Eric Hoekstra

Jan Pannekeet Het Westfries. Inventarisatie van dialectkenmerken. Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Wormerveer, 1995. 444 blz. ISBN 90-71123-35-9.

De grammatica van Pannekeet bestrijkt alle grammaticale aspecten van het Westfries: fonologie, fonetiek, lexicon, syntaxis en morfologie. De nadruk ligt echter zeer sterk op syntaxis, in mindere mate ook op de morfologie. Dat is uitzonderlijk. Wanneer we de Nederlandse dialecten bij langs gaan, dan is er slechts zelden sprake van een volwassen portie syntaxis, en daarmee doel ik vooral op informatie over deverschillende constructies die in het dialect mogelijk zijn. We vinden weliswaar basisinformatie over de vorm van de verschillende woordsoorten (relativum, interrogativum, etc.) maar informatie over de verschillende syntactische constructies ontbreekt. Om deze stelling te onderbouwen presenteren we hieronder een kleine inventarisatie van dialectonderzoek naar syntactische constructies in de Nederlandse provincies.1 Voor Groningen bevat alleen de grammatica van Ter Laan (1953) informatie over syntactische constructies, dat welhaast zeker teruggaat op het unieke werk van De Vries (1910-1912). Voor Friesland zijn er weliswaar gedegen deelstudies, maar een fiks syntactisch handboek ontbreekt. Inhoudelijk doet Ter Laan, wat betreft syntaxis, niet voor de Engelstalige grammatica van het Fries van Tiersma (1985) onder, en dat terwijl er voor het Gronings nauwelijks deelstudies bestaan. Drente is maagdelijk land waar als een eenzaam monument Sassen's (1953) dissertatie om zich heen blikt. In de overige provincies krijgen we pas in Brabant weer enige informatie over constructies in De Bont (1962). En voor Zuid-Holland is er natuurlijk het unieke werk van Overdiep (1940) over het Katwijks. In overige werken mag meer of minder morfologie staan, informatie over constructies is hoogstens mondjesmaat aanwezig. Wanneer deze inventarisatie klopt dan blijkt onderzoek naar syntactische constructies vooral voor de noordelijke dialecten te hebben plaatsgevonden.
Dit intrigerende geografisch gegeven wordt door een blik op Noordholland verder bevestigd. Boekenoogen (1897) bevatte al interessante observaties, waar men in dissertaties van later datum voor andere provincies vergeefs om zoekt. En in deze provincie is nu wat mij betreft de beste vormleer verschenen die de Nederlandse dialectologie kent, een werk dat iedereen die een vormleer zou willen schrijven voor een Nederlands dialect tot model kan dienen, en dat ook de Friese grammatica's achter zich laat.
Het boek van Pannekeet gaat over het Westfries. De ordening van het materiaal is overwegend op woordsoort. Deze ouderwetse manier van indelen is nog altijd de meest duidelijke, en ook het meest algemeen toegankelijk. Een register ontbreekt, maar de welgekozen hoofdstuk- en sectieindeling van deze grammatica en de inhoudsopgave maken een register grotendeels overbodig. Daarnaast zijn enkele hoofdstukken gewijd aan constructies die rond bepaalde lexemen gegroepeerd zijn, bijvoorbeeld hoofdstuk 19: Dialectische constructies met 'te + infinitief'. Vervolgens komen verschillende soorten constructies met een te-infinitief aan bod. Soms wordt het type aangeduid in de titel van een sectie door een voorbeeld te geven. Bijvoorbeeld in het hoofdstuk Constructies met 'an' vinden we subsecties als de volgende: "16.4.1. Type: Ze binne an z'n huis te verbouwen". Deze manier van aanduiden door middel van een voorbeeld ondervangt de afwezigheid van een algemeen geaccepteerde terminologie. De toegankelijkheid van het werk wordt er bovendien groter door.
Na de Inleiding (17-33) volgt Hoofdstuk 1. Schrijfwijze van het Westfries (35-53). Hoofdstuk 2 Uitspraak (en uitspraakvarianten) van het Westfries (55-167) is vermoedelijk het zwakste hoofdstuk. Hier ontbreekt een beargumenteerde foneeminventaris, een overzicht van de fonemen van het Westfries. In plaats daarvan worden allerlei contrastieve klankobservaties gedaan (al vergelijkende met het ABN dus) die zeer ongelijksoortig zijn. Hier vindt men lexicale idiosyncratieën gepresenteerd naast systematische fonologische of fonetische verschillen. Niettemin bevat het hoofdstuk nuttige informatie.
Hoofdstuk 3 tot en met 19 (169-435) bevatten vervolgens alleen maar morfosyntactische informatie. Deze informatie is altijd contrastief, dus waardevol. Men is immers geïnteresseerd in de verschillen tussen ABN en dialect. In het hoofdstuk over Infinitivus-pro-Participio (17:385-392) worden feiten gegeven die het beeld dat Hoekstra & Taanman (1996) uit de geschriften van Butter haalden aanvullen met een beeld van hoe het er nu met IPP voorstaat in het Westfries.
Een interessante kwestie is de vraag hoe het zit met het Fries substraat in Noord-Holland. Vormde Noord-Holland in de tweede helft van het eerste millenium na Christus een culturele en linguistische eenheid met de provincies Groningen en Friesland? Zo ja, zijn van die eenheid nu nog taalkundige sporen te zien in de vorm van taaltypologische overeenkomsten tussen Noord-Holland en Friesland (en Groningen)? Ik heb elders beide vragen positief beantwoord (Hoekstra 1993). De nieuwe gegevens steunen me daarin. Talrijke door Pannekeet gegeven, van het ABN afwijkende constructies kunnen met behoud van hun syntactische eigenschappen in het Fries vertaald worden. Niet geheel in kaart gebracht of niet aangetroffen is in deze grammatica de syntactische distributie van de twee infinitivale uitgangen (-e en -en), die ik op basis van het geschreven dialect van de auteur Butter onderzocht heb en die voor een groot deel overeenkwam met de syntactische distributie van deze twee infinitieven in het Fries. Mogelijkerwijs is dit verschijnsel aan het verdwijnen; het werk van Butter is per slot van rekening al weer een halve eeuw oud.
Tenslotte wijs ik er wellicht ten overvloede op dat de auteur in zijn dissertatie van 1979 reeds een beschrijving van de derivationele morfologie van het Westfries gegeven heeft, die qua feitenrijkdom al evenzeer uitmunt als de hier besproken grammatica.

Bibliografie

Boekenoogen, G. (1897) De Zaansche Volkstaal. Bijdrage tot de Kennis van den Woordenschat in Noord-Holland. A.W. Sijthoff, Leiden.
Bont, A,P. de (1962) Dialekt van Kempenland meer in het bijzonder d'Oerse Taol. Deel I, Klank- en Vormleer en enige syntactische bijzonderheden. Van Gorcum, Assen.
Hoekstra, E. (1993) "Over de implicaties van enkele morfo-syntactische eigenaardigheden in Westfriese dialecten". Taal & Tongval 45, 135-154.
Hoekstra, E. & W. Taanman (1996) "Een Westfriese gradatie van het Infinitivus-pro-Participio Effect". Nederlandse Taalkunde 1, 13-25.
Laan, K. ter (1953) Proeve van een Groninger Spraakkunst. Van der Veen, Winschoten.
Pannekeet, J. (1979) Woordvorming in het hedendaags Westfries. Diss, Nijmegen. Rodopi, Amsterdam.
Sassen, A. (1953) Het Drents van Ruinen. Van Gorcum, Assen.
Tiersma, P.M. (1985) Frisian Reference Grammar. Foris, Dordrecht.
Vries, W. de (1910-1912) Dysmelie. Opmerkingen over Syntaxis. Verhandeling behorende bij het programma van het gymnasium der gemeente Groningen. Stads- en handelsstoomdrukkerij B. Jacobs, Groningen.

Eric Hoekstra, PJMI-KNAW, Amsterdam.

1 Mijn kennis omtrent het onderzoek naar syntactische constructies bij onze zuiderburen is helaas te gering om over de stand van zaken aldaar een redelijk betrouwbare uitspraak te kunnen doen.