Duimelijntje
Er was eens een oude vrouw die heel graag een dochtertje wilde, "Al is ze maar zo klein als mijn duim", zuchtte de vrouw. Een goede fee besloot haar wens te vervullen en gaf haar een meisje zo klein als een duim. De vrouw was heel blij en zorgde goed voor het kleine meisje, liet haar drinken uit een vingerhoedje, slapen in een notendop en noemde haar Duimelijntje. Zo verstreken vele gelukkige jaren waarin Duimelijntje wel ouder werd, maar niet groter. Maar op een nacht, toen het meisje lekker lag te slapen, sprong door het open raam een pad naar binnen. "Dat lijkt mij wel een geschikte vrouw voor mijn zoon", dacht hij. Hij nam de notendop met Duimelijntje erin mee en zette haar neer op het blad van een waterlelie midden in de sloot. Het kleine meisje schrok vreselijk toen zij ontwaakte en begon hard te huilen, zij wilde helemaal niet trouwen met een lelijke pad! Een vlinder kwam haar helpen en trok het blad los van de plant zodat het verder kon drijven, weg van de paddenfamilie.
Nu werd ze opgemerkt door een grote kever. Hij tilde Duimelijntje op en vloog met haar naar een hoge boom. De andere leden van de keverfamilie vonden haar gek en lelijk en lachten de kever uit. Dat vond hij niet leuk en dus bracht hij haar naar de grond. Daar stond Duimelijntje nu, ver van huis en helemaal alleen in het grote bos.
Intussen was het winter geworden. Bibberend van de kou zwierf het meisje tot zij uiteindelijk bij een korenveld kwam. Daar werd zij gevonden door een veldmuis die haar meenam naar haar holletje. Ze mocht bij de muis blijven en al spoedig raakte zij gewend aan haar omgeving. Op een dag vond zij een zwaluw, die doordat hij gewond was geraakt, niet met zijn familie naar het zuiden had kunnen vliegen toen de winter kwam. Duimelijntje verzorgde de vogel tot hij weer helemaal genezen was. Intussen had zij ook kennis gemaakt met de andere dieren in het korenveld. De buurman van de muis was een dikke, zwarte mol. Hij kwam zelden boven de grond, maar in zijn hol bewaarde hij enorme voorraden voedsel, waarvan hij echter nooit iets weggaf. Behalve gierig was de mol ook nogal bazig en wilde altijd zijn zin hebben. Deze mol wilde met Duimelijntje trouwen. "Doe het maar", zei de muis, "De mol is rijk en je zult bij hem nooit gebrek aan voedsel hebben". Maar het meisje griezelde bij het idee om altijd onder de grond te moeten wonen en de zon niet meer te kunnen zien, bovendien vond ze de mol helemaal niet aardig, maar ze durfde ook niet goed te weigeren. Ze sprak erover met haar vriend, de zwaluw en samen maakten zij een plan. Duimelijntje gaf toe om met de mol te trouwen, maar niet eerder dan aan het einde van de zomer. De mol stemde toe om nog even te wachten met de bruiloft.
Het werd lente en toen zomer. Duimelijntje hielp de muis bij het verzamelen van voorraden voor de komende winter, werkte aan haar uitzet en genoot van de warme zonneschijn. Toen de dag van de bruiloft aanbrak, kwam de zwaluw Duimelijntje halen, ze klom op zijn rug en samen vlogen zij naar het zuiden. Daar zette hij haar neer op een bloem. In de verte zag het meisje ruïnes van een stad; "Daar woon ik ’s winters", vertelde de zwaluw, "Maar ik kom je gauw opzoeken". De vogel vloog weg en Duimelijntje bleef alleen achter. Overal om haar heen stonden prachtige bloemen. Opeens zag zij op een andere bloem een jongen zitten, net zo klein als zijzelf. Hij droeg mooie kleren en een gouden kroontje. Hij lachte vriendelijk naar het meisje en zei: "Mijn volkje beschermt de bloemen. Wij zijn met velen, maar ik ben de koning. En ik vind jou het liefste meisje dat ik ooit heb ontmoet, wil je met mij trouwen?" Dat wilde Duimelijntje wel. Het werd de mooiste bruiloft die je je maar kunt voorstellen en ze leefden nog lang en gelukkig.
terug                                                                                                                                                                                grote afbeelding