Eric Hoekstra, Meertens Instituut, KNAW
Taal & Tongval 48, 220.
Deze vormleer is overzichtelijk ingedeeld. Dat heeft de auteur bereikt
door een transparant indelingscriterium te gebruiken, namelijk woordsoort.
In ongenummerde (inderdaad niet nodig) hoofdstukken komen achtereenvolgens
aan bod, na het voorwoord: adjectiva (met participia en ordinalia), adverbia,
articula, numeralia, pronomina, substantiva, en verba. Het boekje is verlucht
met talrijke voorbeelden, hetgeen het geheel een levendig aanzien geeft.
De vertaling van de in de tekst gegeven Friese voorbeelden is te vinden
aan het eind op bladzijden 72 tot en met 81.
Zoals alle bestaande grammatica’s van het Fries is ook deze grammatica
met recht en reden beknopt te noemen, zoals in de titel wordt aangegeven.
Des te meer verwondering wekt het dat het hoofdstuk over werkwoorden een
alfabetische lijst bevat van de sterke en onregelmatige werkwoorden, die
de bladzijden 54 tot en met 71 vult. Naar mijn smaak is dat onnodig uitgebreid:
met de vervoeging van de belangrijkste hulpwerkwoorden had volstaan kunnen
worden. Daarnaast valt er op de lijst wel wat aan te merken. Ten eerste
bevat de lijst veel werkwoorden en vervoegingen die in feite archaïsch
zijn zonder dat dat duidelijk wordt aangegeven. Ten tweede wordt er geen
melding van nevenvormen gemaakt; vermoedelijk betekent dit dat de lijst
sterk prescriptief is. Belangrijkste bezwaar is dat er een betere lijst
van de onregelmatige en sterke werkwoorden bestaat die zonder moeite te
raadplegen is, namelijk in het eveneens bij de AFÛK verschenen boekje
Tiidwurden van Eisma (1989). Daarin wordt het bestaan van nevenvormen
wel aangegeven. Voorbeelden uit Hoekema zijn bijvoorbeeld het archaïsche
werkwoord drite, dat bij Eisma niet voorkomt, of de sterke vervoeging
van stjitte (dû staatst, hy staat, hy state, hy hat staat),
terwijl de voorkeursvorm in Eisma opgegeven juist de zwakke vervoeging
is. In een noot wordt overigens wel opgemerkt dat de gegeven vormen kunnen
afwijken van de in het Afûk-lesmateriaal gegeven voorkeursvormen,
maar er wordt niet gespecificeerd voor welke gevallen dat geldt.
Zoals uit de sectie verdere literatuur blijkt bestaan er verscheidene
beknopte vormleren van het Fries, al dan niet vergezeld van spraakkunst.
Wat echter ten enemale ontbreekt en zo spoedig mogelijk vervaardigd zou
moeten worden is een vormleer die niet beknopt is, een Friese ANS, kortom,
iets dat zwaar in de hand ligt. Laat ik mijn overwegend positieve recensie
met deze vrome wens besluiten.
Eric Hoekstra, PJMI, Amsterdam.