IPP en Werkwoordsvolgorde in het Achterhoeks

Elma Blom en Eric Hoekstra1

Taal & Tongval 48, 72-83.

1 Inleiding

In dit artikel willen we een begin maken met de beschrijving van werkwoordsvolgorde en het Infinitivus-pro-Participio effect (kortweg IPP) in het Achterhoeks. Hiermee wordt het onderzoek naar de verschillen tussen Nederlandse dialecten met betrekking tot deze twee factoren voortgezet, waarbij we ons beperken tot werkwoordsgroepen zonder te. We presenteren de feiten in de secties 2 en 3. Deze feiten hebben een meerwaarde daar zij de generalisaties weerspreken die eerder in Lange (1981), Hoekstra (1994) en De Schutter (1995) naar voren zijn gebracht. Tevens vormen de feiten een probleem voor bestaande analyses van het IPP-effect, zoals voorgesteld in Vanden Wyngaerd (1994). Hier gaan we in sectie 4 nader op in.
Onze gegevens zijn gebaseerd op de oordelen van de eerste auteur. Het onderzoek is kwalitatief en idiolectisch. De eerste auteur kent het dialect passief, maar spreekt het weinig. Gezien de leeftijd van de auteur mogen de feiten representatief worden geacht voor de jongere generatie. Het is echter zeer wel mogelijk dat de feiten niet representatief zijn voor de oudere generatie. In dit opzicht valt lering te trekken uit de studie van Wolf (1995) naar wat hij het Interferentiefries noemt. Het bleek hem dat het Fries van de jongste generaties aanzienlijke veranderingen vertoont vergeleken met dat van de oudere generatie. Hij beperkte zich tot werkwoorden van perceptie. Hierbij kent Fries van de oudere generatie een hoofd-finale volgorde en geen IPP. Het Fries van de jongere generatie (voor zover niet geschoold in die taal) kent zowel hoofd-initiële als hoofd-finale volgordes, waarbij onder bepaalde omstandigheden IPP mogelijk is.2 Het is dus heel goed mogelijk dat de relevante oordelen die we hier voor het Achterhoeks rapporteren niet karakteristiek zijn voor de oudere generatie, iets wat apart onderzocht dient te worden. Feiten van Deunk (1977) suggereren overigens dat tenminste een deel van de van het ABN afwijkende feiten ook bij de oudere generatie te vinden zijn.
 

2 Achterhoekse werkwoordsgroepen zonder potentieel IPP3

In het Achterhoeks blijken er meer volgordemogelijkheden binnen de werkwoordsgroep te zijn. Wanneer er sprake is van een werkwoordsgroep bestaande uit twee werkwoorden valt dit niet op, want in dat geval zijn de twee mogelijke volgordes zowel in het ABN als in het Achterhoeks toegestaan:

(1) a. Zie hef koppiene, omdat zie kopje eduukeld hef
Zij heeft hoofdpijn, omdat ze kopje geduikeld heeft
b. Den kerl is gaon drossn, omdat-e op de sodemieter hef ehad
De man is ervan door gegaan, omdat hij op zijn donder heeft gehad4

Zoals uit de voorbeelden blijkt kent het Achterhoeks een perfectief prefix in de vorm van een schwa. De volgorde als in (1a), waarbij het hulpwerkwoord in zinsfinale positie staat, wordt in het Achterhoeks het meest gebruikt. Volgens de ANS (1984: 599) is er in het standaard Nederlands een verschil tussen schrijf- en spreektaal: de volgorde deelwoord-persoonsvorm komt meer voor in gesproken taal terwijl de volgorde persoonsvorm-deelwoord meer in de schrijftaal voorkomt.
In hoofdzinnen met drie werkwoorden staat de persoonsvorm voorop. In de werkwoordsgroep achterin de zin staan dan twee werkwoorden, waarbij zich in de bijzin de persoonsvorm voegt. Over dit type zinnen meldt Deunk (1977: 155), schrijvend over het Achterhoekse dialect van Winterswijk: “wanneer aan het eind van een zin twee werkwoorden in de onbepaalde voorkomen waarvan één een der hulpwerkwoorden blie:ven, gòòn, können, lòòten, möggen, willen of zöllen is, dan wordt het hulpwerkwoord achter het zelfstandig werkwoord geplaatst”. Dit wordt geïllustreerd door de zinnen in (2):

(2) a. I’j könt hie:r wal slòòpm blie:vm
b. Dee dööre mo’j ow is varvm lòòtn
c. Wörme zol e dat neet èètn wiln?

De volgorde is hier (1.)3.2., waarbij geldt: 1 is persoonsvorm, 2 is complement van persoonsvorm, 3 is complement van 2, enz.). Deze hoofdfinale volgorde van twee infinitieven is in het ABN niet mogelijk. Daar is slechts de volgorde (1.)2.3. toegestaan.
De feiten van Deunk (meer geeft hij helaas niet) mogen we als karakteristiek beschouwen voor het dialect van de oudere generatie. Volgens Entjes (1977), in diens inleiding bij Deunk’s grammatica, beschijft de auteur het dialect dat hij in zijn jonge jaren heeft leren spreken en op basis waarvan hij in 1935 een idioticon samenstelde. Ook in het taalgebruik van de jongere generatie zijn dergelijke zinnen mogelijk. Daar zullen we ons in het vervolg op richten.
Uit de zinnen in (2) valt niet af te leiden welke positie de persoonsvorm binnen de werkwoordsgroep in kan nemen. In de zinnen in (3) wordt de bijzinsvolgorde gegeven:

(3) a. ..., omdat Bertus en Tinus op de motor wilt könn scheurn 123
b. ?..., omdat ik gaorne zol komm wiln 132
c. *..., omdat zee bie de Graafschop kön wilt voetbaln 213
d. *..., omdat Dina naor huus kön komm mot 231
e. *..., omdat e n’m kuiern wil zeen 312
f. ?..., omdat e de fietse maakn laotn mot 321

Het blijkt dat er in het Achterhoeks drie mogelijke volgordes zijn: 1.2.3., 1.3.2. en 3.2.1. De volgordes 1.3.2. en 3.2.1. komen trouwens ook in het Duits voor (Van de Velde 1972), de volgorde 1.2.3. is er echter ongrammaticaal. Een systematische vergelijking van het Achterhoeks met het Duits of Duitse dialecten valt buiten het bestek van dit artikel. In het standaard Nederlands is alleen de exclusief hoofd-initiële 1.2.3. volgorde toegestaan, de exclusief hoofd-finale 3.2.1. volgorde en gemengde 1.3.2. volgorde worden afgekeurd:

(4) a. *..., omdat ik graag zal komen willen 132
b. *..., omdat hij de fiets maken laten moet 321

De overige volgordes (2.1.3., 2.3.1. en 3.1.2.) zijn zowel in het Achterhoeks als in het ABN ongrammaticaal. Zoals uit de vraagtekens in (3) blijkt, zijn werkwoordsclusters met een 1.3.2. en 3.2.1. volgorde in het Achterhoeks niet altijd even fraai. Wanneer de persoonsvorm van de modale hulpwerkwoorden zulln en mott’n in de zinnen (3b) en (3f) vervangen wordt door het hulpwerkwoord van tijd hebm, dan is het resultaat acceptabeler:

(5) a. ..., omdat i’j immer had praotn kön 132
b. ..., omdat e de wedstried winn laotn had 321

De aard van het hulpwerkwoord is hier dus, zij het marginaal, van belang. Nu is er in (5) meer aan de hand: er is namelijk in deze zinnen sprake van een zgn. Infinitivus pro Participio constructie (IPP): het hulpwerkwoord hebben (of zijn) zou een voltooid deelwoord moeten selecteren, maar in de IPP constructie is het complement van hebben/zijn een infinitief. In de volgende sectie zullen we onderzoeken wanneer IPP verplicht is, optioneel of verplicht afwezig is, en met welke volgordes dit gepaard gaat.
 

3 IPP en woordvolgorde in het Achterhoeks

3.1 Inleiding
In een cluster van drie werkwoorden (zonder voltooid deelwoord) is de volgorde in het ABN 1.2.3. Zoals we hebben gezien kan de volgorde van de werkwoorden in het Achterhoeks variëren: naast 1.2.3. zijn ook 1.3.2. en 3.2.1. mogelijk. Per werkwoordsklasse en per mogelijke volgorde (resp. 1.2.3., 1.3.2. en 3.2.1.) zal nu aan de orde komen of en op welke manier er sprake is van IPP.

3.2 Modale hulpwerkwoorden
IPP komt voor in hoofd-initiële (1.2.3.), hoofd-finale (3.2.1.) en gemengde volgorde (1.3.2). In hoofd-initiële volgorde is IPP in het Achterhoeks verplicht:

(6) a. ..., omdat zie naor de motorcross had wiln komm 123
b. *..., omdat zie naor de motorcross had ewild komm

Dit is identiek aan de situatie in het ABN. Voor nader onderzoek is de vraag of het voorkomen van deze volgorde een recente ontwikkeling is in het Achterhoeks onder invloed van het ABN tot stand gekomen. Met recent bedoelen we zo’n 1 á 2 generaties oud, dus zo’n 30 á 50 jaar oud. Hiervoor zou o.a. het Achterhoeks met het aangrenzende en nauw verwante Westfaals vergeleken dienen te worden. Als de hoofdinitiële volgorde namelijk oud is in het Achterhoeks dan zou die volgorde ook in het aangrenzende Westfaals moeten kunnen voorkomen, waarbij dan vooral het oudere Westfaals bestudeerd zou moeten worden. Mocht de hoofdinitiële volgorde daar helemaal afwezig zijn, dan valt voor het Achterhoeks inderdaad aan invloed van het ABN te denken. Mocht de hoofdinitiële volgorde in het Westfaals voorkomen dan is dat stellig geen recente vernieuwing. Aan invloed van het ABN valt namelijk voor het Westfaals niet te denken. Het Duits kan evenmin verantwoordelijk zijn voor hoofdinitiële volgordes in het Westfaals, aangezien een puur hoofdinitiële volgorde ongrammaticaal is in die taal.
In zinnen met de volgordes 1.3.2. en 3.2.1. blijkt IPP verrassenderwijs optioneel te zijn, zoals hieronder getoond wordt:

(7) a. ..., omdat ik gaorne/geerne had komm wiln 132
b. ..., omdat ik gaorne/geerne had komm ewild
(8) a. ..., omdat de Schrieverskring Achterhook en Liemers 321
in de moderspraoke schrievm willn had
b. ..., omdat de Schrieverskring Achterhook en Liemers 321
in de moderspraoke schrievm ewild had

Het is opmerkelijk dat de beide volgordes 1.3.2. en 3.2.1. zich identiek gedragen met betrekking tot volgorde en IPP.

3.3 Causatieve werkwoorden
Het standaard Nederlands kent twee causatieve werkwoorden: doen en laten. Doen geldt in het Achterhoeks niet als causatief werkwoord, laten wel.

(9) a. ..., omdat ik ow fietse had laotn maakn 123
b. *..., omdat ik ow fietse had elaotn maakn
(10) a. ?..., omdat Bertus zien köpke in de kökk’n had staon laotn 132
b. *..., omdat Bertus zien köpke in de kökk’n had stoan elaotn
(11) a. ..., omdat i’j de veugelkes zingn laotn had 321
b. *..., omdat i’j de veugelkes zingn elaotn had

Voor werkwoordsclusters met causatieve werkwoorden geldt, dat IPP zowel bij hoofd-initiële als hoofd-finale volgorde verplicht is. Zoals de zinnen in (10) laten zien, is het niet zeker of de volgorde 1.3.2. toegestaan is, wanneer laotn de positie van de 2 vult. Het verschil in grammaticaliteit tussen (10a) en (10b) zegt echter genoeg: als de volgorde 1.3.2. gebruikt wordt, dan is IPP verplicht. We zien dus dat laotn zich anders gedraagt dan de modale hulpwerkwoorden: bij laotn is IPP verplicht, bij de modalen is het optioneel.

3.4 Perceptie-werkwoorden
Net zoals bij de vorige klassen naar voren is gekomen, is bij de volstrekt hoofd-initiële volgorde IPP verplicht:

(12) a. ..., omdat ik oe vrogger völle had hörn sprekn 123
b. *..., omdat ik oe vrogger völle had ehörd sprekn

Als de gemengde 1.3.2. volgorde en de hoofd-finale 3.2.1. volgorde gebruikt worden, is IPP echter uitgesloten. De situatie zoals beschreven bij laotn lijkt bij de perceptieve werkwoorden precies omgekeerd te zijn:

(13) a. *..., omdat ik Dina op ‘t Hengelse Zand had scheurn zeen 132
b. ?..., omdat ik Dina op ‘t Hengelse Zand had scheurn ezeen
(14) a. *...., omdat ik Pötters Jan Willem tuus komm zeen had 321
b. ..., omdat ik Pötters Jan Willem tuus komm ezeen had

We zien dat bij de volgorde 1.3.2., als deze mogelijk is, IPP niet toegestaan is. Voor de volgorde 3.2.1. geldt hetzelfde, zoals (14) laat zien. We zien dat in de groep van perceptiewerkwoorden de hoofdinitiële volgorde afwijkt van de andere volgordes met betrekking tot IPP. Deze tweedeling kan verklaard worden door aan te nemen dat de hoofdinitiële volgorde onder invloed van het ABN tot stand is gekomen.

3.5 Aspectuele werkwoorden
Binnen deze klasse worden twee subklassen onderscheiden: werkwoorden die een beweging uitdrukken en werkwoorden die een positie uitdrukken. Omdat de mogelijkheid bestaat dat deze subklassen een ander gedrag vertonen, worden ze apart aan behandeld.

Werkwoorden van beweging
(15) a. ..., omdat nao de karke zie ‘n borreltjen bunt komm drinkn 123
b. *..., omdat nao de karke zie ‘n borreltjen bunt ekomm drinkn
(16) a. *..., dat ik naor oe toe bun loopm komm 132
b. *..., dat ik naor oe toe bun loopm ekomm
(17) a. *..., omdat zie bie de Graafschop voetbaln komm bunt 321
(b) *..., omdat zie bie de Graafschop voetbaln ekomm bunt
Werkwoorden van positie
(18) a. ..., omdat ik den heeln aovond heb staon praotn 123
b. *..., omdat ik den heeln aovond heb estaon praotn
(19) a. *...., omdat zee van Normaal hebt daldeejn zitn 132
b. *..., omdat zee van Normaal hebt daldeejn ezetn
(20) a. *..., omdat zee leezn zitn hef 321
b. *..., omdat zee leezn ezetn hef

De werkwoorden van beweging en van positie blijken zich hetzelfde te gedragen. De aspectuele werkwoorden vertonen een gedrag dat afwijkt van het gedrag van alle andere klassen, in die zin dat de volgordes 1.3.2. en 3.2.1. niet toegestaan zijn. Alleen de volgorde 1.2.3. is mogelijk, en daarbij is IPP verplicht. De situatie is dus identiek aan die in het ABN, maar wijkt behoorlijk af van wat we bij modalen, causatieven en perceptiewerkwoorden hebben gezien.

3.6 leren en helpen
Hier treffen we het volgende patroon van grammaticaliteitsoordelen aan:

(21) a. ..., dat ik Achterhooks had leern sprekn 123
b. *..., dat ik Achterhooks had eleerd sprekn
(22) a. ..., dat Tinus oe de afwas had helpm doen
b. *..., dat Tinus oe de afwas had eholpm doen
(23) a. *..., dat ik de marathon had loopm leern 132
b. ?..., dat ik de marathon had loopm eleerd
(24) a. *..., dat i’j veur d’n gezelligen aovond had zorgn helpm
b. ?..., dat i’j veur d’n gezelligen aovond had zorgn eholpm
(25) a. *..., dat ik goed luustrn leern had 321
b. ..., dat ik goed luustrn eleerd had
(26) a. *..., dat Ine de fietse maakn helpm had
b. ..., dat Ine de fietse maakn eholpm had

Het gedrag van deze werkwoorden komt precies overeen met dat van de perceptie- werkwoorden: in een hoofd-initiële zin is IPP verplicht, in een hoofd-finale zin is IPP niet toegestaan. De volgorde 1.3.2. is in geval van IPP uitgesloten. De niet-IPP variant is verre van fraai, maar vergeleken met de IPP variant wel acceptabel. Ook hier geldt dat de tweedeling tussen de volgorde 1.2.3. en de volgordes 1.3.2./3.2.1. met betrekking tot IPP suggereert dat de volgorde 1.2.3. met IPP onder invloed van het ABN is ontstaan.
 

4 Generalisaties

4.1 Hoofdinitieel
Wanneer alle bovenstaande feiten op een rijtje gezet worden, tekent zich een nogal divers patroon af dat op een aantal punten behoorlijk afwijkt van het ABN. In de eerste plaats kent het Achterhoeks een relatief vrije woordschikking. Naast een hoofd-initiële werkwoordsvolgorde (1.2.3.) zijn een hoofd-finale (3.2.1.) volgorde een gemengde volgorde (1.3.2.) mogelijk. De hoofd-initiële volgorde geeft in het Achterhoeks een eenduidig beeld te zien, en de generalisatie die in dit geval afgeleid kan worden, geldt zowel voor het Achterhoeks als voor het ABN:

(27) In zinnen met hoofd-initiële werkwoordsclusters (1.2.3.) is IPP verplicht

Alleen bij aspectuele werkwoorden is dit tevens de enig mogelijke woordvolgorde. (27) geldt in zeer veel dialecten. Het is moeilijk te zeggen of dit te maken heeft met taalstructurele factoren, of dat de geldigheid van (27) in zoveel dialecten gewoon toeval is.

4.2 Overeenkomstig gedrag van 1.3.2. en 3.2.1. met betrekking tot IPP
De volgende generalisatie valt te maken:

(28) De volgordes 1.3.2. en 3.2.1. gedragen zich hetzelfde met betrekking tot IPP.

Blijkbaar is de relatieve volgorde van 3. en 2. van groter belang dan de volgorde van 1. met betrekking tot 2. of 3. of de combinatie van 2. en 3. Dit is een interessante dialectspecifieke generalisatie, die bijvoorbeeld niet voor het Zaans geldt (Hoekstra 1994). In het Zaans is juist de relatieve plaatsing van 1. ten opzichte van 2. van belang. Op basis van dialecttypologisch onderzoek lijkt dan ook de conclusie gewettigd dat woordvolgorde binnen de werkwoordsgroep niet voorspelbaar is op grond van andere eigenschappen van werkwoorden maar simpelweg geleerd moet worden.

4.3 Falsificatie van enkele IPP-generalisaties
In een boeiend overzichtsartikel over werkwoordsvolgorde en IPP in het nederlandse taalgebied concludeert De Schutter (1995:37) dat IPP is uitgesloten bij de volgordes 3.2.1. en 2.1.3. Deze conclusie moeten we echter amenderen. We hebben gezien dat bij modalen en causatieven een volgorde 3.2.1. met IPP heel goed mogelijk is in het Achterhoeks.
In Hoekstra (1994) werd geobserveerd dat in het Zaans juist de relatieve volgorde van 1. en 2. van belang was. Gesuggereerd werd dat dat misschien voor meer dialecten het geval was. Hiertegen bracht De Schutter (1995) een aantal tegenvoorbeelden in. Aan deze reeks kunnen we nu ook de Achterhoekse feiten toevoegen, aangezien relatieve plaatsing van 1. en 2. geen beslissende invloed heeft op IPP bij modalen en causatieven.
Lange (1981), cf. ook Hoeksema (1980), maakt de generalisatie dat IPP alleen optreedt in dialecten die een perfectief prefix kennen (meer precies een circumfix dat werkwoordsclustering blokkeert). Hoewel er een link lijkt te zijn tussen een prefix (of circumfix) en IPP, is de verklaring die Lange hiervoor geeft niet zonder problemen. Zelf geeft hij de volgende uitzonderingen:

(29) a. ..., weil ich es kommen gefühlt / gespürt habe
b ..., weil ich es habe kommen ? fühlen / * spüren

Volgens Lange blijven de uitzonderingen van deze soort beperkt tot de werkwoorden fühlen en spüren. In Hoeksema (1980: 241) worden echter een aantal Duitse zinnen zonder IPP gegeven met andere werkwoorden:

(30) a. Er hat von sich reden gemacht
b. Weil wir spazieren gegangen sind
c. Er hat mich zu überreden gewusst

Verder keurt Lange zinnen van het onderstaande type voor het Duits af, maar in het Achterhoeks zijn ze wel toegestaan:

(31) a. dat-e komm ekund had
b. omdat ik Pötters Jan-Willem tuus komm ezeen had
c. dat Ine de fietse maakn eholpm had

We zien dat in de bovenstaande zinnen een prefix de twee geclusterde werkwoorden scheidt, maar toch is het resultaat grammaticaal. Het blijkt eveneens dat deze mogelijkheid niet beperkt blijft tot modale werkwoorden, maar ook opgaat voor perceptiewerkwoorden en de groep leren/helpen. Voor het Achterhoeks, waar in bepaalde gevallen IPP optioneel (en dus niet verplicht) is, kan Lange’s verklaring geen stand houden. Hetzelfde geldt voor verklaringen die uitgaan van de correctheid van Lange’s generalisatie zoals die van Vanden Wyngaerd (1994).

4.4 Semantische klasse
Wanneer de volgorde binnen het cluster volstrekt hoofd-finaal of gemengd is, blijken werkwoordsklassen een belangrijke rol te spelen. Niet elke semantische klasse kan in een 3.2.1. of een 1.3.2. volgorde voorkomen: wanneer de tweede positie gevuld wordt door een aspectueel werkwoord, is het resultaat een ongrammaticale zin. De aspectuele werkwoorden wijken hiermee af van de overige klassen. De modale hulpwerkwoorden, het causatieve werkwoord laten, de perceptiewerkwoorden en de restgroep helpen en leren kunnen wel allemaal in 3.2.1. en 1.3.2.- zinnen verschijnen, maar onderscheiden zich hierbij weer van elkaar door de IPP-constructie. Het onderstaande schema maakt dit duidelijk:

(31) Het voorkomen van IPP hangt af van de semantische klasse van het gebruikte
hulpwerkwoord (bij volgordes 1.3.2. en 3.2.1.):
- optioneel bij modale hulpwerkwoorden
- verplicht bij het causatieve werkwoord loatn
- niet toegestaan bij perceptie werkwoorden en helpm /lern

In sectie 4.2. concludeerden we dat woordvolgorde in de werkwoordsgroep simpelweg geleerd moet worden. Nu gedragen alle hoofdwerkwoorden zich hetzelfde met betrekking tot woordvolgorde: alleen het verschil tussen infinitieven en voltooide deelwoorden kan van belang zijn (bijvoorbeeld in het ABN waar voltooide deelwoorden wel maar infinitieven niet voor de werkwoordsgroep kunnen staan). Bij niet-hoofdwerkwoorden blijkt nu volgorde samen te hangen met de semantische klasse waartoe dat werkwoord behoort. Dit is begrijpelijk, aangezien op deze manier woordvolgorde leerbaar blijft. Stel nu dat per hulpwerkwoord de volgorde binnen de werkwoordsgroep anders zou zijn. De vraag is of zo’n systeem nog wel leerbaar zou zijn, ook al is er geen grammaticaal principe dat een dergelijk lexicaal vastleggen van volgorde verbiedt. Er is echter ook nog een optimistischer conclusie. De taalleerder heeft blijkbaar in de syntaxis toegang tot semantische begrippen als modaal hulpwerkwoord, causatief werkwoord en perceptiewerkwoord, met als gevolg dat deze begrippen een rol kunnen spelen bij het vastleggen van woordvolgorde (aannemende dat woordvolgorde iets syntactisch is). De vraag is nu hoe dergelijke begrippen als perceptiewerkwoord semantisch en syntactisch gecodeerd worden, een vraag die het bestek van dit artikel te boven gaat.

4.5 Samenvatting
Een kort overzicht geeft het schema in (32), waarin de mogelijkheden tegen elkaar afgezet worden:

(32) 123 132 321
+IPP -IPP +IPP -IPP +IPP -IPP
modaal M * M M M M
loatn M * M? * M *
perceptief M * * M? * M
leren/helpen M * * M? * M
aspectueel M * * * * *

Het teken “M” geeft aan dat een zin met gegeven volgorde en gegeven aan- of afwezigheid van IPP zonder meer grammaticaal is. Het teken “M?” geeft aan dat iets min of meer grammaticaal is. De “*” geeft aan dat iets ongrammaticaal is.
 

5 Uitleiding

In Hoekstra en Taanman (1996) werden tegenvoorbeelden uit het Westfries tegen Lange’s generalisatie wegverklaard door te wijzen op het feit dat het Westfries geen prefix kent, maar het ABN wel. Door tweetaligheid van dialectsprekers kan dan IPP het Westfries binnendringen. Een dergelijke verklaring kan niet gelden voor het Achterhoeks aangezien het Achterhoeks evenals het ABN een prefix kent: IPP zou dus gewoon verplicht moeten zijn.
Een andere mogelijkheid om de Achterhoekse tegenvoorbeelden weg te verklaren is Vanden Wyngaerd’s suggestie dat er geen werkwoordsclustering is in die gevallen waar IPP achterwege mag blijven. Dit is mogelijk, maar onafhankelijke evidentie voor deze suggestie ontbreekt (voorlopig). Bij Zwart (1995:219) is er sprake van variatie in de projectie van de (verplaatste) IPP- infinitief: dit kan zowel een hoofd als een maximale projectie zijn. Misschien zou dat een aanknopingspunt kunnen bieden teneinde een antwoord te vinden op de vraag waarom IPP achterwege kan blijven in het Achterhoeks, wanneer het (niet-finiete) hoofdwerkwoord aan het hulpwerkwoord vooraf gaat.
 


Bibliografie

ANS (1984) G. Geerts, W. Haeseryn, J. de Rooij en M.C. van den Toorn (red.) Algemeen Nederlandse Spraakkunst. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Deunk, G.H. (1977) Het dialect van Winterswijk. II. Grammatica van het Winterswijks. Sasland, Groningen.
Entjes, H. (1977) “Het dialect van Winterswijk. Bij wijze van voorwoord”. In Deunk (1977).
Hoeksema, J. (1980) “Verbale verstrengeling ontstrengeld”. Spektator 10, 221-249.
Hoekstra, E. (1994) “Woordvolgorde en het Infinitivus-pro-Participio effect in het Zaans”. Taal & Tongval 46, 132-141.
Hoekstra, E. & W. Taanman (1996) “Een Westfriese gradatie van het Infinitivus-pro-Participio effect”. Nederlandse Taalkunde 1, 39-51.
Lange, K.-P. (1981) “Warum Ersatzinfinitiv?”. In Groninger Arbeiten zur Germanistischen Linguistik 19, 62-81.
Schutter, G. de (1995) “Werkwoordsvolgorde en het IPP-effect in het Nederlandse taalgebied”. Taal & Tongval 47, 31-39.
Velde, M. van de (1972) “Zur Wortstellung im Niederländischen und im Deutschen Satz”. In U. Hoberg (Schriftleitung) Linguistische Studien I (Sprache der Gegenwart. Schriften des Instituts für deutsche Sprache in Mannheim). Pädagogischer Verlag Schwann, Düsseldorf, 76-125.
Wyngaerd, G. vanden (1994) “IPP and the structure of participles”. In Groninger Arbeiten zur germanistischen Linguistik 37: 265-276.
Wolf, H. (1995) “Ynvertearre tiidwurdkloften yn it Ynterferinsjefrysk”. Tydskrift foar Fryske Taalkunde 10, 1-11.
Zwart, J.-W. (1995) “A note on verb clusters in the Stellingwerf dialect”. In M. den Dikken & K. Hengeveld (red.) Linguistics in the Netherlands 1995. John Benjamins, Amsterdam, 215-226.

1 De auteursnamen zijn in alfabetische volgorde. We bedanken Georges de Schutter voor commentaar.

2 We mogen de Friese feiten niet als het resultaat van taaldood zien, aangezien er nog steeds heel duidelijk sprake is van systematische feiten, dus van een taalsysteem. Bij een stervend systeem daarentegen is er sprake van arbitraire variatie.

3 Met “potentieel IPP” bedoelen we, in navolging van Hoekstra & Taanman (1996), dat de syntactische precondities voor IPP aanwezig zijn, te weten: (i) er is een vorm van hebben of zijn in de werkwoordsgroep aanwezig, (ii) voornoemde vorm heeft een hulpwerkwoord als complement dat op zijn beurt ook een werkwoord als complement neemt. In het ABN leidt de aanwezigheid van deze precondities tot vervanging van het voltooid deelwoord door een infinitief zoals in het volgende voorbeeld: hij had willen / * gewild komen. In het Standaard Fries is dat niet het geval.

4 De spelling is zo eenvoudig mogelijk gehouden. De syllabische nasaal wordt in werkwoordsuitgangen aangegeven door een -N te spellen, of, bij labiale assimilatie, een -M. Velaire nasalisatie is niet aangegeven.