Jan (Johannes) Verhagen
(1760 – 1824)
DTB
Johannes (Jan) Verhagen is gedoopt op 4 april 1760 te Leiderdorp. De
doopgetuigen waren Jan Verhagen (de vader van Klaas) en Marijtje (Maria)
Verhagen (de zus van Klaas). Op 21 juli 1824 overlijdt Jan en de aangifte bij de
Burgelijke Stand hiervan wordt gedaan door zijn zoon Jacob Verhagen. Jan was,
evenals zijn vader, bakker van beroep en huwde op 29 augustus 1784 met Geertruij
Verhagen te Oudshoorn. Zij zijn familie van elkaar, want zij hebben dezelfde
overgroot-ouders, namelijk Jacob Verhagen en Geertje van der Marck. Geertuij was
het kind van Jacobus Verhagen en Neeltje Kant en is op 2 november 1760 gedoopt
te Gnephoek. Zij is overleden op 12 februari 1834 te Alkemade (Oude Wetering).
Uit het huwelijk van Jan en Geertruij zijn 10 kinderen voortgekomen:
1. Nicolaas Verhagen, gedoopt te Alkemade 13 februari 1785 † Alkemade 6 april 1785
2. Neeltje Verhagen, gedoopt te Alkemade 14 mei 1786 † Alkemade 20 juni 1786
3. Neeltje Verhagen, gedoopt te Alkemade 19 augustus 1787 † Alkemade 26 juni 1788
4. Marijtje Verhagen, gedoopt te Alkemade 19 augustus 1787 † Alkemade 15 maart 1788
5. Jacoba Verhagen, gedoopt te Alkemade 17 juli 1789 † onbekend
6. Claas Verhagen, gedoopt te Alkemade 28 oktober 1791 † onbekend
7. Hendrik Verhagen, gedoopt te Alkemade 4 december 1793 † Boskoop 1 december 1849
8. Jacobus Verhagen, gedoopt te Alkemade 1 september 1796 † Alkemade 3 januari 1891
9. Alida Verhagen, gedoopt te Alkemade 10 december 1797 † Alkemade 8 mei 1874
10. Maria Verhagen, gedoopt te Alkemade 27 februari 1802 † Alkemade 15 maart 1883
Drie broers en een zus
Jan had drie broers en één zus. Twee van zijn broers zijn jong gestorven, namelijk zijn oudste broer Jan (na 1 maand overleden) en zijn jongere broer Klaas (na minder dan 5 maanden overleden).
Van zijn zus Neeltje is nog niet zoveel bekend. Zij is gedoopt op 13 augustus 1758 te Leiderdorp en zij huwde op 6 oktober 1784 te Zoeterwoude met Ary Brugman, zoon van Ewout Ariensz. Brugman en Maartje Pietersdr. Zuijen, gedoopt te Leiderdorp op 7 augustus 1757 en overleden te Leiderdorp in 1788. Ary was waarschijnlijk ambachtsbewaarder in Leiderdorp. Op 29 april 1811 werd het overlijden van Neeltje aangegeven en op 3 mei 1811 werd zij te Leiderdorp begraven.
Jacobus, de jongere broer van Jan, werd op 27 juli 1766 gedoopt te Leiderdorp. Hij was "verwer en glazenmaaker" van beroep, maar staat ook wel vermeld als veldwachter. Op 9 april 1795 werd de eerste vergadering van de Krijgsraad van Zoeterwoude gehouden. Deze Krijgsraad moest zorg dragen voor de verdediging van het dorp, waarvoor regelmatig exercities werden gehouden. In 1797 werd de naam van de Krijgsraad gewijzigd in die van de "Huishoudelijke Directie van de gewapende burgermacht", waarvoor toen ook een reglement kwam. In de eerste vergadering, gehouden in de herberg De Fonteyn aan de Hoge Rijndijk op 25 juli 1797, werd Otto Barendsz. gekozen tot president en Ary Koot tot secretaris. Echter, ook van 26 juli zijn er notulen van een vergadering en hieruit blijkt niets over de verkiezing van Koot tot secretaris of Barendsz. tot president. Uit de latere stukken blijkt dat Jacobus Verhagen president was, terwijl (notaris) Albert Klaverwijden benoemd zal zijn geweest tot secretaris. Jacobus huwde op 20 januari 1791 te Zoeterwoude met Geertje Moraal. Zij woonden eerst in het huis op de hoek van de Hoge Rijndijk en de Lavassloot te Zoeterwoude en later in het huis verderop aan de Lavassloot (verpondingsnummer 490). Jacobus is op 4 augustus 1819 te Zoeterwoude overleden. Uit zijn huwelijk met Geertje kwamen 11 kinderen voort, 6 zonen en 5 dochters.
De bakkerij
Op 12 augutus 1784 koopt Jacobus Verhagen, wonende te Oudshoorn, namens zijn nog minderjarige schoonzoon Jan, wonende te Zoeterwoude, van Jacob Huijsman "een huijs en erve, zijnde een broodbakkerij met alle de gereedschappen tot de bakkerij behoorende, benevens de snebbeschuit bij den verkoper in de neering gebruijkt werdende, staande ende gelegen aan d´Oudeweetering, belend ten oosten d´Oudeweetering, zuijden Joost Timmers, westen Jan de Vries en noorden deselve, met de belasting van Oudenweeteringerdijk No. 31" voor een bedrag van 3.300 gulden. Verder wordt met Jacob Huijsman overeengekomen dat hij het huis uiterlijk eind december 1784 leeg zal opleveren. Op een kadastrale kaart van 1832 zien we het perceel aangegeven als B.39 (nu Kerkstraat 83).
Detail uit de kadastrale kaart van 1832 met het perceel B.39 en rechts daarvan het slootje naar de Oude Wetering
De definitieve koopakte van 4 november 1784 vermeld dat het huis in het verpondingsregister beschreven staat onder nummer 13 met een aanslag tot 3 gulden. Bij het huis en de bakkerij bevindt zich tevens een bijbehorend erf met een totale oppervlakte van 25 roeden binnen het ambagt en nog eens 22 roeden in de Googerpolder. Voor het gebruik van de snebbeschuit had Jan Verhagen wellicht recht op overpad bij de buren, zodat hij gebruik kon maken van het slootje naar de Oude Wetering. Het geheel wordt belast met het onderhoud van de Oude Weteringerdijk, voor een lengte van 2 roeden en 4 voet, geregistreerd onder nummer 31, voor een bedrag van 5½ gulden. Het perceel is tijdens de koop nog belast met een schuldbrief van 1.800 gulden ten behoeve van Maria Overpeld, opgemaakt op 17 april 1778, waarvan inmiddels 500 gulden is afgelost. Jan betaalt de koop met 2.000 gulden contant en neemt tevens de nog lopende schuldbrief over van Jacob Huijsman. Over het bedrag van 1.300 gulden moet hij aan Maria Overpeld jaarlijks een rente van 3½% betalen.
Ets van Oude Wetering uit de 18e eeuw (H. Spilman)
Op de bovenstaande tekening zien we links het bruggetje over het slootje, waarlangs de meerboeier van de baljuw naar het schuitenhuisje erachter kon varen. Deze meerboeier werd gebruikt voor het controleren van de oevers. Volgens de kadastrale kaart van 1832 is vanuit het perspectief van de tekening het derde huis van links waarschijnlijk de voormalige broodbakkerij van Jan Verhagen(perceel B.39). Verderop is het lichtbaken voor de scheepvaart op het Haarlemmermeer nog zichtbaar.
%20(1).jpg)
Links hotel "Het Wapen van Alkemade" en rechts (met de bakkerskar
ervoor) het voormalige huis van Jan Verhagen.
Op de plek waar de bomen staan was vroeger het slootje met de brug.
De bakkerseed
Op 1 november 1784 heeft Jan Verhagen voor de baljuw en welgeboren mannen van Alkemade zijn bakkerseed afgelegd conform de keur van 13 augustus 1770 van de Hoog Edele Heere van Alkemade en de aan hem voorgelezen artikelen 60, 61, 62, 65, 67, 69, 70, 71, 72 en 73 van de keur van Rijnland. Bovendien moet hij zweren in het roggebrood of brooddeeg geen zemelen en dergelijke toe te zullen voegen. Tot slot krijgt hij het volgende broodmerk toegewezen:

In een akte van 5 augustus 1790 staat Jan Verhagen vermeld als "Monsieur Jan Verhagen, Mr. broodbakker". Jan was dus lid van het broodbakkergilde, maar bij welk gilde Jan was aangesloten is niet bekend. Naast het opleiden tot ambachtsman stelden de gilden ook regels op voor de arbeidsvoorwaarden van personeel. Een jongen die bijvoorbeeld bakker wilde worden, werd eerst leerling bij een baas. Loon kreeg hij niet. Hij moest zelf kost en inwoning betalen. Na enige tijd mocht hij een soort examen doen. Hij moest een meesterstuk maken dat werd beoordeeld door de andere gildeleden. De meesterproef van de broodbakkers bestond in het bakken van tarwe-, rogge- en wittebrood in een "op een reys geheete oven". Was het werkstuk goed dan werd hij lid van het gilde. Het broodbakkersgilde zorgde ervoor dat een baas ("een meester") niet meer dan drie knechten in dienst had. Ze bemoeiden zich ook met de kwaliteit van de produkten en stelden zelfs waar nodig produktiebeperkingen in. De bakker mocht een brood niet onder een bepaalde, vastgestelde prijs verkopen. De prijs van een brood werd door het bakkersgilde zelf vastgesteld. Concurrentie was dus niet mogelijk. Ook had het gilde een sociale functie. Bij moeilijke tijden hielpen de leden van het gilde elkaar. De leden van het gilde betaalden het zogenaamde busgeld, dat bestemd was voor de ondersteuning van tot armoede vervallen gildeleden of van hen die een ongeluk hadden gehad, of in geval van diens overlijden ter ondersteuning van de weduwe. In het gemeente-archief van Leiden vond ik nog een ontwerp reglement voor broodbakkers uit het begin van de 19e eeuw, dat kennelijk bedoeld was voor de overgang van het gilde naar een nieuwe organisatievorm. In het gemeente-archief van Alkemade bevindt zich nog een reglement uit 1818 voor bakkers, grutters en molenaars.
In het register van de ijk staat Jan Verhagen vermeld van 1784 tot 1810.
Akte van indemniteit
In de 17e en 18e eeuw werd een niet gering deel van de bevolking permanent of tijdelijk bedeeld. Zo waren er veel seizoenarbeiders, die in de zomer genoeg verdienden maar in de winter nauwelijks konden rondkomen. Ook bejaarden hadden het moeilijk. Vele instellingen zoals de diaconieën of armenkamers van de verschillende kerkelijke gemeenten en parochies, aalmoezenierskamers, gasthuizen en fondsen zorgden goed voor de inwoners van eigen stad of dorp. Voor personen die van elders afkomstig waren bleven de beurzen meestal gesloten. Men wilde voorkomen dat vreemdelingen ooit een beroep op steunverlening zouden doen. Daarom moesten deze in vele gevallen een bewijs overleggen van de diaconie of het gerecht van de plaats van herkomst dat deze de kosten van eventuele steunverlening zou betalen, meestal voor een bepaalde periode. Zo'n bewijs heet een akte van indemniteit. In de oude en in de nieuwe woonplaats werden de gegevens genoteerd. Ook Jan en Geertruij Verhagen kregen een akte van indemniteit mee:
"Voor den Armen.
Wij Schout en Geregten van Soeterwouden beloven bij deesen in den naam der Armmeesteren van Leijderdorp, dat ingevalle Jan Verhagen, oud 25 jaaren, gebooren onder de parochie van Leijderdorp, vertrocken na de Oude Weetering ofte elders, tot zodanige armoede geraakte dat dezelve niet konde subsisteeren, Wij de Geregten ofte Armmeesteren van de Oude Weetering en alle andere plaatsen van de last en alimentatie der opgemelde persoon sullen indemneeren en bevrijden.
Actum den 30 september 1785. Ter ordonnantie van dezelve, is geteekend H:J: Le Pla, Secretaris".
De indemniteitsakte van Geertruij Verhagen werd afgegeven door de Schout en Ambachtsbewaarders van Oudshoorn en Gnephoek:
"Voor den Armen.
Schout ende Ambagtsbewaarders van den ambagten van Oudshoorn en de Gnephoek belooven bij deeze van weegen den armen, dat voors: ambagten ten behoeve van het ambagt off den armen van Oudewetering, ingevalle Geertruij Jacobsdr. Verhagen, oud 24 jaaren, tot armoede mogte komen te vervallen en onderstand van nooden hadde, het ambagt off den armen voornoemt van alle lasten dien aangaande te zullen indemneeren en bevrijden, om de verband als na regten.
Actum den 26e november 1784. (is getekend) B: de Bock, Arij van der Elft, N: Lintzenburg".
Oranje boven!
Op 1 oktober 1784 doen Otto Barendsz., Leenderd Binnendijk, Arij Brugman en Jan Verhagen in Leiden aangifte van mishandeling. Zij verklaarden de dag daarvoor in de namiddag naar het afvuren van het Exercitie Genootschap te Leiden te hebben gekeken en gingen daarna naar het huis van kastelein Dirk Hoogenstraeten op de Vischmarkt bij de Koornbrugge. Daar verbleven zij tot kwart voor elf, waarna ze op weg naar huis gingen via de Hoogwoerdspoort. Bij de poort aangekomen zien zij uit de Rhijnstraat van de kant van 't Levendael vijf of zes dragonders en twee burgerlieden aankomen. Eén van de burgerlieden herkennen zij als jonge Lisman, mager postuur en het haar samengebonden. De dragonders en burgerlieden volgen het gezelschap en roepen steeds "Oranje boven!", terwijl zij met hun sabels over de straat schrapen. Bij de poort worden Jan en zijn vrienden omsingeld en gedwongen om eveneens "Oranje boven!" te roepen, onder dreiging dat zij anders met de sabels uit elkaar zouden worden geslagen. Omdat Jan en zijn vrienden dit weigeren te doen vallen er rake klappen waartegen zij zich zo goed mogelijk probeerden te verweren. Door tegenstand te bieden en de komst van andere mensen lieten de dragonders en burgerlieden hen uiteindelijk gaan. Tot slot verklaarden zij dat ze jonge Lisman omstreeks half tien 's avonds nog hebben gezien bij Hoogstraeten, waarna deze daar weer als eerste was vertrokken.
Handtekening van Jan Verhagen onder de akte van 1 oktober 1784
Het dorp Oude Wetering
De Oude Wetering vormde de verbinding tussen het Brazemer Meer en het Leidse/Haarlemmer Meer en was een belangrijke doorgang voor al het scheepvaartverkeer tussen Amsterdam, Haarlem en de rest van Noord-Holland naar de provincies Gelderland, Overijssel, Zeeland, Brabant en zelfs Vlaanderen en Keulen.
In 1796 werd het boekje "Stads- en dorpbeschrijver van Rijnland" uitgegeven, waarin de schrijver L. van Ollefen ook het dorp Oude Wetering heeft beschreven. In die periode telde het dorp ongeveer 107 gebouwen en huizen, die door hun ligging allemaal een mooi uitzicht hadden op het water en het landschap daar omheen. Een paar jaar eerder was het dorp voorzien van lantaarns, maar deze werden een tijdje later weer weggehaald, omdat de schippers op het Haarlemmer/Leidse Meer hierdoor vaak werden misleid. Wel kende het dorp bij het Leidse Meer een lichtbaken, zodat de toegang tot de Oude Wetering ook in het donker nog was terug te vinden. In de periode 1795-1798 woonden er ongeveer 493 mensen in het dorp, waaronder Jan Verhagen en zijn familie. Het kerkhof en de dorpschool bleken in goede staat van onderhoud. Ook kende het dorp een rechtshuis, waarin schout en schepenen en het lokale bestuur (waaronder Jan Verhagen zelf) regelmatig bijeen kwamen. Het rechthuis stond in Oude Wetering vlak bij het huis van Jan Verhagen en bevond zich in de herberg "De Witte Engel". Rond 1900 werd het pand afgebroken en werd op hetzelfde perceel hotel "Het Wapen van Alkemade" gebouwd. De belangrijkste inkomsten van Oude Wetering kwamen voort uit de landbouw, verschillende vormen van handenarbeid, de scheepstimmerwerven, de zijlmakerijen en de aanwezige winkels, waar de passanten van de scheepvaart allerlei goederen konden kopen.

Dit aangenaam gelegen plaatsje,
Geniet haar welvaard meest door nutte Scheepvaardij:
Door Landbouw en Scheepstimmerwerven:
Door soort van Winkels en voordeelige Thuinderij,
Het Leidsche-meir brengt hier veel schoons en voordeel aan:
Doch ´t dreigde ´t Dorp ook wel geheel te doen vergaan.
(L. van Ollefen, Stad- en dorpbeschrijver van Rhijnland, 1796)
De nachtwacht van Alkemade
Dat het dorp niet helemaal zo vredig was blijkt wel uit het feit dat in 1787 ook in Alkemade een nachtwacht werd gehouden.
In een lijst van oktober dat jaar staan alle namen vermeld van de personen, die aan deze nachtwacht hebben deelgenomen:
1787
2 oktober: Cornelis Spaan, Jacobus Ket en Willem van der Linden
3 oktober: Jacobus Ket, Dirk Lelyveld, Ad: Tingbergen en Jan Arijmaat
4 dito: Jacobus Ket, Cornelis Spaan, Gerrit Gortzak en Pieter van Greuningen
5 dito: Jacobus Ket, Jan Arijmaat, Pieter van Greuningen en Jurriaan de Vries
6 dito: Jacobus Ket, Ad: Tingbergen, C: van der Vaart en Jurriaan de Vries
7 dito: Jacobus Ket, Cornelis Spaan, Jurriaan de Vries en Pieter de Bock
8 dito: Jan And: de Vries, Cornelis van Amerongen, Willem Weijman en Jan Arijmaat in plaats van Willem de Vries
9 dito: Abraham Molenaar, C: Oosterveld, Jacob Rozelaar en L: Hercules
10 dito: Lourens van Egmond, Teunis Konijn, Arij Hogenboom en Coenraad Hofman
11 dito: Willem Eveleens, Hermanus van Manen, Cornelis Bakker en Cors de Munck
12 dito: Cornelis van Zwieten, Frans Lempe, Hendrik Hageman en Jan Onnosel
13 october: Pieter Kuijlenburg, Pieter Kolijn, Gijsbert van Loon voor G: van den Brand en Albert van Duuren
14 dito: Jan de Ruijter, Willem Hozee, Herm: Spruijt en Arij van Tol
15 dito: Hendr: van der Klugt, Willem Smits, Ab: Rijnsburger en L: Hercules voor Molkenboer
16 dito: Pieter van Dijk, Carel Borgel, Abraham Frissel en Gerrit Jonkman
17 dito: Simon Raaphorst, Jan Arijmaat voor Willem de Vries, Jan Boot en Leendert de knegt van Jacob van Vel
18 dito: Abraham Molenaar, Conelis Spaan, Lalander Hercules voor Jan Verhagen en Jacob van Rozelaan
19 dito: Hedr: van der Klugt voor Jan Verhoek, W: Eveleens, C: Oosterveld en C: Bakker
20 dito: Jacobus Ket, Egbert van Greuningen, Lenaerd van Egmond en Cornelis van Zwieten
21 dito: Jurriaan de Vries, Frans Lamp, H: van der Klugt voor L: Hercules en Coenraad Hofman
22 dito: Arij van Tol, H: van der Klugt en Adr: Tingbergen
23 dito: Hendr: Hageman, P: Kuijlenburg, Albert van Duuren en H: van der Klugt
24 dito: Willem Smits, Jan Frissel, Harmen Colijn en Jan Schrijver
25 dito: Jan de Ruijter, Klaas Plomp, Carel Borgel en P: de Bock
26 dito: Gerrit Jonkman, G: Brons, Willem van der Linden en Jan Wegman
Moord en doodslag
Op dinsdag 18 december 1787 neemt Jacobus Verhagen na een bezoek aan zijn dochter Geertruij en schoonzoon Jan om vier uur 's middags afscheid en vertrekt lopend naar zijn huis in Oudshoorn. Omdat het regent vragen zij hem nog of hij niet liever wil blijven overnachten, maar Jacobus besluit toch terug naar huis te gaan. De volgende dag wordt hij dood teruggevonden in de sloot naast de Langeweg door Jan en Jacob van Veen en Koenraad van Schalkwijk, die daar aan het vissen waren. Het lichaam wordt opgehaald en dokter-medicus Jacobus Brouwer doet een lijkschouwing in het bijzijn van de welgeboren mannen Baltus Ambagtsheer en Cornelis Aangeenbrug. Nadere inspectie wijst uit dat Jacobus zeer waarschijnlijk is neergeslagen, waardoor hij twee wonden op het hoofd heeft. Ook blijkt hij beroofd te zijn van de zilveren gespen van zijn schoenen en broek en van zijn zilveren zakhorloge met daaraan een stalen kettinkje en een zilveren cachet.
In dezelde akte van 21 december zijn tevens een aantal getuigenverklaringen opgenomen, waaruit blijkt dat een zekere Andries Barends als hoofdverdachte van de moord wordt aangemerkt. Op de dag van de moord, 18 december, blijkt Andries om half vier 's middags met de pont de Oudewetering overgestoken te zijn naar Alkemade. Daar aangekomen om ongeveer vier uur gaat hij naar bakker Huijbert van der Ploeg en koopt een drieponds zuur roggebrood. Even later ziet Huijbert van der Ploeg Jacobus Verhagen voorbijkomen in de richting van de Langeweg. Om ongeveer half vijf ziet het dochtertje van Huijbert van der Ploeg, die net uit Roelofarendsveen terugkwam, verderop op de weg een persoon, die sterk op Andries Barends leek. Deze persoon steekt een paar keer de weg over, en gaat vervolgens even naast de weg liggen en rent tenslotte weg in de richting van de Galgekade.
Tussen vijf en zes uur 's avonds komt Andries Barends aan bij het huis van Dirk van Veen in Roelofarendsveen. Het nichtje van de vrijster van Andries verklaarde dat Andries daar had gehuild, waarvan zij dacht dat het uit tederheid was om een brief die zij aan haar vader wilde sturen. Om zes uur vertrekt Andries weer en het nichtje ziet dat hij bij het weggaan een pakje opraapt bij "de heijning nabij de draaijplank van Jan Nieuwenhuijs, chirurgijn in de Roelofarendsveen". Ze kon niet zien of het pakje van papier of van doek was en vroeg aan Andries wat er in zat. Andries zei: "Koffie, thee en tabak". Om ongeveer half acht komt Andries thuis en gaat naar bed. Nadat hij in slaap was gevallen opende zijn vrouw nieuwsgierig het pakje dat Andries had meegenomen en zag dat er een "driekante met lint omboorde zeer natte hoed met een orange strik met een blaauw roosje in 't midden ter grootte van een zesthalf" in zat. Het bleek de hoed te zijn van Jacobus Verhagen. De volgende ochtend tussen vijf en zes uur pakt Andries wat spullen in en vertrekt met een zak en het pakje met de hoed. Hij neemt om zes uur nog afscheid van Arij van Amsterdam en Maarten Outshoorn en is daarna verdwenen.
De akte eindigt met de opdracht van de welgeboren mannen van de hoge vierschaar aan de baljuw P.N. Vossius om Andries Barends op te sporen, te arresteren en verder te verhoren.
Op 23 december wordt Jacobus Verhagen te Leimuiden begraven. In het Gaardersregister staat vermeld: "Ik ondergeschreeve Jan Verhagen verklaare bij deesen, ingevolge d´ordonnantie van dato den 26 october 1695 op het middel van ´t begraven geëmaneert, aangevinge te doen van ´t lijk mijn behuwd vader Jacobus Verhagen, op den 18e december en desselve retour van d´Oudewetering na desselve woonplaats te Outshoorn zeer waarschijnlijk doodgeslagen en in´t water geworpen aan de Langeweg, tusschen d´Oudewetering en Roelofarendsveen, als gehoorende de classis van drie guldens, omme naar voldoening van het zelve regt te Leijmuijden te werden begraven. Actum ter secretarije van Alkemade, deesen 24e december 1787".
Op 14 januari 1788 wordt in de Leydse Courant een opsporingsbericht geplaatst, waarbij degene die de dader kan aanwijzen op een beloning van 100 zilveren ducatons kan rekenen.

Gedeelte uit de Leydse Courant van maandag 14 januari 1788
De oproep had kennelijk geen zin meer want rond 18 januari komt een uit het Duits vertaalde brief bij de baljuw binnen met de mededeling dat Andries Barends inmiddels in zijn woonplaats Schapen (het graafschap Lingen in Noord Duitsland) op 2 januari is gearresteerd en gevangen genomen. Andries Barends blijkt geboren te zijn te Uhlen in het ampt Steijnbrück. Hij is 34 à 35 jaar oud en verdient de kost als dijkwerker of dagloner. Bij zijn arrestatie blijkt hij nog in het bezit te zijn van een paar vierkante schoen- en kuitgespen, twee daalders Hollands geld en veertien koperen penningen en tot slot een gouden gladde ring. Andries wordt door baljuw Vossius uit Duitsland opgehaald en overgebracht naar de gevangenis in Alkemade.
Op 6 en 7 februari vindt het verhoor plaats in het rechthuis van Alkemade. Inmiddels was uit getuigenissen bekend geworden dat Andries op zijn terugreis naar Duitsland in Billerdam had geprobeerd een zilveren horloge te verkopen. Tijdens het verhoor vraagt de baljuw hem of dat klopt en aan wie en waar hij het horloge heeft verkocht. Andries vertelt hem dat hij het klokje aan een Joodse koopman in Amsterdam heeft verkocht. Vervolgens vraagt de baljuw hem hoe hij aan dit horloge was gekomen en Andries legt uit dat hij bij zijn vertrek 's morgens de 19e onderweg bij de schuur van Jan van den Bogaard een onbekend persoon tegenkwam, die hem vertelde verdwaald te zijn en de nacht te hebben doorgebracht in een hoop stro bij de schuur. De man vroeg hem of hij misschien iets te drinken bij zich had, maar Andries verwijst hem naar de herberg. De onbekende persoon vertelt vervolgens dat hij om reisgeld verlegen zit en biedt Andries aan een zilveren horloge, 2 paar gespen en een rode zijden doek met een blauwe rand eromheen te kopen voor bij elkaar 28 gulden. Andries koopt het horloge en de gespen voor vierentwintig gulden en de doek voor nog eens vijfendertig stuivers. Hij beweerde betaald te hebben met het geld dat hij van een schoenmaker in Haarlem had gekregen en dat bestemd was voor de moeder van de schoenmaker. Daarna vroeg de man aan Andries waar hij heen moest en vertelde zelf dat hij op weg was naar Rotterdam. Vervolgens wil de baljuw nog weten of Andries ook de gespen nog te koop had aangeboden in Billerdam. Andries bevestigt dit en vertelt dat hij de gespen uiteindelijk aan een onbekende zilversmid in Amsterdam heeft verkocht voor ongeveer tien gulden en tevens bij hem de gouden ring heeft gekocht voor een vrijster in Schapen, waarmee hij wilde trouwen. Nadat hem na het verhoor meerdere keren wordt gevraagd of hij naar waarheid heeft gesproken ziet Andries het ongeloof bij zijn ondervragers en bekent hij de moord alsnog.
Andries vertelt hoe de moord heeft plaatsgevonden: "Dat hij van den bakker op het zuijdeijnde gekomen zijnde, was gegaan na den Galgerkade. Dat hij aldaar een stuk van zijn gekogt brood had gegeeten, dat inmiddels de Oudeweetering af quam aanlopen een hem onbekend manspersoon, dat hem als ´t waare bij die gelegendheid was gezegd, deeze zult gij doodslaan, even alsof het hem met een lepel wierd ingegeeven. Dat hij van de Galgerkade afkomende, gemelde manspersoon, stilstaande hem gevraagd had waar hij heen moest, daar op had geantwoord, na de Veen. Dat hij aan dat manspersoon had gevraagd, waar heen hij moest en daar op had geandwoord, na den Rhijn. Dat gezegde manspersoon vooruijt loopende en hij agter hem aan in ´t voortloopen eenige treeden op de Langeweg gepasseerd zijnde, door hem met een stok, hem in de Hooge Vierschaar vertoond, dewelke hij erkende dezelve te zijn, twee slagen agter den anderen op ´t hoofd waren toegebragt, zoodanig dat gezegde manspersoon bij ´t geeven der eerste slag reeds viel en bij het bekomen van de tweede slag, welke hij onmiddellijk toebragt onder het vallen, nadat hij de stok vervat had, dood ter aarde wedersloeg. Dat hij dezelve had beroofd van deszelvs zilvere schoen en broekgespen, hebbende van de eene schoen de gesp gesneeden omdat hij tot het losmaaken derselve zig geen tijd gunde en van de andere gesp afgemaakt en van de broek de gespen afgedraaijd. Dat die manspersoon gevallen was voorover en hij ter bekoming van deszelvs horologie dezelve had omgedraaijd. Dat daardoor gezegde manspersoon onder het uijtrukken van deszelvs horologie in het water was gevallen. Dat hij gevangen op het zien aankomen van een manspersoon de Langeweg op van de Veen af, met de geroofde gespen en het horologie, mitsgaders de hoed van den doodgeslaagene, welke was vercierd met een orange strik, en in ´t midden van dien een blaauw roosje (zijnde die hoed bij het toebrengen van de eerste slag reeds van het hoofd af in ´t water gevallen) nadat dezelve uijt het water door hem was opgevist, is teruggekeerd na de Galgerkade en dezelve opgegaan. Dat hij de hoed aldaar had gedaan in een wit linde zakje, dat hij van de Hussaaren bekomen had."
Op 5 april legt Pieter van Veen, gezworen klerk van Alkemade, de verklaring af dat hij die ochtend met Hermanus van Manen, de gerechtsdienaar, in de gevangenis was geweest en dat Andries Barends door het gat in de gevangenisdeur drie aan elkaar verbonden stroken stof naar hen had toegeworpen en daarbij had gezegd: "Daar Manus neemd de banden maar mee, ik kan het er dog niet met gedaan krijgen". Andries zag de bui al hangen en had kennelijk getracht zichzelf van kant te maken nog voordat hij berecht zou worden. Zijn poging tot zelfmoord was goed te begrijpen gezien het vonnis dat over hem werd uitgesproken door de hoge vierschaar op 12 mei 1788: Andries moest worden omgebracht op het publieke schavot door eerst vastgebonden te worden op een houten kruis, waarop hij vervolgens van onderaf geradbraakt diende te worden tot de dood er op volgde. Tot slot moest zijn dode lichaam op een rad tentoongesteld worden en zouden de kosten op hemzelf worden verhaald. Na een biecht bij de predikanten van Oude en Nieuwe Wetering, Philippus Specht en Henricus van der Souw, werd op 21 mei het vonnis voltrokken.
Voor het opbouwen en afbreken van het schavot en het maken van de geselpaal en het houten radbraakkruis krijgt de gemeente Alkemade nog een rekening van 70 gulden en 18 stuivers van meester timmerman Jan Frissel. Ook de scherprechter uit Haarlem, Jacobus van Aanhout diende zijn rekening in: 98 gulden voor de uitvoer van het vonnis en nog 14 gulden voor zijn assistent. Deze vergoeding was gebaseerd op zijn commissie, die was vastgesteld door het Hof van Holland.

Galg en rad, omstreeks 1787
Bestuurlijke functies
In de periode van 1785 tot 1806 vervulde Jan Verhagen verschillende bestuurlijke functies binnen Alkemade.
Op 15 oktober 1785 wordt Jan Verhagen samen met Jan Frissel, Dirk Catsburg en Teunis Los namens de "Hoog Edele Heer Jacob Hendrik Baron van Wassenaar, Vrij Heere van Alkemade en Vrijenhaak, Heere van Nieuwenkerk, Ankeveen ten Werve etc." benoemd tot Welgeboren Man van de Hoge Vierschaar van Alkemade en Vrijehaak.
Uit de stukken van het Rechterlijk Archief van Alkemade blijkt dat Jan de functie van Welgeboren Man van de Hoge Vierschaar tevens bekleedde in de jaren 1786, 1787 en 1790. Op 18 juni 1787 werd Jan vervangen door Baltus Ambagtsheer. In de jaren 1790 t/m 1792 staat Jan tevens vermeld als Schepen van Alkemade.
Op 28 december 1787 wordt Jan Verhagen benoemd tot kerkmeester van de Gereformeerde kerk in Oudewetering. Op 6 maart 1788 legde Jan daarvoor de eed af voor de Baljuw en Schout van Alkemade. Dezelfde functie bekleedde hij van 1792 tot 1794.
Op 2 november 1790 vindt een belastingheffing plaats voor de betaling van het salaris van de schoolmeester en de reparatie van het schoolgebouw. Jan Verhagen ondertekend de inning als ambachtsbewaarder van Alkemade.
In 1791 verzoeken Jan Verhagen en Mourits van Tol, als de Armmeesters van de Gereformeerde Armen te Alkemade, de Schout en Schepenen van Alkemade om een obligatie ten laste van het "Gemeeneland van Holland en Westvrieslandt" te mogen verkopen. Door omstandigheden blijkt er nog maar weinig geld in kas voor de ondersteuning van de armen. Op 3 november 1791 krijgen zij toestemming om de obligatie ter waarde van vijfhonderd gulden te verkopen. Op 7 maart 1793 worden Jan Verhagen en Jan de Jong als Armmeesters geautoriseerd door Schout en Schepenen van Alkemade om nogmaals een obligatie te verkopen voor een bedrag van vijfhonderd gulden.
De rekening van de kosten van de brandschouwerij van Oude Wetering werd op 17 mei 1792 door Jan Verhagen mede-ondertekend als brandmeester van Alkemade.
Op 1 februari 1793 verklaart de Franse republiek de oorlog aan de koning van Engeland en de stadhouder der Nederlanden (dus niet aan de landen zelf). Als op eerste kerstdag 1794 plotseling de grote rivieren dichtvriezen, kunnen de Fransen onder leiding van generaal Pichegru met artillerie over een breed front de provincies Gelderland en Utrecht binnentrekken. Op 18 januari 1795 verlaat Prins Willem V de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en gaat met zijn beide zoons naar Engeland. Een dag later wordt de Bataafse Republiek uitgeroepen.
Op 3 februari komen naar aanleiding van de revolutie enkele burgers bijeen in het Regthuijs van Alkemade in Oudewetering. Ze besluiten een commissie te benoemen om het oude bestuur te beëindigen en een nieuwe regering in te stellen. Voor deze commissie worden Jan Verhagen en Willem Klomp benoemd. Zij krijgen opdracht om "bij den burger Vossius in de meest vriendelijkste bewoordingen te kennen te geeven dat de burgerij vorderde, dat binnen twee maal vier en twintig uuren alle de regeringsleden hunne bedieningen in den schoot der burgerij zouden nederleggen".
's Avonds 4 februari komen Jan en Willem verslag uitbrengen en melden dat burger Vossius had gezegd: "Dat hem niets aangenamer kon zijn dan den tijd te zien gebooren worden, die hem gelegenheijd gaf om zijne bedieningen in den schoot der burgerij, waar in die eijgentlijk thuijs hoorde, neder te leggen. Dat hij aannam om de overige leden der regering tot dat eijnde tegen den volgende dag te doen convoceeren en de ingezetenen bij rondklinking zou doen oproepen om de leden der regeering hunne posten in den schoot der burgerij te zien nederleggen".
Op de vergadering van 5 februari werd de oude regering bedankt voor de wijze waarop zij haar functie had overgedragen aan het volk en werd een voorlopige gemeenteraad (municipaliteit) benoemt. Voor de Oudewetering werden de burgers Izaak Hazeveld, Kornelis Aangeenbrug, Dirk Molkenboer en Jan Verhagen benoemd. Dezelfde avond werd besloten de leden van de municipaliteit meteen te installeren door het afnemen van de volgende eed met de verwijzing naar de rechten van de mens:
"Wij zweeren gehouw en getrouw te zullen zijn aan de burgerij van Alkemade, deszelvs belangen, overeenkomstig de eeuwige en onvervreembaare regten van den mensch gegrond op vrijheid, gelijkheid en broederschap, naar vermogen te zullen voorstaan en bevorderen: dat wij ons zullen onderwerpen aan alle wettig gezag uijt den boezem van het volk voortgevloeijd, ja dat wij het algemeen belang, zelvs met agterstelling van ons eijgen zullen behartigen, des noods met opoffering van goed en leven".
"Dit alles zult gij als mannen van eer en goede trouw in de tegenwoordigheijd van het volmaakt opperwezen met het rond Hollands Ja beantwoorden. (Wat is dus Uw antwoord?)"

De Bataafse Republiek: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, H. Roosing
In de vergadering van donderdag 9 april 1795 "het eerste jaar der Bataavsche Vrijheid" worden de definitieve leden van de municipaliteit benoemd. Na stemming hebben de burgers van Oudewetering Jan Verhagen met 47 stemmen, Dirk Molkenboer met 42 stemmen en I. Hazeveld met 37 gekozen voor de benoeming van het bestuur van Alkemade. Pieter van Veen is met 257 stemmen benoemd tot permanente secretaris en Kornelis Aangeenbrug met 220 stemmen tot publieke aanklager van Alkemade. De benoeming van de leden van de municipaliteit geldt tot half augustus van dat jaar. Op 23 juni legt Jan Verhagen de eed af. Op 21 juli 1796 wordt Jan Verhagen in de vergadering door loting aangewezen voor vervanging in zijn functie per 16 augustus 1796. In dezelfde vergadering worden Dirk Molkenboer en Jan Verhagen aangewezen voor de commissie die de ambachtsrekening op dinsdag 2 en woensdag 3 augustus ter inzage moet aanbieden aan de burgers van Alkemade.
In de vergadering van de municipaliteit van 4 mei 1797 brengt Jan Verhagen twee schriftelijke voorstellen in:
Ten eerste verzoekt hij de vergadering om per direct de toestemming verleend aan zekere P. de Vries in te trekken. Hij betoogt "dat er aan zodanige onwaardige leden der maatschappij geen voorregten, waardoor brave en edeldenkende burgers eenigsints kunnen worden benadeeld, kan of mag verleend worden". Het voorstel wordt met 44 tegen 1 stem aangenomen.
Het tweede voorstel betreft eerst het verzoek aan de municipaliteit om vanaf heden "de verzoeken van de zodanige, wiens vaderlands carakter hun niet ten volle bekend is, zolang in advies te houden tot er bij de grondvergaderingen in die buurt nader zal zijn geïnformeerd". En ten tweede het verzoek om "aan geen vrouwe, zo lang hunne mans in leven zijn, eenigerhande admissie te verleenen".
De burger Klomp vraagt hierop het woord en adviseert om het tweede voorstel niet aan de municipaliteit voor te leggen maar dit soort beslissingen juist over te laten aan de grondvergaderingen, waarin het volk zich direct over deze zaken kan uitspreken. Na enig overleg komt de president van de vergadering met een nieuw voorstel: "Eerstelijk dat den municipaliteit niet zal vermogen eenige admissie te verleenen aan zodanigen welke opnieuw in een huijs, alwaar bevorens geen neering gedaan is, nering willen doen, maar alle zodanige verzoeken als mede de verzoeken van al zulke nering doende van wier vaderlands carakter zij niet volkomen bewust is, in advies te houden tot dat het verzoek door de meerderheid der leden van de grondvergadering dier buurt, waar in de nering zoude worden gedaan, is geaccordeerd. Ten anderen aan geen vrouwe etc: etc:" Het voorstel wordt daarna unaniem door de vergadering aangenomen.
Op 24 juli 1797 wordt in de municipaliteit bekend gemaakt dat Jan Verhagen in de grondvergadering van Oudewetering is gekozen tot nieuw lid van de municipaliteit.
De pogingen om tot een grondwet voor de Bataafse Republiek te komen verlopen erg moeizaam door de tegenstelling tussen de unitaristen, die een eenheidsstaat voorstonden en de federalisten, die juist voorstander waren van een verbond van samenwerkende provincies met meer decentrale macht. Op 22 januari 1798 voeren de radicale unitaristen Pieter Vreede en Wijbo Fijnje samen met generaal Daendels en de Franse generaal Joubert een staatsgreep uit. De 22 federalisten uit de Staten-Generaal worden gevangengezet en de overige leden moeten een eed afleggen tegen het Stadhouderschap, het federalisme, de aristocratie en regeringsloosheid. De gezuiverde grondvergaderingen nemen een unitaristische grondwet aan in april 1798. De belangrijkste artikelen waren:
1. Er wordt een Vertegenwoordigend Lichaam gekozen volgens algemeen getrapt kiesrecht.
2. Het Vertegenwoordigend Lichaam benoemt een Uitvoerend Bewind.
3. Het Uitvoerend Bewind bestaat uit 5 directeuren, die geassisteerd worden door 8 agenten voor de diverse departementen.
4. Het land wordt verdeeld in 8 departementen.
5. De departementale en plaatselijke besturen worden gekozen.
6. Afschaffing van het gebruik van de pijnbank.
Op 28 maart 1798 zijn twee agenten van het Administratief Bestuur van het Voormalig Gewest Holland in het district Zee en Meer aanwezig in de vergadering van de municipaliteit, om de reorganisatie van de municipaliteit te Alkemade door te voeren. Eerst worden de leden, waaronder Jan Verhagen van hun oorspronkelijk eed ontslagen, om vervolgens weer opnieuw benoemd te worden, na het afleggen van een nieuwe eed. Tegelijkertijd werd Jan Verhagen door de meerderheid der leden benoemd tot president van de municipaliteit.
Op 5 juli 1798 wordt de benoeming van de leden van de municipaliteit van Alkemade opnieuw bevestigd in de vergadering van de publieke aanklager en de criminele rechters van Alkemade. Op 6 juli verklaard de publieke aanklager in de vergadering van de Hoge Vierschaar dat alle leden van de municipaliteit hun nieuwe functie hebben aanvaard, met uitzondering van Jan Verhagen. Jan verklaart de aanstelling niet te kunnen aanvaarden, omdat hij sinds het begin van de revolutie vrijwel elk jaar verkozen is tot lid van de municipaliteit en "dat zijne huiselijke gesteldheid als een vrouw met vijv kinderen hebbende niet toelaten om dien post weder te aanvaarden als in zijn broodwinning reeds aanmerkelijke nadeele geleden hebbende, omdat hij mede had helpen uitvoeren den last aan de Municipaliteit door of van wegen den hoogst geconstitueerde magt gegeeven. Dog indien er eenige nadeelige gevolgen voor zijn persoon en huisgezin in de niet aanvaarding der post zoude gelegen zijn dat hij als dan den post zoude aanvaarden".
In de vergadering van 20 juli 1798, waarbij ook Jan Verhagen aanwezig is, meldt de publieke aanklager dat op 17 juli door het Intermediair Administratief Bestuur van het Voormalig Gewest van Holland een resolutie is opgesteld, waarin zij de publieke aanklager opdragen om Jan Verhagen alsnog in zijn functie te installeren. Als de publieke aanklager vervolgens aan Jan vraagt of hij nu bereid is zijn functie te aanvaarden, antwoordt Jan "dat dewijl bij de resolutie gezegd word dat zijn voorgeevens niets beduidende zijn, dat hij de nadere middelen zoude afwagten". Op 24 juli beslist het Intermediair Administratief Bestuur van het Voormalig Gewest van Holland in een nieuwe resolutie dat Jan Verhagen de functie alsnog dient te aanvaarden. Indien hij weigert dient de publieke aanklager Jan in gijzeling te nemen. Op 25 juli wordt Jan Verhagen door de publieke aanklager ontboden, waarna hem de resolutie van 24 juli wordt voorgelezen. De publieke aanklager vraagt of Jan bereid is de functie aan te nemen, nu de resolutie voorschrijft dat weigering kan leiden tot gijzeling. Jan zou daarop gereageerd hebben met de opmerking dat hij de publieke aanklager graag een plezier had willen doen, door zich op te laten sluiten, maar dat hij zich vanwegen zijn vrouw en kinderen genoodzaakt zag om de functie alsnog te aanvaarden. Als de publieke aanklager daarna vraagt of Jan nu bereid is de functie te aanvaarden andwoordt hij: "Ja! Maar niet anders dan provisioneel en tot zoo lange ik het effect na mijn gemaakte adres zal hebben bekoomen”. Nadat de verklaring van 25 juli aan Jan werd voorgehouden vroeg hij waarom hij zich conform de proclamatie van 12 juni diende te gedragen, terwijl hij de inhoud van deze proclamatie niet eens kende. Nadat het slot van deze proclamatie aan hem werd voorgelezen aanvaardde Jan uiteindelijk de installatie in zijn functie. Als de publieke aanklager Jan Verhagen vervolgens wil feliciteren met de benoeming in de functie heeft hij "gedifficulteerd die felicitatie aan te neemen, zeggende niet gewoon te zijn de schijnheiligheid uit te hangen en dus niet kan bedanken voor de felicitatie in een post die hem tegen zijn genoegen wierd opgedrongen". Voor de definitieve benoeming moest Jan de nieuwe eed afleggen, die ongeveer gelijk zal zijn geweest aan de eed, die de stemgerechtigde burgers van Alkemade ook moesten afleggen in 1798:
"Ik houde het Bataafsche Volk voor een vrij en onafhankelijk Volk: en beloof aan hetzelve trouw. Ik verklaar mijnen onveranderlijken afkeer van het Stadhouderlijke Bestuur, het Foederalismus, de Aristocratie en Regeeringloosheid. Ik beloof, dat ik, in alle mijne verrigtingen, het zij als stemoeffenend Burger, het zij als Kiezer, alle de voorschriften der Staatsregeling getrouwelijk zal opvolgen, en nimmer mijne stem geven aan iemand, wien ik houde te zijn een Voorstander van het Stadhouderlijk, Foederatief of Aristocratisch Bestuur".
Op 2 augustus 1798 wordt in de vergadering van de municipaliteit gemeld dat voor de functie van president van de municipaliteit een nieuwe burger moet worden aangewezen, omdat de zittende president inmiddels al te lang in functie is. Nadat besloten wordt dat de benoeming voortaan elke maand opnieuw moet plaatsvinden wordt Jan Verhagen als eerste opvolger gekozen. In de vergadering van 4 oktober wordt Jan Verhagen opnieuw benoemd tot president. Op 7 maart 1799 wordt besloten een lijst van kandidaten voor de functie op te stellen, die om de beurt na een maand de functie moeten gaan vervullen. De volgorde is bepaald door de leeftijd van de kandidaten: Jan Outshoorn, Hendrik Hensterman, Dirk Straathof, Bart van der Sterre, Gerrit van den Brand, Kornelis van Dregt en tot slot Jan Verhagen, als oudste van hen.
In de notulen van 29 juli 1802 staat vermeld: "Jan Verhagen, lidt van het collegie van Civile Justitie binnen Alkemade als ten deeze vervangende den secretaris, mitsgaders voor Bart van der Sterre en Hendrik Hensterman, commissarissen uit het zelve collegie van Justitie."
Op 17 juni 1804 worden conform een resolutie van 25 mei van het Departementaal Bestuur van Holland de burgers Jan Verhagen, Jan Frissel, Reinier van Klink, Klaas van der Meer, Kornelis Schouten, Kornelis Borst en Gerrit van Leeuwen benoemd tot schepen en lid van de criminele en civiele rechtbank van Alkemade. Verder wordt Jan Verhagen benoemd tot president en Jan Frissel tot vice-president van de rechtbank tot januari 1806. Als president verzoekt Jan om een commissie te benoemen om een "Reglement van Orde" op te stellen. Na stemming worden voor deze commissie aangewezen: de president en de vice-president, geassisteerd door de baljuw, de schout en de secretaris van Alkemade. Op 12 juli 1804 presenteert de commisie het nieuwe "Reglement van Orde voor het Collegie van Schepenen over Alkemade". Naast een aantal praktische regels over aanwezigheid en eventuele vervanging staat hierin ook onder artikel 6 precies beschreven op welke plek men in de vergaderingen aan tafel dient te zitten:
Art: 6
Uiterlijk quartier over het uur zullen de leeden zig rangschikken op de volgende wijze: in het middengedeelte voor den tafel in eenen armstoel den President, aan desselfs linkerhand den Bailluw ofte den Schout en aan desselfs rechterhand den vice President, aan den linkerhand van den Bailluw ofte Schout den Secretaris en naast deeze aan desselfs linkerhand de leeden die de nummers 5 en 4 getrokken hebben, terwijl die leeden welken de nummers 1, 2 en 3 getrokken hebben zullen zitten aan den rechterhand van den vice President.
Niet alle benoemingen heb ik kunnen terugvinden, maar bij het doornemen van de verschillende archiefstukken kwam ik de naam van Jan Verhagen in de volgende functies tegen:
Welgeboren Man: 1786, 1787 en 1790
Schepen: 1790 t/m 1792
Lid van de Municipaliteit: 1795 t/m 1798
President van de Municipaliteit: 1798 en 1799
Lid Committe in Criminele Zaken: 1795
Lid Collegie van Civiele Justitie: 1798 t/m 1804
Schepen: 1804 en 1805
President van de Criminele en Civiele rechtbank: 1804 en 1805
In de rekeningen van "het Bestuur van Gemeene Armen" staat Jan Verhagen vermeld als armmeester voor vrijwel alle jaren in de periode 1796 tot en met 1805. In 1808, 1809 en 1812 droeg Jan nog een steentje bij aan de inkomsten voor de armen door een jaarlijkse verloting van een krentenbrood, waardoor de kas kon worden aangevuld met een bedrag van 4 gulden en 16 stuivers.
Schulden
In 1788 dient Jan Verhagen samen met enkele andere broodbakkers van Alkemade bij de schout en ambachtsbewaarders het verzoek in om een positief advies te krijgen voor het besluit tot het verminderen van het aantal broodbakkerijen in Alkemade, dat ze willen voorleggen aan de "Edel Mogende Heeren Gecommitteerden Raaden". Het wordt voor de bakkers van Alkemade steeds moeilijker om nog rond te kunnen komen van hun bakkerij, omdat de afgelopen jaren veel inwoners, die werkzaam waren in de veenderij en in de Haarlemmermeer, inmiddels zijn vertrokken. Bovendien beginnen steeds meer inwoners zelf hun brood te bakken, zodat de broodbakkerijen minder werk krijgen. Vandaar dat ze het verzoek indienen om het aantal broodbakkerijen in Alkemade te beperken en dus voorlopig geen nieuwe bakkerijen meer toe te staan. Ook uit latere bronnen blijkt dat de bakkerij van Jan Verhagen maar weinig opbrengt, waardoor zijn schulden steeds verder oplopen.
Op 7 juli 1791 eist Jan Verhagen voor de rechtbank de inlossing van een schuld die uitstaat bij Hendrik Vezel te Oudewetering. Het gaat om de levering van brood in de periode van 9 augustus 1789 tot 29 mei 1791, waarvoor nog een rekening openstaat van 65 gulden 13 stuivers en 6 penningen.
Op 7 december 1801 legt Jan Verhagen een schuldbekentenis af voor de aankoop van een obligatie van Filippus Fuik uit Nieuweveen voor een bedrag van duizend gulden. Als onderpand zet Jan zijn huis en bakkerij met alle gereedschappen in.
Op 7 juli 1803 verklaart Jan Verhagen voor het "Collegie van Civile Justitie binnen Alkemade" nog 1.300 gulden schuldig te zijn aan Hermanus Griethuizen, makelaar te Amsterdam. De schuld is opgelopen door een achterstand in de afbetaling van geleverd graan over de jaren 1801 en 1802. Jan belooft de schuld meteen af te betalen zodra de schuldeiser dit wenst, mits dit 3 maanden van tevoren wordt gemeld. Hij verplicht zich tot de betaling van een rente van 6% per jaar en stelt tevens zijn huis en bakkerij beschikbaar als onderpand.
Op 8 februari 1805 verklaart Jan voor schout en schepenen van Alkemade in het "regthuis aan den Oudewetering" zijn huis en bakkerij verkocht te hebben aan Hermanus Griethuizen voor een bedrag van 2.500 gulden. Uit een latere verkoopakte van het huis en de volkstelling van 1811 blijkt Jan nog als huurder in het pand te wonen. Op dat moment heeft hij echter een huurachterstand van een half jaar en moet hij het pand uiterlijk op 1 november 1811 verlaten.
Op 13 december 1810 moet Jan Verhagen voor de rechtbank verschijnen. Jan blijkt nog een schuld van 18 gulden en 4 stuivers te moeten inlossen bij J.G.P. Muller, broodzetter van Rijnland. Door de broodzetter werd de prijs van het brood wettelijk bepaald. De schuld kwam voort uit de toegezonden broodzettingen over de periode 1 april 1807 tot 30 september 1810 à 2 stuivers per week. Jan verzoekt om een betalingsregeling, waarbij hij voorstelt om met nieuwjaar 5 gulden en vervolgens elke week 15 stuivers te betalen. De rechtbank neemt zijn verzoek over en Jan kan met de afbetaling beginnen.
Op 20 juli 1820 stuurt de Controleur der Directe Belastingen te Alphen het verzoek naar de schout van Alkemade om de classificatie van de verschillende ambachten opnieuw uit te voeren, omdat deze voor Alkemade te laag uitkomen. De schout van Alkemade stuurt hem het volgende antwoord met betekking tot de bakkers:
"Ik heb met de vereischte attentie ter voldoening aan Uwe Ed: missive van den 20 dezer no.25 nogmaals nagegaan de klassificatien van den bakkers, vleeschhouwers, artsen en tappers en heb deze Uwe Ed: hier op het navolgende te observeren, dat het zeer mogelijk is dat in vergelijking van andere gemeentens laag geclassificeerd zijn de bakkers. Dit is zeer te regt. Mogelijk bestaat er gene gemeenten waar en zoo vele ingezetenen als in deze op hun eigen brood bakken of uit hoofde van sobere inkomsten weinig of geen brood eten en zich van den morgen tot den avond voeden met aardappelen 't welk dan hun brood en toespijs is. Dat in de gemeente maar twee bakkers zijn die een redelijk bestaan maken, namelijk Engelbregt en Castelein, de overigen zijn doodarm, waaronder Verhagen, die alleen roggebrood ter verkoop en voor anderen tegen een halve stuiver per 6 lb. bakt, armer dan arm is en ik moet dus in alle oprechtheid verklaren dat ik ten dien aanzien gene betere klassificatien maken kan."
Op 2 maart 1822 vindt opnieuw een classificatie plaats van de patentplichtigen te Alkemade in opdracht van de Controleur der Directe Belasting te Alphen. Over de broodbakkers in Alkemade meldt de schout het volgende:
"Ten aanzien van de broodbakkers (koekebakkers worden alhier niet gevonden) diend, dat ik met gene mogelijkheid kan gewaar worden hoe vele zakken tarwe en roggen in het afgelopen jaar door hen verbakken is. Doch uit omstandigheden op te maken staan dezelve voorheen debiet tot elkander in het navolgende verband:
A: Klaas Engelbregt, wijk A, en Jacob Castelein, wijk B, hebben de meeste en nagenoeg gelijk debiet, schoon de eerste maar met een kleine knegt en den tweeden met twee knegts werkt.
B: Kornelis Sijdenbos, wijk A, de weduwe Willem Oxfoort, wijk D, en Hendrik Glenser, wijk F, aanmerkelijk minder debiet, de eerste werkt met zijn zoon en de tweede met een meesterknegt en een aankomende jongeling, doch beiden worden bij deze laatsten ook tot koeijenmelkerij gebruikt, en de derden werkt alleen, deze behoren een klasse lager te staan als ad. A.
C: Jan Verhagen, wijk A, dit debiet is niet beduidend, en zal geen zak roggen per week bedragen, tarwenbrood bakt hij niet, zoo dat bij geval mogt gebeuren, wordt het meel daartoe bij het pond bij andere bakkers gehaald".
Testament en erfenis
Na de moord op Jacobus Verhagen op 18 december 1787 laat zijn achtergebleven vrouw Alida Vestens op 7 april 1788 bij notaris Henricus Hollingerus van Lansbergen te Oudshoorn/Gnephoek haar testament opmaken. Eerst krijgen Petronella Vestens en haar stiefdochter Geertruijd Verhagen ieder de helft van al haar goud, zilver, juwelen en kleren toegewezen. Daarna verklaart zij dat Geertruijd Verhagen bij haar overlijden de enige erfgename zal zijn van al haar verdere bezittingen.
Vier dagen na de schuldverklaring van Jan Verhagen van 1.300 gulden ten behoeve van Hermanus Griethuizen (zie boven) machtigen Geertruid en Jan Verhagen op 11 juli 1803 de heer Hubertus Adrianus Moorrees, notaris en procureur te Alphen, om de nagelaten roerende en onroerende goederen van Jacobus Verhagen en Alida Vestens te verkopen en verder alle nog lopende schulden te vereffenen.
Op 4 oktober 1803 vindt de overdracht van de onroerende goederen voor schout en schepenen van Oudshoorn en Gnephoek plaats door Jan Verhagen. Aan Jan van Abshoven wordt overgedragen: "een huis en erf met een tuintje, somerhuis aan 's Molenaars aan den Lagen Rhijndijk in het ambagt van de Gnephoek en in de Gnephoeksepolder onder Oudshoorn, te verongelden voor een huis en 45 roeden, strekkende uit den Rijn tot Pieter en Harmen Meurs wed:, belent oost de heer Diederik Wiesen, west Arij van Tol". Het huis was door Jacob Verhagen, een paar maanden voor zijn dood, op 14 augustus 1787 gekocht. Jan van Abshoven kocht het huis voor 1.920 gulden.
Dezelfde dag vindt ten behoeve van Diederik Wiesen de overdracht plaats van: "een huis en erf met een tuintje en 't geene daar op aan aard en nagelvast is, staande en geleegen aan den Laagen Rijndijk digt bij 's Molenaars brugge in 't ambagt van den Gnephoek onder Oudshoorn te verongelden voor een huis en 19 roeden land, strekkende van den Laagen Rhijndijk tot Pieter en Harmen Meurs wed:, belent oost Anna Spruitenburg C:S:, west Jan van Abshoven". Het huis was door Jacobus Verhagen gekocht op 29 juni 1776 en werd nu verkocht aan Diederik Wiesen voor 600 gulden.
Aangifte van diefstal
Op 4 december 1789 doet Jan Verhagen "Welgeboren Man van gemelde heerlijkheid, woonende aan d´Oudewetering" aangifte van diefstal. Op vrijdag 20 november 1789 was Jan bezig met het verkopen van zijn brood te Nieuwewetering terwijl een zekere Klaas van den Bos hem daarbij hielp. Als Jan hem vraagt of hij al brood heeft gebracht bij Hermanus van Braak antwoordt Klaas dit nog niet gedaan te hebben. Toen Jan echter bij het huis van Hermanus van Braak was aangekomen zag hij dat daar al brood (een witte bol) was afgegeven, waarvan hij zeker wist dat die nog vers was en uit zijn bakkerij kwam. Nadat hij de vrouw van Hermanus vraagt of zij het brood van Klaas heeft gekregen antwoordt zij: "Ja, maar ik heb hem betaald".
Op maandag 23 november kwam de dochter van Gerrit Pot bij Jan langs om brood te halen. Tijdens de betaling zegt zij dat zij van de betaling aan Klaas van de zaterdag daarvoor nog vier duiten te goed heeft. Toen Klaas op dat moment binnen kwam vroeg Jan of Gerrit Pot inderdaad nog 4 duiten te goed had. Klaas bevestigde dat en zei dat het een betaling was geweest voor een half roggebroodje. Jan vroeg vervolgens aan wie hij het geld dan had gegeven. Toen Klaas hierop het antwoord schuldig bleef zei Jan dat Klaas het meisje dan zelf maar 4 duiten moest terugbetalen. Tevens wijst Jan daarna Klaas nog op de situatie van 20 november, waarbij Jan hem ervan verdenkt het geld gestolen te hebben. Ter afsluiting van zijn verklaring zegt Jan: “Zoo waarlijk helpe mij Godt Almagtig!”. Om Klaas verder te kunnen verhoren voor de verdenking van diefstal wordt de bode verzocht om Klaas van den Bos thuis op te halen. Bij het huis van zijn moeder aangekomen verklaarde zij dat Klaas de dag ervoor was vertrokken en dus niet thuis was. De Hoge Vierschaar besluit om de terugkomst van Klaas af te wachten en hem dan alsnog te verhoren.
Volkstellingen
In het gemeente-archief van Alkemade bevinden zich stukken van de volkstellingen van 1795 en 1797. In de telling van 2 oktober 1795 staat het gezin van Jan Verhagen als volgt vermeld:
Aan de Oudewetering
Jan Verhagen
Manspersoonen: 3
Vrouwspersoonen: 2
Kinderen van mannelijke secte beneden de 14 jaar: 2
Kinderen van de vrouwelijke secte beneden de 12 jaar: 1
Totaal: 8
Jan en Geertruij Verhagen hadden op dat moment dus 6 kinderen.
Uit een overzicht van 16 oktober 1795 blijkt dat er in totaal 2776 mensen in Alkemade woonden, waarvan 493 in Oudewetering.
Oudewetering telde 172 mannen, 189 vrouwen, 67 jongens jonger dan 14 jaar en 65 meisjes jonger dan 12 jaar.
Op 8 februari 1797 wordt wederom een volkstelling gehouden. Hierin staat het gezin van Jan en Geertruij nog steeds vermeld met 6 kinderen en onder het geloof geregistreerd als Gereformeerd verbonden aan de kerk te Oudewetering.
Inval van Engelsen en Russen
Nadat de Bataafse vloot zich zonder slag of stoot had overgegeven aan de Engelsen, landden deze op 27 augustus 1799 op een stralende morgen met witte wolken onder dekking van het scheepsgeschut op de smalle duinstrook tussen Callantsoog en Huisduinen. Het met Russen versterkte Engelse leger bestond uit 32.000 militairen, die met een vloot van 150 schepen werden vervoerd. Ze wilden de patriotten en de Fransen verdrijven en daarna de zuidelijke Nederlanden bevrijden. De latere Koning Willem I (1772-1843) spreekt in een proclamatie van herstel van de oude staatsrechtsvorm. De eerste veldslag vond plaats bij de Zijpe op 10 september 1799. Daarna volgden nog de veldslagen bij Bergen, Castricum en Alkmaar. De totale sterkte van het Engels-Russische leger bedroeg uiteindelijk 35.000 man en het Frans-Bataafse leger bestond uit circa 23.500 man. Alle beschikbare Franse troepen werden naar Noord-Holland gedirigeerd en ook uit Haarlem kwamen nog 1000 min of meer gewapende burgers aangelopen. Deze expeditie leidde echter, na aanvankelijk succes, tot een nederlaag voor de Engelsen en Prinsgezinden, die uiteindelijk tegen de uitlevering van ondermeer 8000 krijgsgevangenen een vrije aftocht kregen.
De Zijpe met linksonder Krabbendam en Eenigenburg, detail uit de Vijfpolderkaart, 17e eeuw.
Slag om de Zijpe
Op 10 september begon de herovering van de Zijpe. De opdracht voor het Bataafse leger was de herovering van het dorp Eenigenburg, de Westfriese Zeedijk en daarna St. Maarten. Luitenant-generaal Dumonceau moest de Westfriesche Zeedijk tussen Eenigenburg en Krabbendam innemen, met een brigade rechtstreeks op Krabbendam en een brigade over Warmenhuizen. De aanval op Krabbendam was gepland om 3 uur 's morgens, maar door een wegblokkade bereikte een deel van de troepen pas om 7 uur het gevechtsveld. Dumonceau zette echter al om 6 uur de aanval in, wetende dat de herovering van Krabbendam noodzakelijk was voor de overwinning. De Bataven slaagden erin een gedeelte van Krabbendam te veroveren en namen veel Engelsen gevangen. Nadat de infanterie versterkt was met een in reserve staand bataljon werd de aanval hervat. De Bataven werden echter sterk onder vuur genomen. De Engelsen, versterkt door een bataljon dat arriveerde van Eenigenburg, openden het vuur op de Bataafse troepen van achter de Westfriese Zeedijk. De Bataven waren niet in staat de vaart langs deze dijk over te steken en hadden geen ruimte om zich in linie op te stellen en het vuur effectief te beantwoorden. Om drie uur ’s middags gaf Dumonceau het bevel terug te trekken. De slag om de Zijpe leidde bij het Bataafse leger tot 86 doden, 427 gewonden en 294 vermisten.
Dat deze slag niet onopgemerkt aan Alkemade voorbij ging wordt duidelijk uit de notulen van de vergadering van de municipaliteit van 15 september 1799. In deze vergadering wordt door Dirk Straathof gemeld dat hij op 10 september per expres een brief heeft ontvangen van Bauke de Vries vanuit Wagenburg bij Alkmaar. Bauke de Vries, Pieter Zwaneveld en Hendrik Kalker waren voerlieden uit Alkemade, die ondersteuning moesten bieden bij de aan- en afvoer van goederen naar het Bataafse leger in het noorden. In zijn brief klaagt Bauke de Vries over een groot gebrek aan bevoorrading en levensmiddelen, door de sterk toegenomen prijzen. Het geld dat zij bij zich hadden was inmiddels uitgegeven en hij verzocht Dirk Straathof daarom per persoon 30 gulden toe te sturen, omdat zij zich anders genoodzaakt zouden zien om te deserteren. Straathof kon dit niet zelf regelen en was met de brief direct naar Jan Verhagen en Gerrit van den Brand gegaan. Zij waren van mening dat de bezorger van de brief nog diezelfde middag met het antwoord teruggestuurd moest worden, waardoor er geen tijd meer zou zijn om de vergadering bijeen te roepen. Zij besluiten naar Bart van der Sterre te gaan en hadden inmiddels van Hendrik Hensterman vernomen dat hij zou instemmen met elk besluit dat zij zouden nemen. Dirk Straathof, Jan Verhagen en Gerrit van den Brand besluiten daarna om meteen 75 gulden uit de ambachtskas te sturen naar de voerlieden met de volgende brief:
"De Municipaliteit aan Bauke de Vries. Medeburger. Uit uwe missive van den 9e dezer uwe verlegenheid om contante penningen gezien hebbende, mitsgaders ook tot onze verwondering dat gij zelve fouragies voor de paarden schijnt te moeten koopen, dan daar de tijd nog gelegenheid ons thans toelaat om nader op het een en ander te kunnen informeeren zoo hebben wij op u als burger dezer gemeente zoo veel vertrouwen stellende dat gij ons niet opzettelijk zult misleiden geresolveerd om uw op uw verzoek hiernevens met den brenger uws briefs ten behoeve van u en de twee andere voerlieden van wegen dit ambagt te doen toekomen eene somme van 75 guldens, welke niet twijfele of zal u worden ter hand gesteld, waarvan wij verzoeken dat gij ons dadelijk kennis geeft. Wij hebben verder ter wegneeming van alle klagten met overzending van copie uws briefs aan het Departementaal Bestuur van het een en ander kennis gegeeven zoo dat wij niet twijffelen of daar in zal zoo spoedig mogelijk worde voorzien. Wij blijven etc".
Tegelijkertijd sturen ze inderdaad een brief naar het Departementaal Bestuur van Texel met een klacht over de ontstane situatie, waarin de voerlieden zich bevinden. Zij melden dat ze de voerlieden inmiddels extra geld hebben toegestuurd en verzoeken het bestuur om verdere maatregelen te treffen om eventuele desertie te voorkomen.
De notulen van de vergadering van 15 september beschrijft vervolgens een verslag van Jan Verhagen en Gerrit van den Brand, waarin zij melden dat op 11 en 12 september schepen met gewonde militairen zijn aangekomen in Oudewetering. Onder de slachtoffers bevonden zich twee militairen, die op weg van Alkmaar naar Haarlem aan hun verwondingen zijn overleden. Door de chirurgijns van Alkemade, die bij de aankomst aanwezig waren, werd opdracht gegeven om de lijken over te nemen en te begraven. Omdat er geen tijd was om dit besluit voor te leggen aan de vergadering van de municipaliteit besloten Jan en Gerrit zelf "naar den aart der menschlijkheid en liefde" dat doodskisten op kosten van het ambacht moesten worden gemaakt. De gesneuvelde militairen werden daarna op 12 september met behulp van de bevolking begraven op het kerkhof van Leimuiden.
Jan Verhagen en Gerrit van den Brand melden verder dat in de namiddag van 12 september nog twee schepen met gewonden arriveerden. Als leden van de vergadering en "als mensch en Christen" meenden zij geen moment te mogen aarzelen om de gewonden te helpen en riepen daarom de hulp in van de chirurgijns Dirk Molkenboer en Hendrik en Jan Nieuwenhuijs. Met behulp van de bevolking werden in korte tijd 70 gewonden behandeld. De inwoners van Oudewetering schoten de chirurgijns te hulp door het aanleveren van "ene overvloedige quantiteit scheurlinnen en pluksel" voor het verbinden van de wonden. Ook werd besloten om uit naam van de vergadering de gewonde militairen te voorzien van eten en drinken op kosten van het ambacht.
Om ook andere burgers op te roepen zich in te zetten voor de hulp aan gewonde militairen verzocht men "den courantier te Haarlem", om in het eerstvolgende nummer het volgende artikel te publiceren:
"Oudewetering den 12e september. Heden arriveerden alhier van Alkmaar over Haarlem twee scheepen met militairen, welken in de actie tegen den Engelschen op den 10e dezer waaren gekwetst geworden. Een der daar bij zijnde officieren aan den Municipaliteit kennis geevende, dat de lijdende niet slegts eenige verversching, maar ook als zedert de bekoming der wonden niet verbonden, de hulp van kundige handen behoevden, de Municipaliteit uit bezef van plicht hen eenige verversching hebbende laaten toedienen, riep de hulp van drie chirurgijns en de dienstvaardigheid der ingezetenen zoo van den west als oostzijde in en ontwaarden bij die gelegentheid, dat zij door den spoedige hulp zoo van drie heelmeesters als andere burgers en den toevoer van een zeer aanzienlijke (meer dan benodigde) quantiteit plukzel en scheurlinnen in haar voorneemen niet wierd teleur gesteld en dienstvaardigheid en lievde omtrent den lijdenden natuurgenoot het kenmerk dier ingezetenen zij, waarom zij dan ook nodig heeft geoordeeld hiervan aan het geëerde publiek kennis te geeven, zoo om haare dankbaarheid, bijzonder aan de ingezetenen van den west en oostzijde van de Oudewetering aan den dag te leggen als om anderen ingezetenen dezer republiek tot offers aan het vaderland in dezen aan te spooren".
Na het verzoek om goedkeuring wordt dit door alle leden van de vergadering met veel genoegen toegekend en worden Jan Verhagen en Gerrit van den Brand door de voorzitter "in naam der vergadering voor hunne aangewenden moeijtens en iever vriendelijk bedankt".
Jan Verhagen vermeld verder dat de chirurgijn Went van Nieuwveen bij hem zijn diensten had aangeboden mochten er binnenkort opnieuw gewonde militairen arriveren.
Op 10 september stuurt het Departementaal Bestuur van Texel een resolutie rond, waarin zij alle burgers oproepen om zoveel mogelijk scheurlinnen en pluksel bijeen te brengen. De municipaliteit brengt de burgers van Alkemade hiervan op de hoogte en laat bekend maken dat zij van haar burgers verwacht dat "zij zig in deeze ter uitoeffening van den pligt van menschlievendheid met allen iever zullen kwijten, ten einde aan de gekwetsten manschappen ook aan onzen kant, zoo veel mogelijk is, eenige verzagting aan hun lot worden toegebragt".
Verder wordt in de vergadering de brief voorgelezen, die Bauke de Vries op 13 september vanuit Alkmaar heeft gestuurd. Hij bevestigd dat het geld is aangekomen. Na overleg wordt door de leden van de vergadering besloten om een commissie te benoemen, die onderzoek moet doen naar de staat waarin de uitgezonden wagens, paarden en voerlieden zich bevinden. Verzocht wordt om hiervoor Jan Verhagen te benoemen. Jan aanvaardt de opdracht en zal op 17 september op reis gaan naar de voerlieden bij Alkmaar.
Op 24 oktober 1801 wordt een lijst opgemaakt van de burgers, die een Franse militair in huis hebben opgenomen:
Simon Raaphorst, Jan de Vries, Cornelis van Schalkwijk, Kornelis Brouwer, Frans Los, G: Gortzak, P: van Greuningen, H: Leliveld, M: van Riel, J: Verhagen, W: de Vries, D: Leliveld, Wed: Coenes, W: Gildenhuis, J: Rozelaar, J: van Zeil, Jan van Zeil, W: van der Hoven, A: Hijzelendoorn, Bode W: Eveleens, J: Ket, H: van der Klucht, A: de Vries, W: Brunt, D: van Wieringen, Jacob Dockem, P: de Vries, L: Zwanen, Jan van Tol, Wed: Specht, J: Knaap, H: van Manen, P: Kelderman, L: Hastenberg en P: van Veen
Verrekening van onkosten van Jan Verhagen
In de ambachtsrekening van Alkemade worden ook de onkosten van Jan Verhagen vermeld:
"Oktober 1799
| Aan J: Verhagen brievport en andere kleijne verschotten tot 7 october 1799 | f 33:9:- | |
| Aan denzelve reijskosten & verteering als ter zaake van de wagens en paarden naar de Armee gecommitteerd geweest zijnde | f 18:-:- | |
| Aan J: Verhagen over geleverd brood ten behoeven van de gekwetste Bataafsche en Fransche militairen | f 10:5:2 | |
| Aan J: Verhagen over geleverd brood ten behoeven van de gekwetste Bataafsche en Fransche militairen | f 3:5:4 | |
| Aan J: Verhagen en H: Hensterman voor reijskosten en verteeringen wegens 't transport van de pionniers naar Haarlem | f 5:10:- | |
| Aan denzelve voor reijskosten en verteeringen na Amsterdam ter zaake van de manschappen ter completeering van de Armee | f 8:19:- | |
| Aan J: Verhagen wegens uitgelegde brievporten en andere kleijne verschotten zedert 11 october tot ultimes december 1799 | f 18:7:-" |
Jachtvergunning
In het gemeentearchief van Alkemade bevindt zich nog een lijst van november 1799 met daarin de vermeldingen van de personen, die een jachtvergunning hebben om op andermans grond te mogen "jagen, vogelen of visschen":
"Geregistreerd 1799 november 19
Ik ondergetekende permitteeren aan Jan Schouten om op mijn land te mogen jaagen en te vogelen.
(was getekend) A: van Zwieten.
november 19
Ik ondergetekende permitteeren hier mede Jan Schouten om vrij en onverhinderd te mogen jagen hoegenaamd met knegten of gezelschap van hem. Actum Rijpwetering den 9e november 1799.
(was getekend) Cornelis de Vries.
november 22
Wij ondergetekenden permitteeren bij deeze aan de burgers Jan Verhagen en Willem Krook om in het bos als op het land om respectivelijk in eijgendom als in huure behoorende gelegen in de Goger Polder onder Alkemade vrij te mogen jaagen. Actum den 17e november 1799.
(was getekend) Dirk Straathof, Willem van der Hoorn, Lourens Zwaanenburg, Kors van Tol.
november 26
Wij ondergetekenden perremeeteren hier mede Bauke de Vries om vrij en onverhinderd te mogen jaagen op ons land met knegten of gezelschap na zijn welgevallen. Actum den 12e november 1799.
(was getekend) Dirk Straathof, Cornelis Schouten.
november 26
Ik ondergetekende permiteerd Bouke de Vries om te mogen jagen op mijn land met gezelschap of met knegts zoo hij verkiest voor het jaar 1799.
(was getekend) Jan Schouten".
Lijkschouwing
Op donderdag 28 februari 1805 vindt Dirk Wesselman in de Hemsloot bij het Braassemermeer een lijk in het water. De schepenen Jan Verhagen en Klaas Jansz. van der Meer worden door de schout verzocht om samen met de secretaris onderzoek te doen. Zij gaan naar de schuur bij het huis van Louris van Egmond aan het zuideinde van de Oudewetering om de lijkschouwing door chirurgijn F.A. Molenaar bij te wonen. Het lijk bleek bij het ophalen uit het water, waar Jan Verhagen zelf bij aanwezig was, even boven de knieën vastgebonden te zijn met een stuk van een koestreng. Om het midden van het lichaam was een touw gebonden met daaraan een stuk puin van 11 stenen. Na de overbrenging naar de schuur werd duidelijk dat het om het lichaam van een jonge man ging van tussen de 20 en 30 jaar oud, gekleed in een donkergroen laken rok, een blauw laken vest, een damast vest, een linnen rompje, een gestreept rompje en twee hemden, waarvan het ene gemerkt leek te zijn met MF en de andere met ΔF. Om de hals zat een geruite zijden doek met een rode rand en op het hoofd een ronde muts. Verder bestond de kleding uit een boezel broek met tinne knoopjes aan de benen, een witte linnen onderbroek en wollen kousen. Uit nadere schouwing bleek het slachtoffer net onder de kin de keel doorgesneden en zo op een verschrikkelijk wijze vermoord te zijn.
Om zo snel mogelijk de dader te kunnen vinden laat de baljuw een oproep plaatsen in de Haarlemse en Leidse krant. In de oproep vraagt de baljuw om informatie omtrent de zaak en belooft een premie van 100 gulden toe te wijzen aan degene die de dader of daders kan aanwijzen.
Na de vondst van het lijk vindt justitie echter al snel de verdachte, Hendrik Helmig. Helmig probeert de baljuw nog om de tuin te leiden met een brief die hij zogenaamd nog had ontvangen van het slachtoffer, maar het maakte hem meteen nog meer verdacht. Hendrik Helmig is geboren te Kollegaar in Westfalen, is 27 jaar oud en van beroep arbeider. Hij woonde de laatste periode te Woubrugge ten noorden van het weeshuis. Voor zijn verhoor wordt een lijst van 40 vragen opgesteld. Als ze op de criminele rechtdag op 5 juni 1805 het verhoor afleggen raakt Hendrik bij de 34e vraag hevig ontroerd en legt de volgende bekentenis af: Op zondag 18 november 1804 in de namiddag omstreeks half vijf is hij met Willem Fisser, de halfbroer van zijn vrouw, van wal gevaren. Hij zou Willem naar de Oudeweteringer Schuit brengen, die op Amsterdam vaart. Van daaruit zou Willem verder doorreizen naar "Weilan in Osnabrugge", waar zijn moeder woonde en hem verwachtte. Hendrik had een met hagel geladen snaphaan meegenomen, met het oogmerk, zo had hij zelf gezegd, om een "eendvogel" te schieten. Doch onderweg had Hendrik het voornemen om Willem Fisser dood te schieten, om zo zijn geld te kunnen stelen. Hij voer met Willem de Hemsloot in, omdat het in de Braassemermeer (zo zei hij) lager wal was. In de Hemsloot ziet hij drie eenden en zegt tegen zijn zwager "Loop uit de boot en jaag de eendvogels op, zodat ik ze kan schieten!". Zodra Willem uit de boot is gestapt schiet Hendrik niet op de eenden maar op zijn zwager. Vervolgens wordt Willem op gruwelijke wijze vermoord, doordat Hendrik hem tot slot nog eens de keel doorsnijdt. Daarna is Hendrik weggevaren en heeft een blok met stenen gehaald, die hij met touwen, die nog in de boot lagen, heeft vastgebonden aan het lijk. Nadat hij het geld (45 gulden) uit de dichtgenaaide vestzak had gehaald gooide hij zijn vermoorde zwager vervolgens in het meer. Daarna is hij weer naar huis gevaren. Op 28 februari 1805 spoelde het lijk van Willem Fisser aan (zie hierboven). De hoge vierschaar besluit op 8 juni 1805, dat Hendrik op het schavot op een kruis moet worden vastgebonden met een hangend mes boven zijn hoofd en vervolgens van onderen geradbraakt dient te worden. Het dode lichaam moet daarna in een kist begraven worden op het galgenveld. Op 14 juni 1805 werd het vonnis voltrokken.
De nachtwacht van Alkemade
Op een lijst van 12 november 1810 staan de gezinshoofden van Alkemade vermeld in volgorde van huisnummer, die volgens de keur van de landdrost van het Departement Maasland van 2 januari 1806 verplicht waren om in november 1810 aan de nachtwacht deel te nemen.
Voor de Oudewetering waren dit:
Noordeinde
| 1 | Pieter Schuilenburg | 20 | Dirk van Wieringen | |
| 2 | Jacob Raaphorst | 21 | Hendrik van der Klugt | |
| 3 | Jan de Vries | 22 | Mozes Salomons van Nes | |
| 4 | Koenraad Schalkwijk | 23 | Hendrik Webbe | |
| 5 | Kornelis van Berkel | 24 | Boudewijn Kroon | |
| 6 | Frans Los | 25 | De wed: M: Lietaart | |
| Pieter van Greuningen | 26 | Pieter Kelderman | ||
| Dirk Lelijveld | 27 | Pieter de Vries | ||
| 7 | De heer J.M. Pool | 28 | Ds. David Dagevos | |
| Jan Verhagen | 29 | Willem Hozee | ||
| 8 | J: van Geel | 30 | Hermanus van Manen | |
| 9 | Pieter Verhoek | 31 | Klaas Outshoorn | |
| Kornelis van Barten | 32 | Koenraad Danijs | ||
| 10 | De wed: Gerrit Koenes | 33 | Lamb: Hartenberg | |
| Lourens Roos | Den secretaris P: van Veen | |||
| 11 | Gerrit Zeil | Louris Zwanenburg | ||
| 12 | Simon Knaap | 34 | De heer G: Eissingh | |
| 13 | Hendrik Sneijer | 35 | Zevert Klooster | |
| 14 | Hendrik Akerboom | 36 | Dirk Net | |
| 15 | Dirk Vriezekoop | 37 | Herm: Deiman | |
| 16 | Mr. Hijzelendoorn | 38 | Klaas Kerkman | |
| 17 | De wed: J: van Greuningen | 39 | Jan van Schalkwijk | |
| 18 | Job Boeyen | 40 | De wed: Willem Klomp | |
| 19 | Jacobus Ket | Willem Lelijveld |
Verdenking van diefstal
Op 5 februari 1814 verschenen Cornelis Zijdenbos, Mr. broodbakker en zijn vrouw Catharina Wagenaar voor de president van het plaatselijk bestuur van Alkemade. Zij verklaarden dat de avond daarvoor om ongeveer half acht Laurus van Egmond bij hen in de winkel binnenkwam en vertelde dat hij verbaasd was dat de winkeldeur gewoon openstond. Toen zij verder rondkeken zagen zij dat ook de beide laden van de toonbank openstonden en dat het geld eruit was gehaald. Hoeveel geld er precies in lag wisten ze niet meer, maar in ieder geval een Zeeuwse rijksdaalder en wat kleingeld. Hun zoon Jan vertelde dat vlak voor Laurus het stomme kind van Cornelis van Berkel in de winkel was geweest, die Jan op een hond voor de winkeldeur had gewezen. Jan had de hond weggejaagd en dacht dat het de hond van broodbakker Verhagen was. Na het vertrek van het stomme kind had Jan de deur dichtgedaan.
Op 6 februari legde Willem Bader, broodbakkersknecht, een verklaring af voor de president van het plaatselijk bestuur van Alkemade. Hij verklaarde dat op 4 februari 's avonds om acht uur in de winkel van broodbakker Gerrit Castelein zijn meester, Hendrik Verhagen, zoon van broodbakker Jan Verhagen, was binnengekomen. Hendrik vroeg om veertig pond roggemeel en betaalde hiervoor 55 stuivers, bestaande uit een dertiende half, enkele muntstukken van zes en een half en een aantal dubbeltjes. Toen Gerrit hem erop wees dat hij teveel had betaald pakte Hendrik het teveel weer terug.
Op dezelfde dag verscheen ook Willem de Zwart, Mr. kleermaker, op verzoek voor de president. Hij verklaarde dat hij ongeveer driekwart jaar geleden voor broodbakker Jan Verhagen een broek had gemaakt van een lap zwart laken, breed twee el en lang vijfkwart el van ongeveer zeven gulden per el. Verhagen had hem verteld dat hij de stof van een koopman had gekocht.
Op 7 februari wordt een procesverbaal opgemaakt door de president van het plaatselijk bestuur van Alkemade gericht aan de officier van de rechtbank ter eerster instantie te Leiden. Hij begint met de mededeling dat hij de voorgaande verklaringen van Kornelis Zijdenbos en zijn vrouw Catharina Wagenaar en van Willem Bader meestuurt met dit procesverbaal en hij beschrijft dat de eerste verklaring de diefstal van het geld betreft en de tweede verklaring het tijdstip van de aankoop van roggemeel door Hendrik Verhagen precies zoveel tijd later als nodig is om van de winkel van Zijdenbos naar het pand van broodbakker Gerrit Castelein te lopen. Verder vermeld hij de herkenning van de hond als die van Verhagen en schrijft vervolgens dat "de sprongen van het huisgezin van J. Verhagen, dat gansch in geen favorable daglicht staat" aanleiding gegeven heeft tot ernstige verdenking. Verder vermeld hij dat hij het stomme kind, de 14 jarige zoon van Kornelis van Berkel, en zijn vader opgeroepen had om naar de winkel van Zijdenbos te komen, toen hij hoorde dat het kind in gebaren over de diefstal aan zijn vader had verteld.
Om het verhaal nogmaals te vertellen ging de jongen eerst om de hoek van het huis van Zijdenbos tegen de muur staan en liep vervolgens op handen en voeten naar de drempel van de winkeldeur. Met gebaren maakte hij duidelijk dat het om een hond ging en deed daarna of hij de hond riep en gebaarde dat het niet de kleinste en niet de grootste, maar de middelste persoon was van de mensen die in het huis van een voormalige slachter wonen. Hij had gezien dat deze persoon heen en weer was gelopen en vervolgens op weg naar Roelofarendsveen was gegaan, met iets onder zijn arm. Vandaar dat men ook vermoedde dat hij naar de broodbakker Gerrit Castelein was gegaan om daar roggemeel te kopen, wat overeenkwam met de tweede verklaring. Om meer zekerheid te krijgen over de persoon in kwestie nam de president het stomme kind mee naar drie plaatsen, waar slachters woonden en wees op hun deuren, maar het kind schudde het hoofd en wenkte dat ze verder moesten lopen. Toen ze bij het huis van broodbakker Jan Verhagen aankwamen en de president gewoon doorliep tikte de jongen hem op de arm en wees op de deur van het huis en maakte nogmaals duidelijk dat niet de kleinste, niet de grootste, maar de middelste persoon de man was die hij had gezien. De president concludeert in het verbaal dat het hier om Hendrik Verhagen moest gaan.
Vervolgens haalt de president een eerder voorval aan, waarbij op 13 maart 1813 uit de winkel van Hermanus Deijman een stuk laken van dure kwaliteit is gestolen. Hij verwijst naar de verklaring van kleermaker Willem de Zwart die meldde dat hij in die periode opdracht had gekregen van Jan Verhagen om van een soortgelijke lap een broek te maken. Omdat "naardien de omstandigheden van het huisgezin van J. Verhagen, hetwelk van gene winsten van de bakkerij, zoo als het bestaat, bestaan kan, niet wel kan permitteeren, eene uitgave van het bedrag van zoodanig laken" maakte dit het gezin behoorlijk verdacht. De verdenking werd nog sterker toen bleek dat Hendrik Verhagen na 13 maart 1813 een lange broek van kwalitatief duur blauw laken droeg, terwijl hij in die periode gewoon bakkerknecht was te Leiden. Tot slot meldt de president in het procesverbaal: "Generaal is dit huisgezin in een zware verdenking, te meer daar zij gestadig bij avond en ontijden en op plaatsen daar zij niets te maken hebben, bespeurd worden, zeer mogelijk ook de ontvreemders der goederen onlangs ten Lourens Roos naast hunne woning gestolen, in alle gevallen zijn zij verdacht, als zijnde groote liefhebbers van stroopen, zoo met viswand als met geweeren. Ik heb hiermede de eer mij met de meeste consideratie te noemen".
Hoe het verder afloopt weet ik niet, maar uit het volgende stukje wordt wel duidelijk dat Jan en Hendrik Verhagen waarschijnlijk niet veroordeeld zijn voor de bovengenoemde diefstallen.
Verzoek om signalement
Op 20 december 1815 komt bij de vrederechter P.C. Riemersma een verzoek binnen van de rechtbank van Den Haag. Het gaat om de beschrijving van het signalement van Jan Verhagen, waarvan de rechtbank niet precies weet of hij in Rijpwetering of in Oudewetering woont. De rechtbank wil weten: "hoe hij gewonelijk des sondagsch gekleed gaat, waarin zijne kostwinninge bestaat of hij wel van tijd tot tijd van huis gaat en of hij dan gewonelijk niet vergezeld is met eene opgeschootene jongen en wie die jongen is, ook wat de algemeene opinie der menschen omtrent hun is".
Een dag later, op 21 december, wordt het signalement reeds opgestuurd. Eerst wordt duidelijk gemaakt dat Jan Verhagen niet in Rijpwetering maar in Oudewetering woont. Het signalement luidt: "ouderdom 55 jaar, (zoo ik meen) blaauwe oogen, lang 5 voet 9 duim rhijnlandsch, regt van postuur, tamelijk gezet, breeden neus, mond ordinair, haar bruin gekruld, wenkbrauwen bruin, rond van kin en aangezigt, voorhoofd rond, min of meer kaale kruin, kleur gezond. Dat denzelve des Zondags meestal gekleed gaat met een ligt grijze lange jas, aan de zijde met geklepte zakken en kleine kraag, lange broek, schoenen met veters en ronde hoed. Dat denzelve in geen beste benaming staat als nu en dan van ter zijde beschuldigd wordende van roof en dieverij, doch waarvoor men bij onderzoek (zeker uit verlegenheid voor deszelfs persoon, als zijnde zeer gevreesd) gene dadelijke beschuldiging kan erlangen. Dat zijne kostwinning is broodbakkerij, doch waarmede het geheel verlopen is, zodanig, dat een ieder zich verwonderen moet, waarmede hij het bestaan voor vrouw en tenminste twee kinderen vind, hetwelk zoo zeer sober echter schijnt gevonden te worden, dat hij van tijd tot tijd uitgaat naar Leimuiden en Kudelstaart om aldaar voor anderen te bakken, doch hoe zeer dikwils, nogtans mijns wetens nimmer verzeld van zijn zoon Jacob, zijnde een opgeschoten jongen van 18 jaar, des zondags gekleed met een buisje en een pet op het hoofd, welken jongen zondag den 10e dezer van huis en (volgens deszelfs gezegde) naar Leiden is geweest, doch of hij zijne vader, de opgemelde Jan Verhagen, destijds verzeld heeft, is mij onbewust".
Laten rusten
Jan Verhagen is inmiddels 62 jaar oud als op 2 september 1822 nog een procesverbaal wordt opgemaakt van een verklaring van George Campbell, gepensioneerd kapitein te Roelofarendsveen. Hij verklaarde dat hij op zaterdag 31 augustus met de veerschuit vanuit Leiden terugreisde naar zijn woonplaats en tijdens de reis met anderen over de overleden opzichter van Rijnlands Meerwerken, Willem de Vries sprak. Tijdens het gesprek had hij gezegd: "De Vries is bij zijn dood gebleken niet die man te zijn, welke hij bij zijn leven scheen te zijn. Hij wist iemand met een praatje en in schijn van vriendschap af te zetten en heeft ook aan mij getoond de regte man niet of wel een smeerlap te zijn". Ook "de gewezen bakker" Verhagen maakte deel uit van het gezelschap en had daarop gezegd dat "het niet voegde kwaad te zeggen van de Vries, dat men de doode moet laten rusten".
Daarop antwoordde Campbell dat hij niet met hem in gesprek was en dus ook geen commentaar van hem wenste te horen. Daarna ontstond een verdere woordenwisseling en zei Verhagen "dat hij een smeerlap was, die nog jong genoeg was om te dienen en niet behoorde 's konings of 's lands brood te eten". Campbell verweerde zich en had gezegd dat hij voldoende bewijzen had, waaruit bleek dat hij zelfs het buitengewoon pensioen had verdiend en dat degene met het minste karakter geen commentaar diende te leveren op de daden van het gouvernement. Zonder nog te horen wat Verhagen verder tegen hem zei stond Campbell dreigend op en had gezegd: "Ik kon u wel een slag in de nek geven".
Vervolgens stond ook een zekere Jan van Dokkem op, die hem vastpakte en zei: " Je moet niet slaan, dan neem ik zijn parthij op". Hoewel van Dokkem waarschijnlijk alleen tussenbeide wilde komen trok hij de rok van Campbell aan zijkant kapot, waarna Campbell de roef van de boot had verlaten en voor in de stuurstoel was gaan zitten. Toen de boot aankwam zocht Campbell Verhagen nog op en verzocht hem om mee te gaan naar de schout van Alkemade. Daar had Jan kennelijk weinig behoefte aan want hij antwoordde: "Ik verdom je, ik heb niets met je te maken".
Ook Arend Roosing, ontvanger der directe belastingen van de gemeente Alkemade, Adrianus Verhagen, winkelier en de boer Dirk Nigte, die alledrie in Oudewetering woonden, verschijnen voor de schout. Ze bevestigen de verklaring van Campbell, maar Roosing dacht dat Campbell had gezegd "Ik zal je een slag in de nek geven" in plaats van "Ik kon je wel een slag in de nek geven". Ook de opmerking van Verhagen "Ik verdom je, ik heb niets met je te maken" had hij niet gehoord, omdat hij op dat moment nog in de schuit zat.
De verdere afloop van de aanklacht is mij (nog) niet bekend.
Wijk A nummer 26
In de overlijdens-aangiften van Jan (21 juli 1824) en Geertruij (12 februari 1832) Verhagen in het register van de Burgelijke Stand staat vermeld dat zij zijn overleden in het huis in wijk A op nummer 26 te Oudewetering. De ligging van dit huis komt overeen met het huidige herbouwde pand Kerkstraat 60 en is nog te zien op de volgende foto, waarop links het postkantoor staat.
Het huis achter de rechter persoon op postkoets was het huis van Jan en Geertruij Verhagen.
Op een latere foto zien we dat het huis links naast nummer 60 inmiddels is herbouwd. Helemaal rechts is nog hotel "Het Wapen van Alkemade" te zien.
Het derde huis van links is het huis waar Jan en Geertruij Verhagen hebben gewoond en zijn overleden.