Eric Hoekstra

Utrecht Symposium: over de dialecten in de provincie Utrecht

Alledaagse dingen 2, 8.

Op 11 april jongstleden organiseerde de afdeling Dialectologie van het P.J. Meertens-Instituut een symposium over de dialecten van de provincie Utrecht. De noodzaak hiertoe bestond al langer: geen enkele provincie is, dialectologisch gezien, zo weinig onderzocht als Utrecht. Toch zijn er tekenen dat het tij ook voor Utrecht kerende is. De heemkundekringen en dialectverenigingen bloeien er als nooit tevoren; onlangs werd in Van Gewest tot Gewest aandacht besteed aan het pas verschenen Woordenboek van Bunschoten-Spakenburg en Eemdijk; en nu als klap op de vuurpijl een wetenschappelijk symposium.

Het symposium vond plaats in de Oude Zaal van het Trippenhuis, de voormalige behuizing van een zeventiende-eeuwse wapenhandelaar dat thans, fraai gerestaureerd, de zetel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen is. Het symposium werd geopend door de directeur van het P.J. Meertens Instituut, Jaap van Marle, die memoreerde dat in 1965 er eveneens een studiedag rond de provincie Utrecht had plaatsgevonden.

Karakteristiek voor de dialecten in het midden des lands zijn vormen als kwartsje, kwartsjie of kwartgje voor "kwartje", boontgje, boontgjie, boontsjie voor "boontje"; daarnaast komen ook vormen als kwartie en boontie voor. De eerste spreker, Helga Humbert, liet verscheidene van deze merkwaardige vormen van verkleinwoorden de revue passeren. Ze toonde verschillende kaarten met de geografische spreiding ervan, die gebaseerd waren op gegevens van het zogenaamde Goeman-Taeldeman project. In deze grootscheepse onderneming wordt met verschillende Belgische instituten samengewerkt teneinde een groot aantal opgenomen geluidsbanden met dialectuitingen te transcriberen en zo toegankelijk te maken voor een groter publiek.

Utrecht bevindt zich dialectgeografisch op het snijvlak tussen het Hollandse Westen en het Saksische Oosten. Harrie Scholtmeijer, Utrechtkenner bij uitstek, presenteerde een synthetiserende beschouwing over de dialectgeografische positie van Utrecht, gebaseerd op gegevens verzameld door A. Hol tussen 1935 en 1965. Deze gegevens zijn weliswaar afgedrukt in een aflevering van de Reeks Nederlandse Dialectatlassen maar niet verder geanalyseerd. Deze reeks was overigens, zoals vermeld in een vorige aflevering van Alledaagse Dingen, het centrale thema van de op 15 maart gehouden Nederlandse Dialectendag. Op de door Scholtmeijer gepresenteerde kaarten was onder andere te zien hoe de uu-uitspraak van de ui, bijvoorbeeld huus voor huis, in het Oosten van de provincie algemeen is, in het Westen daarentegen helemaal afwezig.

Vijf plaatsen tussen Utrecht en Amsterdam onderzocht Bert Schouten op verschillende uitspraakkenmerken, waaronder de uitspraak van de klinkers in "man" en "maan". In Amsterdam wordt "man" bijvoorbeeld enigzins als men uitgesproken. Over het algemeen gesproken bleek: hoe dichter men bij Amsterdam komt, hoe sterker de Amsterdamse uitspraakkenmerken. Opvallend was dat de Amsterdamse invloed tamelijk prominent in de provincie Utrecht aanwezig was, een invloed waaraan alleen de stad Utrecht zelf zich leek te onttrekken. In de discussie die op de lezing volgde werd door Scholtmeijer gesuggereerd dat het Amsterdamse stadsdialect meer status heeft dan het Utrechtse.

Zowel uit de vele vragen en suggesties die op bovengenoemde sprekers werden afgevuurd als uit de geanimeerde gesprekken tijdens de receptie na afloop bleek dat de dialecten van de provincie Utrecht nog veel moois voor onderzoekers en geïnteresseerden te bieden hebben.