Eric Hoekstra, P.J. Meertens Instituut, Amsterdam.
H. Nijdam, M.L. Gerla en K. van Dalen-Oskam (eds) Leven in de Oudgermanistiek. Vereniging voor Oud-Germanisten, Leiden, 31-34.
Zou het echt zo geweest zijn? Een relatief uniform Westgermaans taalgebied,
zeg in de vierde eeuw na Chr, waaruit door allerlei differentiatieprocessen
Westgermaanse dialecten ontstonden die steeds verder uit elkaar groeiden?
Hines (1995:39) citeert met instemming Campbell (1959:39): “At an early
date linguistic differentiation seems not to have been sharp amongst these,
and would seem to have been practically limited to matters of vocabulary”.
Het bewijs ten gunste hiervan komt voornamelijk vanuit de fonologie en
de studie van geïsoleerde lexicale items. Er is echter geen bewijs
dat morfologie en syntaxis toen uniform waren (ik reken complexe idiomatische
verbindingen ook tot de syntaxis). Het is voorstelbaar dat er grove syntactische
en morfologische variatie was. Mijn probleem met de voorgestelde uniformiteit
van het Westgermaans is het volgende: als Westgermaans in de vierde eeuw
na Christus uniform was, waar bleef die uniformiteit dan niet bestaan?
Toen de Germaanse stammen zich over Noord- en West-Europa verspreidden
moeten ze de oorspronkelijke bewoners in zich opgenomen hebben. Taalkundig
lijkt dit een taalcontactscenario te impliceren, met Germaans als tweede
taal voor de oorspronkelijke bewoners in het overgangsstadium. Wat zou
gegeven Van Coetsem (1988?) zijn theorie van taalcontact het resultaat
zijn van dergelijk taalcontact bij Germaans als tweede taal?
(i) De fonologie zou grotendeels Germaans zijn, met fonetische afwijkingen.
(ii) Het gewone (frequent gebruikte) lexicon zou Germaans zijn.
(iii) Gespecialiseerde termen en plaatsnamen kunnen uit de oorspronkelijke
taal komen.
(iv) Morfosyntactische kenmerken maken de grootste kans uit de oorspronkelijke
taal komen.
Onder zo’n taalcontactscenario zou Westgermaans het resultaat zijn
van het leren van Germaans als tweede taal. Het Westgermaans zou zijn Germaanse
karakter het best bewaren in de fonologie en de individuele lexicale items,
veel minder evenwel in morfosyntaxis, in de idiomatische structuren waarin
de lexicale items optreden en in de betekenis van die lexicale items. De
latere fonologische en lexicale divergentie zou veroorzaakt kunnen zijn
door de divergentie die in andere domeinen van de grammatica al bestond.
Dat de verschillende delen van de grammatica op allerlei wijzen interageren
is bekend, ook al weten we niet hoe precies.
Is er bewijs dat de uniformiteit van het Westgermaans minder groot
is dan gedacht? Zelfs in de morfofonologie van de eerste Westgermaanse
varianten gebeuren er onverwachte dingen, zodra we, middels runen, directe
toegang tot dit taalsysteem hebben. Hines (1995:43) heeft het namelijk
over “...unanticipated morphemes like the final -u of Runic Frisian
skanomodu, aeniwulufu, weladu and kobu”. Dat
is een aanwijzing. Het voordeel van een taalcontactscenario boven een uniformiteitsmodel
is dat een taalcontactscenario de optredende divergentie kan verklaren:
de divergentie is een gevolg van het onvolledig aanleren van Germaans.
Onder het uniformiteitsmodel is de latere divergentie verrassend.
In de dialectologie is iets vergelijkbaars te zien. Oudere studies
van de Noordhollandse dialecten concentreerden zich op de fonologie ervan
en concludeerden dat er weinig Fries dan wel noordelijks aan te zien was.
In een uitgebreide morfosyntactische vergelijking tussen de Noordhollandse
dialecten en het Fries bracht ik verregaande en onverwachte morfosyntactische
overeenkomsten aan het licht (Hoekstra 1993). De reden dat deze overeenkomsten
niet eerder “gezien” waren kwam door de onevenredig grote focus op de fonologie.
Maar die is juist het minst geschikt om een in het verleden bestaand hebbende
tweetaligheid aan het licht te brengen, aangezien de fonologie van de tweede
taal vrij goed wordt aangeleerd. Morfologie, syntax en idiomatische structuren
zijn veel geschikter om een eerder stadium van tweetaligheid aan het licht
te brengen, en geven hele andere isoglossen te zien. Wanneer we de fonologische
data combineren met de morfosyntactische krijgen we een completer beeld.
In het geval van Noordholland wijzen de fonologische isoglossen naar het
zuiden maar de morfosyntactische naar het noorden. In zo’n geval hebben
we een aanwijzing voor een tussenstadium met tweetaligheid, waarbij de
ondergeschoven taal (in dit geval Fries of Noordnederlands of hoe men het
ook wil noemen) sporen nalaat in de morfosyntaxis.1
In dit geval wordt het postulaat van een Fries substraat trouwens gesteund
door onafhankelijke evidentie uit de naamkunde. Plaatsnamen zijn immers
een locus waar de oudste taalresten bewaard kunnen blijven.
In deze bijdrage heb ik geprobeerd te laten zien hoe tweetaligheidsprocessen
die bij het ontstaan van het Westfries een aantoonbare rol gespeeld hebben
ook van invloed kunnen zijn geweest op het ontstaan van divergentie in
de Westgermania.2
Referenties
Bree, Cor van (1995) “De vreemde eenvoud van het Gotisch”. Taal
& Tongval 47, 96-102.
Bremmer Jr., Rolf (te verschijnen) “Het ontstaan van het Fries en Hollands”.
In Ph.H. Breuker en A. Janse (red.) Friesland-Holland: Negen Eeuwen
Beeldvorming.
Campbell, A. (1959) Old English Grammar. Clarendon Press, Oxford.
Coetsem, Frans van (1988) Loan Phonology and the Two Transfer Types
in Language Contact. Foris, Dordrecht.
Hines, John (1995) “Focus and boundary in linguistic varieties in the
North-West Germanic continuum”. In V. Faltings, A. Walker en O. Wilts (red)
Friesische Studien II. NOWELE Supplement 12. Odense University Press,
35-62.
Hoekstra, Eric (1993) “Over de implicaties van enkele morfosyntactische
eigenaardigheden in Westfriese dialecten”. Taal & Tongval 45,
135-154.
1 Bremmer (1996) wijst op een nieuw probleem: bepaalde morfosyntactische overeenkomsten tussen het huidige Fries en Westfries ontbreken in het Oudfries.
2 Van Bree (1995) postuleert taalcontact om licht te kunnen werpen op verrassende eigenschappen van bepaalde Gotische inflecties.