Een West-Friese gradatie van het Infinitivus-pro-Participio Effect

Eric Hoekstra en Willem Taanman1,2

Nederlandse Taalkunde 1, 13-25.

Abstract
Typologically and dialect-geographically the Westfrisian dialect spoken in the province of North Holland occupies a middle position between Dutch and Frisian. In this article we provide a description of verb clusters in this dialect, paying special attention to two factors: word order and the so-called Infinitivus-pro-Participio effect (or Ersatzinfinitiv). The behaviour of an auxiliary verb with respect to these two factors correlates with the semantic class to which it belongs (modals and causatives, aspectuals, perception verbs). Westfrisian appears to violate a generalisation made by Hoeksema (1980) and Lange (1981), saying that IPP is only found in dialects marking the past participle with a prefix. We suggest that this is due to Dutch/Westfrisian bilingualism.


1. Inleiding

Het ABN kent het verschijnsel van de zogenoemde Infinitivus-pro-Participio, kortweg IPP. Dit houdt in dat een infinitief optreedt waar men een voltooid deelwoord zou verwachten. Het verschijnsel komt eveneens voor in het Duits en in de meeste dialecten van het Duits. In het Engels is het echter afwezig, en ook het Deens kent het niet, evenmin als de Romaanse talen. IPP is dus een continentaal Westgermaans verschijnsel.
Wanneer we inzoemen op dat deel van West-Europa dat Nederland heet, dan constateren we dat de randstad en de dialecten ten zuiden daarvan alle IPP hebben terwijl de Friese en Groningse dialecten IPP ontberen (Weijnen 1966:320). Zowel dialectologisch als taalstructureel is het dan interessant om te zien wat er in een gebied gebeurt dat tussen de randstad en het hoge Noorden in ligt, d.w.z. Noord-Holland.3 Men verwacht dan dat in dat geografische tussengebied taalkundige tussenvormen tussen beide uitersten zullen optreden; dit is een gemeenplaats onder dialectologen. De vraag is dan hoe die tussenvormen eruit zullen zien. Wij zullen ons in dit artikel op zo’n tussenvorm richten, nl. op het IPP-effect in het Westfries, gesproken in de streek Westfriesland, het gebied tussen Enkhuizen en Alkmaar. Als bron van data gebruiken we geschreven dialectmateriaal. Onze belangrijkste bronnen zijn de roman Trienke Boôd geschreven door F. Butter en de novelle De Bullebak van dezelfde auteur.
We zetten onze beschrijving van het Westfries af tegen twee ijkpunten, namelijk het ABN dat veel meer IPP kent dan het Westfries, en het Fries, dat geen IPP kent. Beschrijving van zogenaamde microparametrische variatie heeft tot nog toe weinig aandacht gekregen: zowel generativisten als taaltypologen vergelijken meestal standaardtalen met elkaar, doch zelden worden dicht bij elkaar staande taalvariëteiten syntactisch met elkaar vergeleken. Een dergelijke beschrijving is noodzakelijk alvorens men een adequate theorie over microparametrische variatie kan construeren. Afgezien van het nut voor theorievorming is inzicht in de taalstructuur van de nauw aan het ABN gerelateerde Nederlandse dialecten toch zeker niet minder belangwekkend dan inzicht in de taalstructuur van het ABN zelf.
Na het overzicht van IPP in het Westfries gaan we in op de vraag of er een verband is tussen de aanwezigheid van IPP en de aanwezigheid van een prefix op voltooide deelwoorden. Hoeksema (1980:240-242) brengt namelijk evenals Lange (1981) en Vanden Wyngaerd (1994) het IPP-effect in verband met de aanwezigheid van het prefix GE- in werkwoordsgroepen. Het Westfries vormt een probleem voor die generalisatie en voor de erop gebaseerde theorieën aangezien voltooide deelwoorden een prefix ontberen terwijl het dialect toch een beperkte mate van IPP kent.
 

2. Achtergrondinformatie over het IPP-effect

2.1. IPP in ABN en Noord-Nederland
Zoals uit de volgende zinnen blijkt, treedt IPP op bij werkwoorden die in de werkwoordsgroep voorkomen en daarin een ander werkwoord selecteren:

(1) a. Hij heeft niet willen komen
b. * Hij heeft niet gewild komen
(2) a. Hij heeft daar zitten lezen
b. * Hij heeft daar gezeten te lezen
(3) a. Hij heeft dat gewild
b. * Hij heeft dat willen
(4) a. Hij heeft daar gezeten
b. * Hij heeft daar zitten

(1-2) laten zien dat het IPP-effect in de relevante contekst, althans in deze gevallen, verplicht is. (3-4) laten zien dat IPP niet kan plaatsvinden als het relevante werkwoord geen werkwoordelijk complement neemt.
Het IPP-effect wordt doorgaans primair in morfologische termen beschreven, omdat het optreden van een infinitief op de plaats van een voltooid deelwoord nu eenmaal direct waarneembaar is (bijv. ANS 1984:523). Wij sluiten ons hierbij aan doch leggen de nadruk op de syntactische configuratie waarin het IPP-effect kan optreden, en scheiden de morfologische component van de syntactische, door een onderscheid aan te brengen tussen een potentieel IPP-werkwoord en een morfologisch ofwel daadwerkelijk IPP-werkwoord:

(I) Een potentieel IPP-werkwoord treedt op in de volgende configuratie:
(i) Het werkwoord wordt geselecteerd door het hulpwerkwoord van
het perifrastisch perfectum, hebben of zijn.4
(ii) Het werkwoord selecteert een adjacent eventueel door te voorafgegaan
werkwoord5
(II) Een morfologisch IPP-werkwoord voldoet aan de volgende twee eisen:
(i) Het is een potentieel IPP-werkwoord
(ii) Het heeft niet de morfologie van een voltooid deelwoord maar van
een infinitief.

In (1a) bijvoorbeeld is willen niet alleen potentieel maar ook daadwerkelijk een IPP-werkwoord. In (1b) is gewild weliswaar potentieel een IPP-werkwoord maar morfologisch niet. Een IPP-werkwoord is dus altijd een hulpwerkwoord, nooit het hoofdwerkwoord van de constructie.
In het Standaard-Fries (zie voor een degelijk overzicht Dyk & Hoekstra 1987, vergelijk Wolf 1995) is het IPP-effect afwezig, zoals uit de vertalingen van de zinnen in (1-4) blijkt:

(5) a. Hy hat net komme wold
b. * Hy hat net komme wolle
(6) a. Hy hat dêr sitten te lêzen
b. * Hy hat dêr sitte te lêzen
(7) a. Hy hat dat wold
b. * Hy hat dat wolle
(8) a. Hy hat dêr sitten
b. * Hy hat dêr sitte

We zullen wold in (5) een potentieel IPP-werkwoord noemen, overeenkomstig de definitie van IPP-werkwoorden in (I-II), terwijl wold in (7) geen potentieel IPP-werkwoord is. We hebben wat het IPP-effect betreft te maken met een duidelijk verschil tussen Fries en Engels enerzijds, en Nederlands en Duits anderzijds.6
Het ABN vertoont, zoals een reviewer opmerkt, een interessant verschijnsel wanneer zijn als IPP-infinitief gebruikt wordt: dan treedt de vorm wezen verplicht op:

(9) a. omdat hij is wezen vissen
b. * omdat hij is zijn vissen

In het Westfries evenals in het Fries en het Gronings is de vorm zijn ten enemale onbekend, en ontbreekt derhalve ook de alternantie tussen beide vormen (zie De Schutter 1974 voor meer informatie over bovenstaande constructie). In dit opzicht sluit het Westfries qua grammatica nauwer aan bij Noord-Nederland dan bij het ABN. Met betrekking tot het IPP zal aanstonds blijken dat het Westfries waarlijk een tussenpositie inneemt tussen ABN en Noord-Nederland.

2.2. Classificatie van IPP-werkwoorden
Binnen de groep werkwoorden die in het ABN IPP vertonen onderscheiden wij vijf subgroepen, te weten, modale hulpwerkwoorden (bijv. willen, kunnen), perceptiewerkwoorden (bijv. zien, horen), de groep doen en laten, aspectuele werkwoorden (van positie, bijv. zitten, van beweging komen) en een heterogene restgroep bestaande uit o.a. proberen, leren, helpen. Die heterogene restgroep laten we hier buiten beschouwing. Terwey (1899:84) noemt ook de groep vermogen, weten, behoren, gelieven, plegen. Deze groep is inmiddels sterk in onbruik geraakt, met uitzondering van weten. Deze groep heeft onder andere als kenmerk dat er geen voltooid deelwoord van bestaat (uiteraard met behoud van betekenis), hetgeen de volgende zinnen illustreren:

(10) a. U heeft hem niet vermogen te overtuigen
b. U had Uw plicht behoren te vervullen
c. * U heeft dat niet vermogen / behoord

In het Westfries komt deze groep van werkwoorden niet of zelden voor in dit gebruik; daarom kunnen ze verder buiten beschouwing gelaten worden.

2.3. Woordvolgorde en IPP
Het is zo dat de volgorde in zinnen zonder IPP niet noodzakelijkerwijs dezelfde is als in zinnen met IPP. Voorbeelden hiervan zijn het Zaans en het Vlaams (Hoekstra 1994b). Daar hebben de vertalingen van dat hij had kunnen winnen en dat hij moet kunnen winnen niet dezelfde woordvolgorde. We merken terloops op dat dit verschijnsel alleen aangetroffen kan worden in dialecten die een morfologisch IPP-effect kennen. Ons is dan ook geen Fries of Gronings dialect bekend waarin de potentiële IPP-configuratie gekenmerkt wordt door een afwijkende woordvolgorde (behalve misschien het zogenaamde Interferentiefries, zie Wolf 1995). Met andere woorden, een potentiële IPP-werkwoordsgroep kan een afwijkende woordvolgorde te zien geven alleen in die dialecten waar ook van een morfologisch IPP-effect sprake is. Het morfologisch IPP-effect is primair, en als dat er eenmaal is kan de werkwoordsgroep met IPP blijkbaar ook afwijkende woordvolgorde gaan vertonen. In verband met dit verschijnsel zullen we ook de woordvolgorde in zinnen zonder IPP-configuratie moeten onderzoeken, teneinde vast te kunnen stellen of er in het Westfries al dan niet sprake is van een speciale woordvolgorde in IPP-zinnen.
 

3. IPP in het Westfries

3.1. Modale hulpwerkwoorden
Het Westfries kent inderdaad een beperkte mate van IPP, meer dan in het Fries maar minder dan in het ABN. Alvorens de relevante feiten te geven moeten we eerst iets zeggen over de woordvolgorde en werkwoordsmorfologie in het Westfries. Wanneer de werkwoordsgroep uit werkwoorden bestaat die geen te kunnen selecteren, dan is de volgorde overwegend hoofd-finaal. Hoofdfinaal (de term “groen” wordt hiervoor ook wel eens gebezigd) wil zeggen dat het selecterend werkwoord volgt op het geselecteerde werkwoord. In traditionele termen houdt dat o.a. in dat het hulpwerkwoord volgt op het hoofdwerkwoord. Ter verduidelijking worden twee voorbeelden gegeven van een hoofd-finale volgorde in een werkwoordsgroep zonder IPP-configuratie:

(11) a. den moet je je elke keer zelf weer belouve, dat je die beroerde
borrel staan leite zelle (TrB 99-100)
b. Ik zou je oigelik in de beginne meer zetboer make wulle (TrB 98)

In het ABN is de volgorde van de werkwoorden in de onderstreepte werkwoordsgroep juist gespiegeld vergeleken met het Westfries.
Voor een goed begrip van de onderstaande voorbeelden geven we ook een globaal overzicht van de relevante werkwoordsmorfologie in het Westfries. Infinitieven gaan in dit dialect uit op -E of -EN (NB de n wordt uitgesproken), behalve bij monosyllabische werkwoorden die op -N uitgaan. De -EN infinitief wordt ook vaak als gerundium aangeduid. Keus tussen -E of -EN uitgang wordt door het selecterende hoofd bepaald, net als in het Fries, zie Hoekstra (1994a). Het voltooid deelwoord gaat daarentegen uit op -EN of -D, zonder dat er sprake is van een prefix (zoals GE- in het ABN). Hoewel het voltooid deelwoord bij een aantal hulpwerkwoorden homofoon is met het gerundium, worden ze in de syntactische configuratie onderscheiden. Als de -EN vorm als voltooid deelwoord fungeert, dan is ze in vrije variatie met de -D vorm. Als de -EN vorm als gerundium fungeert, dan is de -D vorm uitgesloten.
Hieronder wordt een groot aantal voorbeelden van de potentiële IPP-configuratie gegeven, alle met het werkwoord wulle, bij verschillende hoofdwerkwoorden. Morfologisch IPP blijft consequent achterwege; we treffen voortdurend het voltooid deelwoord aan. Merk op dat sommige hulpwerkwoorden dubbelvormen kennen voor het voltooid deelwoord die in vrije variatie zijn. In het onderhavige geval treffen we wullen aan naast wuld voor “gewild” (de infinitief luidt wulle):

(12) a. Maar 't klointje had nou zoo graag 'rs erg lief teugen
moeder weze wullen (TrB 12)
b. ik kwam net deer terecht weer 'k nooit weze wullen had (TrB99)
c. Hai had ven-oggend ok nei Skagen gaan wuld (TrB 116)
d. Toe 't zoo vreemd gong had ze domenee niet in de steek
leite wullen (TrB 136)
e. Hai had deer wel niet van wete wullen (TrB 144)
f. dat ze alle boeke wel op zai gooie wullen had (TrB 163)
g. Gienien had 't oigelik worre wullen (TrB 200)
h. ien-twei-drie viel-ie nag al kort uit, veul korter as-ie
weze wullen had (TrB 201)
i. ze had 'm gieniensens 'n zoen geve wullen (TrB 206)
j. dat-ie me derekt al heelegaar opete wullen had (TrB 213)
k. d'r vader deer ze zoo bar veul van hield en die ze
veul gelukkiger zien wullen had (TrB 243)
l. Maar tante Jansie had 'r met heur en met Piet nou nooit
zoo erg bemoeie wuld (TrB 279)

In bovenstaande voorbeelden duikt het IPP-werkwoord niet op in de vorm van een infinitief zoals in het ABN maar in de vorm van een voltooid deelwoord. De woordvolgorde in bovenstaande potentiële IPP-zinnen is hetzelfde als in zinnen zonder potentieel IPP zoals (11). Het ABN heeft in al deze gevallen een hoofdinitiële ordening van hulpwerkwoord en hoofdwerkwoord, terwijl het Westfries in al deze gevallen een hoofdfinale ordening heeft van hulpwerkwoord en hoofdwerkwoord.
In bovenstaande voorbeelden is sprake van vrije variatie tussen -D vorm en -EN vorm, wat erop wijst dat we met voltooide deelwoorden te maken hebben. Een ander argument dat de -N vormen in bovenstaande gevallen voltooid deelwoord zijn vormt het gedrag van hulpwerkwoorden waarbij voltooid deelwoord en gerundium niet homofoon zijn. Een voorbeeld vormt bloive, waarvan het gerundium bloiven maar het voltooid deelwoord bleven luidt. Een en ander is hieronder geïllustreerd:

(13) a. Bai de kennesse, die d'r kwamme ophalen, was ze nag
wat neiprate bleven (TrB 229)
b. As je van plan benne bai die mense te bloiven (TrB 125)

Een morfologisch IPP-effect is dus niet aanwezig in (12-13), evenmin als een Gerundium-pro-Participio effect.
De volgende modale hulpwerkwoorden gedragen zich net zo als wille / wulle: kenne, magge, zalle / zelle, moete, gaan.7 Ze vertonen geen morfologisch IPP-effect en treden op in een hoofdfinale werkwoordsgroep. Zowel met betrekking tot de woordvolgorde (hoofdfinaal) als met betrekking tot IPP-infinitieven (afwezig) gedraagt het Westfries zich anders dan het ABN, maar identiek aan het Fries en het Gronings.

3.2. Laten en doen
Een causatief doen kent het Westfries niet. Het werkwoord leite “laten” gedraagt zich net als de zojuist besproken modale hulpwerkwoorden. De volgorde is hoofd-finaal, ongeacht of er sprake is van een potentiële IPP-configuratie of niet:

(14) a. Ze voelde d'r niet voor, dat ze Trienke alliendig gaan (TrB 8)
leite zou
b. Ze wou d' r zeker teugenover de mense niet gaan leite (TrB 12)
(15) a. Datte ze d'r gaan leiten hadde (TrB 60)
b. Dat was meskien ok altoid verkeerd van d'r weest,
dat ze dat maar begaan leiten had (TrB 65)

Zoals uit (15) blijkt is het morfologische IPP-effect zelf niet aanwezig: we treffen het voltooid deelwoord aan en niet de infinitief.

3.3. Een merkwaardig geval
Er is een geval van morfologisch IPP dat we bij het werkwoord kenne aantroffen (naast 17 gevallen waarbij IPP niet optrad):

(16) Maar aârs had je ok wel 'n speld hoore kenne vallen (TrB 65)

In plaats van het voltooid deelwoord kennen (2x als IPP-werkwoord) of het voltooid deelwoord kend (15x als IPP werkwoord) treffen we hier de infinitief kenne aan. Dit is geen zetfout omdat er ook met de volgorde der werkwoorden iets bijzonders is: het hoofdwerkwoord vallen gedraagt zich alsof het deel uitmaakt van een hoofd-initiële groep, terwijl hoofdwerkwoorden in dit soort clusters juist altijd deel uitmaken van een hoofd-finale groep. Er zou dus een verband kunnen zijn tussen het uitzonderlijke optreden van een IPP-infinitief en het uitzonderlijke feit dat vallen zich hoofd-initiëel gedraagt. Een andere factor die een rol zou kunnen spelen is de aanwezigheid van het perceptiewerkwoord hoore. Dat laatste blijkt inderdaad het geval te zijn.

3.4. Afwijkend gedrag van perceptiewerkwoorden
Taanman (1984) heeft er in ongepubliceerd werk al op gewezen dat perceptiewerkwoorden in IPP-configuraties voorafgaan aan het werkwoord dat ze selecteren, en citeert voorbeelden uit werk van Nel van Laaren-Zwuup (Wijdenes) en van Theo Koomen (Wervershoof). Daar voegen we nog enkele voorbeelden uit Trienke Boôd aan toe:

(17) a. Ik hew ‘m hore skreeuwen
b. Hai het ‘m zien loupen
c. Hai het ‘t onhoil an voele kommen
(18) a. Dat was raak zoid van dat vlotte ding, dat-ie de leste toid
zoo deur 't durp had zien gaan (TrB 185)
b. Hai was nag wat bleven tot-ie d'r had zien weggaan (TrB 198)
c. Zoo hew 'k 't hoore vertellen (TrB 80)
(19) * Ik hew ‘m loupen hoord (info)

Met de hoofd-initiële volgorde correspondeert ook weer de aanwezigheid van een IPP-infinitief. Merk ook op dat in de vorm zien infinitief en voltooid deelwoord samenvallen. Hierdoor ontstaat een ambiguïteit die een rol bij de opmars van IPP zou kunnen spelen. We hebben in Trienke Boôd geen voorbeelden gevonden van gevallen waarin het morfologisch IPP-effect bij perceptiewerkwoorden in de (potentiële) IPP-configuratie achterwege bleef. Dit strookt met het feit dat onze informanten zinnen als (19) ongrammaticaal achten.
Wanneer we dan vergelijkbare zinnen zonder IPP-configuratie bezien, dan blijkt dat de in Trienke Boôd voorkomende voorbeelden van een cluster die het werkwoord zien en een door zien geselecteerd werkwoord bevatten een hoofdinitiële volgorde vertonen:8

(20) a. as je d'r goed ankeek, den kon je de waterlanders
in d'r oughoeke zien biggelen (TrB 65-66)
a. ik vind 't beroerd om Jan Kramer nou hillegaar nei 't
onderend te zien gaan (TrB 84)9
b. 's Oggens kon je 'm met 'n heele rist nei skoôl
toe zien kommen (TrB 185)

Het lijkt op het eerste gezicht ongebruikelijk om te veronderstellen dat perceptiewerkwoorden een afwijkende volgorde vertonen. Niettemin is dat geenzins een onbekend feit. Bloemhoff heeft er al op gewezen dat het Stellingwerfs (gesproken in het Zuidoosten van de provincie Friesland en in de daar onmiddelijk aan grenzende gebieden) een strikt hoofdfinale volgorde heeft in de werkwoordsgroep, behalve bij perceptiewerkwoorden (Bloemhoff 1980, 1994:362, zie ook Zwart 1995).
Een correlatie tussen IPP-infinitieven en werkwoordsvolgorde lijkt er eveneens te zijn. In het Westfries is er een correlatie tussen hoofd-initiële volgorde en IPP-infinitief. In de Duden (1984:717) wordt voor het Duits een vergelijkbare correlatie gesuggereerd:

(21) a. obwohl er ihn hat reden hören
b. obwohl er ihn reden gehört hat
(22) a. er wird nicht haben kommen können
b. er wird nicht kommen gekonnt haben

Wanneer er sprake is van een IPP-infinitief gaat het hulpwerkwoord van het perfectum, hier hebben, eraan vooraf. Deze correlatie is vermoedelijk taalspecifiek van aard (zie De Schutter 1974:84, Hoekstra 1994b:138, De Schutter 1995). We concluderen dat perceptiewerkwoorden in het Westfries zowel qua volgorde als qua IPP zich overeenkomstig het ABN gedragen.

3.5. Aspectuele hulpwerkwoorden
De volgorde in zinnen zonder IPP is bij aspectuele hoofdwerkwoorden (van positie, zitten, liggen, staan, en van beweging, komme) hoofd-initieel:

(23) a. Ze gong maar stil in 'n hoekie zitte lezen (TrB 224)
b. Antje Dekker kon d'r niet teugen om alliendig bai
de boer an tafel lekker zitte te smikkelen (DB 12)
c. Je moste maar zoo gouw as 't kon efkies bai me
an komme loupen (TrB 95)

Bij aspectuele hulpwerkwoorden treedt altijd morfologisch IPP op. De voltooide deelwoorden van de werkwoorden in deze groep zijn achtereenvolgens zeten, legen, staan, kommen maar in plaats daarvan treffen we dus de infinitief aan:10

(24) a. Den was meskien ok Piet Renooij veul veerder van
d’r of komme te staan (TrB 126)
b. Trynke Boôd was beneden kommen en had efkies
met de juffrouw zitte te praten (TrB 157)
c. Domenee was al d’rs an komme loupen (TrB 175)
d. Ze hadde nag efkies zitte te praten (TrB 203)
e. Mienige nacht het Tois Dekker deer legge te dinken
weerom 't in de wereld zoo raar verdeeld was (DB 17)

Zoals uit deze zinnen eveneens blijkt hebben we hier te maken met de reeds eerder gevonden correlatie tussen de aanwezigheid van een hoofd-initiële volgorde en de aanwezigheid van het morfologische IPP-effect.
Het aspectuele hulpwerkwoord blijven doet daarentegen niet mee aan het morfologische IPP-effect, zoals blijkt uit de volgende voorbeeldzinnen:

(25) a. Van al 't goeie dat er weest is, deer moet bai Jan Kramer
nag wel wat hangen bleven weze (TrB 73)
b. De eivend gong gouw om en bai de kennesse, die d'r kwamme
ophalen, was ze nag wat neiprate bleven. (TrB 229)
(26) a. De mense begonne al te denken, dat de ,,Gouwen Ploeg",
die 't hougst an bod worren was,
d'r an hangen bloive zou (TrB 94)
b. Je moete Trienke Boôd zien bloive as 'n
doôdgewoôn moidje.... (TrB 121)

De woordvolgorde is hoofd-finaal, ongeacht of er sprake is van een potentiële IPP-configuratie. Deze hoofdfinale woordvolgorde treedt op in samenhang met de afwezigheid van een morfologisch IPP-effect. We kunnen daarom de volgende reeds eerder aangeroerde korrelatie voor dit dialect expliciteren:

(27) Het Westfries kent IPP in hoofdinitiële werkwoordsgroepen;
het Westfries kent geen IPP in hoofdfinale werkwoordsgroepen.

Deze korrelatie heeft een intuïtieve plausabiliteit.11 In de volgende sectie zullen we nader op deze korrelatie ingaan.
 

4. Implicaties

Het IPP treedt in het Westfries in die konteksten op waar de woordvolgorde overeenkomt met het ABN, terwijl het afwezig is waar de woordvolgorde afwijkt van het ABN. Dit suggereert de mogelijkheid dat het IPP in het Westfries mede onder invloed van het ABN ontstaan is.12 Immers, als IPP een oude autonome eigenschap van het Westfries zou zijn, dan is het wel toevallig dat het juist bij die woordvolgordes optreedt die het Westfries met het ABN gemeen heeft (hoofdinitieel) en dat het niet optreedt waar de Westfriese woordvolgorde van die van het ABN afwijkt. En dan is het ook toeval dat de desbetreffende hoofdinitiële woordvolgordes in het dialect zelf gemarkeerd zijn ten opzichte van de overwegend hoofdfinale volgorde die we in dit dialect aantreffen.
Er is ook een andere reden om aan invloed van ABN te denken. We brengen in herinnering dat Hoeksema en Lange geopperd hebben dat er een directe relatie bestaat tussen het bestaan van een perfectief prefix en het bestaan van morfologisch IPP. Het ABN kent een perfectief prefix en IPP, evenals het Duits en vele dialecten. Omgekeerd kennen het Fries en het Gronings geen perfectief prefix en ook geen IPP. Het Westfries vormt zo op het eerste gezicht, zoals we eerder zeiden, een tegenvoorbeeld tegen het idee dat er een direct verband zou zijn tussen het perfectieve prefix en IPP. Het ontbeert een perfectief prefix, maar heeft wel een beperkte mate van IPP.
Wat verandert er dan wel wanneer een spreker in plaats van een voltooid deelwoord een infinitief gaat gebruiken in de werkwoordsgroep? Wat er verandert is dat het systeem bestaande morfologie, nl. het infinitiefmorfeem, gebruikt om uit te drukken dat hebben/zijn een subklasse van werkwoorden kan selecteren:

(28) a. systeem I bijv. Fries
hebben/zijn selecteert voltooiddeelwoordsmorfologie op
hoofdwerkwoorden
hebben/zijn selecteert voltooiddeelwoordsmorfologie op IPP-werkwoorden
b. systeem II bijv. Nederlands
hebben/zijn selecteert voltooiddeelwoordsmorfologie op
hoofdwerkwoorden
hebben/zijn selecteert infinitiefmorfologie op IPP-werkwoorden

Wat er verandert bij de overgang van systeem I naar systeem II is morfeemselectie door hebben/zijn. Deze verandering is systeemintern: er wordt geen nieuw morfeem geleend. Een bestaand morfeem wordt op een andere plaats ingezet.
Daar komt bij dat Westfriese hulpwerkwoorden, zoals we in sectie 2.2.1. zagen, vaak de beschikking hebben over een voltooid deelwoordsvorm die op -EN uitgaat, bijv. kennen (naast kend) voor “gekund”, wullen (naast wuld) voor “gewild”. IPP-infinitieven gaan uit op -E. De morfologische afstand tussen voltooid deelwoord en IPP-infinitief is dus gering, en zal een heranalyse niet erg bemoeilijken. Toch leidt de aanwezigheid van voltooide deelwoorden van hulpwerkwoorden op -EN niet vanzelf tot IPP. Standaard Fries kent namelijk ook dergelijke voltooide deelwoorden, zoals kinnen naast kind “gekund”, wollen naast wold “gewild”. Niettemin kent het Standaard Fries geen IPP, zoals we eerder reeds zagen.
De tweetalige Westfries heeft zoals gezegd de beschikking over twee systemen, het Westfriese en dat van het ABN. Dat houdt in dat de voornoemde correlatie van Hoeksema en Lange tussen het prefix GE- en het bestaan van IPP gehandhaafd kan blijven, mits men haar toepast op de algehele grammaticale kennis van sprekers. Onder deze visie zijn ABN en Westfries in de hoofden der Westfriezen geen volkomen gescheiden taalsystemen: het binnensluipen van IPP in het Westfries van tweetalige sprekers zou dan mogelijk gemaakt zijn door het bestaan van het prefix GE- in het ABN. Uiteraard is dit niet meer dan een speculatie.
 

5. Uitleiding

Tenslotte willen we wijzen op enkele met de aan- of afwezigheid van IPP correlerende verschillen tussen het Nederlands en het Fries. Het Fries kent, in tegenstelling tot het Nederlands en het Duits, geen voorvoegsel op het voltooid deelwoord (zie Den Besten & Edmondson 1983, Vanden Wyngaerd 1994, en de referenties aldaar). Het Fries gebruikt werkwoorden zoals zitten, staan, liggen, hangen veel minder aspectueel dan het Nederlands. Bovendien is het gebruik van komen, blijven en gaan als aspectuele hulpwerkwoorden in het Fries onmogelijk of in zeer beperkte mate mogelijk. Dat maakt dat een werkwoordsgroep als “omdat ik jou wel eens zou hebben willen blijven zien staan toekijken” niet letterlijk in het Fries vertaald kan worden, evenmin als “ik zit te werken”.
We hebben gezien dat het Westfries met betrekking tot het IPP-effect een interessante tussenpositie tussen ABN en Fries inneemt. Als de werkwoordsvolgorde hoofd-finaal is, dan treedt er geen IPP-effect op, hetgeen bij modale werkwoorden het geval is. Als de werkwoordsgroep hoofd-initieel is, dan treedt er wel een IPP-effect op. Dat laatste is het geval bij werkwoorden van perceptie en bij aspectuele hoofdwerkwoorden. Voor een adequate visie op het IPP-effect en wat het met zich mee brengt in het ABN verdient het aanbeveling om minimaal verschillende varianten zoals die in het Westfries en het Fries te vinden zijn, te bestuderen en met het ABN te vergelijken. In de toekomst zouden ook het Duits en de Duitse dialecten in een dergelijk onderzoek betrokken moeten worden.
 
 

Bibliografie

Algemene Nederlandse Spraakkunst. G. Geerts, W. Haeseryn, J. de Rooij en M.C. van den Toorn (1984). Groningen: Wolters-Noordhoff.
Besten, H. den & J. Edmondson (1983). The verbal complex in continental West Germanic. In: W. Abraham (red.), On the Formal Syntax of the Westgermania. Papers from the 3rd Groningen Grammar Talks. Amsterdam: John Benjamins, 156-216.
Bloemhoff, H. (1980). Enkele volgordeverschijnselen in het Stellingwerfs in verband met V-raising. Ms.
Bloemhoff, H. (1994). Stellingwarfs Woordeboek. Oosterwolde: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Butter, F. (1944). Trienke Boôd. Hoorn: Uitgevers-mij. “West-Friesland”.
Chomsky, N. (1981). Lectures on Government and Binding. Dordrecht: Foris.
Dikken, M. den & E. Hoekstra (1995). Parasitic Participles. Lezing gepresenteerd op de 10th Workshop on Comparative Germanic Syntax, Brussel (17-19/1/1995). Ms, ATW, VU, Amsterdam, en P.J. Meertens Instituut, Amsterdam.
Dyk, S. & J. Hoekstra (1987). Ta de Fryske Syntaksis. Ljouwert: Fryske Akademy.
Hoeksema, J. (1980). Verbale verstrengeling ontstrengeld. Spektator 10, 221-249.
Hoekstra, E. (1994a). Positie- en Bewegingsaspect bij Selectie van de Infinitief op -E of -EN in het Westfries en het Fries. Taal & Tongval 46, 66-73.
Hoekstra, E. (1994b). Woordvolgorde en het Infinitivus-pro-Participio Effect in het Zaans. Taal & Tongval 46, 132-141.
Lange, K.P. (1981). Warum Ersatzinfinitiv?. Groninger Arbeiten zur germanistischen Linguistik (GAGL) 19, 62-81.
Marle, J. van (1994). Oppervlakte-gelijkvormigheid als conditionerende factor bij taalverandering. Iets over de resten van het gerundium in het Middelnederlands en de Nederlandse streektalen. Taal & Tongval 46, 14-32.
Schutter, G. de (1974). Wezen vissen. Dialectgeografie van een konstruktie. Taal & Tongval 26, 70-85.
Schutter, G. de (1995). Werkwoordsvolgorde en het IPP-effect in het Nederlandse taalgebied. Taal & Tongval 47, 31-39,
Taanman, W. (1984). Enkele taalkundige opmerkingen m.b.t. een Westfries dialect. Ms.
Terwey, T. (1899). Beginselen der Nederlandsche Spraakkunst. Zevende druk, nagezien door M. Mieras. Groningen: J.B. Wolters.
Vanacker, V.F. (1970). Een ‘Zuidnederlandse’ konstruktie in een paar Zuidnederlandse dialecten. De Nieuwe Taalgids (Van Haeringen-nummer): 140-157.
Weijnen, A. (1966). Nederlandse Dialectkunde. Assen: Van Gorcum.
Wolf, H. (1995). Ynvertearre tiidwurdkloften yn it Ynterferinsjefrysk. Tydskrift foar Fryske Taalkunde 10, 1-11.
Wyngaerd, G. Vanden (1994). IPP and the Structure of Participles. In J.W. Zwart (red.), Minimalism and Kayne’s Asymmetry Hypothesis. Groninger Arbeiten zur germanistischen Linguistik 37, 265-276.
Zwart, J.-W. (1995). A Note on Verb Clusters in the Stellingwerfs Dialect. In M. den Dikken & K. Hengeveld (red.), Linguistics in the Netherlands 1995. Amsterdam: John Benjamins, 215-226.
 
 
 
 

1 We bedanken Marije de Bode en Helga Gissurardóttir voor het aanleveren van een WordPerfect versie van Trienke Boôd, als eerste bijdrage aan het geautomatiseerd corpus Noordhollands Taaleigen, Kees van Dijk voor nuttige IPP-gesprekken, en Jack Hoeksema, een anonieme reviewer en de redactie van Nederlandse Taalkunde voor waardevol commentaar.

2 De adressen van de auteurs luiden als volgt. E-mail: Eric.Hoekstra@pjmi.knaw.nl
Eric Hoekstra, P.J. Meertens Instituut, Keizersgracht 569, 1017 DR Amsterdam.
Willem Taanman, Kerverslaan 11, 1911 SH Uitgeest.

3 We hebben het hier over Noord-Hollandse dialecten voorzover die nog gesproken worden naast het ABN. Hetzelfde geldt voor het Fries en het Gronings.

4 Als A wordt geselecteerd door B dan staat A in een door B gecontroleerde configuratie, zoals standaard in de generatieve taalkunde (Chomsky 1981:38).

5 De adjacentie-eis kan worden geschonden bij nevenschikkingen van het volgende type: hij heeft wel moeten maar niet kunnen werken. Daarnaast treedt in Zuid-Nederlandse dialecten veelvuldig doorbreking van de werkwoordsgroep op (zie bijv. Vanacker 1970).

6 Wellicht kan uit historisch onderzoek blijken of het ontbreken van het IPP-effect een ingvaeonisme of kustgermanisme is.

7 Bij gaan zijn voltooid deelwoord en infinitief gelijkluidend. Gaan treedt als complement bij een persoonsvorm links daarvan op (hoofd-finaal), ook in de syntactische IPP-configuratie in (ib):

(i) a. Hai most maar d'rs efkies an de poort koike gaan (TrB 149)
b. Hai was wat stekele pikken gaan (DB 45)

De vraag wanneer gaan nu een infinitief op -E of op -EN selecteert, vergelijk koike met pikken, is onderzocht in Hoekstra (1994a). Het voorbeeld (ib) is problematisch voor de daar voorgestelde verklaring.

8 Westfriese perceptiewerkwoorden als persoonsvorm kunnen echter een werkwoordelijk complement zowel ter linker- als ter rechterzijde nemen:

(i) a. Moeder keek al as 'n bullebak as ze de moidjes in de veerte zag ankommen (TrB 45)
b. 't was zoô'n pittege moid as je d'r zoo zitten zag (TrB 86)

9 In niet-finiete zinnen met hoofdfinale werkwoordsvolgorde staat TE voor het laatste werkwoord van de groep, zoals in de onderstaande voorbeelden:

(i) a. om d'r op 't durp gelde te leiten (TrB 26)
b. deer skeen ze 't wel mee vinden te kennen (TrB 183)
c. om je d'rs onder hande neme te kennen as dat nag 'rs noôdig (TrB 98)
weze most

In dit opzicht komt het Westfries overeen met het Standaard Fries (Kleifries) en het Gronings. Zuidfriese dialecten hebben meer ordeningsmogelijkheden binnen de werkwoordsgroep (Den Dikken & Hoekstra 1995).

10 Bij staan is er sprake van homofonie van infinitief en voltooid deelwoord, net als bij zien. Over het afwijkende gedrag van monosyllabische werkwoorden in de Nederlandse dialecten, zie Van Marle (1994).

11 Merkwaardigerwijze hebben we twee tegenvoorbeelden tegen deze correlatie aangetroffen en nog wel op dezelfde bladzijde (TrB 50):

(i) a. ze had ze allegaar ‘n blauwtje loupen leite
b. deer had ze niet naast ‘n aâre joôn anzitten wulle

Zeker, het lijkt op IPP omdat het door hebben geselecteerde hulpwerkwoord de vorm van de infinitief heeft (leite, wulle) en niet die van het voltooid deelwoord. Maar het hoofdwerkwoord gaat uit op de infinitief op -N (loupen, anzitten), terwijl wulle en leite zelf juist de infinitief op -E selecteren. Deze twee merkwaardige en op zichzelf staande gevallen roepen allerlei vragen op die we niet kunnen beantwoorden.

12 Gemakshalve spreken we van de historische invloed van het ABN, waar het correcter maar omslachtiger zou zijn te spreken van de historische invloed van de algemene Nederlandse verkeerstaal die aan het ABN vooraf ging.