke
doarp wettersportdoarp : doapshûs * doarphûs
stien hoekstien : stienslach * stienslach
/ii@/ /ii@/ /ji/ /ii@/

De voorbeelden laten zien dat het eerste lid van een samenstelling een vormverandering ondergaat, die niet plaatsvindt bij tweede leden van samenstellingen. Deze vormverandering dient zich doorgaans aan in de vorm van suffixatie van -s of -e. Het laatste Friese voorbeeld laat zien dat in sommige gevallen het eerste lid van een samenstelling de zogenaamde “brekking” moet ondergaan om als eerste lid van een samenstelling te mogen optreden, zonder dat er van suffixatie sprake is.2 Deze vormaanpassingen treden, althans in de onderhavige gevallen, niet op als het desbetreffende element als zelfstandig woord gebruikt wordt of als tweede lid van een samenstelling. Op grond van de niet-arbitrair afwijkende vorm van eerste leden van samenstellingen formuleer ik de in deze bijdrage te verdedigen these:

(2) Het eerste lid van een samenstelling vormt een aparte morfologische categorie,
en kan als zodanig vormelijk gemarkeerd worden.

Wat dus observationeel bekeken tussenklanken genoemd worden vormen in de hier gepostuleerde visie suffixen die een morfologische categorie markeren.3 Hiermee sluit ik nauw aan bij een suggestie van Booij & Van Santen. Zij suggereren (1995:116) aan het eind van de desbetreffende sectie de volgende hypothese over bindmorfemen:

(3) Men kan zich in dit verband afvragen of bindmorfemen ook niet eerder beschouwd moeten worden als uitbreidingen van het linkerlid van de samenstelling. Zo zou men kunnen zeggen dat besse de stamvorm is van bes die gebruikt moet worden in samenstellingen. Daarmee zouden we dan ook verantwoorden dat de keuze van het bindmorfeem altijd bepaald wordt door het linkerlid.

Volgens deze hypothese is het bindfoneem niet zozeer een tussenklank als wel een suffix. Bezie nu de frase Zo zou men kunnen zeggen dat besse de stamvorm is van bes die gebruikt moet worden in samenstellingen. Hiermee wordt bijna met zoveel woorden gezegd dat eerste leden van samenstellingen een aparte morfologische categorie vormen.
Tenslotte kan men zich afvragen hoe deze morfologische categorie genoemd moet worden. Indifferentialis is een mogelijkheid (naar Mattens 1970). Voor Mattens is indifferentialis weliswaar een semantisch begrip, maar dat hoeft een tweede vormelijke interpretatie van deze term niet in de weg te staan. Een andere mogelijkheid is derivatief, omdat de morfologische categorie optreedt bij het deriveren van samenstellingen. In het vervolg wordt af en toe laatstgenoemde term gebruikt.

2. Vormveranderingen in samenstellingen betreffen het eerste lid

Ik zal nu eerst beargumenteren dat de vormveranderingen het eerste lid betreffen en niet het tweede lid. Hiervoor zijn verscheidene argumenten te geven.
1. Beschouw eerst het geval boneschil. De schwa wordt in het ABN nooit als voorvoegsel gebruikt, maar alleen maar als achtervoegsel, bijvoorbeeld om meervoud van werkwoorden uit te drukken. De nul-hypothese moet dan ook luiden dat de schwa in boneschil een achtervoegsel bij bon- is, en niet een voorvoegsel bij -schil.
2. Booij & Van Santen (1995:115) maken de volgende generalisatie, die eerder reeds verwoord is in Mattens (1970:189) (zie ook Van Marle 1985:19 voor dezelfde generalisatie maar dan uitgewerkt voor complexe eerste leden van samenstellingen)

(4) /@/ kan alleen optreden bij woorden die een meervoud op -en hebben
(bessesap, luizestreek, bessenjam, kippendief)

Deze generalisatie legt een verband tussen het optreden van de schwa als tussenklank in samenstellingen en het optreden van de schwa als uitdrukking van de pluralis vorm van het eerste lid van de samenstelling. Het feit dat het optreden van schwa correleert met de meervoudsvorm van het eerste lid suggereert dat de schwa in samenstellingen bij het eerste lid hoort.
Voor constituentschap van tussenklanken met linkerlid van de samenstelling zijn twee argumenten gegeven in Botha (1968:155-6) zoals aangehaald in Jarich Hoekstra (1991:3-4). Die argumenten herhalen we hieronder.
3. Bij voorwaartse samentrekking van het het eerste lid wordt de tussenklank ook geschrapt:

(5) Eerste lid verdwijnt, tussenklank verdwijnt:
keamersdoarren en keamersruten -> keamersdoarren en -ruten
-> * keamersdoarren en -sruten

Het feit dat de tussenklank samen met het eerste lid geschrapt wordt is een aanwijzing voor constituentschap. Er zijn namelijk aanwijzingen dat, althans in de syntaxis, voorwaartse samentrekking, in tegenstelling tot achterwaartse samentrekking, de eis gehoorzaamt dat wat samengetrokken wordt een constituent moet zijn (G. de Vries 1992:46-47). Volgens Booij (1985) moet er bij samentrekking onder het woordnivo sprake zijn van een prosodische constituent. Dit maakt het aannemelijk dat keamers- ook een morfologische constituent vormt.
4. Daarnaast is het zo dat syllaben aan welgevormdheidscondities moeten voldoen. Indien we nu de tussenklank -s- syllabificeren bij het rechterlid van de samenstelling ontstaat een onwelgevormde lettergreep, echter nimmer wanneer we die syllabificeren bij het linkerlid van de samenstelling

(6) woord -s bij 1e lid * s- bij 2e lid
a. broeksbûse broeks-bûse * broek-sbûse
b. dorpsfeest dorps-feest * dorp-sfeest
c. dorpskerk dorps-kerk * dorp-skerk

Fonologisch hoort de -s- dus duidelijk bij het eerste deel van de samenstelling.
Kortom, er zijn verschillende redenen om aan te nemen dat de zogenaamde tussenklanken bij het eerste lid van de samenstelling horen en niet bij het tweede lid, hetgeen de in (2) vermelde hypothese steunt.

3. Het semantische argument tegen gelijkschakeling bindmorfeem met pluralis

Buitenrust-Hettema (1892:328) laat zien dat het bindmorfeem niet verward mag worden met het meervoudsmorfeem, met behulp van een semantisch argument, dat intuïtief plausibel lijkt:

(7) In -er- voelt men niet meer het meervoud, ook niet in -er-s, en -er-en, trouwens die -s en die -en zijn er het beste bewijs voor: we vormen geen meervoud meer op -er. Naast eier-dopje staat ei-dopje, wie zou beweren durven dat het eerste voor meer eieren bestemd was? Dat -er- is niets dan een ingevoegde lettergreep geworden: denk maar aan kinder-leeftijd; de Kinderdijk bij Dordt, waar, naar de sage wil, éen kind aandreef, en rundergehakt is het meest zeker wel van éen rund afkomstig.

Net als velen na hem geeft BH voorbeelden waaruit blijkt dat de keuze van het bindmorfeem ongevoelig is voor of men zich het linkerlid als enkelvoudig of meervoudig voorstelt.
Hoe mooi het ook lijkt, het argument berust op de onjuiste veronderstelling dat de betekenis van pluralis meer dan één is, zoals Wim Mattens bij mijn lezing opmerkte. Dit blijkt uit voorbeelden zoals de volgende:

(8) a. Heeft zij kinderen?
b. Die boer houdt koeien en schapen

Zowel in de (a)-zin als in de (b)-zin is de betekenis meer dan één beslist afwezig. Hiermee is dus de mogelijkheid aanwezig dat we in gevallen als boneschil (‘de schil van een boon’) met een semantische pluralis te maken hebben, zoals volgens Mattens (1970:186) beslist het geval is.
Mattens zelf onderscheidt drie semantische noties: indifferentialis, pluralis en singularis. Singularisering treedt op in syntactische contexten, maar niet in morfologische. Het eerste lid van een samenstelling is dus nooit singularis (een groep inherent enkelvoudige woorden uitgezonderd). De vraag rijst nu hoe indifferentialis en pluralis semantisch van elkaar onderscheiden kunnen worden. Zo is er variatie van het type rugwervel, ruggewervel binnen het ABN, en nog veel grotere variatie wanneer we ook de dialecten in ogenschouw nemen. Het probleem is nu dat er tussen rugwervel en ruggewervel geen semantisch verschil aantoonbaar is. Mattens behandelt bovendien formaties met schwa als eerste lid alle als pluralis, maar semantisch is weer niet aantoonbaar dat samenstellingen met schwa zoals bonesoep, pereboom, etc. een semantische groep vormen die qua pluralissemantiek te onderscheiden zou zijn van samenstellingen zonder schwa zoals schoenfabriek, naaldwerk, etc., welke laatste alle indifferentialissemantiek zouden hebben.
We hebben eerder al gezien dat er een interessante generalisatie is over schwa, nl. dat als de schwa als bindmorfeem optreedt dan gaat het meervoud ook uit op schwa (behoudens acht door Mattens op bladzijde 115 opgesomde uitzonderingen).4 Dit volgt uit de theorie: eerste leden van samenstellingen zijn pluralis of indifferentialis. De vraag rijst nu waarom eenzelfde generalisatie niet geldt m.b.t.het /s/-meervoud. De /s/ komt ook voor in woorden als dorpshuis, terwijl het meervoud dorpen is. Omgekeerd komt de schwa nooit voor bij een woord met een /s/-meervoud. Ik noem dit probleem de meervoudsassymmetrie. Deze asymmetrie tussen schwa in meervoud en samenstelling enerzijds, en /s/ in meervoud en samenstelling anderzijds, blijft onverklaard.
Mattens (p.118) stelt voor om gods- in godsvrucht als een secundair semantisch morfeem te behandelen. Niets verbiedt ons nu om op dezelfde wijze bone- in boneschil als secundair semantisch morfeem te behandelen. Mattens (1970:186) bestrijdt deze conclusie op grond van de homofonie tussen bone- in boneschil en bone als meervoud. De vraag is nu wat deze homofonie waard is. Toont deze vormelijke overeenkomst semantische overeenkomst aan? Voor Mattens is dit wel het geval. Ik beschouw het postuleren van een semantische overeenkomst louter en alleen op grond van een vormovereenkomst als een onvoldoende grond. Argumenten voor de semantiek van eerste leden van samenstellingen moeten uit de semantiek van eerste leden van samenstellingen zelve komen.
Mattens ontleent zijn semantische argumenten voor de indifferentialis echter aan syntactische contexten, niet aan morfologische. Een voorbeeld. Als indifferentialis beschouwt Mattens (1970:210-215) het gebruik van het lidwoordloze nomen in de (a) voorbeelden zoals de volgende:

(9) a. Hij houdt van eend (indifferentialis)
b. Hij houdt van een eend (singularis)
(10) a. Die bevelhebber voelt niets voor oorlog (indifferentialis)
b. Die bevelhebber voelt niets voor een oorlog (singularis)

Het gebruik van het begrip indifferentialis om te generaliseren zowel over eerste lid van samenstelling als over anumeriek gebruik in bijvoorbeeld het syntagma ik_houd_van_---- ontbeert onafhankelijke evidentie. We zouden graag zien dat er overal waar sprake is van indifferentialis er ook sprake is van een specifieke morfologische markering. In het Fries heeft een woord als stien “steen” als eerste lid van een samenstelling echter een andere vorm dan wanneer het optreedt in het syntagma ik_houd_van_----- :

(11) a. enkelvoud stien /ii@/
b. meervoud stiennen /jI/
c. eerste lid van samenstelling stienslach /jI/
d. ik-hâld-fan stien /ii@/

Zoals uit vergelijking van (c-d) blijkt gedragen eerste lid van samenstelling en een naakt indefinitum in het syntagma ik_houd_van_----- zich vormelijk verschillend. Dit maakt een generalisatie over deze contexten, zoals voorgestaan door Mattens, minder waarschijnlijk, aangezien er geen vormelijke markering van het door Mattens gepostuleerde semantische begrip indifferentialis bestaat. Natuurlijk is niet uitgesloten dat er een aparte semantiek bestaat voor eerste leden van samenstellingen, en dat die semantiek ook in andere contexten te vinden is. De semantische bewijzen voor de indifferentialis blijken nu vooral uit de syntaxis te komen. Semantische argumenten gebaseerd op eerste leden van samenstellingen voor een onderscheid tussen pluralis en indifferentialis ontbreken echter.
In afwachting van die argumenten wil ik het probleem van de tussenklanken op vormelijke gronden aanpakken, overeenkomstig de in (2) geformuleerde hypothese dat eerste leden van samenstellingen (hetgeen een structurele benaming is) een aparte morfologische categorie vormen. Dit sluit in het geheel niet uit dat met deze morfologische categorie de door Mattens gepostuleerde semantische noties corresponderen, en dat de door mij voorgestelde analyse in hoge mate gebruik maakt van zijn analytische inzichten.

4. Taaltypologie: vergelijking van het ABN met het Fries

Ook het onderscheid tussen de -e- en de -en- spelling van bindmorfemen moet het bij Buitenrust-Hettema ontgelden. Hier geeft hij het dialect argument (327):

(12) In het schrift maakt men onderscheid tussen samenstellingen met -e-, en met -en; die laatste komen in de algemene spreektaal niet voor. In de zuidoostelijke provinciën, en de saksische streken evenzeer, spreekt men bij velen er van wel de -en- uit, maar doet dit ook meestal bij die samenstelling waar in het Hollands - en volgens de vigerende spraakleer - enkel -e- staat.

Met andere woorden, ook in dialecten waar de -n wel wordt uitgesproken vindt men toch niet het door de spraakleer getrokken onderscheid tussen -e en -en. Merk op dat het argument bij Buitenrust-Hettema nog wat impliciet blijft.
Het onderscheid dat de spelling van het ABN toen maakte werd door velen afgekeurd omdat het, zijnde een bedachte constructie, artificieel en dus verwerpelijk zou zijn, en velen van ons zouden dit argument ondersteunen. Mijns inziens is het echter geen bezwaar dat het onderscheid artificieel is: mijns inziens was de spelling in dit opzicht esthetisch onaanvaardbaar, niet vanwege de artificialiteit van de regel maar vanwege de arbitrariteit ervan. De keus voor -e of -en spelling werd in feite bij vele woorden arbitrair vastgelegd, zoals herhaaldelijk is aangetoond.5
Het dialectargument wordt scherper gesteld door Wobbe de Vries (1920-22/1975:63). Hij laat zien dat in het westen van Groningen de meerderheid der woorden als bindmorfeem -e- heeft, terwijl een systematische groep uitzonderingen het bindmorfeem -en- heeft. Het onderscheid correspondeert niet met het onderscheid dat de spraakleer maakt. Hij waarschuwt ervoor dat in “vele delen van ons spraakgebied n evenmin als bijvoorbeeld s of z zo maar toegevoegd of weggelaten kan worden”, en betreurt als de naamkundige die hij ook was de verhaspeling van plaatsnamen die er het gevolg van is.6
Ik zal nu het argument van Buitenrust-Hettema en van De Vries enigzins gaan preciseren met behulp van feiten uit het Fries. Door de homofonie van tussenklank en meervoudsuitgang (op zichzelf interessant) kan Mattens voor het ABN volhouden dat we in boneschil daadwerkelijk te maken hebben met een meervoud. Voor het Fries kan dat argument echter niet gemaakt worden. De reden is eenvoudig. Woorden die in het ABN als meervoud een schwa hebben hebben in het Fries grosso modo in het meervoud /@n/. Wanneer die woorden als eerste lid van een samenstelling optreden ontbreekt de /n/ echter en vinden we een schwa. Enige voorbeelden ter illustratie:

(13) SG PL op /n/ 1e lid van samenstelling op /@/
boek boeken boekekast
baarch bargen bargeblom
hûs huzen huzerige
kat katten kattebak

Dit is het normale geval. In het Fries kan geen sprake zijn van meervoudsvormen die als eerste leden van samenstellingen optreden. De zaak ligt blijkbaar ingewikkelder. Ondertussen steunen deze voorbeelden wel het voorstel in (2-3), nl. de introductie van een aparte morfologische categorie voor eerste leden van samenstellingen. Nu bezit het Fries een kleine groep woorden die een nul meervoud hebben, al dan niet vergezeld van klinkerwisseling. Sommige van deze woorden nemen ook de schwa als tussenklank, hoewel de schwa in het meervoud niet voorkomt:7

(14) SG PL op /-/ 1e lid van samenstelling op /@/
a. ko kei kowedong ‘koemest’
skiep skiep skieppeblom
bern bern bernewein
b. -- kosten kosteberekkening

De (a)-voorbeelden laten zien dat wanneer het meervoud onregelmatig is kan de schwa in samenstellingen opduiken. Mooi is ook het mij door Jarich Hoekstra verschafte plurale tantum kosten, dat in samenstellingen zonder de /n/ opduikt, terwijl het meervoud wel op /n/ uitgaat, zoals het (b)-voorbeeld laat zien. In het Fries is de pluralisvorm dus zelden homofoon met de derivatief, de vorm van eerste leden van samenstellingen.8 Hiermee verdwijnen op de vorm gebaseerde argumenten om eerste leden van samenstellingen als pluralis te beschouwen. Dit is eveneens een reden om ook voor het ABN op basis van de homofonie van bone (meervoud) en bone- in boneschil niet meteen te concluderen dat we ook in het laatste geval te maken hebben met een meervoud. Merk verder op dat voor het Fries de volgende generalisatie mogelijk is: als de tussenklank een schwa is dan gaat het meervoud van het eerste lid op /n/ uit of het behoort tot een handjevol uitzonderingen met onregelmatig meervoud. We zien dat de generalisatie in het Fries vergelijkbaar is met die in het ABN: er is een verband tussen de vorm die woorden als eerste lid van samenstellingen hebben en de meervoudsvorm van die woorden. Ik heb hier geen verklaring voor. Wel wil ik een speculatie wagen. Er is hier voorgesteld dat woorden als eerste lid van samenstellingen een aparte vorm hebben. Men kan zich voorstellen dat woorden als basis voor suffixatie eveneens een aparte vorm hebben. Beide gevallen, samenstelling en pluralisering, hebben gemeen dat het eerste lid geen hoofd is, volgens de befaamde Right Hand Head Rule. Dit zou leiden tot de volgende analyse van een Friese samenstelling: boek-e + kast, boek-e + n. Op dezelfde wijze zouden we nu het ABN kunnen aanpakken: boek-e + kast, boek-e + e. Hiermee zou verantwoord zijn dat het eerste lid van een samenstelling tevens de basis vormt voor de afleiding van meervouden (op -E in het ABN, op -N in het Fries). Deze speculatie komt er dus op neer dat er niet zozeer een aparte morfologische categorie voor eerste leden van samenstellingen is, maar voor alle elementen die geen hoofden zijn. Het is geenszins uitgesloten dat bij de specifieke vorm van deze derivationeel-morfologische categorie semantische factoren een rol spelen. In het bestek van dit artikel wil ik mij echter beperken tot eerste leden van samenstellingen, en geef de speculatie voor wat die waard is.
Aan het Fries valt ten slotte nog een argument te ontlenen ten gunste van de hier verdedigde stelling. In het ABN is aan vormen zoals huizenrij en vierkleurenpotlood niet te zien of er sprake is van meervoud of niet. Van huizenrij zeggen Booij & Van Santen (1995:113) dat een meervoudsinterpretatie voor de hand ligt. De studie van Mattens heeft echter duidelijk gemaakt dat dergelijk intuitief-semantische inzichten misleidend zijn (men vergelijke de bovengeciteerde zin Heeft zij kinderen?, waarbij het pluralis stellig niet “meer dan één” betekent). In het Fries vinden we echter weer de schwa als tussenklank, terwijl het meervoud op /n/ is:

(15) a. derivatief: huze-rige fjouwerkleure-potlead âldemanne-boel
b. pluralis: huzen fjouwer kleuren âlde mannen

Deze observaties ondersteunen het idee dat de schwa het eerste lid van de samenstelling vormelijk markeert. Daarnaast suggereren deze feiten dat de vorm die in samenstellingen gebruikt wordt doorgaans ook gebruikt wordt bij de afleiding van de pluralis, zoals ik al speculerend poneerde. In de volgende sectie wordt een argument gepresenteerd ten gunste van de derivatief gebaseerd op de historische oorsprong van tussenklanken.

5. Heranalyse van genitief -s tot tussenklank

Booij & Van Santen (1995:113) merken op: “het bindfoneem /s/ is historisch gezien een genitief-suffix”. Dit genitiefsuffix is geheranalyseerd tot ... ja, tot wat eigenlijk? Een heranalyse veronderstelt niet alleen een vertrekpunt (genitief) maar ook een eindpunt. Wanneer men nu zou beweren dat het eindpunt een tussenklank is dan zou ik willen vragen wat de status van tussenklanken is. Vat men het begrip tussenklank fonologisch op, dat moet men regels toestaan die aan welgevormde woorden als dorp zomaar een -s toevoegen wanneer dat woord in samenstellingen optreedt. Het is dan wel toevallig dat die regel alleen maar in samenstellingen mag werken. Dit alles suggereert natuurlijk dat we het begrip tussenklank morfologisch moeten opvatten, als een formele markering van een morfologische categorie. Daarmee is dan ook de vraag beantwoord wat het eindpunt van de heranalyse is. Anders gezegd: hoe zouden taalgebruikers een verdwijnende naamval kunnen heranalyseren als ze niet onbewuste kennis van een morfologische categorie eerste lid van een samenstelling zouden hebben? Zo vatten wij de mogelijkheid van heranalyse zelf op als bewijs voor de stelling dat de derivatief een aparte morfologische categorie is.

6. Het diminutiefsuffix als bindmorfeem

Een uitgebreidere inventarisatie van tussenklanken dan bij Booij & Van Santen of De Haas & Trommelen vinden we bij Wobbe de Vries (1920-22/1975:60):

(16) Verbindingsklanken
Hiertoe breng ik -e, -en, -s, -el, -er en de diminutief-suffiksen;
verder -ers uit -er + s.9

Op het diminutiefsuffiks als bindmorfeem zullen we nu nader ingaan. Hoe komt De Vries ertoe om het diminutiefsuffiks als bindmorfeem op te nemen? In de eerste plaats is de lijst in (15) een inventarisatie van bindmorfemen in het Westgronings, maar dat verklaart nog niet alles. De Vries schrijft het volgende (p.67):

(17) Terwijl vormingen met een diminutief als eerste lid in slootjespringen en
dergelijke wijd en zijd verbreid zijn, kennen wij ook enkele dergelijke
substantieven:
boontjesoep ... (niet gevormd van het mv.: s en ss zijn in de uitspraak te onderscheiden), anijskebrij ... hondjedraf ... goudjebloem ...neuskebril ... tuitjelamp ...andere gevallen van s na diminutiefsuffiks, zelfs bij pluralia zoals ndl. huisjesmelker heb ik te onzent niet gevonden

Waarom De Vries hier spreekt van onvindbare andere gevallen van s na diminutiefsuffix is mij onduidelijk: voor het Gronings geeft hij er namelijk geen enkele! Vermoedelijk heeft hij de s van boontjesoep in gedachten, die tot het tweede lid -soep behoort. Slootjespringen lijkt een ongelukkig voorbeeld maar ook hier geldt voor het Westgronings het uitspraakargument dat Wobbe de Vries voor boontjesoep geeft, en bovendien noemt hij eldersbaantjerijden.10 De Vries heeft het woord substantieven gemarkeerd weergegeven en was dus bekend met het feit dat nominale samenstellingen met een diminutief in het ABN alleen maar met -s voorkomen. Uit het citaat blijkt dat De Vries zich bewust ervan was dat diminutieven in samenstellingen in het ABN een -s krijgen, in tegenstelling tot het Gronings. De stijl is verre van glashelder maar het staat er wel degelijk.
Een meer uitgebreide studie van diminutieven in het Gronings verscheen van de hand van Naarding (1961). Het diminutief suffix in het Gronings kan zich overduidelijk als tussenklank gedragen. Een neuskebril is geen bril voor een kleine neus, zoals Naarding met recht beweert. Andere voorbeelden uit Naarding:

(18) a. plantenamen (Naarding geeft er zo’n 25)
bladjemous ‘boerenkool’, hondjedraf ‘hondsdraf’, laandjebloum ‘madelief’.
b. handelstermen e.d. (zo’n 50)
klontjegroes ‘kandijgruis’, laandjeschip ‘binnenschip’, lortjezalf
‘keutelkleurige zalf’, stazzeltjebrij ‘weverspap’.

Voor de andere semantische categoriën verwijs ik naar het artikel van Naarding. Hetzelfde fenomeen doet zich overigens ook in het Fries voor. Met name bij de plantenamen treffen we minimaal verschillende paren aan uit Gronings en ABN zoals Gronings raandjebloum naast ABN randjesbloem. Hiermee is dan direct ook weer het reeds door Wobbe de Vries geobserveerde maar enigzins impliciet opgeschreven systematische verschil tussen het Gronings en het ABN aangegeven: waar het Gronings een simpele diminutief heeft als bindmorfeem, heeft het ABN een diminutief gevolgd door -s.11
Aan dat laatste heeft Mattens aandacht besteed (1970:145). Hij merkt op dat diminutieven altijd met een -s in samenstellingen verschijnen, welke -s hij als meervoud interpreteert. Diminuering vooronderstelt volgens hem singularisering. Om dan toch in een samenstelling te kunnen optreden moet het diminutief in het meervoud worden gezet. De Groningse voorbeelden vormen een probleem voor deze semantische analyse. Toch hoeft dat probleem niet onoverkomelijk te zijn. Wanneer we aannemen dat er een formele morfologische categorie bestaat voor eerste leden van samenstellingen, dan is voorstelbaar dat het diminutiefsuffix geherinterpreteerd is als bindmorfeem. Vervolgens kan het ook voorkomen in woorden als Gronings goldjebloum (Fries goudsjeblom) waar het anders nooit terecht had kunnen komen aangezien diminutieven, wanneer zij semantisch diminutieven zijn, zich niet kunnen hechten aan ontelbare elementen, zoals blijkt uit het Friese* goudsje. Het voorkomen van voorbeelden als goldjebloum en goudsjeblom vormt zo een sterk argument ten gunste van het postulaat dat eerste leden van samenstellingen een aparte morfologische categorie vormen en als zodanig vormelijk gemarkeerd kunnen worden.

7. Conclusie

Samenvattend, ik heb laten zien dat in het werk van Buitenrust-Hettema reeds twee argumenten werden gegeven tegen een analyse van bindmorfemen als pluralismarkeerders, nl. het semantische argument en het typologische argument. Buitenrust-Hettema beschouwt bindmorfemen als puur formele betekenisloze elementen, of zoals hij (1892:324) het zelf zegt: “En wat vroeger dan het syntaxiaal [=semantisch,EH] verband tussen de delen ervan aangaf, is nu iets puur formeels geworden, zonder betekenis”. Het semantische argument van Buitenrust-Hettema bleek echter niet houdbaar, en in het algemeen bleek het erg moeilijk om iets te zeggen over de semantiek van eerste leden van samenstellingen. Het typologische argument snijdt wel hout. Buitenrust-Hettema en Wobbe de Vries vestigen de aandacht op taalsystemen waar meervoud en tussenklank doorgaans niet homofoon zijn. In de lijn van deze onderzoeksstrategie heb ik het Fries en het Gronings met het ABN vergeleken, en daaruit conclusies voor de behandeling van tussenklanken getrokken.
Het bleek dat in het Fries tussenklank en meervoud doorgaans niet homofoon zijn, dit in tegenstelling tot het ABN. Dit werpt een donkere schaduw over het streven om de homofonie van tussenklank en meervoudsvorm op semantische gronden te verklaren. Een en ander leidt practisch tot de introductie van een aparte morfologische vorm-categorie voor het eerste deel van een samenstelling, een stap die ook door Booij & Van Santen wordt gesuggereerd. Een onafhankelijk argument voor een dergelijke vormcategorie is dat het genitiefsuffix geheranalyseerd is geworden tot een lid van die vormcategorie. Daarnaast is gebleken dat in het Westgronings het diminutiefsuffix kan dienen om die vormcategorie formeel te markeren.
Teneinde paradigmatische verbanden tussen pluralissuffixen en tussenklanken in het Fries en het ABN te verklaren heb ik de speculatie gewaagd dat de stam van een woord bij een pluralissuffix vergelijkbaar is met het eerste lid van een samenstelling: beide zijn niet-hoofden, overeenkomstig de Right Hand Head Rule.

Bibliografie

Booij, G. (1985) “Conjunction reduction in complex words: a case for prosodic phonology”. In H. van der Hulst & N. Smith (red.) Advances in Non-Linear Phonology. Foris, Dordrecht, 143-160.
Booij, G. & A. van Santen (1995) Morfologie. De woordstructuur van het Nederlands. Amsterdam University Press, Amsterdam.
Botha, R. (1968) The function of the lexicon in transformational-generative grammar. The Hague.
Buitenrust-Hettema, F. (1892) “(Uit de spraakleer) Woordvorming”. Taal en Letteren 2, 316-352.
Haas, W. de & M. Trommelen (1993) Morfologisch Handboek van het Nederlands. SDU Uitgeverij, Den Haag.
Hoekstra, E. (1995) “Functionele hoofden in derivationele morfologie”. Taalkundig Bulletin 25, 33-44.
Hoekstra, J. (1987) “It augmint yn gearsettingen fan it type VN”. Tydskrift foar Fryske Taalkunde 3, 1-16.
Hoekstra, J. (1991) “Morfologische aanpassingsregels en de status van het augment”. Ongepubliceerd Ms. Fryske Akademy, Ljouwert.
Hoekstra, J. (te verschijnen) (Morfologisch Handboek van het Fries)
Marle, J. van (1985) On the paradigmatic dimension of morphological creativity. Dissertatie, Rijksuniversiteit Utrecht.
Marle, J. van (1995) “De eenheid van de morfologie: nogmaals de verhouding tussen flexie en derivatie”. Lezing. Morfologiedagen 1995, Leuven.
Mattens, W. (1970) De Indifferentialis. Van Gorcum, Assen.
Meer, G. van der (1985) “Frisian ‘breaking’. Aspects of the origin and the development of a sound change”. Estrikken 66. Fries, RUG, Groningen.
Naarding, J. (1961) “Over diminutiefvormen in het Gronings”. Driemaandelijkse Bladen (Nieuwe Serie) 13, 59-70.
Santen, A. van (1995) “Is het woord aan de ANS?” Lezing. Morfologiedagen 1995, Leuven.
Schultink, H. (1995) “Van conversie en nog wat. Kanttekeningen bij het proefschrift van Jan Don”. De Nieuwe Taalgids 88, 111-123.
Tiersma, P. (1985) Frisian Reference Grammar. Foris, Dordrecht. Fryske Akademy, Ljouwert, nr. 644.
Visser, W. (1994) Foarriedige bibliografy fan artikels oer de taalkunde fan it Nijfrysk (ferzje 1-11-1994). Fryske Akademy, Ljouwert/Leeuwarden.
Vries, G. de (1992) On Coordination and Ellipsis. Dissertatie, KUB, Tilburg.
Vries, W. de (1920-22/1975) Iets over Woordvorming. (Programma van het stedelijk gymnasium te Groningen. Stoomdrukkerij B. Jacobs). Opnieuw uitgegeven door C. Kruyskamp.
 
 

1 Ik bedank Geert Booy, Jarich Hoekstra en Jaap van Marle voor het lezen en becommentariëren van een eerdere versie, en Wim Mattens en de deelnemers aan de Morfologiedagen 1995 te Leuven voor hun commentaar op een mondelinge presentatie van dit artikel.

2 Brekking is een proces waarbij onder bepaalde condities lange klinkers gevolgd door schwa vervangen worden door een glijklank en een korte klinker. Zie Van der Meer (1985), en de verwijzingen onder het kopje brekking op de bibliografie van Visser (1994:11-12), die voortdurend wordt bijgehouden.

3 Men zou tussenklanken ook met behulp van transformaties in kunnen voegen. Voor principiële argumenten tegen het gebruik van transformaties, zie Hoekstra (1995).

4 De drie meest overtuigende voorbeelden zijn rijst rijstebrij, gerst gerstekorrel en gort gortepap. Hier duikt de schwa in de derivatief op zonder dat er een meervoud op schwa bestaat. Deze tegenvoorbeelden ontbreken in De Haas & Trommelen (1993:404-405). Voor een kritische evaluatie van dit handboek, zie Van Santen (1995).

5 Hetzelfde kan men constateren ten aanzien van het genusonderscheid: ook hier was de keus om woorden aan geslachten toe te wijzen in feite arbitrair, d.w.z. het Nederlands bood geen aanknopingspunt voor zulk een toewijzing. De Taal & Letteren mannen, evenals hun tegenspelers, hebben zich onvoldoende rekenschap gegeven van het onderscheid tussen artificialiteit (een noodzakelijke eigenschap van standaardtalen) en arbitrariteit (geen noodzakelijke eigenschap van standaardtalen).

6 Ondanks de heruitgave van Kruyskamp mag het werk van De Vries zich niet in overmatige belangstelling verheugen; het ontbreekt bijvoorbeeld op de bibliografie van het overigens voortreffelijke handboek van De Haas & Trommelen (1993). Vele van De Vries zijn ontdekkingen ten aanzien van het Gronings werpen echter direct licht op het ABN, en wie de lijn van bibliografische verwijzingen tot hun bron volgt komt meer dan eens bij De Vries uit.

7 Men vergelijke: dei dagen deiblêd, frou froulju frouljuswurk, skoech skuon skuonmakker. Zie verder Tiersma (1985:56), J. Hoekstra (te verschijnen).

8 Bij het suffix -dom kunnen meervouden als eerste lid optreden, zoals in Joaden-dom; zie voor dit suffix Van Marle (1995).

9 Zie J. Hoekstra (1987) voor argumenten dat -ers- een bindmorfeem is in het Fries en in dialecten met Fries substraat.

10 In het ABN kan men ontdekken of de -s bij het eerste of het tweede lid van de samenstelling hoort door een pauze in te lassen: vergelijk het correcte slootje--springen met * huisje--slak.

11 Het feit dat diminutiefsuffixen als tussenklank fungeren zonder dat hun diminutieve semantiek terugvindbaar is doet de vraag rijzen of er wel een één-op-één relatie is tussen vorm en inhoud van affixen, zie ook de discussie in Schultink (1995:113 e.v.).