Wollebrant Jacobsz. Verhagen
(± 1580 – 1626)
DTB
Het enige document dat een volledig overzicht geeft van het gezin van Wollebrant is het kohier Hoofdgeld van de dorpen van Rijnland van 1623. Hierin staat Wollebrant Jacobsz. vermeld als ondermeester op de "steenplaats" (steenbakkerij) van Huig Pietersz. Coedijck (burgemeester van Leiden) te Koudekerk aan de Rijn, samen met zijn vrouw Maritgen Adriaensdr. (van der Marck) en hun kinderen:
1. Jan Verhagen, geboren omstreek 1613
2. Jacob
Verhagen, geboren omstreeks 1615
3. Jonge Jacob Verhagen, geboren omstreeks 1617
4. Pieter Verhagen, geboren omstreeks 1619
5.
Gijsbert Verhagen, geboren omstreeks 1621
Hoewel er veel documenten van Jacob en jonge Jacob bekend zijn, wordt hierin nergens melding gemaakt van hun leeftijd. In een akte van 2 mei 1626 van notaris E.H. Craen te Leiden staat "Adriaen Adriaensz. van der Marck, oud omtrent drijeenveertich jaren, wonende in den ambachte van Haserswoude". Adriaen Adriaensz. van der Marck was een broer van Maritgen van der Marck en is dus geboren in 1583. Ook van een andere broer van Maritgen is de leeftijd bekend. Een akte van 24 september 1637 van notaris D.J. van Vesanevelt te Leiden vermeldt: "Jacob Adriaensz. van der Marck, ondermeester opte stienplaets van Ghijsbrecht de Milde, out lx-tich". Jacob is dus geboren in het jaar 1577. Zij waren beiden waarschijnlijk ouder dan Maritgen, zodat zij ongeveer in 1585 geboren zal zijn. Verder is bekend dat in 1638 Jacob en jonge Jacob de enige nog levende gezinsleden zijn. Zij zijn onder voogdij gesteld van hun ooms Jacob en Adriaen Adriaensz. van der Marck. Normaal gesproken mochten jongens in die tijd pas vanaf hun 25e jaar in het huwelijk treden. Jonge Jacob huwde op 27 april 1642 te Valkenburg met Maritgen Arentsdr. Pauw. Als hij toen 25 jaar oud was zou hij omstreeks 1617 geboren moeten zijn.
Uit andere akten (zie hieronder) weten we dat Wollebrant Jacobsz. tussen ongeveer 1 januari 1625 en 16 mei 1626 overleden moet zijn. In diezelfde periode (1624-1625) heerste er in en rondom Leiden een hevige pest-epidemie, waarvan bijna 10.000 inwoners in Leiden het slachtoffer werden. Omdat de pest zeker ook de omringende dorpen zal hebben bereikt was Wollebrant wellicht een van hen. Maritgen is overleden tussen 2 januari 1627 en 24 april 1638.
Testament van Jan Adriaensz. van der Marck (1616)
De eerste verwijzing naar onze familie is terug te vinden in een testament van 8 juni 1616, dat door Jan Adriaensz. van der Marck (de oom van Maritgen Adriaensdr. van der Marck) en zijn vrouw Maritgen Dircksdr. werd vastgelegd bij notaris Jacob van Tethrode te Leiden. In het testament staat vermeld "dat indien de voornoemde Jan Adriaensz. voor de voornoemde sijne huijsvrouwe te overlijden comt, dezelve sijne huijsvrouwe aen sijne za: broeders kinderen, mitsgaders aen de kinderen van Gijsbert Adriaensz. ende 't naergelaten weeskint van Magdaleentgen Adriaensdr. gesamentlick zal laten volgen een stuck lant, groot vijftalff morgen, gelegen inde ambachte van Zoeterwoude, over de Molensloot, belent ende belegen hebbende ten suijden David van Reijnsburch, ten westen 't Sinte Catarijnengasthuijs, ten noorden de Wesen tot Leijden ende ten oosten de erffgenaemen van Pociaen Jansz. za:, belast met vijftich stuijvers 's jaers pacht, die ontfangen wert bij de erfgenaemen van Jannetgen Duijft, noch een cooltuijn, groot omtrent vijffentachtich roeden, leggende buijten de Wittenpoort aen den Hogenrijndijck, mede inde ambachte van Zoeterwoude mitte belastinge van dertich stuijvers 's jaers medepacht aencomende d'erffgenaemen van de here van Lochers, 't welcke twee respective pachten comen ende blijven sullen tot lasten van de voors. kinderen ende kintskinderen. Ende hiertoe noch alle sijne clederen zo linnen als wollen t' sijne lijve behorende, alle 't welck bij Jan Adriaensz. voorschreven broederen kinderen ende kintskinderen voor hare erffenisse maect ende prelegateert en sij luijden gehouden sullen wesen uijt te reijcken ende te betalen aen de kinderen van Pietergen sijne halve suster een somme van vierhondert guldens ende dat op twee jaren naer sijn comparants overlijden". Met de verwijzing naar de kinderen van zijn broer zaliger wordt onder andere Maritgen Adriaensdr. van der Marck bedoeld, de dochter van zijn overleden broer Adriaen Adriaensz. van der Marck.
De "oudste" akte (1617)
Tijdens mijn zoektocht naar de herkomst van onze familie kwam ik in het notarieel archief in Leiden het oudste tot nu bekende document van onze familie tegen (zie afbeelding en transcriptie). De akte is op 16 juli 1617 bij notaris A. Paedts opgesteld en betreft een machtiging van een drietal procureurs van het Hof van Holland door Wollebrant Jacobsz. (Verhagen) en Dirck Claesz. Bruyn, ter verdediging van hen beiden in een mogelijke rechtzaak voor de Heren Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland, tegen Cornelis Cornelisz. van Borsselen, pachter van bier in het district Leiderdorp. Het innen van de pachten leidde in die tijd regelmatig tot conflicten (en soms zelfs tot een complete volksoproer), die uiteindelijk tot een rechtszaak konden leiden.
Met uitzondering van de verponding (onroerend goed belasting) werden de belastingen in de 17e eeuw geheven in de vorm van accijns op gebruiksgoederen: bier, zout, zeep, kaarsen, kolen, turf, slachtvee - nagenoeg geen artikel dat onbezwaard bleef. De heffing geschiedde doorgaans bij de detailhandelaar, die dan natuurlijk de belastingafdracht in zijn prijzen doorberekende. De regering inde deze belastingen niet zelf, maar verpachtte de inning per district, bij afslag aan de meestbiedende, gewoonlijk voor een periode van zes maanden. De pachter was verplicht de pachtsom in gezette termijnen over te dragen aan de ontvanger. Wat hij meer binnenhaalde was zijn persoonlijke winst, of diende tot goedmaking van zijn kosten. Het impopulaire karwei van de inning kwam zo voor de verantwoording van de particuliere pachter. De volkswoede zou zich daardoor niet zo gemakkelijk tegen de regenten zelf keren. De pachters daarentegen vingen regelmatig letterlijk en figuurlijk de klappen op.
In de akte staat "Wollebrant Jacobsz., wonende aender Wadding". De Wadding was toendertijd het gebied van de Hoge Rijndijk tussen de uitmonding van de Vliet en de Haagsche Schouw in Voorschoten. Het woord 'wadding' betekent 'doorwaadbare plaats'. Mogelijk kon men hier (vanaf de noordpunt van de Voorschotense strandwal) ooit de Oude Rijn oversteken. Dat was in ieder geval vóór de aanleg van de buitenplaats, want de aanduiding Ter Wadding wordt al genoemd in het jaar 866, terwijl in 1687 voor het eerst melding werd gemaakt van een "huizinge Ter Wadding, met een tuinmanshuis en plantagien". Tegenover Ter Wadding aan de andere kant van de Rijn lag het Galgenveld van de stad Leiden. Interessant is dat de oudoom en oom van zijn vrouw (Marijtgen Adriaensdr. van der Marck) ook wel Ghijsbrecht Dircxzn. Marck vander Wadding en Jan Adriaensz., bouman vander Wadding worden genoemd. Uit latere akten blijkt dat Wollebrant van beroep ondermeester was op een steenplaats (steenbakkerij) bij Koudekerk aan de Rijn. Mogelijk werkte hij in 1617 op de steenplaats, die in die periode aanwezig was bij Ter Wadding.
Ter Wadding met de steenplaets, detail uit de kaart van P. van Bilderbeeck, 1627
Het conflict waarvan in de akte sprake is kan daardoor ook beter verklaard worden. Het feit dat de steenovens vaak op enige afstand van de stad lagen, had tot gevolg dat de steenbakker verschillende artikelen, welke in de stad met accijns belast waren, vrij kon kopen. Dit gaf wel eens moeilijkheden inzake het biergebruik. Er werd op een steenoven altijd een kleine voorraad bier ingeslagen en het gebeurde wel, dat deze niet alleen diende voor het werkvolk, maar dat er tegen betaling ook getapt werd aan komende en gaande bezoekers van elders. Soms gingen de stadsmensen opzettelijk bij de steenoven een goedkope dronk halen. De steden verzetten zich zoveel mogelijk tegen deze tapperij buiten haar muren, omdat tappers in de stad erdoor benadeeld werden en de publieke kas er schade door leed. Voor de rondom Leiden gelegen steenplaatsen trof de stadsregering in 1540 een regeling met de eigenaren (dat waren voor een deel Leidse burgers) dat per steenplaats in één seizoen 110 vaten accijnsvrij bier in de stad mochten worden gekocht. Onduidelijkheid over de aangeschafte hoeveelheid bier of het feitelijk gebruik ervan kan de oorzaak zijn geweest van het conflict. Omdat Dirck Claesz. Bruyn vlakbij Delft woonde kan het conflict ook ontstaan zijn, doordat het bier door Dirck Claesz. Bruyn vanuit Delft werd aangevoerd. Hiervoor hoefde in principe geen pacht betaald te worden in de omgeving van Leiden.
%20(2).jpg)
Handtekening van Wollebrant Jacobsz. onder de akte van 16 juli 1617
De achternaam van Wollebrant Jacobsz. wordt in deze akte niet vermeld, maar door zijn persoonlijke ondertekening (zie afbeelding) kon zijn identiteit in combinatie met een andere akte alsnog worden vastgesteld.
Doopgetuige te Delft (1618)
Naar aanleiding van de vorige akte kon Wollebrant Jacobsz. ook nog achterhaald worden als doopgetuige van het kind Cornelis van Frans Heijndricx en Pietertgen Leenderts op 18 februari 1618 in de Oude Kerk van Delft. Na enig speurwerk bleek dat ook Frans Heijndricx en Dirck Claesz. Bruyn (zie akte hierboven) goede bekenden waren van elkaar. Frans Heijndricx en zijn vrouw waren doopgetuigen van het kind van Dirck Claesz. Bruyn en zijn vrouw Aertgen Claes. Frans Heijndricx blijkt bij zijn huwelijk zeepsopvoerder te zijn en Dirck Claesz. staat in zijn huwelijksakte beschreven als "varentgesel". Hoewel Dirck Claesz. Bruyn in de bovengenoemde akte in Nootdorp blijkt te wonen, staat hij in een akte van het Rechterlijk Archief van Voorschoten van 15 januari 1616 nog vermeld als inwoner van Delft, waardoor zijn relatie met Frans Heijndricx nog beter kan worden verklaard.
Ondermeester (1623)
In een aantal akten van 1623 staat Wollebrant Jacobsz. vermeld als ondermeester op de steenplaats van Huijch Pietersz. Coedijck. In de 17e eeuw werden de eigenaren van steenbakkerijen "steenplaetsers" genoemd. Vaak waren dit welgestelde kooplieden, die hiermee goed geld konden verdienen. De ondermeester op de "steenplaets" was de bedrijfsleider, die de werknemers aanstuurde en het werk organiseerde. In de verkoopakte van 29 april 1634 staat de steenplaats waar Wollebrant Jacobsz. gewerkt heeft als volgt beschreven:
"Ic Steven van Arenhem Bailliu ende Schout tot Coudekerc, doe cont eenen ijegelicken dat voor mij ende voor Claes Florisz. ende Dirc Claesz. Rijnenburch Schepenen in Coudekerc als getuijgen ten desen versocht, gecomen ende gecompareert es de eersame Huijch Pietersz. Codijck, burgemeester der stadt Leijden, ende bekende voor hem ende zijnen erven vercoft te hebben ende zulcx wettelicken op te dragen bij desen, aen ende ten behouve van Cornelis Cornelisz. van Borsselen, Claes Jacobsz. van Assendelft, ende Jan van Marcke, alle burgers binnen der voors. stadt te zamen ende mitten anderen, ofte actie van de zelve vercrijgende, een steenplaetse mitten oven, huijsingen, schuijr, barge ende getimmerten mit 't lant daer aen behoorende, zo groot ende cleijn als alle t'zelve tusschen de naervolgende belenden es gelegen, staende ende liggende inden Hogenwaert tot Coudekerc voors., belent zijnde ten zuijden den Rhijn, ten westen Hubert Willemsz. Dedel, ten oosten Pieter Willemsz. tot Coudekerc ende ten noorden, den heer van Valckenst." De steenplaats werd verkocht voor 7.000 gulden plus "hondert duijsent dubbele hartsteen ende noch vijffentwintich duijsent van de beste dubbele clinckers ende noch daerenboven voor des vercoopers huijsvrouwe zes dubbelde goude rijders in specie beneffens 't voorschreven gereede gelt ende een gelijcken dubbelde goude rijder gereet voor des vercoopers dienstmaecht".
Detail uit Caertboeck van Rynland (Koudekerk), Balthasar Floriszoon van Berckenrode (1615)
met onderaan de Hoogerwaertswech met daaraan de steenplaatsen.
Doodslag in Gotenburg (1623)
In een notariele akte (notaris F.G. van Sijp te Leiden) van 26 maart 1623 legt Wollebrant Jacobsz. samen met de familie van zijn vrouw een verklaring af over zijn zwager Dirck Adriaensz. (Arijensz.) van der Marck. Dirck Adriaensz. zit op dat moment voor de doodslag van Claes Cornelisz. gevangen "op ‘t casteel der stadt Gottenburch in´t conincrijck van Sweden". In deze akte doen de families van beide partijen een beroep op de locale rechtspraak in Zweden om Dirck vrij te laten. Dit misdrijf kan volgens hen nooit met de opzet van doodslag door Dirck zijn gepleegd, want "Dirck Arijensz. is een persoon van goede ende eerlicke geslachte staende ter goeder naem ende faem". De familie van het slachtoffer verklaart vervolgens dat zij: "mit heur aller vrije gemoet uijt goeder conscientie ende lieffde ende christelicke eendrachtelicke genegentheijt van hartse vergeven hebben, gelijck zij uijt gront des hart puijrlicken om de lieffde Gods vergeven, mitsdesen voor zo veel als heur respective aengaet, de misdaet die de voorn. Dirc Arijensz. mits den dootslach van de voors. Claes Cornelisz. jegens heur begaen mach hebben". Verder spreken de beide families af dat ze elkaar in het openbaar zoveel mogelijk zullen mijden, om het leed zo goed mogelijk te kunnen vergeten.
Hoe Dirck Adriaensz. van der Marck in Zweden terecht kwam kan als volgt worden verklaard:
In de 17e eeuw was Zweden voor een groot deel bezet door de Denen. Er was (net als in Nederland de 80-jarige oorlog) een vrijheidsstrijd aan de gang. De legers van de Zweedse Koning Gustaaf boekten rond 1620 een belangrijke overwinning op de Denen en wisten het gebied te bevrijden waar in 1621 Gotenburg gebouwd zou gaan worden. Er lag in dat gebied al een oude stad, (met een andere naam) maar deze werd tijdens de strijd verwoest. Vervolgens werd besloten om een nieuwe stad te bouwen. Men wist natuurlijk niet of de Denen terug zouden komen, dus het was belangrijk dat de stad goed verdedigd kon worden. De stad zou gebouwd worden in een moeras en dus zocht men toen hulp bij de Nederlanders, die ervaring hadden met het bouwen van verdedigingswerken en het droogleggen van moerassen.
De prins van Oranje zond een grote delegatie naar Zweden, waar de Hollanders vrij snel met de aanleg van grachten en wallen begonnen. Aangezien dat gebeurde in de tijd dat Den Haag ook verdedigingsgrachten kreeg (1612-1619), zijn de overeenkomsten tussen deze twee steden niet zo verwonderlijk. De eerste stadsbesturen van Gotenburg bestonden grotendeels uit Hollanders. Er zaten 10 Hollanders, 7 Zweden en 1 Schot in de raad. Deze bestuurders werden (allen) "magistraten" genoemd, een Nederlands woord dat nog steeds gebruikt wordt in de geschiedenisboeken van Gotenburg. Het Nederlands was in de 17e eeuw ook één van de vier officiële talen van Gotenburg. De naam van de stad zelf betekent trouwens "Burcht aan de rivier de Göta". Deze burcht is misschien ook het kasteel, waarin Dirck Adriaensz. van der Marck gevangen werd gehouden.
In de bovengenoemde akte staat Wollebrant Jacobsz. vermeld als man en voogd van Marijtgen Ardriaensdr. en ook deze akte is door hem ondertekend. Verder staan de beide andere broers van Marijtgen in de akte vermeld, namelijk Adriaen Adriaensz. en Jacob Adriaensz. van der Marck. Op basis van de ondertekening en de genoemde relaties kon ook de identiteit van Wollebrant Jacobsz. in de akte van 1617 met zekerheid worden vastgesteld.
%20Wollebrant.jpg)
Handtekening van Wollebrant Jacobsz. onder de akte van 26 maart 1623
Het kohier hoofdgeld Rijnland (1623)
In hetzelfde jaar 1623 werden alle bewoners van Rijnland aangeslagen voor een extra belasting, genaamd "Hoofdgeld". In 1622 werd in verband met de kosten voor het ontzetten van Bergen-op-Zoom besloten een hoofdgeld in te voeren. In een groot kohier werden van alle plaatsen in Rijnland de gezinnen, familieleden en inwonende personeelsleden opgeschreven, op basis waarvan de heffing werd bepaald (aantal hoofden). Ook Wollebrant Jacobsz., zijn vrouw Marijtgen Adriaensdr. en hun kinderen staan hierin vermeld. Wollebrant woont op dat moment met zijn gezin in Koudekerk aan de Rijn op de "steenplaets" (steenbakkerij) van Huijch Pietersz. Coedijck (burgemeester van Leiden) en werkt daar als ondermeester. In het belastingkohier staan ook zijn kinderen vermeld, namelijk Jan, Jacob, Jonge Jacob, Pieter en Gijsbert. Ook de meid Joleuntgen Dircxdr. en hun knecht Beer Cornelisz., die beiden van de Hogenrijndijk bij Leiderdorp komen, worden genoemd.
De turfboot (1623)
Op 15 oktober 1623 legt Jacob Willemsz. een verklaring af bij notaris P. van Velsen op verzoek van Wollebrant Jacobsz., die ook in deze akte beschreven staat als ondermeester op de steenplaats van Huijch Coedijck. Jacob Willemsz. blijkt van beroep een voormalige vormer (degene die de klei tot een baksteen vormt) te zijn op dezelfde steenplaats en hij getuigt in de akte, dat in de maand augustus van het vorig jaar bij Jacob Dircxzn. Buijren van Hazerswoude een schip met turf is aangekomen en gelost en dat Jacob Dircxzn. toen nadrukkelijk is verzocht het bootje weer terug te brengen, hetgeen hij kennelijk nog steeds niet had gedaan.
Boerderij met brandende steenoven, A Bloemaert, 1660
Geloofwaardige getuige (1624)
Op 10 februari 1624 legt Jan Cornelisz. van Rijckelickhuysen een verklaring af bij notaris P. van Velsen te Leiden. Wollebrant Jacobsz. was hierbij als "gelooffwaerdiche getuijge" aanwezig en heeft de akte daarom mede-ondertekend.
Een erfenis van 8 gulden (1626)
Op 16 mei 1626 wordt bij notaris A.C. Paedts een akte opgesteld, waarin de boedelscheiding wordt beschreven van de nagelaten goederen van de grootmoeder van Marijtgen Adriaensdr. van Marck. In deze akte wordt Wollebrant niet meer vermeld, waardoor duidelijk wordt dat hij toen overleden was. Marijtgen krijgt evenals haar broers en zusters 8 gulden uit de erfenis toegewezen.
Beslaglegging door Wollebrant (1627)
Op 2 januari 1627 verschijnt Jacob Cornelissen van der Does voor notaris P.D. van Leeuwen in Leiden. Volgens de akte woonde Jacob Cornelissen op dat moment aan de Hogenrijndijk in Hazerswoude tegenover Koudekerk. Hij verklaarde op verzoek van "Marijtgen Adriaensdr. wedue van Wollebrant Jacobssen, woonende aenden Groenendijc in Haserswoude", dat Wollebrant twee jaar eerder beslag had laten leggen op een geldbedrag, dat hij onder zich had en dat hij voor de weduwe van Cornelis Dircksz. (Back?) moest deponeren bij notaris Pieter van Velsen of diens lasthebber. Nadat het beslag door Wollebrant was opgeheven had hij het geld ten huize van notaris Foyt van Zijp overgedragen aan Jan Jansen van der Beecq. Uit dit document blijkt dat Wollebrant na ongeveer 1 januari 1625 is overleden.