Het lelijke jonge eendje
Tussen de weilanden, aan de rand
van een brede sloot zat een eend op haar nest haar eieren uit te broeden.
Eindelijk barstten de eieren open en luid piepend kropen de kuikentjes eruit.
Moeder eend was blij dat ze zulke mooie kinderen had gekregen, maar toen zag ze
dat er één ei nog niet was uitgekomen. Ze ging dus maar weer zitten om op dit
laatste ei te wachten. Haar buurvrouw, een oude eend, kwam bij haar op visite om
de kuikentjes te bewonderen. Toen zij het laatste ei zag, zei ze: "Wat een
groot ei! Het is vast een kalkoenenei, als ik jou was zou ik het gewoon uit je
nest gooien. Kalkoenenkuikens zijn zulke rare beesten, ze kunnen niet eens
zwemmen!" Moedereend vond dat ze al zó lang had zitten broeden, dat ze het
nog maar even moest volhouden, en jawel hoor, na korte tijd kroop ook uit dit ei
een kuiken. Maar wat was hij groot en lelijk! "Misschien is het toch wel
een kalkoen", dacht moedereend, "Nou dat merk ik gauw genoeg als we
gaan zwemmen". Ze joeg alle kuikentjes het water in en het lelijke kuiken
zwom gewoon met de anderen mee.
Moeder eend bracht haar nieuwe gezin nu naar de andere eenden en stelde hen
voor. Alle eenden prezen de mooie jonge kuikentjes, maar hadden geen goed woord
over voor het lelijke jonge eendje. Zij plaagden hem, pikten naar hem, zelfs
zijn eigen broertjes en zusjes deden mee! Verdrietig zwom hij steeds verder en
verder weg, en ten slotte was hij verdwaald. Bang en alleen verborg hij zich
tussen het riet. Daar ontmoette hij een paar wilde ganzen. "Wat ben jij
lelijk!", zeiden de ganzen. Ze vlogen op; ineens barstte er een
verschrikkelijk lawaai los en de arme ganzen vielen zó uit de lucht neer op de
grond, doodgeschoten door jagers. Pas uren later durfde het eendje weer verder
te zwemmen. Hij kwam bij een huisje waar een vrouw woonde met een kip en een
kat. De kip legde elke dag een ei, de kat zette een hoge rug maar het eendje kon
niets nuttigs. De kat en de kip deden erg onaardig tegen hem en dus ging hij
maar weer verder de wijde wereld in.
Het werd winter en nu kreeg het arme eendje het zó koud, er kwam steeds meer
ijs op het water, en uiteindelijk vroor hij vast in het ijs. Een boer vond hem
en nam hem met zich mee naar huis. Hier kon het lelijke jonge eendje weer een
beetje op verhaal komen, maar de volgende dag toen de kinderen van de boer met
veel geschreeuw op hem toe kwamen gerend, schrok hij vreselijk en begon in wilde
paniek rond te fladderen. Hij kwam terecht in de melkemmer en daarna in de
meelton. Boos vanwege alle drukte en rommel joeg de boerin het eendje naar
buiten. Nu zwierf het eendje een tijdlang rond. Hij kwam terecht bij een meertje
en besloot dat hij daar in elk geval wel een tijdje zou kunnen blijven. Zo kwam
de lente, de wereld werd weer groen en de dagen werden warmer. Daar was het
eendje natuurlijk wel blij om, maar toch voelde hij zich vaak verdrietig en
eenzaam. "Waarom ben ik dan toch zo lelijk dat geen enkel dier iets met mij
te maken wil hebben?", zuchtte hij.
Op een dag streken er drie zwanen neer op het meertje. Nog nooit had het lelijke
jonge eendje zulke mooie sierlijke vogels gezien! "Ze zullen me ook wel
afschuwelijk vinden en me wegjagen", dacht hij, "Maar ik wil nog
liever worden dood gepikt door die prachtige dieren, dan dat ik weer bang en
helemaal alleen op de vlucht moet gaan". Hij zwom naar hen toe en boog zijn
kopje naar beneden, alsof hij zeggen wilde: "Pik maar naar me, het kan me
niet meer schelen wat er met mij gebeurt", maar terwijl hij zo voorover
boog, zag hij in het water zijn eigen spiegelbeeld: hij was geen lelijk jong
endje meer, maar een prachtige jonge zwaan! De volgende dag kwamen een paar
kinderen om de zwanen te voeren. "Kijk eens!", riepen ze, "Er is
een nieuwe zwaan bij en hij is de mooiste van allemaal!"
terug