Jacob Wollebrantsz. Verhagen

 

(± 1617 – 1668)

 

 

 

DTB

Uit akten van 1638 blijkt dat alleen jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen en zijn oudere broer Jacob Wollebrantsz. nog leefden. Hun moeder Marijtgen Adriaensdr. en de andere kinderen van Wollebrant Jacobsz. zijn inmiddels overleden. Tevens blijkt uit deze akten dat jonge Jacob Wollebrantsz. en zijn oudere broer Jacob Wollebrantsz. als minderjarige kinderen volgens een nog onbekend testament onder voogdij zijn toegewezen aan hun ooms Adriaen en Jacob Adriaensz. van der Marck.

 

Jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen, degene waar onze familie van afstamt, trad op 27 april 1642 in Valkenburg in het huwelijk met Maritgen Arents Pauw, dochter van Arent Jansz. Pauw en Saertgen Maertens (van) Langevelt. Arent en Saertgen waren op 20 februari 1620 gehuwd te Leiden (Arent kwam uit Katwijk en Saertgen uit Lisse). Arent Jansz. Pauw was van beroep biersteker en woonde evenals jonge Jacob Wollebrantsz. in Valkenburg.

 

Omdat jonge Jacob tot zijn meerderjarige leeftijd opgroeide onder voogdij zal hij waarschijnlijk zo snel mogelijk getrouwd zijn en dus ongeveer 25 jaar zijn geweest. Hieruit kan worden afgeleid dat hij omstreeks 1617 geboren moet zijn. Op 30 april 1642, een paar dagen na het huwelijk, verkocht Arent Jansz. Pauw (de vader van Maritgen) een tweetal huizen in Valkenburg voor respectievelijk 2.000 en 1.004 gulden. Waarschijnlijk werd met een deel van dit geld de bruidschat betaald. Uit dit eerste huwelijk kwamen drie kinderen voort:

 

1.   Arent Verhagen, gedoopt te Valkenburg 26 december 1643 † Hazerswoude 1709

2.   Wollebrant Verhagen, geboren omstreeks 1645 † na 16 mei 1673

3.   Jan Verhagen, geboren omstreeks 1649
 

Na het overlijden van Maritgen Arentsdr. trouwt jonge Jacob Wollebrantsz. op 29 oktober 1651 te Leiderdorp met Grietgen Jans van Langevelt. Uit dit tweede huwelijk kwamen eveneens drie kinderen voort:

 

4.   Engel Verhagen, geboren omstreeks 1652 † Oudshoorn oktober 1691
5.   Jacobje Verhagen, gedoopt te Valkenburg 30 augustus 1654
† na 1712  
6.   Hadewijn Verhagen, gedoopt te Katwijk 30 januari 1659

 

Jonge Jacob Wollebrantsz. stierf op ongeveer 50 jarige leeftijd tussen 4 december 1667 en 3 maart 1668.

 

 

Jacob Wollebrantsz. Verhagen (de oude)

Jonge Jacob Wollebrantsz. had in 1638 nog maar één direct familielid, namelijk zijn oudere broer Jacob Wollebrantsz. Verhagen (de oude), geboren omstreeks 1615. Jacob de oude huwde op 17 februari 1641 met Jannetje Claes van Nattenhoven, dochter van Claes Cornelisz. van Nattenhoven, kalkbrander te Zoeterwoude. Aanvankelijk woonden zij in Valkenburg, waar ook hun eerste kind, Wollebrant, op 1 december 1641 werd gedoopt. Jonge Jacob Wollebrantsz. was hierbij doopgetuige, samen met Matheus Claesz. van Nattenhoven, predikant van de Hervormde gemeente van Katwijk aan de Rijn van 1637 tot 1657. Het kind Wollebrant blijkt echter kort na de geboorte gestorven te zijn. Op 10 december 1641 vond de begrafenis plaats te Valkenburg. Uit een latere notariële akte, opgemaakt bij notaris W. van Vredenburch te Leiden, blijkt dat omtrent 1644 het tweede kind geboren was, genaamd Marijtge.

 

In 1645 verhuizen Jacob de oude en Jannetje naar de Hoge Rijndijk te Zoeterwoude. Zij worden op 16 april 1645 ingeschreven in het lidmatenregister van de Nederduits Gereformeerde kerk te Leiderdorp. Op 2 september 1646 wordt het derde kind Maertge gedoopt te Leiderdorp. Het volgende kind heet Claes en wordt op 16 oktober 1649 te Leiderdorp gedoopt. Doopgetuigen zijn Matheus van Nattenhoven en Susanna Curijts. Dit laatste kind is jong gestorven, want op 16 maart 1653 wordt te Leiderdorp weer een kind met de naam Claes gedoopt in aanwezigheid van dezelfde doopgetuigen.

 

Jacob de oude trouwt op 28 mei 1662 met Jacomijntje Speelmans, weduwe van Aelbrecht van Leesvelt. Het eerste kind van Jacob en Jacomijntje heet Willebrant en wordt op 21 oktober 1663 te Leiderdorp gedoopt. Jonge Jacob is aanwezig als doopgetuige. Tot slot wordt op 20 september 1665 het kind Johannes gedoopt te Leiderdorp.

 

Jacob de oude is overleden tussen 10 september 1679 en 13 februari 1680. Hij werd ongeveer 65 jaar oud. Zijn grafsteen ligt nog in de vloer van de kerk van Leiderdorp. Jacob werkte veel samen met Willem Huijbertsz. van Arkel, die molenaar was van beroep. Ook van hem is een grafsteen bewaard gebleven. Zijn grafsteen lijkt sterk op die van Jacob Wollebrantsz. de oude en bevat naast zijn naam (Wilhem van Arckel) eveneens een meesterteken of huismerk. Van beide grafstenen blijken twee exemplaren te zijn gemaakt. Beide exemplaren van Jacob de oude liggen nog in de kerk, terwijl van Willem één exemplaar nog in de kerk ligt en het andere exemplaar later buiten de kerk in de buurt van de Hogenrijndijk onder Zoeterwoude is teruggevonden. 

 

 

 

Grafsteen van Jacob Wollebrantsz. Verhagen (de oude)

 

 

 

Uit de boedelscheiding van 21 september 1680 blijkt dat alleen zijn dochter Maertie (gehuwd met Matheus van Borsselen en later met Jochem Willemsz. van Arkel) en zijn zoon Willebrant nog in leven waren. Willebrant gaat op 13 mei 1683 in ondertrouw met Cornelia Bijvanck en op 18 mei 1683 worden voor notaris J. Abbenbroeck de huwelijkse voorwaarden opgemaakt. Eén van de getuigen van Willebrant staat hierin beschreven als zijn oom Jan Verhagen. Uit nader onderzoek bleek dit de echtgenoot te zijn van zijn tante Maria Speelmans.     

 

Op 19 mei 1646 koopt Jacob de oude de kalkovens van zijn schoonvader voor een bedrag van 3500 gulden en op 13 juni 1647 koopt hij een huis in de Westboonestraat te Maassluis van Doe Jorisz. van der Gaech voor 687 gulden. Een paar maanden later op 23 september 1647 verkoopt hij het huis weer aan Tijs Cornelisz. Bouckendecouck voor 750 gulden.

 

In het rechterlijk archief van Zoeterwoude wordt Jacob genoemd als schepen op 25 mei 1647, 28 mei en 25 oktober 1648 en op 16 januari 1649. 

 

Op 10 april 1652 draagt Gerrit Corss, kalckman te Voorburg, aan Jacob een huis aan de zuidzijde van de Noordvliet te Maassluis over. De koopsom is 950 gulden en wordt in mindering gebracht op de lopende schuld van 1600 gulden, die Jacob nog tegoed had. Dit huis verkoopt Jacob weer op 4 juli 1656 voor 825 gulden.

 

Samen met Willem Huijbertsz. van Arckel koopt Jacob op 4 maart 1658 een stuk warmoesland in de Waert op de Hardevloer te Leiderdorp.

 

Daarna kopen zij samen op 31 december 1659 van Maerten Mathijsz, wonend te Esselickerwoude, een stuk grond te Alpherhoorn, dat beschreven staat als: 2 partijen weiland in 't geheel 4 morgen en 1 hond 34 roeden onder Alpherhoorn. Het ene perceel belend ten oosten Gerridt Henderixsz van Eijck, ten zuiden en westen Adriaan Cornelisz van Immerseel, ten noorden de Hoge Rijndijk. Het andere perceel, belend ten oosten van Eijk voorn., ten zuiden de Hoge Rijndijk, ten westen Pieter Willemsz Maes, ten noorden de Rijn. De koopsom staat niet vermeld, maar de schuld werd voldaan op 23 mei 1661. Nadat zij hierop een steenbakkerij hadden gebouwd (zie akte van 27 mei 1665 en 22 december 1683) sloten zij zich op 12 juli 1660 aan bij de vereniging van steenplaatsers in Rijnland.

 

Op 12 juli 1660 treden Jacob en Willem toe tot een vereniging van steenplaatsers in Rijnland. In dit gezelschap worden gezamelijke produktie-afspraken gemaakt om zodoende de prijzen te kunnen beïnvloeden op de markt. Het is feitelijk één van de eerste kartels in Nederland en het is dan ook opvallend dat uit de notulen blijkt, dat uitgerekend Jacob en Willem als eersten betrapt werden op het feit dat zij tegen de gemaakte afspraken in meer stenen bakten dan voor dat jaar was toegestaan. De boete, die zij hiervoor moeten betalen, is 500 gulden voor de armen van Leiden. Uit de boedelscheiding van 16 mei 1682 van Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude blijkt echter wel dat hij hofleverancier was: Aen sijn Hoogheijt den Heere Prince van Oranje, 89.000 steen tot 339:5:0, daer voor is niet meer ontfangen als 312:6:0. Met een gemiddelde rente van 4% per jaar levert de restschuld van 27 gulden op dit moment nog een een uitstaande rekening op van meer dan 10.000.000,-.....                  

 

In 1659 staat Jacob de oude vermeld als één van de welgeboren mannen van de hoge vierschaar van het baljuwschap Rijnland in het boek 'Costumen, Keuren ende Ordonantien van het Baljuwschap ende Lande van Rijnland' van Mr. Simon van Leeuwen (1667). De bevestiging hiervan vond ik terug in de decreetbrief uit 1659 van de hoge vierschaar van Rijnland. Jacob de oude woonde aan de Hoge Rijndijk in het ambacht Zoeterwoude, dat voor de hogere rechtspraak onder de jurisdictie van Rijnland viel.

 

Op 27 mei 1662 laat Jacob in verband met het overlijden van zijn eerste vrouw Jannetje Claes van Nattenhoven en zijn voorgenomen tweede huwelijk met Jacomijntje door notaris W. van Vredenburch een inventaris opmaken van zijn bezittingen, omdat hij niet in gemeenschap van goederen wilde trouwen. De totale waarde van zijn vermogen werd geraamd op zo'n 28.000 gulden! Jacob de oude was dus een vermogend man voor die tijd.

 

Jacob de oude en Willem van Arkel kopen op 11 februari 1662 samen opnieuw een stuk warmoesland (532 roeden) op de Hardevloer te Leiderdorp voor een bedrag van 2600 gulden. Op 5 december 1664 koopt Jacob samen met Willem van Arckel en Jan Dircksz. Batelaen twee stukken land aan de Does te Leiderdorp, groot 8 morgen, 4 hont en 24 roeden voor een bedrag van 6965 gulden. De kleigrond, die ze nodig hadden voor de steenbakkerij, hadden zij reeds eerder gekocht op 29 november.

 

In een akte uit het rechterlijk archief van Alphen van 27 mei 1665 staan Jacob de oude en Willem Huijbertsz. van Arckel vermeld als de voogden over de minderjarige kinderen van Gerrit Hendricxsz. van Eijck, in leven steenkoper te Amsterdam. Tevens staat vermeld dat Jacob en Willem te Alpherhoorn twee steenplaatsen bezitten, die naast elkaar liggen. In een akte van 22 december 1683 staat deze steenbakkerij beschreven als een nieuw gebouwde steenplaats met twee ovens, twee schuren, karrewei, vorm, vlet en tasvelden en diverse nieuw gebouwde huisjes ten dienste van het werkvolk met een ruim woonhuis onder Alpherhoorn in de polder achter de kerk, stekkend vanaf de Rijn tot aan het land van de kinderen van Diederick van Leijden van Leeuwen, belend ten oosten Hendrick van Eijk, ten westen de kinderen van Pieter Willemsz. Maes, met 4 morgen 141 roeden land.

 

Op 25 mei 1671 verkocht Jacob aan Josua de Meyer een speeltuin met tuinhuisje, groot 50 roeden, uitkomend op de singel tussen de Heren- en de Zijlpoort. De tuin lag tussen de Gasthuislaan en de Blauwelaan. De koopsom was 450 gulden.

 

Op 12 juni 1674 verkoopt Pieter Coornwinder, provisioneel baljuw en schout en gehuwd met Barbara Veenbergen, dochter en erfgename van Hendrick Veenbergen, aan Willem Hubrechtsz van Erckel (Arckel) een uiterdijk gelegen buiten de Hoge Rijndijk, groot 4 hond, belend ten oosten Jonker Lantscroon, ten westen de kinderen van Dirck Claesz Rijnenburch, ten zuiden de Rijndijk en ten noorden de Rijn. De koopsom is 250 gulden en 2 rozenobels als speldegeld.

 

Op 27 februari 1675 verkoopt Willem Hubertsz van Erckel, wonende aan de Hoge Rijndijk, aan Jacob Verhagen, mede wonende aldaar, de helft van een uiterdijk gelegen buiten de Hoge Rijndijk (zie akte hierboven) waarop koper en verkoper tegenwoordig een pannenbakkerij hebben, groot 4 hond, belend ten oosten Jonker Lantscroon en ten westen de kinderen van Dirck Claesz Rijnenburg. De koopsom is 125 gulden boven 1 rozenobel als speldegeld. Sinds de aankoop door Willem Huibertsz. van Arckel is op het land kennelijk in samenwerking met Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude een pannenbakkerij gebouwd.

 

Jacob verkocht op 25 april 1676 aan een Leidse hoogleraar een partij houtland tussen de Rijn en de Hoge Rijndijk voor 500 gulden. Hij had dit stuk land gekocht op 26 maart 1667.

 

Op 27 januari 1677 kopen Jacob en Willem van Arckel een aangrenzend stuk land (uiterdijk) tussen de Rijn en de Hoge Rijndijk te Hazerswoude, waarvan de "caluwaerden" (kleigrond) reeds eerder was aangekocht door van Arckel. Het stuk land was 2 hond groot en grensde aan het stuk uiterdijk van 4 hond, waarop de pannenbakkerij was gebouwd, die later voor de helft in bezit kwam van Arent Jacobsz. Verhagen.    

 

 

De eerste vermelding van de familienaam Verhagen (1638)

Na het overlijden van Jan Adriaensz. van der Marck (de oom van Marijtgen Adriaensdr.) worden op 24 april 1638 twee akten opgesteld voor Schout en Schepenen van Zoeterwoude, waarin een deel van de nalatenschap wordt verkocht en toegewezen. Deze akten vangen aan met "Ick Dirck Pietersz. van Rietvelt, Schout inden ambachte van Soeterwoude, doe cont een ygelick, dat voor mij ende voor Jan Cornelisz. van Ouwater ende Tonis Huijgen, Schepenen inden selven ambachte als getuijgen ten desen versocht, gecompareert ende verschenen sijn Jacob Adriaensz. van der Marck ende Adriaen Adriaensz. van der Marck, gebroeders, soo voor hen selven mitsgaders als testamentare voochden over oude Jacob ende jonge Jacob Wollebrantsz. van der Hagen, beijde naergelaten kinderen van Marijtgen Adriaensdr. van der Marck, gewonnen bij Wollebrant Jacobsz. van der Hage". Het zijn de oudste documenten tot nu toe met de vermelding van onze familienaam. De naam Verhagen is een verdichting van de naam "van der Hagen", wat in die tijd regelmatig voor kwam.

 

Wat direct opvalt is dat Marijtgen Adriaensdr. van der Marck en de kinderen Jan, Pieter en Gijsbert inmiddels zijn overleden. Jacob en jonge Jacob zijn volgens een nog onbekend testament waarschijnlijk tot de meerderjarige leeftijd van vijfentwintig jaar in voogdij ondergebracht bij hun ooms Adriaen en Jacob Adriaensz. van der Marck.

 

Jan Adriaensz. van der Marck woonde op het Noorteijnde in Leiden en is tweemaal getrouwd geweest. Hij stierf kinderloos, waardoor zijn nalatenschap moest worden aangemeld in het register van collaterale successie. Jan Adriaensz. van der Marck wordt in het belastingboek van Leiden van 1581 vermeld als "Jan Adriaensz., bouman vander Wadding". Hij was dus boer en had wellicht in de omgeving van Ter Wadding een aantal van zijn landerijen liggen. Zijn nalatenschap had een totale waarde van 16.100 gulden, waarvan 1/7 deel werd toegewezen aan het weeshuis van Rotterdam en de rest aan zijn nabestaanden, waaronder Jacob en jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen. 

 

De verkoop van de nalatenschap vindt als volgt plaats:

 

Op 24 april 1638 wordt een stuk buitendijks land verkocht, dat voorheen gebruikt werd als warmoesland (groenteteelt). Het lag voorbij de Wittepoort van Leiden, in het ambacht van Zoeterwoude en werd verkocht voor een bedrag van 350 gulden.

 

Op dezelfde dag wordt tevens een partij weiland van twee morgen, twee hont en vijfenveertig roeden, gelegen aan de Molensloot nabij de Vliet in het ambacht van Zoeterwoude verkocht voor 2.198 gulden.

 

Op 8 mei 1638 verkopen de erfgenamen van Jan Adriaensz, van der Marck nog een partij weiland, genaamd "het Bijltgen", groot een morgen, vijf hont en eenenvijftig roeden, gelegen in de heerlijkheid van Voorschoten voor een bedrag van 2.300 gulden.

 

Diezelfde dag verkopen zij tevens nog een partij weiland van twee morgen en twaalf roeden, nabij "de Claeuw" in de heerlijkheid van Voorschoten voor een bedrag van 2.148 gulden. 

 

Tot slot verkopen de erfgenamen op 3 juni 1638 het nagelaten woonhuis van Jan Adriaensz. van der Marck. Het geheel wordt in de akte omschreven als: "een groote huijsinge, stallinge ende barge met een groot ruijm erff daer ter sijden ende achter aen, staande ende gelegen binnen deser stadt Leijden in´t Noorteijnde, uijtgaende met een vrije eijgen poorte ende gange tot op de Vest, daerinne de voors: Jan Adriaensz. ende sijn huijsvrouwe gewoont hebben ende overleden sijn". De verkoopprijs is 5.190 gulden.

 

 

Het dorp Valkenburg  

Valkenburg was een klein dorp dat in de 17e eeuw een vrije heerlijkheid was. In het belastingregister hoofdgeld van 1623 staan onder Valkenburg 502 inwoners vermeld. Uit de brandkeur van 30 april 1690 blijkt het dorp te bestaan uit ongeveer 66 huizen, 2 pannenbakkerijen, een steenbakkerij, een kerk en een school. Valkenburg was niet alleen bekend van z'n pannen- en steenbakkerijen, die ook duidelijk zichtbaar zijn op het kaartje hieronder, maar ook van de in die tijd beroemde paardenmarkt.

 

 

 

Kaart van Valkenburg, P. van Bilderbeeck, 1627

 

 

 

De kerktoren van Valkenburg werd door z'n grote hoogte in die tijd ook wel "Lange Maay" genoemd. Op 5 september 1665 slaat de bliksem in de kerk en brand de toren af. Spoedig daarna wordt de toren weer hersteld maar dan wel met een vierkante platte kap. 

 

 

 

 

Het dorp Valkenburg omstreeks 1675

 

 

 

 

Was de oorpronkelijke familienaam Schout of Schouten?

Jacob Wollebrantsz. (de oude) trad op 17 februari 1641 in het huwelijk met Jannetie Claes van Nattenhoven. Zijn schoonvader Claes Cornelisz. van Nattenhoven was van beroep kalkbrander en was in het bezit van een kalkbranderij in Zoeterwoude.

 

Op 1 december 1641 wordt het eerste kind van Jacob en Jannetie Claes, genaamd Wollebrant, gedoopt in de kerk van Valkenburg. Jonge Jacob is samen met de zwager van Jacob de oude doopgetuige. In het doopregister staat jonge Jacob echter op een bijzondere wijze omschreven, namelijk als "Sijn broeder Schouten".  Deze omschrijving heeft een hoop speurwerk met zich meegebracht, omdat hieruit zou kunnen blijken dat jonge Jacob schout van beroep zou zijn geweest. Ook in de doopakte van zijn eigen zoon Arent (zie verderop) staat hij beschreven als "Jacob Wollebrantsz. Schout". Tevens staat hij in twee latere notariële akten (13 april 1647 en 15 mei 1648) vermeld als "Jacob Wollebrantsz. Schout Verhaegen wonachtich te Valckenburch" en als "Jacob Wollebrantsz. Schout althans wonende tot Maessluijs" en ondertekende hij deze akten met "Jacob Wollebrantsz. Verhage Schot" en "Jacob Wollebrantsz. Schoet Verhage".     

 

 

 

Handtekening van "Jacob Wollebrantsz. Verhage Schot", 13 april 1647

 

 

Handtekening van "Jacob Wollebrantse Schoet Verhage", 15 mei 1648

 

 

 

Niet duidelijk is wat hier wordt bedoeld. De toevoeging "Schout" kan duiden op het beroep van jonge Jacob, maar kan ook nog te maken hebben met een (familie-)naam, die gehanteerd wordt naast die van Verhagen.  Als het om een familienaam gaat kan het een verwijzing zijn naar het beroep van één van zijn voorouders, waarbij de beroepsnaam later werd gebruikt als familienaam, hetgeen in die tijd niet ongebruikelijk was. De naam Verhagen lijkt afkomstig van een verwijzing naar een plaatsnaam "Ter Hage(n)" en zou later, na een verhuizing, toegevoegd kunnen zijn. De omvorming van "van Ter Hagen" via "van der Hagen" naar de uiteindelijke naam "Verhagen" komt bij meer familienamen voor!

 

Gaat het echter niet om een familienaam dan zou het hier een verwijzing moeten zijn naar het beroep van jonge Jacob Wollebrantsz. zelf of een verwijzing met betrekking tot zijn woonplaats. Dit gold dan kennelijk alleen voor de periode van omstreeks 1 december 1641 (doopgetuige bij de doop van het kind Wollebrant van zijn broer Jacob Wollebrantsz. de oude) tot ongeveer 15 mei 1648, de datum van de laatste akte met deze verwijzing. In dezelfde periode is jonge Jacob Wollebrantsz. getrouwd geweest met Marijtgen Arents Pauw (van 27 april 1642 tot haar overlijden voor 12 oktober 1651) en heeft hij voor het grootste deel van die periode waarschijnlijk in Maassluis gewoond (zie verderop 1644/1645). In de heerlijkheid Valkenburg, waar jonge Jacob eerst woonde en al in 1641 als schout wordt vermeld, werden de schouten benoemd door de heer of vrouw van het dorp. Omdat Valkenburg in die tijd bovendien een vrije heerlijkheid was, viel de functie van schout samen met die van de baljuw, die tevens criminele of halsmisdaden mocht behandelen in samenspraak met de welgeboren mannen. Uit onderzoek in het rechterlijk archief van de beide woonplaatsen Valkenburg en Maassluis blijkt jonge Jacob in die periode nergens als schout vermeld te staan. Ook het feit dat hij in de akte van 1641 al op jonge leeftijd als schout vermeld staat, maakt het onwaarschijnlijk dat dit daadwerkelijk zijn beroep was. Wel wordt hij later genoemd als welgeboren man in de vierschaar van Valkenburg (zie verderop).

 

Tot slot kan de toevoeging "Schout" in zijn naam nog een verwijzing zijn naar zijn woonplaats, omdat hij in dezelfde periode ook aan het Haagse Schouw te Voorschoten heeft gewoond (zie onder). Indien dit echter ook niet juist is zou de door hem gebruikte toevoeging "Schout" toch kunnen wijzen op een alias of oorspronkelijke naam van de familie Verhagen!

 

 

De aankoop van een rijnschip (1643)

Op 9 april 1643 legt Jacob Wollebrantsz. Verhagen "woonende aen't Haechsche Schouw inde ambachte van Voorschoten" een schuldbekentenis af bij notaris Claes Verruijt. Hij verklaart  nog 140 gulden schuldig te zijn aan Pieter Dircxz. Scheepmaecker te Leiderdorp voor de levering van een rijnschip op 21 maart 1643, waarvoor hij toen al 57 gulden had betaald. Jacob belooft de schuld in twee gelijke termijnen te zullen afbetalen op 21 maart 1644 en 1645. Hoewel de akte niet expliciet duidelijk maakt om welke Jacob Wollebrantsz. Verhagen het precies gaat is het zeer waarschijnlijk dat het jonge Jacob betreft. De ondertekening van de akte vindt plaats door middel van een merkteken, terwijl Jacob Wollebrantsz. de oude onder zijn testament van 28 maart 1643 (12 dagen eerder dus) al gebruik maakt van een handtekening. Bovendien blijkt uit de boedelverkoop van jonge Jacob op 4 december 1667 (zie verderop) dat hij op dat moment (nog) in het bezit was van een rijnschip (waarde 30 gulden). Aan het Haagse Schouw, waar je met een veerboot (een schouw was een platte schuit) de Rijn kon oversteken, woonde jonge Jacob waarschijnlijk aan het water. Veel vrachtvervoer vond in die tijd nog plaats per schip over het water en wellicht dat hij in die periode al goederen vervoerde naar de omliggende plaatsen.   

 

 

 

Het Haagse Schouw, P.C. la Fargue, 1774

 

 

 

 

Doopakte van Arent (1643)

Op 13 december 1643 wordt Arent Jansz. Pauw, de vader van Maritgen, begraven te Valkenburg. Bijna twee weken later op 26 december 1643 vindt de doop van Arent, het eerste kind van jonge Jacob Wollebrantsz. en Maritgen Arents plaats in de kerk van Valkenburg. Als doopgetuigen zijn Saertgen Maertens (de moeder van Maritgen Arents), Jan Jansz. Pauw en Jan Arentsz. Pauw aanwezig. Jonge Jacob staat in deze doopakte vermeld als "Jacob Wollebrantsz. Schout".  

 

 

Vertrek naar Maassluis (1644/1645)

In het lidmatenregister van de Nederduits Gereformeerde Gemeente van Valkenburg staat beschreven dat in 1644 of 1645 jonge Jacob Wollebrantsz. en zijn huisvrouw Maritgen Arents Pauw beide attestatie is verleend voor hun verblijf in Maassluis. Een attestatie was nodig, wanneer iemand naar een andere plaats wenste te verhuizen en zich daar, wegens mogelijke armlastigheid in de toekomst, bij de kerkgemeenschap wilde aansluiten. In de 17e eeuw kwam Maassluis steeds verder tot bloei. Waarschijnlijk namen hierdoor ook de bouwactiviteiten toe, waarvoor de nodige bouwmaterialen moesten worden aangevoerd. In de periode 1646 - 1658 komen in het rechterlijk archief van Maassluis meerdere transportakten voor met vermelding van Jacob Wollebrantsz. de oude. Het beroep van jonge Jacob is in die periode niet duidelijk, maar wellicht deed hij in Maassluis zaken voor zijn broer. Het vreemde is echter dat van jonge Jacob Wollebrantsz. en Maritgen Arents in het kerkelijke, rechterlijke en notariële archief van Maassluis geen enkele vermelding is teruggevonden. Misschien heeft dit te maken met het feit dat jonge Jacob in die periode schipper was en veel bouwmaterialen (voor zijn broer) naar Maassluis vervoerde.

 

 

Boedelscheiding Maritgen Arents Pauw (1651)

In het notariële archief van Leiden kwam ik een akte tegen, waarin de boedelscheiding werd beschreven naar aanleiding van het overlijden van Maritgen Arents Pauw. Het blijkt de aanloop naar het tweede huwelijk van jonge Jacob Wollebrantsz., waarbij de nalatenschap uit zijn eerste huwelijk eerst moest worden toegewezen. Het interessante is dat in deze akte van 12 oktober 1651 ineens twee tot nu toe onbekende kinderen opduiken, die als volgt beschreven staan: "Op huijden den xij october anno 1651 compareerde voor mij Floris van Dam notaris publijcq bij den Hove van Hollandt opte nominatie vandien inden gerechte der stadt Leijden geadmitteert, mitsgaders voorden naerbeschreven getuijgen, jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen, altans wonende aenden Hogenrijndijck in Soeterwoude, weduwenaer van Marijtgen Ariensdr. Paauw ter eene ende Jan Arentsz. Paauw oom van moeder zijde ende Jacob Wollebrantsz. Verhagen oom van vaders zijde van de drije naergelaten weeskinderen van den voorn. Marijtgen Ariensdr., gewonnen bijde jonge Jacob Wollebrantsz., met namen Arent out acht jaren, Wollebrant out ses jaren ende Jan Jacobszoon out omtrent twee jaren ten andere zijde ...".

 

De nagelaten boedel wordt door de familie toegewezen aan jonge Jacob Wollebrantsz. zelf, onder conditie dat hij belooft "de voors. drije weeskinderen te onderhouden op te brengen in spijs, dranck, cledinge ende redinge deselve leeren leesen, schrijven ende daer beneffens leeren een goet hantwerck, daer mede zij haer in tijde ende wijlen connen behelpen ende dat soowel in sijeckte als gesontheijt ten tijt ende wijle toe deselve elcx ter ouderdomme van achtijen jaren gecomen zullen zijn".

 

 

Het tweede huwelijk (1651)

Zeventien dagen na het vaststellen van de bovengenoemde boedelscheiding treedt jonge Jacob Wollebrantsz. voor de 2e keer in het huwelijk. Hij woont nog in Zoeterwoude (waarschijnlijk bij zijn broer) en trouwt te Leiderdorp met Grietgen Jans van Langevelt, weduwe van Jacob Jaspertsen van der Hoef, wonende te Valkenburg. Uit haar eerste huwelijk had zij in ieder geval nog een zoon (Jasper Jacobsz. van der Hoef) en het bezit van een pannenbakkerij in Valkenburg. Na het huwelijk keert jonge Jacob terug naar Valkenburg. In het lidmatenregister staat onder 1651: "Jacob Wollebrantsz. voor desen Maritgen Ariens nu Grietgen Jans van Langevelts man is wederom hier gekomen".

 

Jonge Jacob en Grietgen krijgen samen nog drie kinderen, Engel (vernoemd naar de oudste broer van Grietgen en geboren omtrent 1652), Jacobje (1654) en Hadewijn (1659). Van Engel is geen doopakte bekend maar wel andere akten, waaruit blijkt dat hij een zoon van hen beiden is. Jacobje wordt in Valkenburg gedoopt en Hadewijn in Katwijk.

 

 

Schulden (1652-1667)

In tegenstelling tot zijn oudere broer, die als eigenaar van een paar kalkovens en een steenbakkerij nog een vermogen van ongeveer 28.000 gulden wist te vergaren, werkte jonge Jacob Wollebrantsz. zich tot het graf in de schulden. De schuldbekentenissen vangen aan in 1652 met een lening van duizend gulden (tegen 5% per jaar) van de oom van Grietgen, Jacob Maertensz. van Langevelt, wonende te Lisse. Dat die schuld er stevig inhakt blijkt wel uit een akte van 6 augustus 1655, waarin jonge Jacob en zijn vrouw bekennen de schuld niet op afgesproken wijze te kunnen aflossen. In deze akte komen ze daarom overeen om hun inboedel als onderpand in te zetten. De hele inventaris (zie onder) wordt in de akte opgenomen en beschreven met daarbij de waarde van de goederen, al met al een bedrag van duizend gulden inclusief de met zilver beslagen bijbel en twee gouden ringen!  

 

 

   De inboedel van jonge Jacob Wollebrantsz. en Grietgen Jans op 6 augustus 1655

 

 Vier beddens, soo out als nieut met de peulue getauxeert op f 80-0-0      Twaelff taferelen soo cleijn als groot op  f 6-0-0  
 Acht deeckens soo out als nieut op f 24-0-0      Drie spiegels op  f 24-0-0  
 Veertien oorkussens soo kleijn als groot op f 40-0-0      Een wageschotte tafel op  f 7-0-0  
 Twee paer blaeuwe gardijnen rabatten ende twee spreen op f 20-0-0      Twee ebbehoute stoelen op  f 5-0-0  
 Twintich slaeplakens op f 80-0-0      Een wageschotte banck op  f 4-0-0  
 Acht paer kusseslopen op f 24-0-0      Twaelff groene stoelen op  f 7-0-0  
 Twee dosijn servieten op  f 24-0-0      Twee geverwde hangkaskes op  f 8-0-0  
 Vijff tafellakens op  f 26-0-0      Een kopere beddepan op  f 2-10-0  
 Twaelff manshemden op  f 36-0-0      Twee kopere kandelaers op  f 2-10-0  
 Acht vrouwehemden op f 24-0-0      Drie tinne plateelen op f 3-0-0  
 Een swarte lakense mantel op  f 24-0-0      Een tinne waterpot op  f 1-0-0  
 Een graeuwe mansrock op  f 20-0-0      Drie eijcke rackges op  f 7-0-0  
 Twee pack swarte lakense cleren op  f 36-0-0      Een glase kas met glasen daerin op f 2-10-0  
 Een root hemtrock met silvere knopen op f 20-0-0      Een geverwt tafeltge op f 3-0-0  
 Een heuijck op  f 24-0-0      Een schoortiencleet op f 1-10-0  
 Een swarte bratte rock op  f 40-0-0      Een wiech en schraech op f 6-0-0  
 Een roo scharlakense rock op  f 30-0-0      Een testament met silver beslagen op  f 24-0-0  
 Een swarte wacht op f 18-0-0      Twee goude ringen op  f 26-0-0  
 Een laeckens ende turcx vrouwemanteltje met twee vrouwe
 borsgens op
f 40-0-0      Twee silvere schaeltgens op  f 7-10-0  
   Alle het aerdewerck bestaende in schuttelen, commen,
 plateelen, tafelborden als andere tesamen op
f 30-0-0  
 Een swart sije schortecleet op f 12-0-0    
 Een kleerkas op  f 80-0-0      Alle het ijserwerck bestaende in schop, tangen, roosters,
 hengsels, ijsere pot, ketels als anders tesamen op           
f 12-10-0  
 Een halff kasge op  f 18-0-0    
 Vier schilderie sijnde de vier tijden van 't jaer op  f 16-0-0        
 Twee tronyens sijnde haer kinderen op  f 30-0-0                                                
 Noch een lantschap met een ebbehoute lijst op  f 24-0-0      Somma  f 1000-0-0  

 

 

Op 10 maart 1656 leggen ze een nieuwe schuldbekentenis af middels een weesrentebrief voor een lening van duizend gulden met als onderpand: "een nieut huijs ende erve, daer sij comparanten jegenwoordich woonachtich sijn, mitsgaders een pan ende estrickbackerije met vijff bijsondere woonhuijsgens ende lootsen met alle verdere getimmerte ende erve van dien, item de gereetschappen daer toe behorende, staende ende gelegen tot Valckenburg ontrent het dorp aen den Hogenrijndijck". Omdat we verder niets meer vernemen van zijn schuld bij de oom van Grietgen kan het zijn dat dit bedrag werd aangewend ter aflossing van de eerste lening van duizend gulden. Inmiddels blijkt uit het onderpand dat ze wel een nieuw huis bezitten. Op 29 november 1667 moet jonge Jacob voor schout en schepenen verschijnen. De schuldeiser Ds. Petrus Quackenbosch, erfgenaam van zaliger Gerrit Pietersz. en Jannetge en Beartgen Pietersdr. Quackenbosch verzoekt tot afbetaling van de nog openstaande rente van 62 gulden.

 

Op 23 november 1653 leent jonge Jacob nog eens 300 gulden tegen een rente van 4% per jaar, waarvoor zijn oudere broer zich borg stelt. De lening wordt vastgelegd in een weesrentebrief en wordt aangegaan met de voogden van Cornelis Cornelisz. Crul, erfgenaam van zijn grootvader Claes Cornelisz. van Nattenhoven. Waarschijnlijk waren de voogden goede bekenden van Jacob Wollebrantsz. de oude, omdat Claes Cornelisz. van Nattenhoven ook zijn schoonvader was en van wie hij op 19 mei 1646 zijn kalkovens kocht voor 3500 gulden.   

 

Op 28 april 1662 koopt jonge Jacob een stuk land van 5 hont en 20 roeden, "van outs genaemt het Lange Mergen gelegen aende Groote Wateringh in dese vrije heerlicheijt van Valckenburch". Hij koopt dit land van de erfgenamen van IJsbrant Jansz. door het tekenen van een schuldbrief van 1800 gulden, waarbij hij per jaar ¼ deel met 5% rente moet terugbetalen. Op 30 oktober 1663 moet jonge Jacob al voor de rechtbank verschijnen, omdat hij de restsom van de aflossing dat jaar (202 gulden en 10 stuivers) plus de rente nog moet afbetalen.  Op 7 juli 1665 mag jonge Jacob opnieuw voor de rechtbank verschijnen. De erfgenamen van IJsbrant Jansz. beklagen zich over de achterstand in aflossing, namelijk 405 gulden en 10 stuivers plus de resterende rente van 5%. Na de kleilaag van het land te hebben afgegraven voor het maken van dakpannen en estrikken verkoopt jonge Jacob op 10 december 1666 het land weer door voor 100 gulden contant plus de aflossing van de nog openstaande schuld van 405 gulden. Na zijn overlijden wordt onder de schuldbrief geschreven: "Den origenelen brieff es mij notaris verthoont met een quijtantie daer achter gestikt dat deselve was voldaen. Derhalve is deselve alhier ten prothocolle geteijkent opte xxviiij april 1668. Bij mij als Secretaris J. van Campen".

 

Op 10 juni 1662 leent jonge Jacob met zijn broer als borg van doctor medicus Michiel van Ringh, 400 gulden tegen 6% per jaar.

Op 4 december 1667 verkoopt jonge Jacob zijn inboedel aan zijn broer, die dan nog 265 gulden moet afbetalen van de openstaande schuld aan Michiel van Ringh.  

 

Door het tweede huwelijk met Grietgen Jans werd jonge Jacob Wollebrantsz. niet alleen eigenaar van de pannen- en estrikbakkerij van Jacob Jaspersz. van der Hoef (ook wel Verhouff genoemd), de eerste man van Grietgen, maar ook van een onderliggende schuldbrief van 869 gulden. Deze schuldbrief dateert van 24 maart 1649 en betreft een lening van Meijnsgen Dircxdr. van Proijen, wed. van Cornelis Pietersz. tegen een rente van 5% per jaar. Als onderpand staat een huis met twee erven opgenomen, waarop later, waarschijnlijk met het geld uit de lening, de pannenbakkerij is opgezet. Op 3 april 1663 wordt jonge Jacob door de erfgenamen van Meijnsgen Dircxdr. voor de rechtbank gedaagd om de openstaande schuld van een achterstand in de aflossing te erkennen en deze alsnog te betalen.

 

Op 23 mei 1665 wordt een nieuwe dagvaarding tegen jonge Jacob Wollebrantsz. uitgeschreven, waarbij hij zich nogmaals voor de rechtbank moet verantwoorden voor de achterstand in de aflossing van de rente van 43 gulden negen stuivers per jaar. De eisende partij wordt nu omschreven als "de voochden over de minderjarige kinderen ende erffgenaemen van zaliger Jan Craen". De afbetaling is inmiddels opgelopen tot een periode van 3 jaar en dus een bedrag van ongeveer 130 gulden. De bode wordt verzocht de dagvaarding bij jonge Jacob Wollebrantsz. af te geven. Jonge Jacob blijkt niet thuis te zijn en de dagvaarding wordt door Grietgen Jans in ontvangst genomen. Onderaan het afschrift van de dagvaarding in het register schrijft de bode Jan Simonsz. nog: "Op den 25en meij 1665 heb ick ondergeschreven de sijtazij gedaen aen de vrou van Jacob Wollebrantsz. Verhagen en gaf tot antwoort, mijn man die sal daer wel na kijcken". Met "sijtazij"wordt bedoeld visitatie, ofwel bezoek.

 

 

Handtekening van jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen onder de dagvaarding van 23 mei 1665

 

 

Op 13 oktober 1665 vindt de uitspraak plaats. Jonge Jacob had de rechtbank verzocht om uitstel van betaling tot februari van het volgend jaar, zodat hij het betreffende onderpand intussen kon verkopen, voor de aflossing van de schuld. Het voorstel van jonge Jacob werd aanvaard.  

 

Op 24 juni 1667 mag jonge Jacob wederom voor de rechtbank verschijnen, omdat hij inmiddels vijf jaar afbetaling van de rente achterloopt. Jonge Jacob erkent de schuld en vraagt om een aflossingsregeling, waarbij hij de schuld wil afbetalen in vier termijnen van drie maanden. Het gaat inmiddels om een bedrag van 270 gulden en vijf stuivers. Op 27 september doet de rechtbank uitspraak en besluit dat jonge Jacob deze achterstand moet aflossen in drie maal vier maanden, waarbij telkens een kwart (?) van de schuld moet worden afbetaald.

 

Jonge Jacob heeft de uiteindelijke aflossing zelf niet meer mogen meemaken. Hij overlijdt eind 1667 begin 1668 en op 10 april 1668 wordt de pannenbakkerij voor een bedrag van 2139 gulden verkocht aan zijn stiefzoon, Jasper Jacobsz. Verhouff. Op 4 december 1668 wordt dit bedrag in het register toegewezen aan de nog resterende schuldeisers van jonge Jacob en Grietgen Jans. en wordt op dezelfde dag nog onder de bovenstaande acte van 24 maart 1649 geschreven dat de schuld is afgelost.         

 

Op 19 januari 1666 gaat een nieuwe dagvaarding de deur uit en moet jonge Jacob Wollebrantsz. verantwoording afleggen over een achterstallige aflossing van een schuld van 175 gulden, die hij nog heeft openstaan in verband met de aankoop van 100 roeden "pan off estrick aerde" van Sr. Havick Jansz. Steen. In het vonnis van 16 februari 1666 wordt vervolgens een betalingsregeling afgesproken, waarvoor de stiefzoon van jonge Jacob, Jasper Jacobsz. Verhouff zich borg stelt. Op 16 november 1666 wordt dan alsnog bij notaris Arend Raven te Leiden een verkoopakte opgesteld, waarin tevens wordt gesteld dat de koopsom van 160 gulden moet worden afbetaald in drie termijnen van telkens een half jaar tegen een jaarrente van 5%. De panaarde, die jonge Jacob gebruikt voor zijn pannenbakkerij, komt van een stuk grond in Valkenburg van het St. Catharijnen Gasthuis te Leiden. Jonge Jacob moet er voor zorgen dat het afgegraven land weer tot op de oorspronkelijk hoogte wordt opgehoogd met "goet wassenaers sant". De uiteindelijke afbetaling vindt plaats op 29 oktober 1667 (zie verderop).  

 

Op 8 maart 1667 volgt de volgende dagvaarding en vindt tevens het vonnis plaats. Jonge Jacob Wollebrantsz. blijkt nog voor 107 gulden en 5 stuivers in het krijt te staan bij Matheus Stricktenhuijse, brouwer in de brouwerij "de Hoop", voor het volgens het register geleverde bier.

 

Op dezelfde dag (8 maart 1667) wordt meteen nog een andere zaak in behandeling genomen. Jonge Jacob heeft ook nog een schuld van 134 gulden en 17 stuivers openstaan bij de erfgenamen van de heer Cornelis Simonsz. Hasius voor de levering van kalk en steen.  

 

Op 27 september 1667 staat jonge Jacob weer voor de rechtbank voor een schuld van 9 gulden bij Henrick Fransz. Binnendijck voor het huren van een stuk land.  Als blijkt dat de partijen niet tot een schikking kunnen komen gaan de schepenen in beraad en concluderen dat jonge Jacob nog een bedrag van 7 gulden en 10 stuivers moet betalen.

 

Op 29 oktober 1667 verkoopt jonge Jacob een partij van ongeveer 1000 planken van de pannenbakkerij aan zijn stiefzoon Jasper Jacobsz. Verhouff voor een bedrag van 350 gulden. Als borg in de lening van jonge Jacob aan Havic Steen (zie boven) heeft Jasper reeds 290 gulden betaald voor de aflossing van de nog openstaande schuld. Voor de verdere afbetaling wordt nog eens een bedrag van 106 gulden achter gehouden. De restsom van 15 gulden krijgt jonge Jacob contant uitbetaald.

 

 

De voogd (1646-1663)

Op 26 mei 1646 gaan Jacob Wollebrantsz. de oude en zijn vrouw Jannetgen Claesdr. van Nattenhoven naar notaris Claes Verruijt in Leiden en laten door hem hun testament vastleggen. Ze spreken af dat na het overlijden van één van beiden aan de armen een bedrag van 25 gulden moet worden verstrekt en verklaarden verder "over haere minderjarige kint of kinderen te stellen tot voochden, jonge Jacob Wollebrantsz. ende Ds. Matheus van Nattenhoven, dienaer des goddelicken woorts tot Catwijck opden Rijn, respective haer broeders".

 

Na het overlijden van Jannetgen Claes van Nattenhoven vindt op 10 juni 1662 een boedelscheiding plaats bij notaris W. van Vredenburch te Leiden, omdat Jacob Wollebrantsz. de oude op 28 mei 1662 in ondertrouw is gegaan met Jacomijntgen Jansdr. Speelmans. Ook jonge Jacob Wollebrantsz., pannenbakker te Valkenburg en Sr. Johan Dermonts, koopman te Leiden, zijn aanwezig als de toegewezen voogden van "Claes out ix, Marijtgen out xviij ende jonge Marijtgen out xvj, alle off daer omtrent, naegelaten weeskinderen vande voors. Jannetgen Claesdr. van Nattenhoven, gewonnen bijde gemelde Jacob Wollebrantsz. Verhagen". Sr. Johan Dermonts wordt dezelfde dag nog bij de notaris aangewezen als de nieuwe voogd, omdat ook Ds. Matheus Claesz. van Nattenhoven inmiddels overleden is. In plaats van 500 gulden, zoals was vastgelegd in het testament, belooft Jacob de oude de kinderen ieder 2000 gulden te schenken en wel 1000 gulden "soo haest zij tot hun huwelijcke state off anders tot haer mondige dagen sullen zijn gecomen ende de jaer daer naer noch elc gelijck tienhondert gulden".

 

Op 4 september 1662 is jonge Jacob aanwezig bij het vaststellen van een nieuw testament van Jacob de oude en zijn vrouw. In de akte staat geschreven: "de persoone Jacob Wollebrantsz. Verhage, steenplaetser ende de eerbare Jacomijntgen Jansdr. Speelmans, echteluijden, tegenwoordich haer residentie houdende aenden Hogenrijndijc in de kercbuijrt inden ambachte van Leijderdorp, mij notaris wel bekent, beijde sieckelijc van lichame momentlijcken den voorschreven Jacob Wollebrantsz. te bedde leggende ende de voornoemde Jacomijntgen Jansdr. gaende ende staende niettemin beijde haer verstant redenen ende memorien wel machtich ende ten vollen gebruijckende soo uijtwendelijcken bleecq". Door ziekte geveld werd het kennelijk hoog tijd om de nalatenschap in een testament vast te leggen. In dit testament staat dat het huwelijk niet in gemeenschap van goederen heeft plaatsgevonden en dat beide inboedels daarom  voor het huwelijk in een aparte inventaris zijn vastgelegd. Uit de inventaris van Jacob de oude blijkt dat hij op dat moment over een vermogen van ongeveer 28.000 gulden beschikte. In het testament werd tevens bepaald dat de langstlevende recht had op de helft van de winst, die tijdens het huwelijk uit beide boedels zou voortkomen, maar ook aansprakelijk zou zijn voor de helft van een eventueel verlies in die periode. In een tweede akte van die dag worden "Jacob Wollebrantsz. Verhagen de jonge, sijn comparants broeder, mit ende beneffens Sr. Jan Dermonts, coopman, sijn neef" aangewezen als de voogden over de kinderen.

 

Op 25 augustus 1663 verschijnen "de eersame Jacob Wollebrantsz. Verhagen, steenplaetser ende kalckbrander ende de eersame Jacquemijntge Speelmans echteman ende vrouw" wederom bij notaris W. Vredenburch om een paar extra voogden te benoemen. Naast de reeds benoemde voogden jonge Jacob Wollebrantsz. en Sr. Johannes Dermonts, die door Jacob de oude zijn aangewezen, worden nu ook twee voogden aangewezen door Jacquemijntge Speelmans, namelijk haar eigen man Jacob de oude en Gijsbertus Schuijlenburch, een goede vriend van haar.

 

 

Welgeboren man en schepen (1652-1663)

Na zijn terugkeer naar Valkenburg wordt jonge Jacob in de periode 1652 tot 1663 benoemd tot schepen en tevens tot welgeboren man van de vierschaar van Valkenburg. Ook zijn schoonvader Jan Maertensz. van Langevelt en zijn zwager Pieter Jansz. van Langevelt maakten in die tijd deel uit van de vierschaar. Valkenburg was een vrije heerlijkheid, wat onder andere betekende dat de baljuw in samenspraak met de welgeboren mannen ook recht mocht spreken in geval van criminele of halsmisdaden, waarop lijfstraf of zelfs de doodstraf kon volgen. Omdat deze vorm van rechtspraak grote verantwoordelijkheid met zich meebracht werd de functie van welgeboren man vaak toegewezen aan inwoners van "goede komaf". Alle welgeboren mannen, die toetraden tot de vierschaar van Valkenburg, moesten vooraf de volgende eed afleggen:

 

"Wij beloven een ygelijck goet recht en justitie te administreren ende corte expeditie te doen, alle wesen ende wedue in haer recht voor te staen mitsgaders den heer ende dorp in haer gerechticheijt ende prevelegie te helpen mainteneren en voor te staen sonder aen ijemandt haet, gunst ofte wangunst te betoonen, soo waerlijck helpt ons Godt almachtich".

 

De welgeboren mannen van Valkenburg (meestal werden er negen tegelijk benoemd) dienden zich te houden aan de ordonnantie van de vierschaar, waarin met name afgedwongen werd, dat zij tijdens de rechtdagen altijd present dienden te zijn. Konden zij zich onvoldoende verantwoorden voor hun eventuele afwezigheid, dan liepen zij het risico een boete opgelegd te krijgen van 12 stuivers voor het te laat komen of 24 stuivers voor het geheel niet komen opdagen.       

 

 

 

 

Schout en schepenen. In het midden de schout met aan de linkerkant de twee schepenen en rechts de  griffier.

Uiterst rechts de verliezende partij en helemaal links de winnende partij. Pieter Xaverij, 1673.

 

 

De lagere rechtspraak werd uitgevoerd door schout en schepenen. Deze rechtbank handelde vaak niet alleen over kleine conflicten of geschillen, maar kende ook de vrijwillige rechtspraak, waarbij testamenten, boedelscheidingen of transportakten van de verkoop van roerende of onroerende goederen werden vastgelegd. In de vrije heerlijkheid van Valkenburg viel de functie van schout samen met die van de baljuw.

 

 

Weerbare mannen (1653)

Toen nabij Dover de Nederlandse vloot onder leiding van Maarten Tromp weigerde de Engelse admiraal Robert Blake het eerst te groeten kreeg Tromp na enige schermutselingen de volle laag. Dit incident was de directe aanleiding voor de Eerste Engelse Oorlog, die duurde van 1652 tot 1654. Om een gewapend conflict te vermijden, werd een gezantschap onder leiding van raadpensionaris Adriaan Pauw naar Londen gestuurd, maar deze bemiddelingspoging had geen succes. Intussen vond de ene zeeslag na de andere plaats. In augustus 1652 versloeg Michiel de Ruyter de Engelsen bij Plymouth, maar in oktober leed Witte de With voor de Theemsmond een nederlaag tegen Blake (Slag bij Duins). In december had Tromp bij Dungeness succes. Spoedig keerden de kansen echter: in februari 1653 werd Tromp bij Portland in de Driedaagse Zeeslag verslagen en in juni bij Nieuwpoort. De hieropvolgende blokkade voor de Hollandse kust werd in augustus door zeegevechten bij Wijk aan Zee en Ter Heide gebroken. In het gevecht bij Ter Heide sneuvelde Tromp.

 

Door de directe dreiging van de oorlog moesten alle weerbare mannen van 16 tot 60 jaar zich laten registreren voor een eventuele oproep en inzet voor het vaderland. Deze registraties werden vastgelegd in een zogenaamde monsterrol, waarin de mannen werden ingedeeld in officieren, "musquettiers en pieckeniers". In de monsterrol van 3 juli 1653 van Valkenburg staat ook jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen vermeld als muskettier. Behalve de officieren bevonden zich in Valkenburg 65 weerbare mannen, waarvan 39 personen gewapend waren met musketten en 26 met spiesen en stokken. Op 15 april 1654 kwam met de vrede van Westminster een einde aan de Eerste Engelse Oorlog.

 

 

Musquettier, Jacques de Gheyn II, 1608

 

 

 

Schoon schip (1667-1668)

Na een leven van schulden en wanbetalingen voelt jonge Jacob het einde kennelijk naderen. Op 4 december 1667 verkoopt hij aan zijn broer Jacob de oude zijn inboedel, zodat ook de resterende schulden nog kunnen worden afgelost. De hele inventaris levert niet meer op dan een bedrag van 609 gulden. Jacob de oude bedingt nog dat de ongebakken pannen om niet alsnog gebakken mogen worden op de pannenbakkerij van jonge Jacob. Van het bedrag van 609 gulden wordt 340 gulden aangewend voor het afbetalen van diverse openstaande schulden en nog eens 265 gulden voor de afbetaling van de schuld aan Dr. Michiel van Ringh (zie boven), waarvoor Jacob de oude als borg nog mede verantwoordelijk was. Als Arent, de zoon van jonge Jacob, op 3 maart 1668 bij de notaris zijn huwelijkse voorwaarden laat vastleggen blijkt jonge Jacob inmiddels gestorven. Wat dan nog rest is de verkoop van de pannenbakkerij voor de aflossing van de laatste openstaande schulden....     

 

 

 

De inboedel van jonge Jacob Wollebrantsz. en Grietgen Jans op 4 december 1667

 

 Drie beddens, ses deeckens, acht slaeplakens, vier oorcussens, twee paer gardijnen met een schoorsteencleetgen voor 80:00:00  
 Een eijcke kas voor 20:00:00  
 Twee vuere kassen ijder 6 gl: is 12:00:00  
 Een vuere kas voor 4:00:00  
 Een eijcke tafel met tijen stoelen 15:00:00  
 Een vuere tafel ende tijen schilderijen voor 10:00:00  
 Drie copre ketels ende een ijsere pot ende een smoorpan voor 14:00:00  
 Een hengeltang, asschop ende wijders alle den verdere huijsraet ende imboedel niet uijtgesondert voor 16:00:00  
 Een rhijnschip met focken voor 30:00:00  
 Het vleijs ende spec in de cuijp ende schoorsteen voor 30:00:00  
 Drie ijsere molens daermen de aerde mede maelt ijder 20 gl: comt 60:00:00  
 Veertich schepen aerde leggende opte werf vanden pannebackerij van hem comparant ijder schip van vijff last tot 6 stuijvers
 ´t last comt t´samen 
60:00:00  
 Dertich duijsent gemaecte doch ongebacke pannen of heel backen leggende mede opte pannebackerij ofte werf van hem
 comparant tot 8 gl: duijsent comt
240:00:00  
 Ende ten laetsten twee duijsent gemaecte doch ongebacke, half backen ende duijsent vorsten leggende ter plaetse voors. voor 18:00:00  
   
 Makende t´samen: 609:00:00  

 

 

 

De pannenbakkerij

Op 10 april 1668 autoriseren schout en schepenen van Valkenburg ("op het versouck bijde wedue van Jacob Wollebrantsz. Verhage aen ons gedaen") de secretaris Johan van Campen om "op te dragen ende te transporteren aen Jasper Jacobsz. Verhouff zeeckere panne- ende tichgelbackerije mette huijsingen ende erve daer op deselve getimmert ende gemaect staen, gelegen in dese heerlijcheijt tusschen de Rijn ende Hogenrijndijck, 't welck den voors. Verhage aen de voors. Jasper Jacobse Verhouff openbaerlic om de somme van tweeduijsent eenhondert negenendertich gulden heeft vercoft gehadt". Op 18 mei 1669 vindt de overdracht daadwerkelijk plaats voor schout en schepenen en wordt Jacob Jaspersz. Verhouff de nieuwe eigenaar van:

 

"een ruijme starcken huijsinge, met een extrick werck, ende een beijname oven om pannen ende extricken te backen geteijckent geweest sijnde 't volgens partije mette letter B, belent ten noord-oosten den Rijn, ten suijd-oosten het volgens partije geteijckent geweest sijnde met de letter C. ten suijd-westen den Hogenrijndijck ende ten noord-westen 't partije geteijckent geweest sijnde met de letter A waer opgetimmert staet een woonhuijsinge, met een extrickwerc, ende een oven, om blaeuwe panne ende extricken te backen, welc mede ter voors. tijde bijde vercoopers aen de coper es vercoft. Doch alsoo 't selve partije te leen gehouden wert van de wel edele heere van Schagen, zoo es het selve voorden gemelte heere op den voors. coper vercoft. Ende noch een partije geteijckent geweest sijnde met de letter C, waer op gemaect staet, een pannewerc braeckhuijs ende vlasoven. Belent ten noort-oosten den Rijn, ten suijd-oosten Jan Meessen van Egmont ten zuijd-westen den Hogenrijndijck, ende ten noord-westen het voors. partije geteijckent mette letter B. Ende dat met de belastinge van een versuijmelicken erffpacht van veertien gulden s'jaers, aencomende de erffgenamen van Gijsbrecht de Milde, verschijnend jaerlicx den eersten meij, staende de voorss. erffpacht alleen op het voorss. laeste partije C".

 

Na gedetailleerd onderzoek van alle transacties van de percelen in de uiterwaarden ten noordwesten van Valkenburg in de periode 1631-1731 kon ik precies achterhalen waar zich de pannenbakkerij bevond en waar jonge Jacob en zijn vrouw gewoond hebben. Op een drietal kaartjes hieronder is goed te zien hoe dit gebied in Valkenburg was ingedeeld en zich ontwikkelde. Op het middelste kaartje uit 1666 zien we perceel nummer 317, dat in eigendom was van jonge Jacob Wollebrantsz. en Grietgen Jans. Dit perceel blijkt volgens de transportakten opgebouwd uit drie aparte delen, waarop zowel de pannenbakkerij stond als het woonhuis. Op het bovenste kaartje uit 1627 zien we nog een waterscheiding in perceel 317 en dat de percelen 315 en 316 nog één geheel vormen. Ook de indeling van de percelen 318 t/m 320 is in die periode veranderd. Perceel 321 is twee eeuwen lang als steen-/pannenbakkerij vrijwel ongewijzigd gebleven. Op het kaartje uit 1627 zien we aan de andere kant van de Hogenrijndijk duidelijk twee steenovens en het bijbehorende tasveld liggen. Links op hetzelfde kaartje zien we nog twee ronde kalkovens, die eveneens twee eeuwen later nog zichtbaar zijn.

 

 

P. van Bilderbeeck, 1627

 

 

Gedeelte van de pre-kadastrale kaart van Valkenburg, Johannes Dou, 1666 (kopie van Cornelis de Graat, 1758)

 

 

Kadasterkaart van Valkenburg, 1832

 

 

 

 

   

Back Home Next