Zwaan kleef aan
Er was eens een houthakker die drie zoons had. Op een dag, toen de man ziek was, stuurde hij zijn oudste zoon naar het bos om hout te hakken. In het bos ontmoette de jongeman een oud, grijs mannetje dat hem wat te eten vroeg. "Niets daarvan", zei de jongen, "Ik eet het liever zelf op." Hij at zijn brood op, zocht een geschikte boom uit en begon te hakken. Maar, al bij de eerste slag raakte hij zijn voet en moest hinkend naar huis toe. De volgende dag ging de tweede zoon op pad, hij ontmoette het grijze mannetje en ook hij weigerde om zijn middagmaal met hem te delen, ook hij verwondde zich tijdens het hakken en moest met lege handen naar huis. Nu was het de beurt van de jongste zoon, die door iedereen Domme Hans werd genoemd. Toen hij in het bos het grijze mannetje ontmoette, gaf hij hem de helft van zijn brood en samen zaten zij gezellig te eten. "Ik zal je voor je goedhartigheid belonen", zei het mannetje; "Hak deze boom om en neem wat je tussen de wortels vindt mee naar de stad". Na die woorden verdween het mannetje en Hans ging aan het werk. Hij hakte de boom om en tussen de wortels vond hij een gouden zwaan. Hij nam het dier onder de arm en vertrok naar de stad.
In de herberg van de stad, terwijl hij een glas wijn dronk, wilde de dochter van de herbergier wel zon mooi gouden veertje hebben voor haar nieuwe hoed. Zij probeerde de zwaan een veertje uit te trekken, maar kon haar hand niet meer van de zwaan los krijgen. Haar zusjes, die haar wilden helpen, probeerden haar los te trekken, maar nu bleven ook zij vast kleven. Toen Hans verder ging met zijn zwaan, moesten zij wel met hem mee. De dominee vond het maar niets dat die drie meisjes zo achter een jongen aanliepen; hij probeerde hen los te trekken, maar nu zat ook hij vast, evenals de koster die de dominee te hulp was geschoten. Een boer die hen wilde bevrijden bleef nu ook vast zitten en zo trok Hans met zijn zwaan kleef aan verder door de stad.
Hij kwam met zijn stoet ook langs het koninklijk paleis. Daar woonde een prinses, die al in geen jaren meer had gelachen. Haar vader, de koning, had bekend gemaakt dat wie haar aan het lachen kon maken, met haar zou mogen trouwen. Toen de prinses de vreemde optocht van Hans voorbij zag komen, barstte zij in lachen uit, maar haar vader vond Domme Hans geen geschikte bruidegom en probeerde onder zijn belofte uit te komen. "Vr je met de prinses trouwt moet je me eerst een man brengen die al het brood uit mijn bakkerij kan opeten" zei hij. Verdrietig ging Hans terug naar het bos: zon man bestond toch niet!. In het bos hoorde hij een man die kreunde: "Ik heb zon honger, ik zou wel een bakkerij leeg kunnen eten!" Hans nam de man mee naar het paleis en de man at de hele bakkerij leeg tot en met de laatste kruimel brood. "Dat was te gemakkelijk"zei de koning, "breng mij een man die mijn hele wijnkelder kan leegdrinken". Weer ging Hans naar het bos en nu zag hij een man die zat te huilen van de dorst. "Kom maar met mij mee", zei Hans en bij het paleis aangekomen, dronk deze man de hele wijnkelder van de koning leeg tot de laatste druppel. "Dit was ook te gemakkelijk", zei de koning. "Ik wil dat je met een schip naar het paleis komt zeilen". Dit was inderdaad een heel moeilijke opdracht want het paleis lag namelijk niet aan het water, er was zelfs geen slootje in de buurt! Hans ging weer naar het bos. Daar vond hij het oude, grijze mannetje. "Ik zal je nog n keer helpen omdat je een goed mens bent", zei het mannetje en hij gaf de jongen een prachtig schip waarmee hij over land kon varen. Dolgelukkig zeilde Hans naar het paleis. Daar stond de prinses al op hem te wachten want zij wilde graag met Hans trouwen. De koning moest nu wel toegeven en gaf zijn toestemming voor het huwelijk en zo leefden zij nog lang en gelukkig.
terug                                                                                                                                                                   grote afbeelding