De sneeuwkoningin
Er was eens een tovenaar die een
bijzondere spiegel had gemaakt: alles wat je in die spiegel zag werd lelijk en
misvormd. Op een kwade dag brak de spiegel; de scherfjes en splinters
verspreidden zich over de hele wereld. Één van die splinters kwam terecht in
het oog van een kleine jongen, Kai. Heel even voelde hij een prikje en daarna
veranderde zijn hele wereld. Zijn buurmeisje Gerda vond hij ineens maar een dom,
lelijk meisje, haar grootmoeder die zulke prachtige verhalen kon vertellen, werd
voor hem een stom oud mens met kinderverhaaltjes; de prachtige rozen op hun
balkonnetjes veranderden in zijn ogen in lelijke dingen waar je niets aan hebt.
Op een koude winterdag toen hij in de sneeuw speelde, landde er een rendierenslee
met een prachtige vrouw erin midden op het plein. Het was de
sneeuwkoningin die op weg was naar haar ijspaleis, ver in het hoge noorden. Kai
bedacht zich geen ogenblik en bond zijn eigen slee vast aan die van de
sneeuwkoningin; zo ging hij in vliegende vaart mee door de lucht.
Gerda besloot haar vriendje te gaan zoeken. Ze liep door tot ze bij een brede
sloot kwam en niet verder kon, maar ze zag een bootje liggen, klom erin en liet
zich door het water mee voeren. Dagen later stootte het bootje tegen de wal en
Gerda ging aan land. Ze kwam terecht bij een vriendelijke vrouw die haar vroeg
bij haar te blijven. Deze vrouw kon een beetje toveren en toen ze Gerda’s
verhaal had gehoord betoverde zij het meisje zodat ze niet meer aan haar
vriendje dacht. Ook alle dingen die haar aan Kai zouden kunnen herinneren liet
zij verdwijnen. Zo bleef Gerda lange tijd bij de vrouw wonen tot ze op een dag
in een afgelegen hoekje van de tuin een rozenstruikje ontdekte, dat door de
vrouw over het hoofd was gezien. Plotseling herinnerde zij zich alles weer en de
vrouw begreep dat ze het meisje niet langer bij zich kon houden. Dus trok Gerda
weer verder, op zoek naar Kai.
Na een lange tocht kwam Gerda bij een kasteel. De mensen vertelden dat er een
jongeman woonde. "Zou dat Kai zijn?", dacht Gerda, maar het bleek een
jonge prins te zijn. Toen hij hoorde van haar zoektocht, wilde hij helpen. Hij
gaf haar een koetsje en warme kleren zodat ze nu veel prettiger en sneller naar
het noorden kon reizen. Korte tijd later kwam Gerda in een donker bos. Hier werd
zij overvallen door een roversbende. Ze namen haar het koetsje en haar warme
kleren af en gaven haar toen als speeltje aan het dochtertje van de
roverhoofdman. Eerst was dit meisje niet erg aardig voor Gerda, maar na een
tijdje raakte ze toch onder de indruk van haar verdriet om Kai. Het roversmeisje
gaf Gerda haar warme kleren terug, schonk haar haar eigen bijzondere sprekende
rendier en hielp haar ontsnappen. Zo kon Gerda verder trekken, alsmaar naar het
noorden en het werd steeds kouder. Na een hele lange moeilijke reis kwam ze bij
een Lappenvrouw. "Nu zal ik wel bijna bij het paleis van de sneeuwkoningin
zijn", dacht zij, maar de Lappenvrouw zei haar dat ze nóg veel verder
moest, naar de Finnenvrouw. Toen ze daar eindelijk aankwam moest ze haar rendier
achterlaten want het laatste stuk was zelfs voor dit trouwe dier te moeilijk.
Gerda ploeterde verder door de sneeuw en ten slotte bereikte zij het ijspaleis.
Daar zat de sneeuwkoningin op haar troon en …Kai! Kai had al die tijd bij haar
gewoond maar op een dag kreeg hij er genoeg van en wilde terug. De
sneeuwkoningin gaf hem een puzzel die uit letters van ijs bestond. "Als je
het goede woord vormt mag je gaan", zei ze, maar het was Kai nog niet
gelukt de oplossing te vinden. Nu hij zijn buurmeisje zag, smolt er een beetje
van de ijsklomp die zijn hart geworden was, en ineens zag hij het woord:
EEUWIGHEID. Zodra hij de letters in de juiste volgorde had gelegd, vloog de
splinter uit zijn oog, zijn hart ontdooide. Hij was vrij!
Wat was de oude grootmoeder blij toen ze hen beiden weer terug
had! Intussen waren Kai en Gerda geen kinderen meer. Ze trouwden met elkaar en
gingen wonen in een aardig huisje met een tuin erbij, een tuin met vele bloemen,
maar vooral heel veel rozen. En zo leefden zij nog lang en gelukkig.