E. Hoekstra & H. Scholtmeijer1

Idioticon Groninganum. Vergelijkend Woordenboek van den Groningschen Tongval. Door Dr. P. Boeles 1795-1875, predikant te Noorddijk. Uitgegeven door Siemon Reker m.m.v. Ludie Postmus en Jochem Abbes. Egbert Forsten & Profiel 1997; 187 p.; ISBN 90-6980-101-9

Driemaandelijkse Bladen 49, 153-157. (1997)

Na een spannende speurtocht heeft Siemon Reker de hand weten te leggen op het handschrift dat het oudste Groninger woordenboek bevat (de 'taalkundige bijdragen' van Laurman uit 1822 uiteraard niet meegerekend). Dat handschrift heeft hij vervolgens benaderend-diplomatisch uitgegeven en van een voorwoord, een uitgebreide inleiding en een verantwoording voorzien. Het resultaat is het boek dat hier besproken wordt.
Het voorwoord vertelt in het kort hoe Siemon Reker van een intrigerend zinnetje in Van Leeuwens Geschiedenis van de Groninger Literatuur uitkwam bij het herontdekte manuscript. Dat zinnetje luidde: 'Tenslotte vermelden wij nog het werk van P. Boeles, die een "Woordenboek van den Groningschen Tongval" samenstelde, dat echter nimmer is uitgegeven.'Daarna volgt onder de titel ‘Ga heen en leer - bij wijze van inleiding’ een biografische schets van de samensteller van het Idioticon Groninganum. Pieter Boeles (1795-1875) was predikant te Pingjum, Noordlaren en Noorddijk, en in die laatste plaats schreef hij het Idioticon. Zijn predikantschap in de Groningse gemeenten viel samen met een roerige periode in de Nederlandse Hervormde Kerk, een beroering die juist in deze provincie begonnen was: de Afscheiding van 1834, onder leiding van Hendrick de Cock. Die Afscheiding vond plaats toen De Cock predikant te Ulrum was, maar daarvóór was De Cock predikant in Noordlaren, en daar was hij de opvolger van Boeles. Boeles en De Cock stonden dus in nauwe betrekking tot elkaar, maar in tegenstelling tot De Cock is Boeles de Hervormde Kerk ook in kwade tijden steeds trouw gebleven. De inleiding is een nuttige schets van de achtergrond waartegen het Groningse idioticon geschreven is, inclusief het (Groningse) kerkelijke klimaat van de vorige eeuw, maar helaas heeft de informatieve waarde nogal eens te lijden onder de journalistieke benadering. Er is natuurlijk niets tegen een enkele uitweiding in een wetenschappelijk geschrift. Hoe mooi onderbreekt Kloeke niet zijn betoog over â en a rond de Zuiderzee, nog altijd een monument van wetenschappelijkheid, met die ene opmerking: 'Ik kan er nog aan toevoegen, dat een wandeling van Schellingwoude langs de eenzame zeedijk in de richting van Monnikendam voor de stedeling een bijzondere bekoring heeft.’(1933:253)? Maar in de inleiding van het idioticon staat gewoonweg te veel van dit soort non-informatie. De schrijver voegt het niet toe, maar maakt het tot een integraal onderdeel van zijn betoog. Wat voor zin heeft het om te vertellen wat voor weer het is op 28 augustus ('... een regendag. In Groningen moeten delen van het feest wel in het water vallen en een afgelasting komt vast niet in de hoofden van de organisatoren op'), op 28 september en op 1 januari? Dat de schrijver zijn uitstapjes presenteert in de volgorde waarin hij ze gemaakt heeft, geeft de opbouw iets vreemds: eerst lezen we over de zoon van Pieter Boeles, daarna pas komt Boeles zelf (en diens geboorteplaats Lekkum) aan bod. Na ‘Lekkum’ krijgen we in het boek informatie over hoe Noorddijk er in 1996 bij ligt, maar in de biografie van Boeles komt Noorddijk pas ná zijn ambten in Pingjum en Noordlaren. De arme lezer is het overzicht dan al volkomen kwijt, en wordt ook niet veel verder geholpen door de paragraaftitels. Bij Lekkum ligt Miedum, en daar, ‘bij een brug over het water’, heeft de schrijver op een lantaarnpaal een reclame-sticker van dansschool Swinging World gezien. Aardige trivialiteit, maar een paragraaf in deze biografie van een negentiende-eeuwse dominee de titel ‘Swinging World’ meegeven, staat de terugvindbaarheid, en daarmee de informatiewaarde, ergerlijk in de weg. Hetzelfde bezwaar geldt voor de naamgeving van een aantal andere paragrafen.
De inleiding, hoe informatief en boeiend ook, gaat op veel plaatsen gebukt onder de drang het nu eens anders, spitsvondig te willen zeggen. Soms ontspoort de zin, zoals op p. 22: 'Ds Lambertus van Bolhuis stond van 1767 tot 1772 in Noorddijk en die zich onder andere met Groninger woorden inliet en er lijsten van maakte voor “de” Maatschappij in Leiden’. Zorgvuldig proeflezen had dit kunnen voorkomen, en datzelfde geldt voor ‘Keizers Gedenkboek uit 1834’ (moet zijn:1934), het verwijzen naar ‘samenvatting en terugblik’ met Dat op blz. 24, het dubbele maakte onderaan blz. 47, tongal i.p.v. tongval op blz. 63, en een stuk of wat afbrekingsfouten. Heeft men de tijd niet genomen omdat het boek, als ware het een journalistiek werk, voor een bepaalde tijd af moest zijn? We krijgen haast die indruk, wanneer we constateren dat men de voltooiing van de restauratiewerken rond Boeles’ graf in Noorddijk niet af heeft willen wachten, en in plaats daarvan op blz. 16 een bijzonder lelijke foto van een graafmachine tussen wat vage zerken in dit voor de rest toch zo mooi uitgevoerde boek heeft geplaatst. Wèl is op blz. 37 de grafsteen van Boeles’ zoon te zien, maar op een heel andere plaats dan waar er in de tekst over gesproken wordt (nl. op blz. 12). Volgend op de mededeling dat Boeles junior voorganger was in zijn geboorteplaats komt het Bijbelcitaat: ‘Kan uit Nazareth iets goeds komen?’ We kunnen ons afvragen of dit in al z’n ironie wel het juist citaat is. Zeg je in zo’n situatie niet het woord uit de Verwerping te Nazareth: ‘Een profeet is alleen in zijn vaderstad en zijn huis ongeëerd’?
Op de inleiding volgt de verantwoording, waarin de benaderend-diplomatische benadering volgens welke het manuscript is uitgegeven nader wordt toegelicht.
Daarna komt dan het woordenboek, getiteld Idioticon Groninganum. Boeles, van Friese komaf, was goed met het Fries bekend. In het woordenboek wordt dan ook herhaaldelijk naar Friese tegenhangers voor Groningse woorden verwezen. Twee voorbeelden:

Babbelguechjes, mv., spotachtige bewegingen met handen of gelaat tegen iemand, of achter zijn rug gemaakt. Ook Dre. Fri. babbelgoechjes. ...
Onsjuch, onaanzienlijk, onzindelijk. Ook Fri.

Boeles ontgaat ook wel eens een verwijzing naar het Fries. Bezie bijvoorbeeld het volgende lemma:

Kwitseboom, lijsterbessenboom (Sorbus aucuparia). Eng. quickbeam.

Hier wordt niet verwezen naar het Friese kwits. De verwijzing naar het Engelse quickbeam is echter wel een voltreffer. Dat laatste woord komt volgens de Oxford English Dictionary in zuidelijke dialecten voor. Op een of andere manier heeft Boeles dergelijke specialistische informatie kunnen achterhalen.
Boeles verwijst overigens niet alleen naar het Fries en het Drents. Wat Nederlandse dialecten betreft verwijst hij ook naar het de dialecten van Goeree-Overflakkee. Buiten de landsgrenzen wordt regelmatig verwezen naar verscheidene Germaanse en Romaanse talen.
Er komen interessante woorden in Boeles' collectie voor. Neem bijvoorbeeld het volgende lemma:

Lad, een jongen; "en starke lad." Eng. lad.

We hebben dit woord noch in het woordenboek van Molema noch in dat van Ter Laan kunnen vinden en kennen het ook niet uit de Groningse literatuur. In het WFT (Woordenboek der Friese Taal) komt het evenmin voor. Toch zijn verrassende overeenkomsten van het Gronings met het Engels heel goed mogelijk, zoals dat ook voor het Fries het geval is. Nielsen (1981) situeert het Oudfries, dat ooit ook in Groningen werd gesproken, op een dialectgeografisch continuum tussen het Oudengels en het Oudsaksisch. Als dat correct is, dan kan het Gronings heel goed nog overeenkomsten met het Engels bevatten. Lad wordt overigens in Engeland pas in de Middelengelse periode voor het eerst geattesteerd. We kunnen echter ook met Kloeke (1927:63) aannemen dat na de 15de eeuw een radicale verwijdering van (Anglo-)Friese elementen uit Groningen heeft plaatsgevonden. In dat geval is het beter om lad als een relatief jonge ontlening aan het Engels te beschouwen. We kunnen hierbij denken aan de kustvaart, die in deze tijd juist in deze provincie een grote rol speelde. Op zo’n coaster (ook een Engels leenwoord!) zal een matroos aanwezig geweest zijn, die wellicht als lad werd aangeduid.
Tenslotte verwijst Boeles ook naar oudere manuscripten die hij geraadpleegd heeft, zoals het Oldambster landregt.Op het Idioticon Groninganum volgen nog de eindnoten en een 'Fries register'.

Afsluitend kunnen we stellen dat de publicatie van het Idioticon Groninganum, zovele jaren na de samenstelling ervan, een grote aanwinst voor de dialectkunde betekent. Het werk biedt een substantiële uitbreiding van onze kennis over de dialectologie in de negentiende eeuw, toen door nijvere liefhebbers de grondslag voor de moderne dialectwetenschap werd gelegd. Onder die liefhebbers vindt men juist in de provincie Groningen vele predikanten; naast Boeles natuurlijk Laurman, en ook vijf van de zeven Groningse vertalers in Winklers Dialecticon zijn verbi divini minister. Ziehier het wonder van de negentiende eeuw: terwijl de ene predikant bij de kleine luiden uit zijn kudde de rechtzinnigheid vindt, raadpleegt de ander de ‘Unterschicht’ om de woordenschat. Bestaat er een verband tussen beider belangstelling voor wat niet uit de universiteit komt?
De verschijning van dit woordenboek is een eerbetoon aan de maker ervan, en ook aan
al diegenen die in de negentiende eeuw in het Noorden de dialectstudie ter hand hebben genomen. De inleidende schets van het klimaat waarin dit woordenboek ontstond, vormt een uiterst waardevolle aanvulling op de eigenlijke tekst van Boeles. Details over de weersomstandigheden waarin de inleiding ontstond, hadden ons echter wel bespaard mogen blijven.
 
 

Bibliografie
 

Kloeke, G.G. (1927) De Hollandsche expansie in de zestiende en zeventiende eeuw en haar
weerspiegeling in de hedendaagsche dialecten. Proeve eener historisch-dialectgeographische synthese. Met een kaart. ‘s-Gravenhage: Nijhoff.
 

Kloeke, G.G. (1933), De Noordnederlandsche tegenstelling West-Oost-Zuid
weerspiegeld in de a-woorden; een dialectgeographische excursie om de Zuiderzee (Met kaartjes van de woorden ‘water’ en ‘schaap’). NTg 27, p.241-256.

Nielsen, H. F. (1981) Old English and the continental Germanic languages. A survey of morphological and phonological interrelations. Innsbrucker Beiträge zur Sprachwissenschaft, Innsbruck.
 

1 Auteursnamen staan in alfabetische volgorde.