Aladin en de wonderlamp
Lang geleden leefde er eens een jongeman die alleen nog zijn moeder had. Aladin was een aardige jongen, maar wel erg lui. Hij liet zijn moeder de kost verdienen terwijl hijzelf lekker lang uitsliep en een beetje in de stad rond slenterde. Op een dag ontmoette hij een man die beweerde zijn oom te zijn. Aladin en zijn moeder hadden nooit geweten dat de gestorven vader een broer zou hebben gehad, maar omdat de vreemdeling goed eten bestelde én betaalde, wilden zij hem wel geloven. De oom bood aan om van Aladin een koopman te maken en daar voelde de jongen wel wat voor, vooral toen hij mooie nieuwe kleren kreeg en het vooruitzicht om verre reizen te maken. Op een dag vertrokken zij. Na een flink eind reizen kwamen zij aan op een kale vlakte. Hier moest Aladin zijn oom, die eigenlijk een boze tovenaar was, helpen een rotsblok opzij te duwen. Er onder bleek zich een trap te bevinden. "Blijf overal af", zei de oom, "Het enige dat je mee naar boven hoeft te nemen, is een lampje". De jongen deed zoals hem gezegd was maar toen hij terug kwam met de lamp, wilde de oom hem er niet uit laten. Eerst wilde hij de lamp. Toen Aladin dit weigerde, rolde de tovenaar de grote steen over de opening van de trap en ging weg.
Aladin bleef alleen in het donker achter. Hij bedacht dat hij de lamp wel kon aansteken maar toen hij over de lamp streek, verscheen er ineens een geest die voor hem boog en vroeg: "Wat wenst u, meester?" Toen de jongen van de schrik was bekomen vroeg hij de geest hem zo snel mogelijk terug te brengen naar zijn moeder, maar wel pas nádat hij zijn zakken had volgestopt met allerlei kostbaarheden die in de ondergrondse ruimte lagen opgeslagen. Vanaf dat moment ging het een stuk beter met Aladin en zijn moeder!
Op een dag liet de sultan van het land bekend maken dat zijn dochter door de stad zou rijden in haar rijtuig. Nu was het voor de gewone mensen absoluut verboden om naar de prinses te kijken, en dus moest iedereen binnen blijven op het uur dat zij voorbij zou komen, maar Aladin verstopte zich. Hij zag de prinses maar héél even, maar hij was op slag tot over zijn oren verliefd op haar… Nu liet hij zijn moeder naar de sultan gaan om voor hem de prinses tot vrouw te vragen. Het was natuurlijk ongehoord dat de prinses zou trouwen met een gewone jongen uit het volk maar toen de sultan de geschenken zag die de moeder had meegenomen, werd hij nieuwsgierig. "Als uw zoon in één nacht een paleis kan bouwen, mag hij met mijn dochter trouwen", zei hij. Aladin gaf de geest van de lamp opdracht om het paleis te bouwen en al gauw werd dan ook de bruiloft gevierd.
De boze tovenaar hoorde intussen hoe het zijn ‘neef’ was vergaan. Hij vermomde zich als lampenverkoper en op een dag dat Aladin niet thuis was bood hij een dienstmeisje uit het paleis aan het oude lampje te ruilen voor een nieuwe. Het dienstmeisje wist natuurlijk niets van de geest van de lamp, en dacht dat zij een goede ruil had gedaan. Zodra de tovenaar de wonderlamp weer in handen had, riep hij de geest op en liet hem het paleis mét de prinses én zichzelf naar een ver oord verplaatsen. Toen Aladin terugkwam en zag dat het paleis was verdwenen, begreep hij al gauw wat er gebeurd was en ging op zoek naar zijn vrouw. Na een lange reis vond hij het paleis en sloop naar binnen. Zijn vrouw was erg blij hem te zien en vertelde hem dat de tovenaar de lamp altijd bij zich droeg. Die avond gaf ze hem een slaapdrank te drinken en toen de tovenaar in slaap was gevallen, kwam Aladin tevoorschijn. Ze namen de lamp en riepen de geest op. Deze bracht de tovenaar naar een onbewoond eiland aan de andere kant van de wereld, en daar zit hij nu waarschijnlijk nog steeds.
Aladin en de prinses werden met het paleis teruggebracht naar de stad, en daar leefden zij nog lang en gelukkig.
terug                                                                                                                                                                                grote afbeelding