Eric Hoekstra (Fryske Akademy, Ljouwert, ehoekstra@fa.knaw.nl)
In V. de Tier & S. Reker (ed) In Vergelijking met
Dieren. Het Dialectenboek 5. Intensiverend taalgebruik volgens de SND-enquête.
Stichting Nederlandse Dialecten, Groesbeek, 71-87.
1. Inleiding
Het is het jaar 3000. Door een ramp is bijna alle kennis
van het verleden verloren geraakt. Men weet niet meer of er in Friesland
vroeger Nederlands of een andere taal werd gesproken. Dan vindt men de
enquête die door Mevrouw X destijds in 1998 voor de SND is ingevuld.
Die is in het Nederlands beantwoord. De zaak is duidelijk: er werd dus
vroeger in Friesland Nederlands gesproken.
Een jaar later vindt men nog een blaadje. Nu blijkt ineens
dat Mevrouw X de enquête ook in het Fries heeft ingevuld. Mevrouw
X was dus tweetalig. Als één der zeer weinigen heeft zij
de enquête tweemaal ingevuld, éénmaal in het Nederlands
en éénmaal in het Fries.
Wanneer we dus Middelnederlandse manuscripten in het
verleden vinden zeggen die niets over wat voor dialecten of talen er verder
destijds werden gesproken naast Middelnederlands. Daar komt bij dat de
schrijftaal heel weinig over de spreektaal hoeft te zeggen. In het eerste
millennium na Christus waren bijna alle documenten alhier in het Latijn
maar het was niet de spreektaal voor het merendeel van de bevolking.
Terug naar Mevrouw X want het verhaal heeft nog een staartje.
In een korte biografische opmerking vermeldt zij: “Ik spreek wâldfries.
Aangeleerd. Geboren in Amsterdam, 1940-45 in provincie Groningen gewoond
en van 1945 af in gemeente Tietjerksteradeel. Ik lees de Leeuwarder Courant.”
Als sociolinguisten en dialectonderzoekers gaan we in
feite uit van een geïdealiseerde situatie. Mensen en hun taal worden
ingedeeld naar hun woonplaats, sociale achtergrond en dergelijke, maar
zulke variabelen kunnen binnen een mensenleven behoorlijk variëren
en hun sporen nalaten. Bovendien zijn de gemaakte categoriseringen (bijvoorbeeld
leeftijd tussen 20 en 30 jaar, waarom niet tussen 25 en 35 jaar?) vaak
arbitrair. De lezer moet zich daarom niet tot zogenoemde naakte feiten
beperken: als iemand “maleier” opgeeft bij “zo dronken als”, dan
wil dat dus niet zeggen dat hij andere uitdrukkingen als “kroade” (Fries
voor “kruiwagen”) niet zou kennen. Zo ook hebben mensen dus meerdere sociale
achtergronden, meerdere woonplaatsen en in zekere zin meerdere leeftijden
want elke leeftijd laat zijn sporen na in iemands taalgebruik.
Op naar de antwoorden. Een paar vragen bespreken we helemaal,
dat wil zeggen, we presenteren een overzicht van de gegeven antwoorden
en bespreken dat. Daarnaast doen we een diepteanalyse van een enkête
die door een informant tweetalig is ingevuld. Om tenslotte ook nog specifieke
dialecten aan bod te laten komen, gaan we inzoemen op twee afwijkende taalgebieden
in de Friese provincie, namelijk, Schiermonnikoog en It Bildt. Aan de hand
van de gegeven antwoorden worden enkele verschillen met Fries en Nederlands
besproken. We kiezen voor deze vorm van kwalitatieve (en niet kwantitatieve)
analyse omdat het aantal teruggestuurde formulieren voor Friesland erg
laag (niet significant) was, namelijk een dikke 60.
2. De kruiwagen: metaforische graadaanduiding voor
dronkenschap
Vraag 1 levert direct al een mooie Friese vorm op. Naast
de elders ook gevonden vormen “Maastricht” en “maleier” wordt 10 x vermeld
“zo dronken als een kruiwagen”. Naast de Friese vorm “kroade” vinden we
ook tweemaal het Stellingwerver equivalent van de kruiwagen: “krôjje”
en “krooie”. De laatste variant is “kroiwagen”, gevonden in Het Bildt.
Deze vorm is tamelijk uniek.
In de uitdrukking “zo dronken als Maastricht” wordt als
punt van vergelijking meestal de stad gekozen. Het zou exacter zijn om
te zeggen “zo dronken als een Maastrichtenaar”. Dat laatste wordt ook wel
gezegd, maar minder (8 x de stad, 1x de bewoner). Het punt van vergelijking
is eerder associatief te noemen. Men zou kunnen zeggen dat een associatie
een verkorte manier is om een vergelijking te maken.
Hoe komt men er nu bij om de kruiwagen als punt van vergelijking
te kiezen voor metaforische graadaanduiding? Waarom zou men de kruiwagen
met dronkenschap associëren? Een mogelijkheid is dat zeer dronken
mensen vroeger in een kruiwagen werden afgevoerd. “Zo dronken als een kruiwagen”
staat dan voor “even dronken als mensen die in kruiwagens worden afgevoerd”.
Het woord “kruiwagen” is voldoende om in de verbeelding van de toehoorder
het beeld op te roepen, vooropgesteld dat beiden op de hoogte zijn van
het gebruik om dronkenlappen in kruiwagens af te voeren. Of moet men juist
aan de wat slingerende gang van een volle kruiwagen denken? In elk geval
kan men de uitdrukking ook gebruiken zonder zich iets specifieks voor te
stellen. Wie het éénmaal gehoord heeft begrijpt dat de betekenis
“zeer dronken” wordt uitgedrukt, ook al visualiseert men niet bewust de
impliciete vergelijking.
Dat de vergelijking in feite abstract kan blijven blijkt
duidelijk aan het gebruik van vaag-verwijzende logische woordjes (ook wel
kwantoren genoemd) die “iets” of “iets interessants” betekenen. Men kan
het woordje “wat” namelijk gebruiken als vaag-verwijzend woordje, maar
ook voor een vergelijking, zoals in de zinnen hieronder:
a. Heb jij wat gezien? (wat = iets interessants)
b. Ik heb wat gezien. (wat = iets interessants)
c. Hij was zo dronken als wat.
“Wat” fungeert in de c-zin als een variabele, een soort
joker, als een woordje dat zegt “vul zelf maar wat in”. Overigens heeft
niemand bij vraag 1 zijn toevlucht tot deze stoplap genomen, bij andere
vragen komt het wel voor.
Bij veel van de gegeven antwoorden kan men zich afvragen
waarom het als graadaanduidende vergelijking is gekozen. Waarom is de toeter
gekozen? Toeter wordt ook gebruikt voor een zwaar hoofd na dronkenschap.
Is het gebruik van toeter met als betekenis "zwaar hoofd" afgeleid van
de graadaanduidende vergelijking? Of was de betekenis "zwaar hoofd" er
eerst en werd toeter daarom als graadaanduidende vergelijking gebruikt.
We hebben ook "optater" voor "klap tegen het hoofd". Dat zou erop kunnen
wijzen dat "toeter" primair is en het gebruik als graadaanduidende vergelijking
daarvan afgeleid. De afwisseling a / o in "toeter" en "tater" is typisch
iets wat voorkomt bij woorden waar de etymologische woordenboeken geen
plausibele etymologie van kunnen geven. Zo komt Van Haeringen (1912/1971)
bij "toet" niet veel verder dan dat eeuwige zwaktebod "klanknabootsend",
al is mij niet duidelijk hoe je een gezicht met klanken kunt nabootsen.
Bij "tateren" wordt gewezen op het Vlaams. In elk geval zou men een verband
kunnen veronderstellen met Frans "tête", en met het Nederlandse "toet"
voor gezicht.
Even terug naar de kruiwagen. Het Fries-Nederlandse woordenboek
(1220 bladzijden) geeft aan dat het woord “kroade” vergelijkingspunt is
voor verschillende bijvoeglijke naamwoorden: “sa bryk, dom, dronken, krebintich,
skeef, stiif as in kroade”. Er worden een dozijn uitdrukkingen met “kroade”
gegeven, het Friese woord voor "kruiwagen". Het Nederlandse woordenboek
van Koenen (1677 bladzijden, vergelijkbaar aantal woorden per bladzij)
geeft geen enkel bijvoeglijk naamwoord waarbij “kruiwagen” als vergelijkingspunt
dient, en het geeft slechts 1 uitdrukking. Er is op dit punt dus veel verschil
tussen het Fries en het Nederlands.
Nu staat het Fries qua karakter zelf tussen spreektalig
dialect en machtige schrijf- en standaardtaal in, als een voetbalclub uit
de eerste divisie die nacompetetie mag spelen om te promoveren. Bij de
overgang van dialect naar standaardtaal wordt er echter niet alleen maar
gewonnen, maar er gaat ook iets verloren. Natuurlijk, tot vervelens toe
wordt erop gewezen dat een schrijf- en standaardtaal een veel grotere woordenschat
bezit. Maar dat zijn dan vooral woorden die nauwelijks gebruikt worden
zoals “olla podrida”, “ombrometer”, en andere echt Nederlandse woorden
die in Koenen te vinden zijn. Aan de andere kant gaan er ook dingen verloren,
zoals blijkt uit de vergelijking tussen “kruiwagen” en “kroade”. Wat gaat
er verloren? Het is mogelijk dat het gebruik van vergelijkingen, en daarmee
de mogelijkheid tot creatief taalgebruik, in een standaardtaal veel sterker
wordt ingeperkt dan in een dialect. Een standaardtaal is sterk geuniformeerd.
Voorzover de standaardtaal nog bloemrijke vergelijkingen toestaat, gebeurt
dat vooral in de onderklasse, met hun sappig Amsterdams of Haags plat.
Om deze hypothese te testen zou men het aantal vergelijkingen in het Friese
woordenboek moeten plaatsen naast het aantal vergelijkingen in het Nederlandse
woordenboek, zoals wij hier voor de kruiwagen gedaan hebben.
We hebben al gezien dat het verband tussen het bijvoeglijk
naamwoord (“dronken”) en het punt van vergelijking sterk associatief is.
Ook is duidelijk dat ongeacht of men de vergelijking nu snapt of niet,
men toch begrijpt dat de intensiverende betekenis “heel erg dronken” wordt
uitgedrukt. In feite maakt het dus niet uit welk woord als vergelijkingspunt
wordt genomen. Niet alleen de stoplap “wat” kan voorkomen, maar elk concreet
woord. En daarom vinden we ook een verbijsterende variatie in het overzicht
van alle gegeven vormen bij “zo dronken als (een)”: aap, eend, huzaar,
kakstoel, kanon, kruiwagen, Lazarus, lier, lor, Maastricht, Maastrichter,
maleier, olie, Piet Lut, poep, pond meel, toeter, tol, ton, tor, uil, zebra.
Men kan elk willekeurig punt van vergelijking kiezen, en zo de toehoorder
uitnodigen om het verband te creëren. Waar dat verband evident onnatuurlijk
is, treedt des te sterker een komisch effect op: wat hebben apen, eenden
en zebra’s nu met dronkenschap te maken? De vergelijking dringt echter
een beeld op van dronken apen, eenden en zebra’s. Het ongebruikelijke is
het grappige hieraan. Men kan dan ook eindeloos zelf uitdrukkingen bedenken:
zo dronken als een Tibetaanse bedelmonnik, zo dronken als een pak sneeuw,
enzovoort. Het is een soort versiering van de naakte betekenis, die onafhankelijk
is van wat er op de stippeltjes wordt ingevuld. “Zo dronken als ...” betekent
altijd "erg dronken".
3. De (draai)deur: metaforische graadaanduiding voor
krankzinnigheid
Vraag 16 levert eveneens een grote verscheidenheid aan
vormen op. Meest voorkomend is wel “zo gek als een cent” (17x), op de voet
gevolgd door “zo gek als een deur” (13), waaronder éénmaal
“draaideur”. “Deur” verschijnt bij invullers uit Friesland natuurlijk regelmatig
als “doar”, terwijl “cent” als “sint” of “sent” gespeld wordt omdat de
letter “c” in het Fries niet aan het begin van woorden mag voorkomen, evenmin
trouwens als de “z” en de "v".
Het totale bestand aan vergelijkingspunten ziet er als
volgt uit: bos uien, holder (“hommel”), pak spijkers, knetter, kroade,
kromme spijker, lulke bolle (“boze stier”), meloen, de neten, oester, skurstien,
stekker, theeschoteltje, top, wanne, wat. “Top” is een woord voor “tol”
dat in de kustdialecten voorkomt, waaronder ook het Zeeuws. En het woord
is ook Engels: “a spinning top” is een draaitol. De kruiwagen “kroade”
treffen we hier ook aan. Verder het abstracte woordje “wat”, voor diegenen
die zo gauw niks konden bedenken.
Het concept “krankzinnigheid” heeft geen karakteristieke,
altijd observeerbare kenmerken. Blijkbaar kan bijna alles als vergelijkingspunt
voor metaforische graadaanduiding gebruikt worden.
4. De biljartbal: metaforische graadaanduiding voor
kaalheid
Kaalheid is iets wat zich altijd op één
manier laat herkennen, in tegenstelling tot krankzinnigheid en dronkenschap.
Kaalheid wordt geassocieerd met de afwezigheid van haar op een rond, glimmend
oppervlak. Dan kom je al gauw bij de biljartbal uit (16x) of de knikker
(16x). Een variant is de kikker (6x). Die biljartballen dragen soms een
Fries jasje: “biljertbal”. Andere vormen zijn: “aai” (ei), “iel” (aal),
“keeske” (Bildts en Stellingwerfs voor Edammer), “luus”, “protter” (spreeuw),
“moanne” (maan), “nút” (noot, kloot). Dat “zo kaal als een spreeuw”
in Friesland voorkomt is misschien geen toeval, aangezien jongen van spreeuwen
ook wel “keale konten” worden genoemd. Er is dus al een associatie van
spreeuwen met kaalheid, omdat de jongen geen veren, dons of haar hebben
als ze uit het ei komen.
De meeste vergelijkingspunten worden voorafgegaan door
het woordje “een”: “zo gek als EEN bos spijkers, een meloen”, “zo kaal
als EEN biljartbal”, enzovoorts. Een interessante uitzondering is: “zo
kaal als DE neten”, wat anders is dan “zo gek als EEN neet”. Eén
van de informanten gaf als antwoord “zo gek als de #”, w aarbij hij # gebruikte
voor “wyt ik net”. Opmerkelijk is dat hij nog wel het woordje “de” invulde,
alsof dat hem zou helpen de vergelijking te vinden, wat dus toch niet lukte.
Als “de” wordt gebruikt staat het woord dat er op volgt
doorgaans in het meervoud. We hebben geen vergelijkingen gevonden van het
type “zo gek als de neet”, op een systematische uitzondering na: als wat
op “de” volgt iets is waarvan er maar één bestaat. Van neten
zijn er meerdere, dus dat gaat niet. Maar je zou wel kunnen zeggen: “zo
gek als de koning van Frankrijk”, want er is ten hoogste één
koning van Frankrijk. Daarom vinden we ook “sa gek as DE moanne”, want
er is maar één maan.
Bij “zo gek als” zagen we veel vergelijkingspunten die
nauwelijks verband met het concept “gek” hadden, zoals “zo gek als een
deur”. Bij vergelijkingen om een hoge graad van kaalheid aan te duiden
vinden we wel een duidelijk verband, aangezien aan kaalheid met paar karakteristieke
observeerbare kenmerken geassocieerd kan worden. Geen haar en rond: biljartbal,
knikker, maan, enzovoorts. Bij dronkenschap hebben we echter geen specifieke
en duidelijk observare kenmerken: daarom vinden we bij dronkenschap alleen
maar vergelijkingen die geen duidelijk verband met dronkenschap onderhouden
(bijvoorbeeld “zo dronken als een kanon”). Dronkenschap en krankzinnigheid
kunnen tot van alles leiden, kaalheid niet. Daarom beperken de vergelijkingspunten
bij kaalheid zich veel sterker dan die bij krankzinnigheid en dronkenschap.
5. De hond: metaforische graadaanduiding bij moeheid
Bij moeheid is niet van één of twee duidelijk
observeerbare kenmerken sprake, zoals bij kaalheid. Maar moeheid heeft
een beperkter scala aan gevolgen dan donkenschap. Bovendien is moeheid
minder interessant dan dronkenschap qua nieuwswaarde.
Het begrip moeheid geeft bij metaforische graadaanduiding
dan ook minder vormen te zien. Veel voorkomend zijn varianten van hond
(23 maal), "hûn" op zijn Fries. De hond is een begrip dat we uit
het dagelijks leven nog steeds kennen. De kat wordt echter slechts eenmaal
genoemd.
Tweemaal wordt een variant van stront genoemd ("stront"
en "skiet"). Vermoedelijk hebben we hier te maken met transpositie van
de ene metaforische graadaanduiding door een andere. Want heel bekend is
"strontwiet", Fries voor "kleddernat". Als iemand dus niet op de 'juiste'
graadaanduiding kan komen, kan hij deze vervangen door een andere. De associatieve
samenhang mag immers, zoals we bij dronkenschap al zagen, vrijwel geheel
afwezig zijn.
Een mooie Friese uitdrukking is "sa wurch is in maits"
(made), wat in al zijn varianten 32 maal voorkomt. Fascinerend is de Bildtse
variant "maaik". Verder wordt één keer het Hollandse made
gegeven, vermoedelijk een transpositie van het Fries naar het Hollands,
want in het Hollands is deze uitdrukking niet gangbaar.
Tweemaal wordt "murd" gegeven (bunzing). Dit is vermoedelijk
ook een transpositie van een metaforische graadaanduider die normaliter
in een andere context wordt gebruikt. Zeer bekend is de uitdrukking "stjonke
as in murd". Omdat metaforische graadaanduiders een zeer los verband hebben
met het bijvoeglijk naamwoord of werkwoord waar ze idiomatisch bij voorkomen,
kunnen ze ook gemakkelijk bij andere bijvoeglijke naamwoorden, zoals "wurch"
dus, worden gebruikt. Duidelijk is immers dat wat na "als" volgt alleen
maar dient om intensificatie, "een hoge graad van", aan te duiden: vandaar
dus "sa wurch as in murd", als je zo gauw niet op "maits" kan komen.
Andere varianten waren: paard, peerd, spin en het abstracte
wat.
6. Diepteanalyse van een tweetalig ingevulde enkête
Eén van de informanten heeft de enquête
tweetalig ingevuld. In deze sectie gaan we een diepteonderzoek doen naar
verschillen en overeenkomsten tussen het Fries en het Nederlands van deze
informant. De Nederlandse vragen zijn door de informant slechts aangevuld,
maar de informant heeft er een complete vertaling in het Fries bij gegeven,
waarvan we de aanloop in de eerste kolom citeren, vervolgens de Friese
aanvulling en tenslotte de Nederlandse aanvulling. Daaronder staat mijn
commentaar.
Fries Nederlands
1. Sa dronken as in toeter maleier
as in oele
We zien dat voor het Fries varianten worden gegeven,
voor het Nederlands niet. De Friese vormen zijn beide anders dan de Nederlandse
vorm.
2. Sa dom as oalje olie
as it achterein fan in ko
Ook hier weer varianten voor het Fries, niet voor het
Nederlands. Eén van de Friese varianten is een equivalent van de
Nederlandse. De andere variant "het achtereind van een koe" weerspiegelt
de allesoverheersende invloed in het verleden van de boeren op de Friese
cultuur, en, meer specifiek, de Friese conceptualisering van bepaalde begrippen.
3. Sa fluch as wetter water
Geen metaforisch vuurwerk zoals in de voorafgaande zin.
Taalkundig zien we dat de Hollandse aa van "water" in open lettergreep
(gespeld "a") in het Fries als een korte "e" opduikt, vergelijk Hollands
"later", Fries "letter". Om taalhistorische redenen hebben niet alle Hollandse
"aa's" een equivalent in Friese "e".
4. Sa meager as in latte een lat
Hier zien we een illustratie van een morfologisch feit.
Veel naamwoorden gaan in het Fries nog uit op een stomme "-e", genaamd
de schwa. Ook in de Saksische dialecten is deze nominale schwa nog alomtegenwoordig.
Andere voorbeelden zijn "krante", "tonge", enzovoorts.
5. Honger as boufakkers een wolf
Hier is het van belang om de voorafgaande zin te citeren:
"De jongens hadden buiten gespeeld; ze hadden honger als ...". Vanwege
het meervoudige onderwerp heeft de informant in het Fries gekozen voor
een meervoud. In het Nederlands is echter gekozen voor een enkelvoud voorafgegaan
door het onbepaalde lidwoord "een". Wellicht hebben we hier te maken met
een systematisch verschil tussen Fries en Nederlands.
6. Sa vet as in slak een slak
modder
Beide Friese vormen lijken me ook in het Nederlands te
kunnen, ook al is slechts één ervan bij het Nederlands opgegeven.
7. Sa lillik as in aep een aap
De informant schrijft "aep" met de oude Friese spelling.
In de nieuwe Friese spelling wordt net als in het Nederlands een dubbele
"a" gespeld.
8. Sa lui as in baerch een varken
okse
De informant heeft het woord "baerch" (varken) vervolgens
doorgehaald, waarom is onduidelijk. Het woord "okse" (os) heeft misschien
als zijdelingse inspiratie gediend bij het scheldwoord "mokses" (sufferd).
9. Sa sterk as in hynder een beer
in dyk
Een vergelijking met paard ("hynder") is meer in de praktijk
van het dagelijkse leven geworteld dan een vergelijking met de reeds eeuwen
niet meer in Nederland in het wild gesignaleerde beer. De vergelijking
met "dijk" is eveneens aan het dagelijkse leven in een zeeprovincie ontleend,
al veronderstelt de vergelijking een bepaald optimisme dat soms door de
werkelijkheid wordt weerlegd.
10. Sa grutsk as in stoaterske hoanne een pauw
Hier een mooie Friese vergelijking, andermaal aan het
dagelijkse boerenleven ontleend: "zo trots als een haan" ("stoatersk" betekent
"een stoter kostend"). Het Nederlands daarentegen heeft in de vergelijking
een gekunsteld hofdier, namelijk de pauw, die de gemiddelde Nederlander
vroeger niet dagelijks zal hebben waargenomen. Ook nu zien we weer hoe
de Friese vergelijking in het dagelijks leven is geworteld, terwijl de
ABN-vergelijking een ingevoerd artefact is, dat in dit geval hoogstens
aan het hof bekend zal zijn geweest.
11. Sa earm as de luzen de luizen
in neet
Hier klinkt het gebruik van "de" in "als de luizen" me
spreektalig in de oren. "Als een luis", met het onbepaald lidwoord "een",
lijkt me vlakker, saaier en schrijftaliger. Hiermee is overigens niet gezegd
dat schrijftaal altijd saaier en vlakker zou zijn dan spreektaal: men leze
de werken van Marten Toonder maar om van creatief taalgebruik in de schrijftaal
te kunnen genieten.
12. Sa bang as it hûntsje een wezel
Hier vinden we in het Fries het bepaald lidwoord "de",
waarvan ik eerder al schreef dat het me in een vergelijking levendiger
en concreter in de oren klonk dan onbepaalde "een", waarvoor de informant
in het Nederlands voor gekozen heeft.
13. (Noch goed by sûp en stút) Zo nuchter
als pasgeboren babies
Hier is in het Fries de hele vergelijking vervangen door
een idiomatische uitdrukking.
14. Sa fol as in aai een ei
Hier vinden we in Nederlands en Fries dezelfde vergelijking.
De uitdrukking "eivol" had ik wel eens gehoord, maar dit gebruik kende
ik nog niet.
15. Sa dôf as in kwartel een kwartel
16. Sa gek as in spiker een spijker
17. Sa wurch as in hûn een hond
in maits
Hier weer twee Friese uitdrukkingen waarvan er één
een Hollands equivalent heeft, de ander niet. "Maits" betekent "made".
18. Opmakke as in skilderij een schilderij
19. Sa keal as in neet een biljartbal
in biljertbal
20. Sa forkeard as hwat ...
In het Fries is het overal inzetbare "as wat" gekozen
(hier in de oude spelling), het Nederlands is opengelaten. Wellicht wordt
"als wat" niet als correct Nederlands gevoeld.
21. Ik gappe as in ... ...
22. Ik hime as ... een hert
Aan de Hollandse metafoor zal de bijbel wel debet zijn
("hijgend hert de jacht ontkomen"). Opmerkelijk is dat dat niet bij het
Fries is ingevuld.
23. Prate as brugman een advocaat
Brugman is naar de redenaar Johannes Brugman (1400-1473).
Advocaat is een recentere vergelijking. De advocaat wordt in onze door
wetten afgepaalde maatschappij steeds belangrijker. Conflicten worden niet
meer met fysiek geweld uitgevochten maar met juridisch geweld: een beschaafde
invulling van het recht van de sterkste. Er zijn tegenwoordig zelfs televisieseries
waarin de hoofdpersoon een advocaat is.
24. Ik roun as in hazze een haas
25. En seach Fries: as hearde er it yn Keulen donderje
Ned: als hoorde hij het in Keulen donderen
De uitdrukking is hetzelfde maar opvallend is de Friese
woordvolgorde in deze constructie met de persoonsvorm vooraan in de bijzin.
In het Fries is deze constructie spreektalig. In het ABN is de constructie
ook wel mogelijk, maar veeleer schrijftalig en in een rethorisch register,
terwijl de meer vlotte en gangbare vorm is: "alsof hij het in Keulen hoorde
donderen".
26. Ik ha sliept as in baarch een os
as in roas een roos
De dierennamen zijn aan het dagelijks leven ontleend,
al spelen wellicht op de achtergrond ook associaties mee in de trant van:
een groot beest slaapt extra veel. Slapen als een roos is eigenlijk een
mysterieuze vergelijking mogelijk gebaseerd op de serene en schone aanblik
die het gezicht biedt van een bekende die slaapt en in zijn of haar slaap
aanschouwd wordt. Het is wel opvallend dat een vergelijking zo los van
de werkelijkheid (buiten ons) kan staan, want het slapen van planten is
wel heel ver verwijderd van het slapen van mensen. Maar misschien is de
associatie niet zozeer met de buitenwereld maar met de binnenwereld, waarin
de roos een symbolische betekenis heeft en gemakkelijk geassocieerd wordt
met degene die slaapt, die normaliter een bekende of familielid zal zijn,
en waarmee dus een nauwe emotionele band wordt onderhouden. Tenslotte zal
er ook stellig nog een link met de slapende sprookjesfiguur Doornroosje
zijn.
27. Ik switte as in oandrager een otter
Een "oandrager" is een opperman, iemand die kalk en stenen
aandraagt voor de metselaars. Otters zweten natuurlijk helemaal niet maar
zijn, omdat ze regelmatig in het water verkeren, met druppeltjes overdekt.
28. Ik blette as in rund in rund
"Rund" is geen Fries woord maar een transpositie uit
het Nederlands. In het Fries zou het "ko" of "kobist" moeten zijn.
29. In burd as Methusalem Methusalem
30. Sa iverich as de mieren de mieren
in bij
Mieren is ook een transpositie. Dat zou "mychhimmels"
of "eamels" moeten zijn.
7. 't Bildt: krenten uit de pap
“‘t Klaine maisy is soa flug as water”
“Se binne soa bang as ‘n hondsy”
In deze zinnen gaan de verkleinwoorden “hondsy” en “maisy”
uit op -sy. Dit is uniek kenmerk van het Bildts. We treffen het verder
niet in de nederlandse dialecten aan. Wat we wel elders aantreffen is de
-ie. Die is immers typisch Hollands. Het hoeft ons niet te verbazen dat
het Bildts een beetje op het Zuidhollands lijkt want het Bildt is enkele
eeuwen geleden bevolkt door boeren en arbeiders uit Zuidholland. Interactie
tussen Fries en Zuidhollands heeft het unieke Bildtker dialect doen ontstaan.
In de graadaanduidingen vinden we aan de ene kant typisch Friese metaforen:
“soa dronken as ‘n kroiwagen, ik hiigde as ‘n brúnfis”. Typisch
Hollands daarentegen is “soa mager as ‘n boanestaak”. Opmerkelijk is dat
de werkwoordsuitgangen typisch Fries aandoen. In de tegenwoordige tijd
meervoud vinden we “binne je, se besitte, die kines durve, die mînsen
werke”, allemaal op stomme -e, net als in het Fries. In de verleden tijd
meervoud vinden we “se hadden, syn ouweloi waren”, allemaal op -en, net
als in het Fries. Ook de distributie van de beide infinitiefuitgangen (-e
en -en) spoort met het Fries. Een gewone infinitief gaat uit op -e (“oaly
dom weze”, “se kin prate”), als er “te” voor staat op -en (“gong te stappen”).
Net als in het Fries is het nominale meervoud op -en, niet op -e: “neten,
feren”. Voltooide deelwoorden van sterke werkwoorden eindigen net als in
het Fries op -en, niet op -e: “sneden, lopen, slapen”. In de huidige Zuidhollandse
dialecten vinden we in al deze contexten een stomme -e uitgesproken zonder
-n.
De aanwezigheid van Friese syntaxis wijst erop dat Friese
moedertaalsprekers naar Het Bildt zijn gegaan en daar Bildtkers hebben
geleerd. Het is namelijk een kenmerk van tweedetaalverwerving door volwassenen
dat ze weliswaar vreemde woorden kunnen aanleren maar dat ze de neiging
hebben de grammatica van hun moedertaal (in dit geval Fries) over te dragen
op de taal die ze leren (Bildtkers).
8. Schiermonnikoog: krenten uit de pap
Het Schiermonnikoogs neemt een aparte plaats in onder
de Friese dialecten. Als enigst Friese dialect (in Nederland) onderscheidt
het nog drie geslachten. Het lijkt op het Fries maar soms ook op het Gronings.
Neem bijvoorbeeld “it lutj faam” (de kleine meid). De form “lutj” is identiek
aan de Groningse vorm “lutje”, terwijl het Fries “lyts” heeft. "Faam" (meisje)
is daarentegen Fries. Evenzo zit Schier met “só” dichter bij het
Gronings dan het Fries (“sa”). Hieronder volgt een rijtje interessante
vormen:
Schier Nederlands Fries
bes baard burd
hes hard hurd
hieuwn hond hûn
aimels mieren eamels
deure durven doare
beeuwfakker bouwvakker bouvakker
kail kaal keal
kalf kalf keal
dolver delver doller
múed moe wurch
stúech stond stie
Het is mogelijk dat het Schiermonnikoogs de laatste directe
afstammeling is van het Oosterlauwerse Fries. Dat is het Fries dat tot
in de middeleeuwen in Groningen is gesproken, en waar nog oude wetsteksten
van zijn teruggevonden. In Groningen zelf is het Fries opgegaan in een
Saksich dialect met Friese trekjes. Het zou de moeite waard zijn het huidige
Schiermonnikoogs eens systematisch te vergelijking met het Gronings van
het Hogeland en het Westerkwartier.
9. De samenstellingen
Hieronder volgt een overzicht van de voornaamste van
het gangbare Nederlands afwijkende vergelijkingen:
Blauw: feninich blau, koegeltsjeblau
Droog: hoarndroech, riisdroech
Gek: spikergek
Glad: snoteglêd, sjippeglêd (zeepglad),
Groen: kúschytengriên
Hard: bonkehurd
Koud: gloepense koud
Lauw: pislij
Nat: dongtrochwiet, dweiltrochwiet,
Schoon: skytskjin, sûkerskjin
Vol: aaifol, groatfol
Waar: stjerrende wier
Zat: skytsêd
Zout: breinsâlt
Zwart: pikdiigende swets
Het type “stjerrende wier, gloepense koud” is een iets
ander type dan “sûkerskjin”. “Sûkerskjin” is gewoon “sa skjin
as sûker” (zo schoon als suiker). “Stjerrende wier” is niet “sa wier
as stjerrende” (zo waar als stervende). “Stjerrende wier” kort veeleer
de zin af: “ik mei stjerre as it net wier is” (ik mag sterven, doodvallen,
als het niet waar is). Formeel wordt dat type gekenmerkt door een stomme
-e op het eerste lid van de combinatie: “stjerrend-e wier, gloepens-e koud”.
Verder moet nog gewezen worden op de verkleiningsuitgang
in “koegeltsjeblauw”. Het gaat hier niet om specifiek kleine kogeltjes.
Hier fungeert -tsje hier als een verbindend woordje tussen de beide leden
van de samenstelling. Andere voorbeelden zijn: Fries “goudsjeblom” (goudsbloem,
heeft niks met klein goud te maken), Gronings “neuskebril” (neusbril, niet
speciaal voor kleine neuzen).
10. Uitleiding
We hebben gewezen op de taalkundige en culturele rijkdom
van de gegeven antwoorden. Belangrijk is het decoratieve karakter van de
metafoor die een hoge graad van iets aanduidt. Het maakt niet uit wat er
volgt op “zo dronken als ...”: de bedoelde betekenis “erg dronken” zal
altijd overkomen. In vogelvlucht hebben we enkele taalkundige eigenschappen
van interessante dialecten als het Bildts en het Schiermonnikoogs behandeld,
en gewezen op de boeiende geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling
van een dialect. Tot slot volgt aan het eind van het artikel een lijstje
met de meest voorkomende antwoorden per vraag.
Bedanknoot
Ik bedank Marjo van Koppen voor commentaar.
1 kanon 16 maleier 13 kruiwagen 10 maastricht 10
2 ezel 24 koe 14 olie 13 achterste van koe 11
3 water 53 kieviet 4 zwaluw 4
4 lat 42 brandhout 13 roek 6 rups 4
5 wolf 27 paard 26 poep 6 slootgraver 4
6 modder 29 slak 24 varken 19
7 nacht 48 wat 3 aap 2 kraai 2
8 varken 35 dat hij stinkt 3 stok 3
9 beer 37 dijk 16 paard 10 pauw 51 aap 9 spreeuw 4
11 luizen 41 job 22 mieren 6
12 wezel 44 haas 7 hondje 5
13 (pasgeboren) kalf 33 wat 5
14 ei 15 potje (met p(i)eren) 14, teek 12, murd 6
15 kwartel 56 pot 4
16 cent 14 deur 13 spijker 9
17 made 30 hond 25
18 -pop 6, pauw 5, -boom 5, schilderij 5
19 biljartbal 16 neet 16 knikker 14 luis 13 kikker 8
20 mispel 27
21 spreeuw 11
22 paard 30 hert 5 hond 4
23 brugman 49 advocaat 9
24 haas 45 dief 8 hazewind 3
25 Keulen 13 water 6
26 os 29 varken 11 roos 11 marmot 9
27 otter 31 aandrager 15 paard 10
28 rund 39 koe 10 varken 8
29 methusalem 7 van X dagen 6 sinterklaas 5
30 bij 32 mier 28