90Morfo97LuikMorfo.htmlTEXTMOSSJ..mBIN 90eMorfo97LuikMorfo Door de standaardtaal gesteunde suffiksen rukken sneller op na onbeklemtoonde lettergrepen: mannelijke en vrouwelijke inwonersnamen bij inheemse plaatsnamen

Eric Hoekstra, ehoekstra@fa.knaw.nl (1999. In S. Theissen & P. Hiligsmann (ed) Morfologiedagen 1997. Handelingen van het colloquium aan de Université de Liege op 23 en 24 september 1997. Vakgroep Nederlands, Université de Liege, 5-11. )

Samenvatting1
Ik presenteer twee gevallen van concurrerentie tussen suffixen in dialecten waarbij blijkt dat het oorspronkelijk dialectische suffix vaker voorkomt na beklemtoonde lettergrepen dan na onbeklemtoonde terwijl het door de standaardtaal gesteunde suffix na onbeklemtoonde lettergrepen vaker voorkomt dan na beklemtoonde.

1. Inleiding
Contact tussen dialect en standaardtaal leidt tot een voortdurende beïnvloeding van het dialect door die standaardtaal. Is die beïnvloeding gelijkmatig of volgt de beïnvloeding een specifieke weg? Onderzoek naar de volgende twee verschijnselen lijkt erop te wijzen dat die beïvloeding een specifieke weg volgt.
Ten eerste. In het Fries en het Gronings, en in aangrenzende dialecten, werden vrouwelijke inwonersnamen bij inheemse plaatsnamen oorspronkelijk exclusief afgeleid met het achtervoegsel -ER. Het concurrerende ABN-achtervoegsel is -SE (ANS 1984). Hieronder volgt een voorbeeld uit het Standaard Fries ter illustratie, met daaronder in (b) het ABN.

(1) a. Dreekster (1) b. Dreekse

Beide vormen komen echter in de Friese dialecten voor. Waar ooit -ER het alleenrecht had op de vorming van vrouwelijke inwonersnamen bij inheemse plaatsnamen is er nu binnen de dialecten sprake van concurrentie tussen -ER en -SE. Nu blijkt uit ons onderzoek dat het "oorspronkelijke" -ER zich beter handhaaft na een beklemtoonde lettergreep, terwijl het uit de standaardtaal geïmporteerde -SE zich met meer succes indringt na een onbeklemtoonde lettergreep.
Ten tweede. In de dialecten van de Achterhoek en een deel van Brabant werden mannelijke inwonersnamen gevormd met behulp van het achtervoegsel -SE(N). De concurrerende ABN-achtervoegsels zijn: -ER en -ENAAR. Hieronder volgt een voorbeeld uit de Achterhoek ter illustratie, met daaronder in (b) het ABN.

(2) a. Dreeksen (1) b. Drekenaar / Dreker

Ook hier blijkt uit ons onderzoek dat het "oorspronkelijke" suffix, in dit geval -SE, zich beter handhaaft na een beklemtoonde lettergreep, terwijl het door de standaardtaal gesteunde suffix, in dit geval -ER / -ENAAR, met meer succes optreedt na een onbeklemtoonde lettergreep.2
Ik bespreek dit resultaat in het kader van de taalcontacttheorie van Van Coetsem (1982).

2. Materiaal
Op vragenlijst 61,3 (1986) van het P.J. Meertens Instituut te Amsterdam is de volgende vraag aan de informanten gesteld:3

Vraag 61,3 van de vragenlijsten van het PJMI
3AEen man uit Haarlem wordt een Haarlemmer genoemd, een vrouw een Haarlemse, en koekjes uit Haarlem duidt men aan als Haarlemse koekjes.
a. een man uit ....................... is een .............
b. een vrouw uit ................... is een ..............
c. koekjes uit ................... zijn .............. koekjes

3B Wilt U ook de vormen geven voor de volgende (verzonnen) plaatsen:
1. Grunnik
a. een man uit Grunnik is een .................
b. een vrouw uit Grunnik is een .................
c. koekjes uit Grunnik zijn ................. koekjes
2. Stiel
a. een man uit Stiel is een .................
b. een vrouw uit Stiel is een .................
c. koekjes uit Stiel zijn ................. koekjes
3. Gradem
a. een man uit Gradem is een .................
b. een vrouw uit Gradem is een .................
c. koekjes uit Gradem zijn ................. koekjes
4. Dreek
a. een man uit Dreek is een .................
b. een vrouw uit Dreek is een .................
c. koekjes uit Dreek zijn ................. koekjes

Het hier gerapporteerde onderzoek is gebaseerd op de antwoorden van 538 informanten uit Nederland en Nederlands sprekend België. Deze informanten geven een representatief beeld van wat er aan van de standaardtaal afwijkende taalvormen bestaat, zoals de planten in een natuurreservaat een beeld geven van niet (meer) algemeen voorkomende soorten. Het is uiteraard niet representatief voor het taalgedrag van de Nederlandse bevolking als geheel.

3. Vrouwelijke inwonersnamen: dialectisch -ER versus -SE

3.1. Dialectisch -ER
Reker (1991) geeft in zijn Groninger grammatica een complete lijst van Groningse plaatsnamen met de afgeleide vorm op -ER erbij die gebruikt wordt voor de mannelijke en vrouwelijke inwonersnaam en voor het bijvoeglijk naamwoord. Het gaat in dit artikel om de vrouwelijke inwonersnaam, waarvoor de volgende generalisatie geldt:

(3)Alle vrouwelijke inwonersnamen behorende bij Groninger plaatsnamen eindigen op -ER
(4) Enkele voorbeelden
Oadörp Oadörper
Auwerd Auwerder
Auwerderziel Auwerderzielster
Alterveer Alteveerster
Brij Brijster
Bril Brilster

Reker wijst op de generalisatie in (3). Vervolgens onderzoeken we het Fries, dat qua morfosyntaxis nauw aan het Gronings verwant is (Hoekstra 1997). Een blik in de woordenboeken alsmede mijn eigen kennis als native speaker ondersteunen dezelfde generalisatie die ook voor het Gronings gemaakt kon worden (zie ook J. Hoekstra, te verschijnen):

(5) Alle vrouwelijke inwonersnamen behorende bij Friese plaatsnamen eindigen op -ER
(6) Enkele voorbeelden
Ljouwert Ljouwerter
Bokwerd Bokwerder
It Fean Feanster
Grou Grouster
Snits Snitser

In feite hebben Groningen en Friesland hetzelfde systeem. -ER is de enige vorm; daaronder vallen ook enige allomorfen als -STER en -DER. Let wel: dit is een geïdealiseerde beschrijving, die voor het verleden gold en voor de schrijftaal geldt maar slechts in geringe mate voor de hedendaagse spreektaal. Zoals we zullen zien produceert een deel van onze informanten dialect waarin -SE naast -ER optreedt.

3.2. -ER versus -SE

In totaal hebben 71 informanten bij minstens één van de vier afgevraagde plaatsnamen een vrouwelijke inwonersnaam gemaakt die uitgaat op -ER. Daarvan hebben er 31 bij alle vier plaatsnamen de -ER vorm gekozen: zij mengen het vrouwelijke -ER niet met het standaardtalige SE-systeem, en voor hun is de beschrijving uit de grammaticas en woordenboeken nog steeds geldig. Informanten die -ER voor vrouwelijke inwonersnamen gebruiken vinden wetrouwens niet alleen in Friesland en Groningen maar ook zuidelijker. Er zijn 42 sprekers die niet consequent de ER-vorm hebben, maar wel minstens één keer: zij kunnen als "mengers" beschouwd worden, of liever, als sprekers bij wie we een taalverandering zien optreden. Zij mengen ER-vormen met SE-vormen. In hun taalgebruik wordt het zich voltrekkende taalcontact tussen dialect en standaardtaal zichtbaar.
Er zijn aanwijzingingen dat het mengen zich volgens een bepaald patroon voltrekt. -SE wordt eerder gebruikt na een onbeklemtoonde stam dan na een beklemtoonde stam. Om dat te laten zien vergelijken we combinaties van vormen die de informanten hebben gekozen.

(7)
Grunnik -ER/Stiel -SE versus Grunnik -SE/Stiel -ER 9-16
Grunnik -ER/Dreek -SE versus Grunnik -SE/Dreek -ER 8-19
(8)
Gradem -ER/Stiel -SE versus Gradem -SE/Stiel -ER 8-14
Gradem -ER/Dreek -SE versus Gradem -SE/Dreek -ER 7-16

We zien in (7) dat de combinatie van -SE/Grunnik met -ER/Stiel meer voorkomt dan de combinatie van -ER/Grunnik met -SE/Stiel. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor (8). De achterliggende generalisatie lijkt de volgende te zijn:

(9)Een dialectsuffix dat niet gesteund wordt door het ABN komt vaker voor na een beklemtoonde lettergreep dan na een onbeklemtoonde lettergreep. Voor een dialectsuffix dat wel gesteund wordt door het ABN geldt het omgekeerde. 4

4. Mannelijke inwonersnamen: dialectisch -SE versus -ER/-ENAAR

De Schutter (1983) wijst erop dat in een deel van het Nederlandse taalgebied -SE (of -SEN) voor mannelijke inwonersnamen gebruikt wordt. Opvallend is dat mannelijk -SE meer wordt aangetroffen na stammen die op een beklemde lettergreep eindigen dan na stammen die op een onbeklemtoonde lettergreep eindigen.

(10)
Bij beklemtoonde lettergreep
Stiel => Stielse(n) 59
Dreek => Dreekse(n) 46
Bij onbeklemtoonde lettergreep
Grunnik => Grunnikse(n) 29
Gradem => Grademse(n) 32

Deze feiten spreken duidelijke taal. Wanneer we vervolgens nagaan welke combinaties van suffixmenging per informant voorkomen dan wordt een en ander nog duidelijker:

(11)
Grunnik -SE/Stiel -X versus Grunnik -X/Stiel -SE 4-34
Grunnik -SE/Dreek -X versus Grunnik -X/Dreek -SE 2-20
Gradem -SE/Stiel -X versus Gradem -X/Stiel -SE 6-33
Gradem -SE/Dreek -X versus Gradem -X/Dreek -SE 4-19
(NB "X" staat voor "ander suffix dan -SE", meest -ER of -ENAAR)

Er spreekt uit deze feiten een sterke tendens: als er taalmenging van suffixen optreedt dan zullen we het oorspronkelijke dialect-suffix eerder aantreffen na een beklemtoonde lettergreep. Het door de standaardtaal gesteunde suffix daarentegen is eerder te vinden na een onbeklemtoonde lettergreep.

5. Taalcontactinterpretatie van de morfologische feiten

We geven nu eerste enkele termen om de discussie beter te kunnen voeren.

(12) Doeltaal: de taal die men probeert te spreken
(13) Brontaal: de taal die invloed uitoefent op de taal die men probeert te spreken

In de twee gevallen die hier geanalyseerd zijn is het dialect de doeltaal, aangezien onze informanten proberen dialect te produceren. De brontaal is de interfererende taal, het ABN. Nu is -SE in bijvoorbeeld Grunnikse (vrouwelijke inwonersnaam) weliswaar aan de standaardtaal ontleend maar voor onze dialectsprekers is het een dialectvorm. Mengsprekers hebben in hun dialect dus twee manieren om de vrouwelijke inwonersnaam te produceren: met -SE en met -ER. De SE-vorm wordt echter gesteund door het bestaan van een identieke vorm in de standaardtaal. Met behulp van de begrippen brontaal en doeltaal kunnen we onze hypothese nu als volgt formuleren:

(14) Onze hypothese:
In de context van een beklemtoonde lettergreep is de invloed van de brontaal op de suffixkeus in de doeltaal kleiner dan in de context van een onbeklemtoonde lettergreep.
(15)Voorspelling uit hypothese:
Een dialectsuffix zonder steun uit de standaardtaal dat rivaliseert met een dialectsuffix met steun uit de standaardtaal handhaaft zich gemakkelijker in de context van een beklemtoonde lettergreep dan in de context van een onbeklemtoonde lettergreep.

We zagen net dat het dialectische suffix na beklemtoonde lettergrepen sterker staat dan na onbeklemtoonde lettergrepen. We hebben dit geïnterpreteerd als een psycholinguistisch taalcontactfeit: blijkbaar is beïnvloeding van de doeltaal door de brontaal gemakkelijker na een onbeklemtoonde lettergreep. Hierbij beschouwen we de brontaal als de taal die de bron is van een invloed op een andere taal: in dit geval is de brontaal het ABN. De doeltaal is de taal die men probeert te spreken: in dit geval het dialect.
Deze interpretatie wordt ondersteund door een onafhankelijk gemotiveerd onderzoeksresultaat van taalcontactonderzoek. Van Bree (1994) merkt op dat het Stadsfries morfologisch in beklemtoonde lettergrepen "Nederlandser" is dan in onbeklemtoonde lettergrepen. Nu is Stadsfries ontstaan doordat Friese moedertaalsprekers probeerden Nederlands te spreken. Met andere woorden: brontaal Fries, doeltaal Nederlands. Overeenkomstig onze eigen bevindingen geldt ook voor het Stadsfries dat de doeltaal beter wordt benaderd in de context van een beklemtoonde lettergreep dan in de contaxt van een onbeklemtoonde lettergreep.
De hier gerapporteerde dialectfeiten betreffende invloed van de brontaal op suffixkeus sluiten dus prima aan bij de resultaten die Van Bree voor het Stadsfries vond. Daarnaast bieden de dialectfeiten steun voor de hypothese dat de brontaal in de context van een onbeklemtoonde lettergreep meer zijn invloed laat gelden dan na een beklemtoonde lettergreep.

Bibliografie

Algemene Nederlandse Spraakkunst, ANS (1984). G. Geerts, W. Haeseryn, J. de Rooij en M.C. Van den Toorn. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Booij, G. (1994) "Morfologie en lexicale semantiek". Jaarboek van de Stichting Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Overzicht van het jaar 1993. Leiden, 51-68.
Bree, C. van (1994) "Het probleem van het ontstaan van het 'Stadsfries' in verband met nieuwe talen in contact-theorieën". Handelingen Regionaal Colloquium Wroclaw 1994. Acta Universitatis Wratislaviensis No 1651, 43-65.
Fast, P. (1989) "De vorming van inwoonsternamen in de dialecten". Taal & Tongval 41, 143-159.
Fast, P. & J. van Marle (1988) "Nogmaals de inwoonstersnamen: verdere evidentie voor -SE". Spektator 18, 423-430.
Haas, W. de & M. Trommelen (1993) Morfologisch Handboek van het Nederlands. Een overzicht van de woordvorming. SDU Uitgeverij, 's Gravenhage.
Hoekstra, E. (1998) "Oer de oerienkomst tusken de dialekten fan Grinslân
en it Frysk." In P. Breuker, S. Dyk, P. Duijff, D. Gorter, A. Steensma,
W. Visser en O. Vries (red.) Philologia Frisica anno 1996.
Fryske Akademy, Ljouwert.
Hoekstra, J. (1998) Fryske Wurdfoarming. Fryske Akademy, Ljouwert.
Marle, J. van (1985) On the paradigmatic dimension of morphological creativity. Foris, Dordrecht.
Reker, S. (1991) Groninger Grammatica. Staalboek, Veendam.
Schutter, G. de (1983) "Appellatieven in de Nederlandse dialecten". Taal & Tongval 35, 27-31.
Smedts, W. (1973) "Etnica en adjectiva bij toponiemen". Naamkunde 5, 168-189.

Noten

1Ik dank Geert Booij, Jarich Hoekstra en Roeland van Hout voor discussie, alsmede de aanwezigen op de Morfologiedagen Luik, 23-24 September 1997.

2Zie Van Marle (1985), De Haas & Trommelen (1993), Booij (1994) voor de paradigmatische verhouding tussen mannelijk -ER en vrouwelijk -SE in de standaardtaal.

3Deze vraag is opgevoerd op de vragenlijst door J. van Marle en P. Fast, die er samen in Spektator over publiceerden (1989).

4Fast (1989) maakt de generalisatie, op basis van dezelfde enkête als hier gebruikt, dat het mannelijk suffix -(E)NAAR, dat concurreert met -ER, eerder bij monosyllaben dan bij disyllaben wordt aangetroffen. Het gaat echter niet om het aantal lettergrepen als wel om de vraag: bezit de lettergreep waar het suffix aan wordt aangehecht klemtoon. Subcategorisatieregels voor suffixen tellen immers geen lettergrepen, maar wél zijn ze gevoelig voor klemtonige eigenschappen van de lettergreep waaraan ze zich hechten. Overigens is het interessant dat klemtoon ook de keus van -ENAAR versus -ER beïnvloedt.