Jacobus Arentsz. Verhagen

 

(1669 – 1728)

 

 

 

 

DTB
Jacobus is gedoopt op 22 september 1669 te Valkenburg. Hij was de oudste zoon van Arent Jacobsz. Verhagen en Jannetje Cornelis Bol. Jacobus werkte tot omstreeks 1704 op een pannenbakkerij en werd daarna tapper van beroep. Op 24 mei 1693 treedt hij in het huwelijk met Geertje Laurensdr. van der Marck, gedoopt op 23 mei 1674 te Alphen aan den Rijn, dochter van Laurens Pietersz. van der Marck en Jaapje Claes Onnosel. Jacobus is overleden op 5 mei 1728 te Zoeterwoude en Geertje op 2 maart 1752 eveneens te Zoeterwoude.

 

De kinderen uit dit huwelijk zijn:

 

1.   Jaeptie Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 8 november 1693 † Leiderdorp 2 januari 1698

2.   Lauris Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 9 oktober 1695 † Zoeterwoude 12 oktober 1748

3.   Jan Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 17 november 1697 † Zoeterwoude 10 juli 1776

4.   Arent Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 19 september 1700 † Leiderdorp 4 april 1759

5.   Jannetje Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 28 mei 1703

6.   Japick Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 11 juli 1706

7.   Japien Verhagen, gedoopt te Leiderdorp 13 november 1707 † Zoeterwoude 26 september 1775

 

 

Het overlijden van het eerste kind, Jaeptie, werd door Jacobus zelf aangegeven bij de gaarder, waarbij hij de aangifte in het register heeft ondertekend met:

 

 

 

 

 

Tien broers en één zus

Jacobus had 10 broers en 1 zus. 5 broertjes zijn waarschijnlijk jong gestorven. De andere 5 broers Cornelis, Wollebrant, Nicolaes, Willem en Maarten en zijn zus Maertie (Maria) waren op 31 januari 1711 in ieder geval nog in leven.

 

Cornelis Arentsz. Verhagen is gedoopt op 8 februari 1671 te Valkenburg. Zijn overlijden is aangegeven op 8 december 1743 te Alphen aan den Rijn. Hij huwde op 22 januari 1696 te Leiderdorp met Neeltje Gerrits van Heyningen, gedoopt op 21 mei 1670 te Alphen. Haar overlijden werd aangegeven op 15 mei 1751. Zij hadden 7 kinderen, 5 zonen en 2 dochters.

 

Wollebrant Arentsz. Verhagen is geboren in de periode 1673/1675 en was warmoesier van beroep. Zijn overlijden werd op 4 oktober 1730 aangegeven te Leiderdorp. Hij huwde op 1 januari 1702 te Hazerswoude met Jannetje Theunisdr. van Leeuwen. Op 26 mei 1710 werd Wollebrant ingeschreven als poorter van Leiden. Tot die tijd woonden zij in een huis te Achthoven in Leiderdorp tussen de Lage Rijndijk en het Jaagpad langs de Rijn. Op 7 mei 1712 verkochten zij hun huis voor 650 gulden. Wollebrant en Jannetje hadden 7 kinderen, 4 zonen en 3 dochters. Hun tweede kind Arent is de voorvader van de familietak, die zich later vestigde in Delfland.

 

Nicolaes Arentsz. Verhagen werd gedoopt op 8 oktober 1679 te Leiderdorp. Hij was brandewijn- en tabaksverkoper en huwde op 21 september 1709 met Jannetje van Vliet. Zij hadden 4 kinderen, 3 zonen en 1 dochter.

 

Willem Arentsz. Verhagen werd gedoopt op 16 februari 1681 te Leiderdorp en huwde met Jannetie Willemse van Leeuwen op 16 november 1705 te Hazerswoude. Zij hadden 7 kinderen, 4 zonen en 3 dochters. In het register van tappers van wijn en bier van Zoeterwoude staat Willem Arentsz. Verhagen beschreven als tapper in de herberg "Ik Leer Nog" in de periode van 1707 tot 1713. Op 3 mei 1711 staat er in het register "Willem Verhagen van wijn en bier in Leer Nog".

 

Maarten Arentsz. Verhagen werd gedoopt op 19 april 1682. Zijn overlijden werd aangegeven door zijn broer Cornelis te Alphen aan den Rijn op 11 november 1712.

 

Maertie (Maria) Arents Verhagen werd op 18 juli 1683 gedoopt te Leiderdorp. Zij huwde met Hendrik Cornelisz. Olierhoek op 15 augustus 1706 te Hazerswoude. Hendrik voer op Kerstdag 1717 als matroos voor de VOC-kamer van Amsterdam uit naar Indië en overleed op de terugreis in de omgeving van Kaap de Goede Hoop.

 

 

Kohieren 

In het kohier van de 100e penning van Rijnland van 1697 staat onder Leiderdorp vermeld: "Jacobus Verhage, pannebackersgesel, getrout met Geertge Laurens van der Marck".

 

Vanaf 1702 staat Jacobus geregistreerd in het kohier van de bedezetting van Zoeterwoude onder de Rijndijk.

 

In het kohier van de 100e penning van Rijnland van 1703 staat Jacobus samen met zijn vrouw vermeld onder Oudshoorn in verband met de erfenis van Claes Jansz. Onnosel. Als mede-erfgenamen worden genoemd: Claas Laurensz. van der Marck, Anna Laurens van der Marck en Susanna Laurens van der Marck.

 

 

Een erfenis

Op 2 oktober 1697 verkopen de erfgenamen van Pieter Jacobsz. van der Mark en Geertje Pietersdr. Verruijt, beiden overleden te Alphen, het nagelaten huis en erf te Alpherhoorn tegenover 's-Molenaars tussen de Rijn en de Hoge Rijndijk aan Jan Pietersz. van der Mark (mede-erfgenaam voor 1/5 deel) voor de koopsom van 460 gulden. In deze akte uit het rechtelijk archief van Alphen staan ook Jacobus Verhagen en Geertje Laurensdr. van der Mark vermeld als mede-erfgenamen, wonende te Achthoven onder Leiderdorp. 

 

 

Het Lavaspad te Zoeterwoude

In 1704 staat Jacobus voor het eerst vermeld in het register van zout en zeepverkopers ("Jacobus Verhagen, in den Hinkel") te Zoeterwoude en vanaf 25 juli 1705 als tapper van bier en wijn.

 

Op 5 februari 1705 wordt voor schout en schepenen van Zoeterwoude een verkoopakte opgesteld, waarin Jacob Verhagen "een huijs, bierstekerije ende erve met het regt van bierstal volgens octroij van dato den 7 julij 1678, staende ende gelegen aen de Kopperswateringe in den voorschreven ambagte, belend ende belegen hebbende te noorden, oosten ende zuijden de wed. Amos Minnels erfgenamen, ten westen het pad of Kopperswatering" koopt van Sr. Pieter Gestramis voor een bedrag van 300 gulden. Waarschijnlijk was Jacobus in die periode biersteker en/of tapper, omdat hij ook in 1715 zo vermeld staat (zie verderop) en tevens van 1705 tot zijn dood in 1728 als tapper ingeschreven staat in het register van zout en zeepverkopers en tappers van bier en wijn te Zoeterwoude. Voor de uitoefening van dit beroep moest Jacobus waarschijnlijk de volgende eed afleggen:

 

 

Eedt voor de Biersteeckers (1695).

Ick belove ende sweere, dat ick niet sal frauderen ofte doen frauderen den Impost op de Bieren, directelijck ofte indirectelijck, in geenderhande manieren, ende specialijck dat ick in gevolge van het 19 en 20 Art: van de Ordonnantie op 't Middel van de Bieren geëmameert door my ofte yemandt van mijn huysgesin mijns wetens geenige Bieren sal uytleveren, 't zy of deselve Bieren binnen dese Stadt of Plaetse ofte het ressort van dien werden geconsumeert, ofte dat die binnen de Steden ofte Plaetsen der Vereenighde Nederlanden, ofte oock buyten de Provincie werden vervoert, ofte t'Scheep gedroncken, ofte geconsumeert, voor ende aleer verthoont sal werden het Biljet van den Pachter myner Residentie, ofte van den Pachter ofte Collecteur van de Plaetse daer de Bieren gesonden werden, inhoudende de quantiteyt van de Bieren.

 

 

Op 1 augustus 1709 koopt Jacob nog "een huijs ende erve staande ende gelegen aan den Hogenrijndijk omtrent de Coppersluijs in den voorschreven ambagte, belend ende belegen hebbende ten noorden Hugo Lambregt, ten westen de Kopperswetering, ten zuijden ende ten oosten het gangpad". Hij koopt het huis van Claertie Jans, weduwe van Jan Jansz. van der Laan, voor een bedrag van 25 gulden.

 

Op 7 juli 1713 koopt Jacob weer een huis aan de Kopperwetering. In der verkoopakte staat het beschreven als "een huijs ende erve, bogaart, poting ende planting, daarinne alle de vaste ende losse backersgereetschappen althans daar toe sijnde, staande  en gelegen aan den Hogenrijndijk bij de Copperssluijs in den voorschreven ambagte belend ende beleegen hebbende ten noorden ’t gemeene gangpat, ten westen den Hoogenrijndijk, ten zuijden ende ten oosten Jacob Pietersz. Wassenaar". Hij koopt het huis van Mr. Gerard de Bije, curator over de boedel en goederen van David van der Wegh voor een bedrag van 1890 gulden.

Om dit pand te kunnen betalen sluit Jacobus dezelfde dag nog voor schout en schepenen een lening af van 1000 gulden bij Pieter Beseur. Jacobus moet hiervoor zijn nieuwe huis "een huijs ende erve, bogaart, poting ende planting met alle de backers gereetschappen ende de winkel altans daar toe sijnde" als onderpand inzetten en bovendien een jaarlijkse rente betalen van 4%. Onder de akte staat dat op 22 juli 1719 de schuld is afgelost.

 

De Kopperwetering was een uitwatering van de poldermolen. Het gedeelte van de Kopperwetering tussen de Hoge Rijndijk en de Oude Rijn werd vroeger ook wel de Lavassloot genoemd. Lavas is een andere naam voor Maggiplant, die vroeger veel gebruikt werd voor de bereiding van het eten. Lavas is echter ook de naam van een likeur die gemaakt wordt van de zaden van de Maggiplant.        

 

 

 

Plattegrond van de Kruisbuurt met de Lavassloot te Zoeterwoude

 

 

Na verder onderzoek konden de locaties van de percelen in de 18e eeuw op dit kaartje nauwkeurig worden vastgesteld. In die periode kochten Jacobus Verhagen en zijn zoon Jan de volgende percelen:

 

Het huis met verpondingsnummer 488 is door Jacobus gekocht op 5 februari 1705.

Het huis met verpondingsnummer 490 is door Jacobus gekocht op 1 augustus 1709.

Het huis met verpondingsnummer 494 is door Jacobus gekocht op 7 juli 1713 (is in 1836 herbouwd en heet tegenwoordig "de Uithof").

 

Het perceel aangegeven met nummer 1 is door Jan Verhagen aangekocht op 24 oktober 1739.

Het perceel met een buitenhuisje aangegeven met nummer 2 is door Jan Verhagen aangekocht op 19 juli 1755.

 

 

De nachtwacht

Dat het er in de 18e eeuw nogal ruig aan toe kon gaan aan de Hoge Rijndijk blijkt wel uit een tweetal verzoeken van de betreffende bewoners. Het eerste verzoek van 8 augustus 1709 gericht aan de Burgemeesters van de Leiden (ambachtsheren van Zoeterwoude) betreft het terugdringen van het aantal lokale kroegen en herbergen en luidt als volgt:

 

Aenden Edele Groot Agtbare Heeren Burgemeesters ende Geregte der stat Leijden, Ambagtsheeren van Zoeterwoude, etc.

 

Geeven reverentelijk te kennen de ondergeschreeve gesamentlijke bewoonders van de respective wooningen ende huijzen aen den Hogen Rijndijck buijten de Hoogeweerts poort der stat Leijden onder Zoeterwoude, hoe dat binne de aght hondert roeden van de stat, alwaer geen publieque neringe mogen gedaen werden, van tijt tot tijdt soveel klijne kroegties sijn gekoomen alwaer de gemeene luijden haer in het lavas en genever drincken, sodanigh koomen te buijten te gaen dat de wegh continueel met smoordroncke menschen van out en jongh, mans en vrouws persoonen is beset, plegende in haer dronckeschap alle moetwil en godtloosheijt, haere hoererije plegende op de publieque wegh, veghten, smijten en iedereen daer voorbij koomende aenrandende so dat niet een fatsoenelijck mensch de selve wegh derft passeeren nogte ook de supplianten, die selfs niet buijten haer deur konnen koomen sonder gevaer van gekurven, gesneden en vande continuele met bloote messen langs den dijck swervende doorsteken te werden, so dat sij supplianten haer genootsaekt vinden omme gerustelijk de wegh naer haere huijsinge ende wooninge te konnen passeeren, haer te addresseeren aen U Edele Groot Agtbare, ootmoediglijk versoekende dat alle actens buijten de publieque herbergen aen eenige kroegiens aldaer aen den Rijndijck verleent bij U Edele Groot Agtbare mogen werden ingetrocken, waerdoor wij meenen dat het voors: quaet en gotloosheijt sal konnen geweert werden. 'T welck doende.

 

In handen van Burgemeester, om inspectie te doen ende te excuteren, 8: 8: 1709

 

 

 

Ruziemakende kaartspelers, Jan Steen, 1664-1665

 

 

 

Langs de Oude Rijn lagen in die tijd niet alleen veel buitenplaatsen van de rijken, maar ook veel kroegen waar kennelijk flink gedronken werd. In de buurt van de Lavassloot lagen bijvoorbeeld de bekende kroegen en herbergen Ik Leer Nog en Het Fonteyn, waar tevens veilingen werden gehouden en in een bepaalde periode ook de rechtsdagen van schout en schepenen.

 

Het tweede verzoek is van 1725 gericht aan schout en schepenen van Zoeterwoude, waarin de bewoners van de Hoge Rijndijk om de oprichting van een nachtwacht vragen:

Aan de Ed: Agtb: Heeren Schout en Geregte van Soeterwoude.

Geeve reverentlijk te kennen wij ondergeschreeven buuren en inwoonders van den Hoogen Rijndijk onder den ambagte van Soeterwoude, datter seedert eenige tijd herwaarts veele dieverijen en geweldenarijen in de ambagte van Leijderdorp waaren gepleegt gelijk ook meede aan den Hoogen Rijndijk, waaromme wij ondergeschreevene versoeke de Geregte van Soeterwoude van die goede gelieve te sijn van aan den Hoogen Rijndijk op te regten een nagtwagt na het exempel van die van Leijderdorp, om diergelijke insolentien en onrusten voor te koomen, en opdat het des te ordenlijker mogte toegaan, versoeken wij de Geregte voorn: ons ondergeschevene in quartieren te willen verdeelen als ook te willen beraamen sodaanigen pointen en articulen als U Ed: Agtb: sullen bevinden te behooren, welken wij ondergeschrevene behoeven naar te sullen koomen en deselve ons te onderwerpen. 'T welk doende.

 

De erfenis

Op 12 augustus 1709 gaan Dirckje van der Leth, weduwe van Arent Verhagen, Cornelis Verhagen, Willebrant Verhagen, Claas Verhagen, Willem Verhagen, Maarten Verhagen en Hendrick Olierhoek, echtgenoot van Maria Verhagen, "gesamentlijke erffgenamen van zaliger Arent Verhagen, overleden onder Haserswoude" naar notaris Simon van Douderen. Zij laten hem een akte opgemaken, waarin zij Jacobus Verhagen machtigen om namens hen twee partijen land te Valkenburg te verkopen aan Mr. Adriaan Wittert van der Aa.

 

Drie dagen later op 15 augustus vindt het transport plaats voor schout en schepenen van Valkenburg van "een stuck weij ofte hoijlant, groot in't geheel drie morgen drie hont, genaemt de Nieukamp, gelegen in de Ruijglaanspolder onder dese heerlijkheyt Valkenburgh, belent ten oosten den Broekwegh, ten suijden de heer kooper selfs, ten westen de Moolesloot ende ten noorden dhr. Boudewijn van Leeuwen". Dit stuk land werd door Jacobus verkocht voor 600 gulden en bestond uit meerdere delen. De helft was reeds in het bezit van Huijgh Roelen, een vierde deel kwam door de boedelscheiding van 28 juni 1671 van de schoonouders van Arent in zijn bezit en het laatste vierde gedeelte kocht Arent op de veiling van 30 maart 1699 voor 65 gulden.  

 

Op 31 januari 1711 wordt voor notaris Pieter Spoors een boedelscheiding opgemaakt voor de efgenamen van Arent Jacobsz. Verhagen. De protocollen van deze notaris zijn verloren gegaan, maar voor schout en schepenen van Valkenburg is nog een extract van deze akte opgemaakt. Klaas en Maarten kregen de helft van het huis en de pannenbakkerij in Hazerswoude toegewezen. Jacobus Verhagen kreeg drie-zevende deel en Cornelis, Wollebrand, Willem en Maria Verhagen kregen ieder één-zevende deel van "een huijs en erve met ontrent drie mergen lands, staande ende leggende in den ambagte van Valkenburg, etcetera".

 

De volgende dag op 1 februari verkoopt Maarten zijn vierde deel van het huis en de pannenbakkerij aan zijn broer Nicolaas (Klaas) voor een bedrag van 1000 gulden. Het geheel staat beschreven als "de vierdepart van een pannebakkerije als huijsinge ende erve, panhuijs ende schuren, pannewerk, estrikwerk, item de bloksdeelen en verdere gereedschappen daar toe behorende, mitsgaders het kampje land daar aan gelegen, staande ende gelegen aan den Hogen Rijndijk buijtensdijks in de heerlijkheijt van Haserswoude, in´t geheel verongeldt werdende voor vier hond, belend ten oosten Kors Willemsz. Kraan, ten zuijden den Hogen Rijndijk, ten westen de heer Nicolaas Klinjet en ten noorden den Rijn".

 

Op 15 oktober 1711 verkopen Willem en Wollebrand hun erfdeel van "twee sevende parten in een huijs en erve, staande ende gelegen in den dorpe van Valkenburgh, belent ten oosten Jacob Verhoeff, ten suijden den heer Daniel van Hulsenbeeck, ten westen den Heerwegh ende ten noorden de weduwe van Johannis van der Meer als mede in omtrent drie mergen drie hont en een roe lants leggende in deselve ambagte, belent ten oosten den Heerwegh, ten suijden Willem Pieters Biltman, ten westen het weeshuijs van Leijden ende ten noorden Boudewijn van Leeuwen en Losecaat". Zij verkopen hun erfenis aan hun broer Jacobus voor een bedrag van 200 gulden per persoon.

 

Op 4 februari 1712 verkoopt Cornelis eveneens zijn erfdeel aan Jacobus voor een bedrag van 200 gulden. Jacobus heeft hierdoor zeszevende deel van de erfenis in bezit en zijn zwager Hendrik Holienhoek, gehuwd met Maria Verhagen, het resterende eenzevende deel.

 

Op 1 juni 1712 verkoopt Jacobus Verhagen samen met Hendrik Holienhoek aan Daniel van Hulsenbeek "een huijs ende erve met een stallingh daar aan mitsgaders een schuijr en bargh daar op staande, gelegen in den dorpe van Valkenburgh, belent ten oosten Jacob Verhoeff, ten suijden den heer kooper selfs, ten westen den Heerwegh ende ten noorden de weduwe van Johannis van der Meer, Leendert Vlielant, de kinderen van Meindere Willems Bol ende Pieter Borsboom, strekkende met een uijtgangh tussen Jacob Verhoeff en Borsboom tot op den Rijndijk ende een vrije waterlosinge onder den Rijndijk tot in de sloot van de weduwe Arent Borsboom" voor 300 gulden.

 

Op 24 januari 1714 verkoopt Hendrik Holienhoek het resterende deel van zijn erfenis aan Jacobus, namelijk "sijn sevende part in een stuck lant, groot drie mergen drie hont eene roede, gelegen in dese heerlijkheijt, belent ten oosten den Heerwegh, ten suijden Willem Pieters Biltman, ten westen het weeshuijs van Leijden ende ten noorden Boudewijn van Leeuwen en Losecaat" voor een bedrag van 160 gulden.

 

  

Diverse akten

Op 5 juli 1711 verklaren Andries Swanenburg en Leendert van der Waerd "met solemneele eeden" voor schout en schepenen van Leiderdorp dat Anna Lourensdr. van der Marck, gehuwd met Jasper van Leeuwen, Geertruij Lourensdr. van der Marck, gehuwd met Jacob Verhagen en Susanna Lourensdr. van der Marck gehuwd met Gerrit Hogenboom, de zusters en enige erfgenamen zijn van Claes Lourensz. van der Marck. Claes was als jongeman in december 1705 voor de VOC-kamer van Amsterdam als matroos naar Oostindië gevaren en op de terugreis overleden.

 

Op 18 februari 1712 machtigt Jacobus Verhagen voor schout en schepenen van Zoeterwoude Simon van Douderen, procureur voor de vierschaar van Leiden, om namens hem op te treden in een rechtzaak tussen Jacobus en Aarnout van Rijkel. In de rechtzaak eist Aarnout van Rijkel "om betalinge te hebben van een somme van driehondert vijfenveertig guldens agt stuijvers over leverantie van sout en zeep, vermogens ´t schultregister daar van sijnde, afslaande negenenseventig gulden negen stuijvers daarop betaalt".

 

Op 8 februari 1716 verklaren Hendrick Brouwer en zijn vrouw Barbara van Egmond voor schout en schepenen van Leiderdorp een bedrag van 100 gulden geleend te hebben van Jacobus Verhagen met een rente van 5% per jaar. Als onderpand bieden Hendrik en Barbara "een huijs ende erve staende ende geleegen in Agthooven nevens de Rhijne Does, belend ten noorden Jacob Knotter, ten oosten Jan van der Steen, ten zuijden de voornoemde Rhijne Does ende ten westen 't Jaegpad op Utrecht". Onder de akte staat dat de schuld is afgelost op 8 april 1724.

 

 

Familiegeld (1715)

In 1715 wordt opnieuw extra belasting geheven door de staat:  "Familiegeldt over de Ingezetenen van Hollandt ende West-Vrieslandt, soo tot verval van de schulden van den Staet, gedurende den laetsten oorlogh gemaeckt, als om een proef te nemen, of men door het introduceren van het selve in het toekomstige niet soude konnen doen cesseren en ophouden de reële honderste penningen". De oorlog waarnaar verwezen wordt was de Spaanse Successieoorlog, die duurde van 1702 tot 1713. Doordat de Spaanse koning Karel II kinderloos overleed, ontbrandde de strijd om de Spaanse bezittingen in Amerika, Italië en de Zuidelijke Nederlanden. De oorlog werd beëindigd met de vrede van Utrecht (1713), waarbij de Verenigde Provinciën meer veiligheid krijgen door garnizoenen (legers in versterkte plaatsen) in de Zuidelijke Nederlanden als bescherming tegen de Fransen.

 

Op formulier nr. 21 van het Familiegeld van Zoeterwoude staat Jacob Verhagen vermeld als tapper met een aanslag van 5 gulden. De heffing werd bepaald door de jaarlijkse uitgaven of inkomsten van de betreffende inwoner. De indeling was als volgt:

 

 

    Classen

       Van de jaerlijcksche inkomsten of

Gestelt op     

                     verteeringen

 

 

 

 

 

Eerste classis

Van tienduijsent gulden en daer boven

f

200 - 0 - 0

Tweede classis

Van sevenduijsentvijfhondert tot tienduijsent

f

150 - 0 - 0

Derde classis

Van vijfduijsent tot sevenduijsentvijfhondert

f

100 - 0 - 0

Vierde classis

Van vierduijsent tot vijfduijsent

f

80 - 0 - 0

Vijfde classis

Van drieduijsent tot vierduijsent

f

60 - 0 - 0

Sesde classis

Van tweeduijsent tot drieduijsent

f

40 - 0 - 0

Sevende classis

Van vijftienhondert tot tweeduijsent

f

20 - 0 - 0

Aghtste classis

Van duijsent tot vijftienhondert 

f

10 - 0 - 0

Negende classis

Van vijfhondert tot duijsent

f

5 - 0 - 0

 

Onder dese negende classis werden oock begreepen alle neeringhdoende luijden,

het zij de selve onder eenig gilde behooren of niet, mitsgaders alle meesters of

gildebroeders die onder geen andere basen, mans of vrouwen wercken en welcke

neeringhdoende luijden, meesters of gildebroeders onder geen hooger classis behooren.

 

 

 

Op 24 juni 1717 staat Jacobus in het register van impost van zout en zeep getaxeerd als “halff capitalist”.   

 

 

De laatste akte

Op 28 augustus 1721 verklaart Krijn Pieterse Hoogkamer voor schout en schepenen van Valkenburg aan Jacobus Verhagen verkocht te hebben: "een stuk landt, groot een mergen, 56 roeden, bezet met steenaerde, gelegen in´t Joge onder deeze heerlijkheijdt, belent ten noorden en oosten Arij en Frans Binnendijk, ten zuijden het weeshuijs van Leijden en ten westen Gijs Roelen van Duijnen" voor een bedrag van 300 gulden. De “steenaerde” werd gebruikt voor de steen- en pannenbakkerij langs de Oude Rijn. Vaak werd de kleilaag van de grond verwijderd voor de produktie van bakstenen en dakpannen en werd de grond daarna opnieuw verkocht als weiland.   

 

Op 5 mei 1728 doet Jan Verhagen aangifte van het overlijden van zijn vader Jacobus Verhagen. In het Gaardersregister van Zoeterwoude staat dat deze aangifte valt onder de classis van 3 gulden. Jacobus Verhagen is 58 jaar oud geworden. Geertje Laurens van der Marck blijft als weduwe achter.

 

 

Fraaiste gezichten

In 1732 brengt uitgever Leonardus Schenk te Amsterdam het boek "Rhynlands fraaiste gezichten" van Abraham Rademaker uit. Hierin staan veel afbeeldingen van bekende lusthoven, herenhuizen en andere bijzondere gebouwen in en om de steden Haarlem en Leiden. Tussen Zoeterwoude en Leiderdorp lag vroeger een brug over de Rijn. In het verlengde van de brug lag de kerk van Leiderdorp, waar ook de bewoners van de Hoge Rijndijk (Zoeterwoude) vroeger naar toe gingen. Vanaf deze brug maakte Abraham Rademaker twee "fraaie gezichten" van het uitzicht over de Rijn. Hetzelfde uitzicht moet de familie Verhagen vrijwel elke zondag hebben gezien op weg naar de kerk en weer naar huis. Op de afbeelding "richting Koudekerk" zien we het jaagpad aan de linkerkant langs de Lage Rijndijk onder Leiderdorp lopen. Op het uitzicht "richting Leiden" zien we dat het jaagpad doorloopt aan de andere kant van de Rijn langs de Hoge Rijndijk onder Zoeterwoude. Op beide afbeeldingen zien we nog een trekschuit, de één op weg naar Leiden en de ander richting Utrecht.

 

 

 

Rhijn gesigt tot Leyderdorp siende naar Koukerk, Rhynlands fraaiste gezichten, A. Rademaker, 1732

 

 

 

Rhijn gesigt tot Leyderdorp siende naar Leyden, Rhynlands fraaiste gezichten, A. Rademaker, 1732

 

 

     

 

Verponding

Ponden is het schatten van vermogen in ponden (oude geld-eenheid), als maatstaf voor het omslaan van de lasten. Verponding is de Hollandse naam voor een belasting, die gebaseerd was op de opbrengst van onroerende goederen. De verponding was in Holland verschillend voor steden en dorpen. In de steden was men de 100e penning van de waarde verschuldigd, in de dorpen meestal de 10e penning van de geschatte opbrengst. In 1733/1734 staat Jacob Verhagen in het kohier van verponding Zoeterwoude met drie percelen, genummerd 169 (de bakkerij) getaxeerd op 7 gulden en 171 en 172 elk getaxeerd op 1 gulden en 5 stuivers. Jacob is inmiddels al zo’n 5 jaar overleden, maar de huizen stonden kennelijk nog steeds op zijn naam. Op 26 november 1734 tekent de weduwe van Jacob Verhagen bezwaar aan tegen de taxatie van 8 gulden verponding voor de percelen 165 t/m 168 met een geschatte huurwaarde van 96 gulden per jaar en de taxatie van nummer 171 en 172 tesamen voor 2 gulden en 10 stuivers met een geschatte huurwaarde van 30 gulden per jaar. Na onderzoek en afweging door de schout, secretaris en ambachtsbewaarder van Zoeterwoude wordt het eerste bezwaar van Geertje Laurens van der Marck afgewezen en het tweede bezwaar gegrond verklaard. In het tweede bezwaar was aangegeven dat één van beide percelen (171/172) inmiddels was vervallen en afgebroken. De taxatiewaarde werd daarom gehalveerd en de verponding opnieuw vastgesteld op 1 gulden en 5 stuivers op basis van een huurwaarde van 15 gulden per jaar.

 

 

Personele Quotisatie

In 1742 besloot de regering tot de zogenaamde personele quotisatie. Hierbij werden de aanslag-verplichte personen in klassen verdeeld naar winst en andere inkomsten, waarvoor men 1% tot 2% moest betalen. Deze quotisatie is een naar ruwe schatting opgelegde inkomstenbelasting; inkomens beneden 600 gulden bleven vrij. Het inkomen werd overigens in hoofdzaak geschat naar de blijkende verteringen van weelde. Dit maakte van deze belasting toch meer een personele dan een inkomstenbelasting, al streefde men toch naar het laatste. Ook in Zoeterwoude wordt in 1742 een kohier van Personele Quotisatie opgesteld. Hierin staan de huizen van Zoeterwoude beschreven met vermelding van de bewoners. Verder staat vermeld wat de huur is van het huis, hoeveel dienstboden aanwezig zijn, of het een buitenplaats betreft, hoeveel paarden er zijn en of er een rijtuig en/of speeljacht aanwezig is, wie de eventuele voogd of curator is, welke commensalen nog inwonen en door wie deze informatie is opgegeven. Geertje Laurens van der Marck woont op dat moment op nummer 171 met een huurwaarde van 20 gulden. In 1745 wordt de taxatie van de aanslag voor Geertje vastgesteld op 6 gulden voor nummer 169, maar staat tevens vermeld dat zij bij “doleantie” (klacht/bezwaar) is vrijgesteld. In 1749 hebben “den Edel Agtbare Heeren Commissarissen” zich kennelijk nogmaals over de klacht gebogen en het bezwaar van Geertje alsnog afgewezen; haar aanslag blijft getaxeerd op 6 gulden per jaar.

 

 

Schenking en scheiding

Omdat in de periode na het overlijden van Jacob geen boedelscheiding is teruggevonden en Geertje in 1734 haar bezittingen wegschenkt aan haar zonen, hebben Jacob en Geertje waarschijnlijk op een eerder tijdstip een testament laten opmaken, waarin Geertje als universele erfgenaam is benoemd.

 

Op 27 november 1734 laat Geertje een akte opmaken, waarin zij aan Jan "een huijsinge en erve waar inne sij jeegenwoordig als nog woonagtig is ende de tappers neeringe gedaan werdt, staande ende geleegen in den Inkel aan den Hoogen Rijndijk onder Soeterwoude voornt: met alle de gereedschappen tot de tapperije behoorende" schenkt en tevens de helft van "een huijsinge jeegenwoordigh verhuurt werdende en meede staande ende geleegen in den Inkel omtrent de voorgaande partijen onder den meergemelten ambagte". Zijn broer Lauris krijgt het huis met de broodbakkerij aan de Hogenrijndijk op de hoek van de Lavassloot en verder nog de andere helft van het verhuurde huis.

 

De voorwaarden zijn dat Geertje haar leven lang vrije inwoning heeft en elk jaar een bedrag van 120 gulden krijgt van hen samen. Indien Geertje komt te overlijden moet Lauris 2000 gulden uit zijn privé vermogen terugstorten in de boedel van Geertje en Jan voor zijn deel nog eens 1500 gulden. 

 

Tot slot wordt nog afgesproken dat Lauris of zijn eventuele nakomelingen geen herberg, tapperij of bierstekerij mogen exploiteren, zolang zijn broer Jan, zijn vrouw of kinderen nog leven en in het bezit zijn van het huis met de tapperij.

 

Op 23 mei 1744 wordt opnieuw een akte bij de notaris opgemaakt, waarin de schenkingen nogmaals worden bevestigd, maar waarin ook een aantal zaken zijn veranderd. De terug te storten bedragen in de boedel van Geertje, indien zij overlijdt, zijn verbijzonderd per huis en Geertje blijkt inmiddels verhuisd te zijn naar het huis met verpondingsnumer 490. Voorheen woonde zij in het huis met de broodbakkerij, waar Laurens nu in woont. 

 

Geertje Laurens van der Marck, weduwe en boedelhoudster van Jacob Verhagen, verklaart nogmaals aan haar zoon Lauris een huis te schenken. Het perceel wordt omschreven als: “een huijs en erve, staande ende geleegen aan den Hoogen Rijndijk op den hoek van de soogenaemde Lavassloot omtrent de Koppersluis onder den ambagte van Soeterwoude, belend ten noorden ´t gemeene gangpad, ten westen den Hoogen Rijndijk, ten zuijden en oosten Bastiaan Raaphorst”. Het huis is door Jacob Verhagen aangekocht op 7 juli 1713 van David van der Wegh. Lauris moet Geertje daarvoor echter wel haar levenlang 60 gulden per jaar betalen en bij haar overlijden alsnog 1800 gulden inbrengen in de nalatenschap.

 

Ook aan haar zoon Jan bevestigt Geertje haar schenking van het huis, dat omschreven staat als: “een huijs en erve, staande ende geleegen in den Inkel aan de Coppersweetering omtrent den Hoogen Rijndijk onder den ambagte van Soeterwoude, belend ten noorden Jan Verhaagen, ten zuijden Jan van´t Wout ten zuidoosten Ahasueros van Ingen en ten westen het pad of Coppersweeteringh”. Jacob kocht dit huis op 5 febuari 1705 van Sr. Pieter Gestramis. Ook Jan moet zijn moeder hiervoor jaarlijks 60 gulden betalen, zolang zij leeft en moet bovendien 1300 gulden inbrengen in de nalatenschap, zodra Geertje is overleden.

 

Tot slot wordt de schenking van het derde huis door Geertje aan haar zonen Lauris en Jan beschreven. De omschrijving luidt: “een huijs en erve, staande ende geleegen in den Inkel omtrent de Copperssluijs aan den Hoogen Rijndijk onder den ambagte van Soeterwoude, belend ten noorden Jan van´t Wout, ten westen de Coppersweetering, ten zuijden ´t gangpad en ten oosten Ahasueros van Ingen”. Jacob kocht dit huis op 1 augustus 1709 van Claartje Jans, weduwe van Jan Jansz. van der Laan. Lauris en Jan zullen echter wel moeten gedogen dat hun moeder Geertje haar levenlang in dit huis mag blijven wonen, zonder huur of onderhoud te hoeven betalen. Na haar overlijden moeten zij 400 gulden inbrengen in de nalatenschap. 

 

 

 

Zoeterwoude, de Lavassloot omstreeks 1900

 

 

 

Op 12 oktober 1748 geeft Jan Verhagen voor de gaarder te Zoeterwoude het overlijden aan van zijn broer Lauris Verhagen onder de classis van 6 gulden. De vrouw van Lauris, Bartha van Dam, was al eerder in 1739 gestorven. Lauris en Bartha lieten verder geen kinderen na. Op 30 juli 1749 wordt een inventaris opgemaakt van de nagelaten goederen van Lauris en op 9 juni 1751 laten Jan Verhagen en Jan Backer voor notaris Cornelis van der Kop een boedelscheiding opmaken. Jan krijgt hierdoor het huis met de broodbakkerij aan de Hogenrijndijk toegewezen onder conditie dat zijn moeder Geertje daar haar hele leven zonder enige onkosten mag blijven wonen. Verder krijgt Jan nog de helft van het huis met verpondingsnummer 490 toebedeeld, waarvan de andere helft toebehoort aan Jan Backer. Tot slot krijgt Jan nog vier partijen land toegewezen, namelijk twee stukken land in de Barrepolder onder Hazerwoude, groot 5 morgen en 28 roeden, "belend ten oosten d'heer Lantscroon, ten zuijden de Buijrmade, ten westen de possesseur van Johannes Verhoog en ten noorden Daniel Leliebroeck", een stuk land met steenaarde erop in het Jogh onder Valkenburg, groot 4 morgen en 357 roeden, "belend ten noorden en oosten Arij en Frans Binnendijk, ten zuijden het Weeshuijs van Leijden en ten westen Gijs Roelen van Duijnen"en tot slot nog een stuk hooiland in het 9e bun onder Benthuijzen, groot 4 morgen en 50 roeden, "belend ten oosten Lauris Verhagen, ten noorden de Burmaden, ten westen Leendert Qualen met bruijkwaar en ten zuijden de Zijbrandtswatering".     

 

Op 2 maart 1752 doet Jan Backer aangifte in het gaardersregister van Zoeterwoude van het overlijden van zijn schoonmoeder Geertje Laurens van der Marck onder de classis van 3 gulden.   

 

  

   

Back Home Next