Arent Jacobsz. Verhagen

 

(1643 – 1709)

 

 

 

 

DTB
Arent Verhagen is op 26 december 1643 gedoopt te Valkenburg. Als doopgetuigen waren aanwezig Saertgen Maertens (de moeder van Maritgen Arents Pauw), Jan Jansz. Pauw en Jan Arentsz. Pauw. Arent is vernoemd naar de vader van zijn moeder Arent Jansz. Pauw, die net twee weken daarvoor was overleden. Zijn vader, jonge Jacob Wollebrantsz., verkoopt vlak voor zijn dood op 4 december 1667 de inboedel aan zijn broer Jacob de oude, zodat de openstaande schulden alsnog kunnen worden afgelost. Arent treedt op 22 april 1668 met Jannichie Cornelis Bol te Valkenburg in het huwelijk. Voor het huwelijk gaan zij samen naar de notaris om daar de huwelijkse voorwaarden te laten vastleggen. Arent blijkt inderdaad maar beperkte middelen in te kunnen brengen, want in de akte staat: " te weten dat de bruijdegom sal aenbrengen sijn cleden tot sijne lijve rugge ende gerijve behorende ende dat met de bruijt haer vader voornomt sal geven boven haer cleden, noch een somme in eens tienhondert Karolusgulden te xl groten t' stuc. Dat voorts tusschen den bruijdegom ende bruijt gemeenschap van goederen sal wesen".

 

De voorwaarde is dat Arent de helft van de duizend gulden aan de ouders van Jannichie moet terugbetalen, indien zij eerder overlijdt dan hij. Indien zij op dat moment echter kinderen hebben zal de helft van de duizend gulden worden toegewezen aan de kinderen. Als getuigen zijn aanwezig de oom van Arent, Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude "steenplaetser ende kalckbrander van den Rhijndijc onder Soeterwoude" en de moeder van Jannichie, Willemtge Jacobs. In de akte staat Arent beschreven als "ondermeester in pannebackerij van Jan Krijn van Swieten tot Valckenburch". Uit het huwelijk van Arent en Jannichie komen 12 kinderen voort, waarvan vier kinderen jong gestorven zijn. Van hun zoon Wollebrand, waar een andere tak van de familie Verhagen van afstamt, is geen doopakte bekend. Van hem is wel een huwelijksakte teruggevonden, waaruit blijkt dat hij waarschijnlijk in de periode van Arent's ziekte en verhuizing (1673/1675) is geboren. In het gaardersregister van Hazerswoude staat de aangifte van het lijk van Arent vermeld op 7 maart 1709. 

 

 De kinderen uit dit huwelijk zijn:

 1.   Jacob Verhagen, gedoopt te Valkenburg 21 oktober 1668
 2.   Jacob Verhagen, gedoopt te Valkenburg 22 september 1669 † Zoeterwoude 5 mei 1728
 3.   Cornelis Verhagen, gedoopt te Valkenburg 8 februari 1671 † Alphen aan de Rijn 8 december 1743
 4.   Willem Verhagen, gedoopt te Valkenburg 20 november 1672
 5.   Wollebrand Verhagen † Leiderdorp 4 oktober 1730
 6.   Willem Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 14 juni 1676
 7.   Willem Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 24 oktober 1677
 8.   Nicolaas Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 8 oktober 1679
 9.   Willem Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 16 februari 1681
 10. Maerten Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 19 april 1682 † Alphen aan de Rijn 11 november 1712
 11. Maertie Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 18 juli 1683
 12. Johannes Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 5 november 1684

 

 

Broers en zusters

Arent is de oudste zoon van jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen en Maritgen Arents Pauw. Uit een boedelscheiding van 12 oktober 1651 blijkt dat Maritgen Arents Pauw is overleden. Arent is dan acht jaar oud en blijkt nog twee broertjes te hebben, namelijk Wollebrant, 6 jaar oud en Jan, 2 jaar oud. Zijn vader trouwt dat jaar met Grietgen Jans van Langevelt en uit dit huwelijk komen nog eens drie kinderen voort, namelijk Engel (geboren omtrent 1652), Jacobje (gedoopt in 1654) en Hadewijn gedoopt in 1659).    

 

Van zijn broer Wollebrant is niet veel bekend. Hij werd geboren omstreeks 1645 en staat als doopgetuige beschreven op 21 oktober 1668 en 22 september 1669 in de doopakten van Jacob Arentsz. Verhagen. De laatste vermelding van Wollebrant komt voor in het testament van Arent en Jannichie van 16 mei 1673, waarin Wollebrant als voogd wordt aangewezen. Wollebrant is dus in ieder geval 28 jaar oud geworden.

 

Van zijn broer Jan weten we niets af. Van Engel, die uit het tweede huwelijk voortkwam (vernoemd naar zijn oom van moeders kant), weten we dat hij eveneens pannenbakker van beroep was op een pannenbakkerij bij 's Molenaars in Oudshoorn. Hij huwde op 3 maart 1675 met Fijtge Cornelisdr. in 't Hout te Waarder met attestatie van Valkenburg. In 1675 en 1676 staat hij vermeld als schepen van Valkenburg en in januari 1678 als diaken van de Nederduits Gereformeerde kerk. Engel en Fijtge kregen drie kinderen, Grietje (3 oktober 1683), Cornelis (1685) en Meijnsje (1687). Op 1 april 1688 koopt Engel van Jan Claesz. Onnosel, wonend in de Oostheul onder Oudshoorn, een huis en erf aan 's-Molenaarsbrug in de Gnephoek, belend ten oosten de Heimanswetering, ten zuiden het Gemeenlandshuis van Rijnland en het Groot Waterschap van Woerden, ten westen Willem Jansz. Versloot en Matijs Sijmonsz. Bosman en ten noorden de weduwe van Claes Jansz. Onnosel. Engel betaalt er 940 gulden voor. 

 

Op 24 juli 1688 wordt Fijtge begraven te Oudshoorn en twee dagen later nog een kind van Engel. Op 20 maart 1691 koopt Engel van Jan Otte van der Schroeff een huis en een erf met een pannenbakkerij, estrikwerf en een turfschuur aan de Heimanswetering in de Gnephoek, belend ten oosten de wetering, ten zuiden Claes Jacobsz. van Staveren, ten westen Willem Jansz. Versloot en ten noorden Johan van der Maes. De koopsom was 1700 gulden. Vreemd is dat een paar bladzijden verderop in het boek Engel dezelfde goederen op dezelfde dag weer terug verkoopt aan Jan Otte van der Schroeff voor dezelfde prijs!

 

In oktober 1691 wordt Engel begraven te Oudshoorn en op 3 november van 't zelfde jaar nog een dochter. Hoewel haar naam niet vermeld staat gaat het zeer waarschijnlijk om Grietje, omdat op 16 mei 1692 voor schout en schepenen een akte wordt opgemaakt, waarin de erfgenamen van Grietje Engelsdr. Verhagen aan Matteuwis Dircxsz. Spruijtenburch het huis verkopen, dat Engel zelf kocht op 1 april 1688 (zie boven). De verkoopsom bedroeg 860 gulden. Eén van de erfgenamen was Arent Jacobsz. Verhagen.    

 

Jacobje, de zus van Arent, is op 30 augustus 1654 gedoopt te Valkenburg en huwde op 24 juli 1701 met Cornelis Willemsz. Breekland te Koudekerk met attestatie van Valkenburg. Op 1 mei 1709 laten zij een akte van seclusie opmaken bij de weeskamer van Koudekerk, waarbij zij beiden twee voogden aanwijzen voor hun minderjarige kinderen. In het kohier van de 100e penning van Rijnland van 1712 staat dat Cornelis Willemsz. Breekland te Koudekerk is overleden en dat zijn vrouw "weduwe Japickje Jacobs Verhagen" de erfgenaam is. Wanneer Jacobje is overleden is niet bekend. 

 

Hadewijn, de jongste zus, is gedoopt op 30 januari 1659 te Katwijk aan de Rijn. De doopgetuigen waren Cornelis Cornelisz. Wijckniet (peter) en Arijaentie Cornelisdr. Wijckniet (meter). Verder is van haar niets meer bekend.

 

 

Schepen van Valkenburg

Op 4 december 1668 verschijnen vier inwoners van Valkenburg voor de vierschaar van schout en schepenen. Het zijn Arent Jacobsz. Verhagen, zijn zwager Jacob Cornelisse Bol, Dirck Dircxz. van Segwaert en Leendert Cornelisz. Brederode, "dewelcke aen handen van den Edele Pieter van Horne, Bailliu ende Schout der voors: heerlicheijt, hebben gedaen den behoorlicken eedt om als Schepen te dienen". Vanaf dat moment tot 26 juni 1674 staat Arent in verschillende akten vermeld als schepen van de vrije heerlijkheid van Valkenburg. Omtrent 1674 vertrekt Arent naar Hazerswoude en treedt zijn jongere halfbroer Engel in zijn voetsporen. Engel Jacobsz. Verhagen staat namelijk in de periode daarna van 5 november 1675 tot 17 oktober 1676 eveneens vermeld als schepen van de vrije heerlijkheid van Valkenburg.   

 

 

Erfenis

Op 28 juni 1671 verklaren Jacob Cornelisz. Bol, Willem Cornelisz. Bol en Arent Jacobsz. Verhagen als man van Jannetje Cornelis Bol voor schout en schepenen van Valkenburg dat zij "in alle minne ende vrintschappe" de nalatenschap van Cornelis Jacobsz. Bol en zijn vrouw Willempje Jacobsdr. onderling hebben verdeeld. Arent en Jannetje krijgen:

 

"Eerst twee partijen teellants, t'samen groot ontrent tien hondt, gelegen in Valckenburgh aen de noortzijde van 't dorp, belent in 't geheel ten noorden Maertje Bouwensdr. voornoemt, ten oosten de Heerewegh, ten zuijden Cornelis Janse Elsthuijn ende Cornelis Quijrijnen van Swieten ende ten westen de volgende partije. Noch een partije weijlants, groot ontrent vijff hont, gelegen als vooren nevens 't voorgaende, belent ten noorden Jasper Jacobsz. Verhouff met bruijckwaer, ten oosten de kerck tot Valckenburgh, ten zuijden 't voorgaende partije, ende ten westen 't volgende partij. Noch een partije weijlants groot ontrent vijff hont, gelegen als voren, belent ten noorden Jasper Jacobsz. Verhoeff, ten oosten 't voorgaende partij, ten zuijden Cornelis Quijrijnen van Swieten ende ten westen 't Gasthuijs of weeshuijs tot Leijden, ende noch een vierdepart in een partije hoijlants groot in 't geheel ontrent vierdehalff mergen, gelegen in Valckenburgh over de Broeckwegh in de Ruijgelaentse polder, belent ten noorden Evert van Camersvelt met bruijckwaer, ten oosten de scheijsloot of Broeckwegh, ten zuijden de kindren van Pieter Pietersz. Houten, ende ten westen de Molesloot".

 

De erfgenamen beloven "den and'ren, om genen and'ren staet, scheijdinge nochte deijlinge aen te spreken, moijen noch te molesteren of gedogen dat sulcx gedaen werde directelijck noch indirectelijck in rechten noch daer buijten in geene manieren".

 

 

Monsterrol van weerbare mannen van Valkenburg (1672)

In 1670 sluiten Frankrijk en Engeland het geheime verdrag van Dover. Koning Louis XIV en Koning Charles II besluiten elkaar te helpen bij een verovering van de Zuidelijke Nederlanden, die nog in handen zijn van de Spanjaarden. Hierbij erkent Engeland de rechten van Frankrijk op de gebieden van de nog in Spaanse handen zijnde Zuidelijke Nederlanden. Frankrijk zal in ruil Walcheren en de Scheldemond overdragen aan de Engelsen. Hiermee komt de dreiging van de 3e Engelse oorlog in zicht. Vervolgens sluiten in 1671 Keizer Leopold I van Oostenrijk en Louis XIV van Frankrijk een geheim verdrag, waarin Leopold I aan Frankrijk belooft neutraal te blijven als er een oorlog komt tegen de Republiek der Verenigde Nederlanden. Johan de Witt krijgt een afschrift van het verdrag van Dover en sluit met de Spanjaarden een overeenkomst voor het geval de Zuidelijke Staten worden aangevallen door Frankrijk en Engeland. Het leger en de marine van de Republiek worden in staat van paraatheid gebracht en alle "weerbare mannen" worden geregistreerd in zogenaamde monsterrollen. In maart 1672 verklaart Engeland de Republiek der Verenigde Provinciën de oorlog en is de 3e Engelse oorlog een feit. Een maand later verklaren ook Frankrijk, Munster en Keulen de Republiek de oorlog.

 

 

 

Lijste van de manschap onder het destrict van Valckenburgh,

overgelevert bij Schout ende gereghte der zelver ambacht.

 

    Gijsbert Jacobsz. van der Marck      Jan Claesz. Boon     Pieter Jansz. van Velsen
    Jasper Jacobsz. Verhoeff     Cornelis Jansz. van Rijn     Jacob Veghtersz.
    Jacob Cornelisz. Boll     Louris Jacobsz. van der Marck     Arent Jacobsz. Verhagen
    Cornelis Mouring Quackenbos     Cornelis Dircksz. Segwaert     Dirck Leendertsz. Zegwaert
    Doe Jaspersz. Verbaen     Jacob Jacobsz. Egmont     Jan Willeboortsz.
    Cornelis Jansz. ter Sluys     Cornelis Pietersz. van der Speck     Cornelis Huybertsz. Kellenaer
    Willem Jacobsz. Egmont     Jacob Arisz. van der Marck     Pieter Adamsz. van Noort
    Pieter Claesz. van Swieten     Jacob Gerritsz. van Putten     Jan Claesz. Boon
    Cornelis Dircksz. Toll     Huyg Leendertsz. van Wouw     Engel Jacobsz. Verhagen
    Maerten Jacobsz. van der Hoeff     Mees Jansz. van Raephorst     Cornelis Jansz. Borsboom
    Arent Willemsz. Borsboom     Gerret Pietersz. van der  Speck     Heyndrick Willemsz.
    Abram Jansz. van Leeuwen     Giel Dircksz. de Wit     Yvit Arisz. van Spierenburgh
    Thonis Arisz. de Korte     Leendert Leendertsz. Dijcxheul     Cornelis Jacobsz. van Duycker
    Cornelis Cornelisz. Verhagen     Cornelis Jansz. Beek     Cornelis Pietersz. Oosterwijck
    Jan Cornelisz. Quacquenbos     Jacob Mouring Quackenbos     Jan Arisz. van Spierenburgh
    Jan Cornelisz. van Diest     Symen Jansz.     Maerten Boudewijnsz.
    Pieter Jansz. Langevelt     Veghter Jacobsz. van Heusden     Dirck Huygen van Breroo
    Jan Pietersz. Langevelt     Tobyas Dircksz.     Ary Leendertsz. Segwaert
    Ary Cornelisz. van der Stocken     Willem Cornelisz. Boll  
     

    Maeckende in alles 57 mannen.

 

                                                                                          

 

 

 

Testament

Op 16 mei 1673 laat Arent samen met zijn vrouw door notaris Johan van Noort een testament opmaken. De reden hiervoor wordt duidelijk uit de beschrijving van beiden in de akte:

 

"de eersame Arent Jacobsz. Verhagen, pannebacker ende d'eerbare Jannetge Cornelisdr. van der Bol, echteman ende vrouw, woonende binnen den dorpe van Valckenburg, mij notaris wel bekent, zijnde hij comparant sieck van lichaem tebedde leggende ende sij comparant gesont gaende ende staende ende beijde hare redenen, memorie ende verstant volcomen machtich ende gebruijckende sulcx uijtwendich bleeck".

 

Met de dood in het vooruitzicht wordt in het testament vastgelegd dat de langstlevende de gehele nalatenschap zal erven met de belofte dat "in sodanige gevalle de voorseijde langstlevende schuldich ende gehouden sal wesen de voors. kint of kinderen eerlijcke op te voeden, alimenteren ende onderhouden in eeten ende drincken, cledinge ende redinge, item deselve laeffenisse ende gemack te doen, soo wel in sieckte als gesontheijt mitsgaders te laeten leeren leesen ende schrijven met een bequaem ambacht hantwerck, const, coopmanschap of diergelijck, daertoe des kint of kinderen vernuft bequaem sijn en den staet des boedels toelaeten sal".

 

Indien Arent overlijdt zal zijn broer Wollebrant Jacobsz. Verhagen tot voogd worden benoemd. Bij het overlijden van Jannetge Cornelisdr. zal haar broer Jacob Cornelisz. van der Bol als voogd worden aangewezen. De akte eindigt met: Aldus gedaen ende gepasseert binnen Leijden ten huijse ende voor´t sieckbedde van hem comparant binnen Valckenburch in presentie van Pieter Jansz. van Langevelt ende Abraham Jansz. van Leeuwen buijrluijden als getuijgen hier over beneffens mij notaris versocht.

 

Arent was op dat moment kennelijk zo ernstig ziek dat de notaris het testament bij hem thuis moest opmaken. Hoe verzwakt hij was is nog goed te zien aan zijn handtekening onder deze akte:

 

 

 

 

In vergelijking met zijn handtekening onder een akte van 29 november 1681 is het verschil goed te zien:

 

 

 

 

 

Kohier familiegeld

Om de tekorten op de staatskas aan te kunnen vullen werd in 1674 een belasting geheven, onder de naam "Familiegeld". Arent wordt voor deze aanslag in twee verschillende kohieren vermeld, namelijk voor Valkenburg en voor Leiden. In het kohier voor Valkenburg staat Arent vermeld als "winckelier" en in het kohier voor Leiden staat "Bon van Suijtrijnevest: Arent Verhagen, een cleijn winckeltge". Niet duidelijk is of Arent door zijn ziekte tijdelijk winkelier was geworden en wat hij daar precies verkocht. Het kan zijn dat dit een aanvullende bron van inkomsten vormde naast zijn werk als ondermeester op de pannenbakkerij, waar alleen gewerkt kon worden van het voorjaar tot het najaar. Opvallend is dat Arent in 1675 samen met zijn gezin verhuist van Valkenburg naar Hazerswoude, waar hij gaat werken op de pannenbakkerij van zijn oom Jacob Wollebrantsz. Verhagen en Willem Huijbertsz. van Arckel. Op 28 september 1675 worden Arent en Jannetje met attestatie van Valkenburg ingeschreven in het lidmatenregister van de Nederduits Gereformeerde Gemeente van Leiderdorp. 

  

 

Een huis te Valkenburg

Op 5 februari 1680 verklaart Willem Cornelisz. Bol voor schout en schepenen van Valkenburg aan Arent Jacobsz. Verhagen verkocht te hebben "een huijs ende erve met een stalling daer aen mitschaders twee schuire en barge daer op staende, gelegen inde dorpe van Valkenburch, belent ende gelegen hebbende ten zuijtoosten Cornelis Reijne Starrevelt ten zuiden den Heerewege ten noortwesten Jan Simonse van Velse en ten noortoosten de weduwe van Heijndrick Tol". Arent moest hiervoor 400 gulden betalen. Kennelijk was dit nog niet genoeg voor Willem Cornelisz. Bol (de zwager van Arent), want in een akte van 29 november 1681 staat dat Willem voor nog eens 400 gulden bij Arent in het krijt staat. Arent had Willem eerder al eens 200 gulden gegeven en stond bovendien nog eens voor 200 gulden borg. Als compensatie krijgt Arent van Willem "een pack swarte klederen, een rooi scharlakense hemtrock, 2 vrouwe mantels, 2 vrouwe rocken, 5 a 6 mans ende vrouw hemden ende noch toebehoren". Verder bevestigt Willem dat Arent ongeveer 1½ jaar eerder al een deel van zijn inboedel had gekocht op een openbare verkoop, namelijk: "4 koeijen als 2 swarte koeijen, doenmaels d'een van 't 4e kalff ende d'andere van 't 5e off 6e kalff ende 2 roe blaere koeijen, d'een van 't 5e ende d'andere van het 6e kalff, een paerdewagen, een kaespers, een eijcke kleerbanck, noch eenige stoelen ende taeffels ende eenige schilderijen". Arent stelt al deze goederen echter in bruikleen beschikbaar aan Willem en zijn vrouw, waarvoor Willem "zijn swager was bedanckende".    

 

 

De pannenbakkerij

Op 12 juni 1674 verkoopt Pieter Coornwinder, provisioneel baljuw en schout en gehuwd met Barbara Veenbergen, dochter en erfgename van Hendrick Veenbergen, aan Willem Hubrechtsz van Erckel (Arckel) een uiterdijk gelegen buiten de Hoge Rijndijk, groot 4 hond, belend ten oosten Jonker Lantscroon, ten westen de kinderen van Dirck Claesz Rijnenburch, ten zuiden de Rijndijk en ten noorden de Rijn. De koopsom is 250 gulden en 2 rozenobels als speldegeld.

 

Op 27 februari 1675 verkoopt Willem Hubertsz van Erckel, wonende aan de Hoge Rijndijk, aan Jacob Verhagen, mede wonende aldaar, de helft van een uiterdijk gelegen buiten de Hoge Rijndijk waarop koper en verkoper tegenwoordig een pannenbakkerij hebben, groot 4 hond, belend ten oosten Jonker Lantscroon en ten westen de kinderen van Dirck Claesz Rijnenburg. De koopsom is 125 gulden boven 1 rozenobel als speldegeld. Sinds de aankoop door Willem Huibertsz. van Arckel is op het land kennelijk in samenwerking met Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude een pannenbakkerij gebouwd. Dit sluit precies aan met de komst van Arent Jacobsz. Verhagen naar Hazerswoude in dezelfde periode. Arent zal dus ongetwijfeld de eerste pannenbakker geweest zijn op deze nieuwe pannenbakkerij.

 

Op 27 januari 1677 koopt Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude samen met Willem Huybertsz. van Arckel een aangrenzend stuk land (uiterdijk) tussen de Rijn en de Hoge Rijndijk, groot 2 hont van Maritgen Willems, weduwe van Dirck Claesz. Rijnenburgh. De "caluwaerden" daarvan was reeds eerder door van Arckel gekocht.

 

Op 21 september 1680 wordt een inventaris opgemaakt van de nalatenschap van Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude en Jacomijntge Speelmans. Na het overlijden van Jacob werd Jacomijntge Speelmans boedelhoudster en na haar overlijden op 24 augustus 1680 gaat de nalatenschap over naar de kinderen van Jacob, namelijk Maertje Jacobs Verhagen en Willebrand Jacobs Verhagen.

In de inventaris staat onder andere:

 

".... hetgene volgt is gemeen tusschen den overledens erffgenamen ende alvoornoemde van Arckel: Een huijs ende erve, meede pannebackerij inden uijtterdijck daer nevens met alle 't gene daer aen behoort, staende ende gelegen in Haserwoude aen den Hogenrijndijck, belent aen d'een zijde Joncheer Lantscroon, ende aen d'ander zijde ….. , streckende uijt den Rijn tot aen den Rijndijck, een vollen oven gebacken ende daerin omtrent 10.000 pannen ofte estricken, 14.000 gebacken pannen, estricken off vorsten, 4.000 vracke pannen, tussen de 40 a 50.000 pannen raeu off ongebacken, omtrent vierdehalve oven turff .....".

 

en verderop in de akte:

 

"Is opgedragen tussen den voogden over Willebrandus Verhagen ter eenre ende Jochem van Arckel ter ander zijde, dat in scheijdinge des boedels van wijlen Jacomijntgen Speelmans, wed: van Jacob Verhaegen sal werden aengenomen bijde voorn: voogden voor rekening van 't selve weeskind, de helffte van de pannebackerij ende de huijsinge met den gereetschappen daer toe behorende staende ende gelegen in Haserswoude tussen den Hogenrijndijck ende den Rijn, omtrent offte bijde huijsinge van de heer Lantscroon".    

 

Na het overlijden van Jacomijntje Speelmans, weduwe van Jacob Wollebrantsz. Verhagen (de oude) worden twee akten opgemaakt, waarin de boedelscheiding wordt vastgesteld. In de eerste akte van 16 mei 1682 staat vermeld dat Arent Jacobsz. "voor twee weecken arbeijtsloon de somme van f 50:0:0" ontving, waaruit blijkt dat zijn salaris ongeveer 1300 gulden per jaar bedroeg. Een stukje verderop in de akte staat: "Betaelt aen Arent Jacobsz. Verhagen den somme van 51:0:0 over sijn laesten verdiende weeckgelt tot den 22en augustij 1680". Hieruit blijkt dat Arent in die periode waarschijnlijk in dienst was bij zijn oom Jacob Wollebrantsz. (de oude).

 

Na zijn overlijden in 1679/1680 werd de pannenbakkerij van Jacob Wollebrantsz. en Willem Huibertsz. van Arckel aan Arent verhuurd, want in de tweede akte van 21 juli 1683 staat vermeld dat aan Willebrand Jacobsz. is nagelaten: "den halve pannebackerije ende 't huijs onder Hasarswoude, competerende de wederhelffte den boedel van Willem Huijbertsz. van Arckel, is Verhagens helfft verhuijrt aen Arent Verhagen voor 6 jaeren, ingaand primo januarij 1681 ende expirerende anno 1687 voor hondert 25 gulden in't jaer". Jacob Wollebrantsz. (de oude) liet twee kinderen na, namelijk Maertge (Marijtge) Jacobs Verhagen uit zijn eerste huwelijk en Willebrand Jacobsz. uit zijn tweede huwelijk met Jacomijntje Speelmans. Maertge Jacobs was getrouwd met Jochem van Arckel. Op 25 december 1683 wordt in een akte de nalatenschap van Maertge en Jochem voor hun minderjarige zoon Jacobus van Arckel beschreven. In deze akte staat ook Engel Jacobsz. vermeld als pannenbakker. Hij werkte in een pannenbakkerij "aen s'Molenaers", dat vlak bij Alphen aan den Rijn en Oudshoorn ligt en waar Engel ook blijkt te wonen. 

 

 

 

Kadasterkaart van 1832, met de Hoge Rijndijk onder Hazerswoude en in het midden het perceel van de pannnenbakkerij

 

 

Op 21 juli 1684 wordt voor schout en schepenen een verkoopakte opgesteld, waarin Wolbrandt (Willebrand) Verhagen de helft van de pannenbakkerij in Hazerswoude verkoopt aan Arent Jacobsz. Verhagen voor 1100 gulden contant. De aankoop betreft: "de gerechte helfte van een huijsinge ende erve, item pannebackerije, tasvelt, estirckwerck, panhuijs, schuijr, potinge ende plantinge, aert ende nagelvast, mitsgaders de helfte van seker hoeckgen landts daer aen behoorende, staende ende gelegen aen den Hoogenrhijndijck, buijtendijcks in Haserswoude voors:, daer van sa: Willem Huijbertsz. van Arckel competerende is, in´t geheel verongelt werdende voor vier hondt, anders soo groot en kleijn als ´t selve tusschen de naevolgende belenden gelegen is, als ten oosten Joncheer Lantscroon, ten suijden den Hoogenrhijndijck, ten westen de heer Johan Hulshoudt ende ten noorden den Rhijn".

 

Op 5 oktober 1686 wordt voor notaris Leonard van Overmeer te Leiden een huurcontract opgesteld, waarin Arent "de helfte van de pannebackerije als huijsing, schuijr, oven, staende ende gelegen ontrent de Hoogeveenschevaert inde heerlijckhijt van Haserswoude" huurt van Pieter van Arckel voor een periode van vijf jaar van 1 februari 1687 tot eind januari 1692 voor 150 gulden per jaar. Op 7 februari 1688 verkoopt Pieter Willemsz. van Arckel zijn helft van de pannenbakkerij aan Coenraet van Nes en Claes Coole voor 915 gulden, waarbij Arent het recht behoudt op de huur van dit gedeelte conform het huurcontract van 5 oktober 1686.

 

Na zijn overlijden in 1709 gaat Arent's helft van de pannenbakkerij middels een boedelscheiding (31 januari 1711 voor notaris Pieter Spoors) over op zijn zonen Klaas en Maarten. Een dag later verkoopt Maarten zijn "vierdepart van een pannebakkerije als huijsinge ende erve, panhuijs ende schuren, pannewerk, estrikwerk, item de bloksdeelen en verdere gereedschappen daar toe behorende, mitsgaders het kampje land daar aan gelegen, staande ende gelegen aan den Hogen Rijndijk buijtensdijks in de heerlijkheijt van Haserswoude, in´t geheel verongeldt werdende voor vier hond, belend ten oosten Kors Willemsz. Kraan, ten zuijden den Hogen Rijndijk, ten westen de heer Nicolaas Klinjet en ten noorden den Rijn" weer aan zijn broer Nicolaes (Klaas) voor 1000 gulden contant.

 

Uit verder onderzoek naar de locatie van deze pannenbakkerij is gebleken dat deze nog steeds bestaat en inmiddels op de lijst van Rijksmonumenten is gezet. Rond 1834 werd verderop langs de Hoge Rijndijk onder Hazerswoude een andere pannenbakkerij opgericht onder de naam "De Nijverheid". Vanaf dat moment werd de voormalige pannenbakkerij van Arent "Werklust" genoemd. Na een reorganisatie in 1925 kreeg deze pannenbakkerij zijn huidige naam "Nieuw Werklust". In 1999 werden uiteindelijk de laatste dakpannen gebakken en werd de fabriek gesloten. Het huidige complex bestaat uit zo'n 37 verschillende panden variërend van 75 tot 150 jaar oud.

 

 

Pannenbakkerij Nieuw Werklust met bijbehorend woonhuis in 1961

 

 

 

 

Voogdij

Op 8 december 1683 wordt door het Hof van Holland een tweetal voogden aangewezen voor het minderjarige kind Jacobus, zoon van Maria Jacobs Verhagen (dochter van Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude) en Jochem van Arckel (zoon van Willem Huijbertsz. van Arckel). Hoewel zij in hun testament hadden laten vastleggen dat de langstlevende een voogd zou aanwijzen voor hun kind, kwam dit door het kort na elkaar overlijden van beiden niet meer in orde. Het kind Jacobus blijf zonder toegewezen voogd achter en moest dus alsnog twee voogden toegewezen krijgen. Gebruikelijk is hiervoor van zowel moeders als vaders kant een familielid aan te wijzen. Als plaatsvervanger voor Jochem kwamen in aanmerking, Pieter, Cornelis of Gijsbert van Arckel en in plaats van Maria was op dat moment alleen Arent een goede optie. Het hof wees voor de voogdij Cornelis van Arckel en Arent Jacobsz. Verhagen aan.

 

Arent had op dat moment kennelijk weinig behoefte aan de beslommeringen van het voogdijschap, want op 13 december 1683 stapt mede-voogd Cornelis van Arckel al naar notaris I. Gerstecoren te Leiden en meldt dat "ick Cornelis van Arckel hem Verhagen nu te meermaals heb versogt ende doen versoecken tot het aennemen van de voors. voogdije ende hij Arend Verhagen sulcx weijgert te doen ende dat echter hoochnodig is dat voor 't selve weeskint ende voorden regeringe desselffs goederen dient sorge gedraegen". Hij verzoekt notaris Gerstecoren "bijde voorn. Arend Verhagen ende den selve eerst voorlesen de opgemelte acte van autorisatie en daer nae hem affvragen off hij deselve voogdije geliefft te accepteren". Cornelis heeft haast, want hij wil zo spoedig mogelijk met zijn mede-voogd een inventaris op laten maken van de nalatenschap van de ouders van Jacobus van Arckel, om die vervolgens als voogd te kunnen beheren.

 

Arent weigert echter de voogdij op zich te nemen. Op 25 december 1683 wordt in aanwezigheid van notaris Gerstecoren alsnog de inventaris opgemaakt en vermeld de akte "naer dat hij Arent Verhagen daer toe minnelijck en wettelijck is versogt, zoo heeft deselve voogdije geweijgert aen te nemen, alles volgens acte van insinuatie ende presentatie van dato den 13en december 1683, mede voor mij notaris verleden, waer op vervolgens hij Cornelis van Arckel tot medevoogt benevens sig heeft geadsumeert ende aengenomen zijnen broeder Pieter van Arckel".

    

 

Het tweede huwelijk

Op 26 september 1688 huwde Arent voor de tweede keer, dit maal met Dirckje Jacobs van der Leth. Haar overlijden werd op 19 december 1718 aangegeven te Rijnsburg en op 20 december 1718 te Leiderdorp. Voor haar huwelijk met Arent was ze omstreeks 1682 getrouwd met Gijsbert Pietersz. van Oosten en daarna omstreeks 1685 met Cors Maertensz. Pluijmgraeff.

 

 

Brandkeur van Valkenburg (1690)

Op 30 april 1690 laat Susanna Studler van Zurich "vrouwe douagiere van Valckenburgh" de brandkeur van Valkenburg bekend maken. Alle huizen en gebouwen binnen het dorp Valkenburg moeten worden voorzien van brandgereedschap. De reden hiervoor is "dat veele quaataardie menschen haer niet en ontsien de goede luijden haare huijsen, wooningen ende schuieren inde brant te steecken, soo als ons de nabuirige voorvallen ende bedroefde exemplen hebben doen sien, oock wel bij versuijm ende onverhoedelijck ongeval kan komen te ontstaan ende dat tot lessinge vandien gans geene genoechsaame ordre daar ontrent bij ons nochte onse predecesseurs en is gestelt, derhalven omme soo veel als ons mogelijck is ten dienste ende behoudenisse van onse goede ingesetenen daar inne te voorsien".

 

Twee maal per jaar zullen de brandmeesters de huizen controleren op de aanwezigheid van het gereedschap dat door de bewoners in goede staat dient te worden gehouden. Het gereedschap bestaat uit ladders, emmers, hoosvaten, tobbes, lantarens en haken. Ook Arent wordt vermeld als eigenaar van een huis en diende 2 emmers beschikbaar te hebben.

 

  


   

Back Home Next