Jan Verhagen

 

(1823 – 1894)

 

 

 

 

DTB
Jan Verhagen is geboren te Oude Wetering/Alkemade op 21 december 1823 en overleden te Oude Wetering/Alkemade op 21 december 1894. Jan was meester timmerman en uit de boedelscheiding van zijn nalatenschap blijkt dat hij ook nog een timmermanswinkel/-werkplaats heeft gehad. 

 

Hij huwde op 16 november 1848 te Alkemade met Heintje Spaargaren, geboren te Aalsmeer op 16 januari 1823 en overleden te Alkemade op 10 februari 1891. Heintje was dienstbode en een dochter van Jacob Cornelisz. Spaargaren, van beroep visser en Jansje Hozee, die beiden eveneens in Alkemade woonden.   

 

Uit dit huwelijk:

 

1.    Jacobus Jacob Verhagen, geboren te Alkemade op 10 maart 1850, overleden op 8 februari 1933 te Amsterdam.

2.    Johanna Verhagen, geboren te Alkemade op 17 februari 1852, overleden te Alkemade op 10 december 1852.

3.    Jan Verhagen, geboren te Alkemade op 29 augustus 1853, overleden te Haarlem op 14 juni 1932.

4.    Willem Verhagen, geboren te Alkemade op 27 februari 1856, overleden te Alkemade op 9 juni 1856.

5.    Jansje Verhagen, geboren te Alkemade op 6 april 1857, overleden te Alkemade op 29 juni 1857.

6.    Elisabeth Verhagen, geboren te Alkemade op 1 juni 1858, zij vertrekt naar Oudshoorn op 31 augustus 1878.

7.    Jansje Verhagen, geboren te Alkemade op 9 september 1861, zij vertrekt naar de gemeente Haarlemmermeer

       op 6 november 1893.

8.    Arie Verhagen, geboren te Alkemade op 16 juni 1864, overleden te Alkemade op 2 augustus 1864.

9.    Arie Verhagen, geboren te Alkemade op 22 oktober 1865, overleden te Haarlem op 25 januari 1926.

 

 

Drie broers en vier zusters

Jan Verhagen had drie broers, genaamd Klaas, Jacobus en Arie en vier zusters, genaamd Geertruij, Hendrikje, Dirkje en Johanna.

 

Geertruij Verhagen is geboren op 9 mei 1820 te Leimuiden.

 

Hendrikje Verhagen is geboren op 26 september 1821 te Leimuiden en overleden te Alkemade op 28 maart 1882. Zij huwde op 11 juni 1846 te Alkemade met Johannes Gabriel Lamers, van beroep schoenmaker, zoon van Johannes Gabriel Lamers en Antje Monnik.

 

Dirkje Verhagen is geboren op 24 december 1824 te Leimuiden en overleden te Alkemade op 27 april 1839.
 

Klaas Verhagen is geboren op 7 november 1826 te Leimuiden en was van beroep schilder. Hij huwde op 22 januari 1851 te Alkemade met Elia Maria Cwetters (in het huwelijksregister van de Gereformeerde Gemeente onder het Kruis te Oudewetering staat zij vermeld als Neeltje Kwetters), geboren te Gouda, 28 jaar oud en dochter van Jacobus Cwetters (ook wel genaamd Jacob Kwetters) en Neeltje Adriaans. Vlak voor zijn huwelijk woonde hij in Nieuwveen.

 

Johanna Verhagen is geboren op 23 februari 1828 te Leimuiden en overleden te Alkemade op 28 maart 1892. Zij is ongehuwd gebleven.

 

Jacobus Verhagen is geboren op 12 augustus 1830 te Alkemade. Hij vertrekt in mei 1848 naar Boskoop en op 13 januari 1854 naar Amsterdam. Hij was van beroep bakkersknecht.

 

Arie Verhagen is geboren op 26 december 1833 te Alkemade en vertrekt op 26 mei 1860 naar Amsterdam. Hij was van beroep beschuitverkoper.

 

 

Uit Volksliedjens uitgegeven door de

 Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (1789-1807)

 

 

De Haarlemmermeerpolder
De drooglegging van het Haarlemmermeer in het midden van de 19e eeuw heeft ongetwijfeld invloed gehad op het welvaren van Oudewetering. Op de Wetering bestond in de 13e eeuw reeds een druk scheepvaartverkeer. Het was de verbinding tussen noord en zuid. Er waren toen nog weinig zeewaardige schepen, dus b.v. van Hamburg naar Vlaanderen voer men over de Zuiderzee via Amsterdam binnendoor naar het zuiden. Bij slecht weer wachtte men op de Wetering een beter tij af. Vanzelfsprekend ging men zich in Oude Wetering op de scheepvaart instellen: scheepswerven, zeilmakerijen, schipperscafés en bevoorradingswinkels, etc.

 

Hoewel Oudewetering na de drooglegging van het Haarlemmermeer nog door de meeste schepen via de Ringvaart kon worden bereikt bleek al snel dat het voor de zeilschepen minder eenvoudig was geworden, omdat deze vaak nog 'gejaagd' moesten worden.

 

De uiteindelijke reden voor de wettelijke bepaling van de drooglegging was niet zozeer het vooruitzicht van een mogelijk financieel gewin door de verkoop van de grond, maar juist het beëindigen van het voortdurend gevaar van overstroming, waar ook het dorp Oudewetering door de jaren heen last van heeft gehad. In een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen der stad Haarlem staat bij 29 november 1836 geschreven: “Hevige stormen uit het zuidwesten, waardoor groote schade aan schoorsteenen, muren, enz., en ook aan den Hout is toegebragt. Er hebben onderscheidene doorbraken plaats gehad, en onder anderen heeft het Haarlemmermeer alles onder Sloten en Osdorp, van den Overtoom af tot Halfweg Haarlem, en langs den geheelen Haarlemmerweg onder water gezet, waardoor veel vee verdronken en de gemeenschap tusschen Haarlem en Amsterdam eenigen tijd gestremd is geweest”. Uiteindelijk geven de stormen en daaruit voortvloeiende overstromingen aanleiding tot het ontwerpen en realiseren van het definitieve plan.

 

Op 22 maart 1839 tekent koning Willem I de wet inzake een geldlening van 8 miljoen gulden voor de kosten van de bedijking en droogmaking van het Haarlemmermeer, op dat moment ongeveer 16.850 hectare groot. In 1840 vraagt Leiden om een schadevergoeding van bijna 1 miljoen gulden voor het verlies van inkomsten uit de verpachting van het viswater in het Haarlemmermeer, waarvoor Leiden al sinds 1583 het visserijrecht bezat.

 

Vele vissers, die in het midden van de 19e eeuw hun brood verdienen met het vissen op het Haarlemmermeer, zien zich genoodzaakt een andere baan te vinden. De vissers J. van der Duijn, Arend Vreeken, Jan Willem Spaargaren, Jan Spaargaren en I. Hardenberg geven de commissie van beheer en toezicht over de droogmaking van het Haarlemmermeer “met de meest verschuldigde eerbied te kennen, vissende in de Haarlemmermeer, dat zij ten vriendelijkste aan de Heere der commissie verzoeken, om het gaatje in de Ringdijk bei de Nieuwemeer open te houden, tot dat de Oudewetering en Sparen moet worden dichtgemaakt. Wij hebben niet kunnen bemerken mijne Heeren, dat er eenige schaden veroorzaakt zijn, zoolang dit gaatje open is geweest. Het heeft in ons belang, de visscherij veel ondersteunt, de waterweg voor de vissers, aanmerkelijk verkort, hun in staat gesteld met de gevangen visch behoorlijk levendig thuis te komen en hun een wijkplaats aangewezen, waar in men veilig voor storm en wind vluchten kan. De reparatie van het bruggetje over gemeld gaatje gelegen, nemen de ondergetekende gaarne voor hun rekening…”. In 1848 wordt de Ringdijk definitief afgesloten en vervalt de mogelijkheid om vanuit de omringende wateren nog toegang te krijgen.

 

Het besluit tot de inpoldering van het Haarlemmermeer heeft waarschijnlijk geleid tot de verhuizing van Jacob Spaargaren en zijn gezin van Aalsmeer (van oudsher de woonplaats van de vissersfamilie Spaargaren) naar Oudewetering, zodat hij nog kon blijven vissen op het Braassemermeer. Op 12 april 1842 koopt hij namelijk een huis in Oudewetering.

 

Op 5 mei 1840 wordt begonnen met de aanleg van de 60 km lange Ringdijk en Ringvaart, waarbij zoveel mogelijk de bestaande oever wordt gevolgd. In 1845 is de klus geklaard en kan de droogmaking van het meer beginnen. Na een proefperiode van een paar maanden in 1845 kon het stoomgemaal De Leeghwater zijn werk na de definitieve afsluiting van de Ringdijk op 7 juni 1848 beginnen. Het gemaal was geplaatst aan de zuidzijde van het meer, bij het dorp "Cage", zodat het uitgemalen water via de kortste weg door het Katwijkse kanaal en de sluis naar de Noordzee kon vloeien. Na de succesvolle proef met De Leeghwater werd in 1847 begonnen met de bouw van de stoomgemalen De Lynden (bij Halfweg met een uitwatering naar het Y) en De Cruquius (bij Heemstede met een uitwatering naar het Spaarne) met ieder 8 pompen. Op 30 maart 1849 begint De Lynden en op 19 april 1849 begint tot slot De Cruquius met het verder leegpompen van het meer.

 

 

 

De Cruquius

 

 

Op 12 juli 1852 vermeldt de Opregte Haarlemsche Courant: “Lieden, die dezer dagen den ringdijk rondom het Haarlemmermeer hebben bewandeld, van de Leeghwater naar de Lynden en Halfweg, en van daar, langs de Cruquius, terug naar het eerstgenoemde pompwerktuig, hebben binnen deze uitgestrekte vlakte geen water meer kunnen bespeuren...”. In 39 maanden tijd was met ruim 14 miljoen pompslagen zo'n 800 miljoen kubieke meter water naar buiten gepompt.

 

Met de verkoop van de drooggevallen gronden wordt door de Staat nogal getreuzeld, waardoor het gebied moerassig, drassig, onbegaanbaar en slecht toegankelijk blijft. Er ontstaan oerwouden van wilde aan de bodem ontsproten planten en ziekten als cholera, typhus en malaria. Daarnaast zijn er vele andere problemen: de polder is te zuinig aangelegd, er is onvoldoende waterberging, waardoor de grond er de eerste jaren ongecultiveerd blijft. Er is veel criminaliteit, omdat boeven hun toevlucht zoeken in de Haarlemmermeerpolder, waar op dat moment nog geen officieel gezag is en vanwege de ontoegankelijkheid van het gebied. De eerste bewoners lijden soms bittere armoede en hun gezondheid is vaak slecht. De kindersterfte is enorm hoog en het duurt nog zo'n 25 jaar voordat het poldergebied geheel is gecultiveerd en economisch z'n vruchten begint af te werpen.

 

 

Een huis met timmermanswerkplaats

Direct na hun huwelijk op 16 november 1848 verhuizen Jan en Heintje naar het huis A.43B, nu Veerstraat 2. Dit was het woonhuis van zijn ouders, die daarna in het bevolkingsregister van 1846-1848 ingeschreven staan op het adres wijk A nummer 63. Het lijkt erop dat zij dus van huis verwisseld zijn. Op 22 mei 1863 koopt Jan het huis wijk A nummer 63 (nu Kerkstraat 26) van scheepsmaker Bernardus Hoogendorp voor een bedrag van 600 gulden en keert hier met zijn gezin naar terug. Het huis stond toen in het kadaster geregistreerd onder sectie B nummer 567. In de periode 1849-1874 blijken zijn ouders verhuisd te zijn naar wijk A nummer 54 (Kerkstraat 8).

 

Op 9 augustus 1870 koopt Jan van meestersmid Abraham Schouten nog een strook grond van ruim 3½ el breed dat grensde aan de zuidzijde van zijn perceel (nu Kerkstraat 25) voor 80 gulden. In de periode van 1820-1870 was de metrieke eenheid van een el gelijk aan 1 meter, zodat het perceel dus zo'n 3½ meter breed moet zijn geweest. Uit de kadastrale legger blijkt dat de grond bestaat uit twee delen van de percelen B.570 en B.572. Omdat in de verkoopakte staat dat "door den kooper in het gebouw eene muur tot afscheiding der wederzijdsche eigendommen zal moeten worden opgetrokken" stond op het perceel kennelijk nog een pand of zou er nog een pand gebouwd worden. Door de samenvoeging van de percelen van Jan kregen deze in het register het nieuwe nummer B.882.

 

In juni 1873 heeft Jan op de aangekochte grond een stuk laten bijbouwen, waardoor het in de kadastrale legger opnieuw hernummerd wordt naar B.896 met huisnummer wijk A nummer 70.   

 

Op 21 september 1876 koopt Jan Verhagen nogmaals een stuk grond van de smid Abraham Schouten voor 58 gulden, ter grootte van 10,6 bij 6 meter ten westen van zijn perceel. Het is een gedeelte van perceel B.884 en het nieuwe perceel van Jan Verhagen wordt na de samenvoeging in 1878 hernummerd naar B.1090. Uit het kadastraal register blijkt verder dat Jan in 1880 nogmaals een stuk heeft bijgebouwd.

 

Wat in 1863 begon met de aankoop van "een huis met erf ter grootte van 1 roede 70 ellen" en twee stukken grond voor een totaal van 738 gulden, eindigde bij de verkoop van het pand op 17 mei 1897 in "een huis met timmermans werkplaats, schuur, verder getimmerte en een tuin, staande en liggende aan de Oude Wetering binnen Alkemade, op den kadastralen ligger dier gemeente bekend in sectie B onder nommer 1090, ter grootte van twee aren zestich centiaren" voor een bedrag van 1700 gulden. Het huisnummer was inmiddels veranderd naar wijk A nummer 85. Van het huis heb ik nog geen duidelijke afbeelding kunnen terugvinden, maar de locatie is op de volgende foto nog wel te zien.           

 

 

 

Het tweede gebouw van rechts was vroeger de school, het achterste huis links is nu Kerkstraat 26

 

 

Een erfenis

Op 30 januari 1857 verkopen de erfgenamen van Jacob Spaargaren en Jansje Hozee vijfzesde deel het nagelaten huis, geregistreerd in het kadaster onder nummer B.69, aan meester metselaar Pieter Colijn voor een bedrag van 500 gulden. De erfgenamen waren Willem Lubberden, teelman te Aalsmeer, die gehuwd was met Jansje Spaargaren, Cornelis Spaargaren, visser, wonende aan de Kaag binnen Alkemade, Heintje Spaargaren, gehuwd met Jan Verhagen, Klazina van Staveren, weduwe van Willem Spaargaren, de nog minderjarige Grietje Spaargaren, waarvoor Jan Verhagen als voogd was aangewezen op 30 april 1856 door de kantonrechter van het arrondissement Leiden en tot slot Neeltje Spaargaren, die gehuwd was met de koper van het huis, Pieter Colijn. Pieter en Neeltje betaalden de andere erfgenamen dus ieder 100 gulden, en werden daardoor de nieuwe eigenaren van het huis.

 

 

De kerk

Op 15 februari 1861 kochten Jan Bakker, koopman in aardewerk, Pieter Johannes Korbee, winkelier, Johannes Gabriel Lamers, schoenmaker en Jan Verhagen, timmermansknecht "een huis met schuur, verder getimmerte en erf, staande en liggende aan de Oudewetering binnen Alkemade, op den cadastralen legger dier gemeente bekend in sectie B onder nummer 49 (nu Kerkstraat 78), ter grootte van een roede drie en veertig ellen" van Gijsbert van der Lip, klompenmaker, voor een bedrag van 500 gulden. In eerste instantie was niet duidelijk met welke bedoeling het pand door hen werd aangekocht. In het archief van de Gereformeerde Kerk van Oudewetering (Kerkstraat 50) blijkt echter nog een afschrift van dezelfde koopakte aanwezig te zijn, waaruit duidelijk wordt dat het pand beschikbaar werd gesteld als kerkruimte voor de "Gereformeerde Kerk onder het Kruis", die toen (evenals in Haarlem) nog niet als rechtspersoon werd erkend door de Minister van Justitie. Uit het lidmatenregister blijkt dat Jan en Heintje bij deze kerkgemeente waren ingeschreven sinds de aanvang op 12 maart 1850.

 

De Christelijk Afgescheiden Gemeente en de Gereformeerde Kerk onder het Kruis zijn rond 1834 ontstaan door de afsplitsing van een deel van de kerkgemeenschap van de Hervormde Kerk na een periode van toenemende vrijzinnigheid in de geloofsbelijdenis en door de invoering van het Algemeen Reglement voor het bestuur van de Hervormde Kerk, dat door koning Willem I in 1816 aan die kerk werd opgelegd. Daarmee werd de oude Dordtse kerkorde van 1618/1619 aan de kant gezet, buiten de kerkelijke vergaderingen om en vervangen door het Algemeen Reglement, dat het centrale gezag binnen de kerk in handen van de overheid legde. Hiermee trachtte de overheid meer ruimte te scheppen voor verschillende godsdienstige opvattingen binnen de nationale (Hervormde) kerk.

 

Het protest hiertegen door de meer orthodoxe gelovigen binnen de Hervormde Kerk leidde vanaf 1834 (voor het eerst in Ulrum in de provincie Groningen onder leiding van dominee Hendrik de Cock) tot de Afscheiding en de totstandkoming van de Gereformeerde Kerk.  Deze nieuwe kerkgemeenschap splitste zich al spoedig in de "Christelijk Afgescheiden Gemeenten" en de "Gereformeerde Kerken onder het Kruis". In Oudewetering vond de oprichting van de Gereformeerde Gemeente onder het Kruis pas plaats op 12 maart 1850. In het lidmaten- en doopregister van deze nieuw gevormde kerkgemeente staat nog beschreven hoe de oprichting tot stand kwam: 

 

Oprigting der Gemeente.

Nadat wij eenen geruimen tijd omgedoold hadden als schapen zonder herder, bij liberalen en Afgescheidenen, bij de eersten om de Goddeloosheid en valsche leeringen en bij de laatsten om hunne zijpaden en gewetensdwang geene vereeniging hadden kunnen vinden, alsmede nadat wij door gelukszoekers, die onder de vertooning van een herders en leeraarsgestalte hun zelven bedoelden en de wol der schapen afstroopten, bedrogen waren, behaagde het de Heere God, toen bij ons geen uitzigt maar alles gesloten was, de weg zelf te openen en ons te wijzen waar Christus zijn kudde legerde en waar zich de ware Gereformeerde Kerk openbaarde, welke weg wij mogten inslaan door ons den 3 januarij 1850 naar Noordwijk aan Zee tot den Wel Eerwaarde Ds. Noorduin te begeven, om bij hem te onderzoeken of zich aldaar de ware kerk openbaarde.

 

Het verslag hetwelk Zijne Eerwaarde daarvan gaf, vereenigde zich terstond met ons gemoed zoodanig, dat wij Zijne Eerwaarde uitnoodigden om tot ons over te komen en eenige personen tot eene gemeente te vormen door belijdenis en bevestiging. Vervolgens zijn onze namen aan het liberaal kerkbestuur tot ontbinding en aan Ds. Noorduin tot aansluiting opgegeven. Deze namen zijn den 13 januarij daaraan volgende te Noordwijk voor de gemeente afgelezen en op verzoek is Zijne Eerwaarde tot ons overgekomen den 11 maart 1850. Den 12 maart zijn de verkorene ouderlingen en diacon bevestigd. Den 13 maart zijn de leden bevestigd en den 14 maart zijn er 6 kinderen gedoopt. (Eén van deze kinderen was Jacobus Jacob, het eerste kind van Jan Verhagen en Heintje Spaargaren).

 

Alzoo is de gemeente Gods onder ons openbaar geworden, waarbij wij gedurig des Heeren nabijheid en tegenwoordigheid en de vrede des gemoeds mogten ondervinden, terwijl wij daarna nu en dan het voorregt genoten van deze en gene leeraar of voorganger in ons midden te zien, die de gemeente voorgingen met de levendige verkondiging van Gods Woord enz.

 

De reden voor de afsplitsing van de Gereformeerde Kerk onder het Kruis was dat de overheid tevens het gebruik van de naam "Gereformeerde Kerk" had verboden, omdat de oude Gereformeerde Kerk voortaan de Nederlandse Hervormde Kerk moest worden genoemd. Omdat een deel van de afgescheiden kerkgemeente wilde vasthouden aan de naam Gereformeerde Kerk, leidde dit na 1834 tot vervolging door de overheid. Sommigen vonden de naam niet belangrijk genoeg, om er vervolging voor te ondergaan en noemden zich daarna de "Christelijk Afgescheiden Gemeenten". Anderen vonden dat zij principieel de voortzetting waren van de oude Gereformeerde Kerk en kozen daarom voor de naam "Gereformeerde Kerken onder het Kruis", voor lief nemend dat zij daarvoor vervolgd konden worden. Door dit standpunt wilden en konden de leden van de "Gereformeerde Kerken onder het Kruis" geen erkenning als genootschap aanvragen bij de overheid, omdat zij slechts Christus als koning erkenden. Nadat in 1840 koning Willem I was afgetreden, werd de vervolging minder en na een nieuwe grondwetswijziging in 1848 stopte de vervolging geheel. Hierna kwam het in 1869 weer tot een hereniging van de beide afgescheiden kerkgemeenten onder de naam "Christelijk Gereformeerde Kerk".

 

Na de hereniging in 1869 verkochten Jan Verhagen en de andere eigenaren op 18 februari 1870 het pand aan de Christelijk Gereformeerde Gemeente te Oudewetering binnen Alkemade. Het pand staat beschreven als "een gebouw met schuur en erf, staande en liggende aan de Oudewetering binnen Alkemade, in den kadastralen ligger dier gemeente bekend in sectie B onder nummer 49 ter grootte van een roede drie en veertig ellen, belast met de helft in het onderhoud van de schutting, staande tusschen dit erf en het ten noorden daarvan liggende erf van Johannes Hoogeveen" en werd in opdracht van de Christelijk Gereformeerde Gemeente gekocht door Floris Waasdorp voor 550 gulden, waarmee de eigenaren de nog openstaande hypotheekschuld precies konden aflossen.

 

In de kerkeraadsnotulen van februari 1870 staat: "Hebbende de genoemde perzoonen namenlijk J. Bakker, J. Verhagen, J.G. Lamers en de erven van Korbee afstand gedaan door verkoopen van het kerkgebouw der Christelijk Grifformeerde Gemeente te Oudewetering en heeft de zelfve overgedaan aan der voorgenoemde gemeente en nader overgetranspetert 7 februari 1870".

 

In het archief van de Gereformeerde Kerk van Oudewetering zijn ook nog een aantal nota's terug te vinden, waaruit duidelijk wordt dat Jan Verhagen, Jan Bakker, Johannes Gabriel Lamers en Pieter Johannes Korbee elk jaar in de periode 1862 tot 1870 f 27,50 betaalden voor de uitstaande rente op de hypotheek voor het kerkgebouw, dat zij hadden gekocht en beschikbaar stelden.

 

Verder blijkt uit één van de nota's (1 mei 1872) dat Jan Verhagen samen met zijn zonen Jacobus Jacob (Cobus) en Jan na de overdracht van het pand in 1870 nog twee jaar lang hebben gewerkt aan de verbouwing van het pand. De totale som was  f 343,44, waarvan f 140,19 arbeidsloon en de rest voor de benodigde bouwmaterialen. Volgens de nota werkte Jan aan deze opdracht 480 uur en zijn zonen, Jacobus Jacob en Jan respectivelijk 392 en 295 uur. Uit andere nota's blijkt dat Jan gemiddeld 15 cent per uur verdiende. Hieruit blijkt dat Jacobus Jacob en Jan ieder ongeveer 10 cent per uur verdienden voor hun bijdrage in de werkzaamheden.      

 

Het is bekend dat het pand in ieder geval als kerk heeft gediend en dat het na de verdere samensmelting van de Christelijk Gereformeerde Gemeente en de Kerk van de Doleantie (ontstaan door een afscheiding van de Hervormde Kerk in 1886 onder leiding van voorman dr. Abraham Kuyper) tot de Gereformeerde Kerk in 1892 nog is gebruikt als verenigingsgebouw.  In 1908 werd het pand verbouwd tot een woning. Op de foto hieronder is het pand (nu Kerkstraat 78) nog te zien naast het voormalige rechthuis van Alkemade / de herberg "De Witte Engel" (nu hotel "Het Wapen van Alkemade"). 

 

 

 

Foto van omstreeks 1895. Het derde pand van rechts is de herberg "De Witte Engel",  waarin  zich  voorheen ook het  "Regthuys van

Alkemade" bevond. Daarnaast staat aan de linkerkant nog het voormalige kerkgebouw van de Christelijk Gereformeerde Gemeente.

 

 

 

Taxatie

Op 27 mei 1866 komen Jan Verhagen, timmerman, Jan van Berkel, metselaar en Jacob Polanne, koopman te Mijdrecht bij notaris August Wilhelm Ernst Gunning bijeen als door partijen bindende deskundigen ter waardering van de onroerende goederen behorende tot de boedel van Emanuel Blom, koopman in goud en zilver, wonende aan de Oudewetering binnen Alkemade en zijn overleden vrouw Fijtje Marens Hackter Polak. Zij verklaarden dat zij als deskundigen waren beëedigd door de kantonrechter te Woubrugge op 29 november 1865 en dat zij in die functie de onroerende goederen als volgt hadden gewaardeerd:

 

"Een huis met verder getimmerte en erf, staande en liggende aan de Oudewetering binnen Alkemade op den kadastralen ligger dier gemeente bekend in sectie B onder nummer 757 ter grootte van twee roeden twee en dertig ellen op vijftienhonderd gulden en een huis met verder getimmerte, erf en tuin, staande en liggende als de voorgaande goederen op den kadastralen ligger der gemeente Alkemade bekend in sectie B onder de nommers 178 en 179 te zamen ter grootte van drie roeden eenenveertig ellen op eene waarde van zevenhonderdvijftig gulden".

 

 

Geldlening-I

Op 31 oktober 1872 verklaarde Jan Verhagen, meester timmerman, voor notaris August Wilhelm Ernst Gunning, een bedrag van achthonderd gulden geleend te hebben van Pieter Oomen, meester timmerman, wonende te Voorhout. De afbetaling moest plaatsvinden in jaarlijkse termijnen van minimaal 25 gulden per jaar en de rente bedroeg 5% per jaar. Als onderpand zette Jan zij huis in, dat beschreven stond als: "een huis met timmermanswinkel en erf, staande en liggende aan de Oudewetering binnen Alkemade, op den kadastralen ligger dier gemeente bekend in sectie B onder nommer 882, ter grootte van twee aren, vijftien centiaren".

 

 

 

Handtekening van Jan Verhagen

 

 

 

Voogd

Op 18 november 1878 verklaarde Neeltje van der Ploeg, weduwe van Jacobus van der Linden, winkelierster, wonende aan de Oudewetering binnen Alkemade, voor notaris Pieter van Greuningen, dat zij "Jan Verhagen Senior, Meester timmerman" tot voogd heeft benoemd over haar kinderen, die bij haar overlijden nog minderjarig zullen zijn.

 

Neeltje is kort daarna op 3 februari 1879 overleden en zij liet daarbij drie minderjarige kinderen uit haar huwelijk met Jacobus van der Linden, koopman in manufacturen achter: Sophia, Karel Daniël en Sara Maria van der Linden. Jan Verhagen als voogd en Cornelis Hulsbos, als toeziend voogd, benoemd door de rechter van het kanton Haarlemmermeer verzochten op 18 april 1879 notaris Pieter van Greuningen het nagelaten huis van de familie van der Linden openbaar te verkopen. De veiling vond plaats in het woonhuis van kastelein Theodorus Vesseur aan de Oudewetering en de verkoop betrof "een huis met schuur, verder getimmerte, erf en tuin, staande en liggende aan de Oudewetering binnen Alkemade, op den kadastralen ligger dier gemeente bekend in sectie B onder de nommers 114 en 115 te zamen ter grootte van vijf aren zes centiaren". De hoogste bieder was Joost Vlasveld, meester timmerman en molenmaker, wonend aan de Oudewetering onder Leimuiden en hij kocht het huis voor 2.650 gulden.

 

 

Testament

Op 8 december 1880 gaan Jan Verhagen en Heintje Spaargaren naar Pieter van Greuningen, notaris te Oudewetering om hun testament op te laten maken. Als eerste verklaarde Heintje: "Ik herroep en vernietig alle uiterste wilsbeschikkingen door mij vroeger op eenigerhande wijze gemaakt of verleden. Ik benoem tot eenigen en uitsluitenden erfgenaam van al wat ik met den dood zal ontruimen en nalaten mijnen man Jan Verhagen en zulks zooverre ik daarover op het oogenblik van mijn overlijden de vrije beschikking hebben zal."

 

Vervolgens is Jan aan de beurt en verklaard: "Ik herroep en vernietig alle uiterste wilsbeschikkingen door mij vroeger op eenigerhande wijze gemaakt of verleden. Ik benoem tot eenigen en uitsluitenden erfgename van al wat ik met den dood zal ontruimen en nalaten mijne huisvrouw Heintje Spaargaren en zulks zooverre ik daarover op het oogenblik van mijn overlijden de vrije beschikking hebben zal."

 

Nadat de verklaringen in de acte zijn vastgelegd en voorgelezen worden deze door Jan en Heintje samen met de getuigen Willem Christiaan Pieter Jansz., boekhandelaar en Tobias Nicolaas Bout, timmermansknecht, beide wonend aan de Oudewetering binnen Alkemade en de notaris ondertekend.  In het archief van de Gereformeerde Kerk te Oudewetering is de nota voor het opmaken van deze testamenten bewaard gebleven. Hieruit blijkt dat Jan en Heintje 10 gulden moesten betalen aan notaris Pieter van Greuningen voor het "passeren van hun uiterste wilsbeschikking".

 

 

Geldlening-II

Op 21 juni 1882 verklaarde Jan Verhagen voor notaris Pieter van Greuningen dat hij een bedrag van 500 gulden heeft geleend van Lambertus Vester, meester timmerman te Voorhout. Hij moet deze lening afbetalen met minimaal 50 gulden per jaar plus de rente van 5% per jaar over het nog verschuldigde bedrag. Als onderpand zet Jan weer zijn huis in, omschreven als: "een woonhuis met timmerwinkel, loods, verder getimmerte en erf, staande en liggende aan de Oudewetering binnen Alkemade, op den kadastralen ligger dier gemeente bekend in sectie B onder nommer 1090, ter grootte van twee aren zestig centiaren". Jan verklaarde verder dat het huis al bezwaard was met een andere lening bij dezelfde geldschieter, voor een nog openstaande schuld van 675 gulden. De schuldbekentenis van 31 oktober 1872 van Jan voor de lening van 800 gulden bij Pieter Oomen, meester timmerman, wonende te Voorhout was kennelijk overgegaan naar Lambertus Vester, die eveneens in Voorhout woonde.

 

 

Faillissement

Op 2 oktober 1883 werd Jacobus Jacob Verhagen, timmerman en aannemer te Burgerveen, de oudste zoon van Jan Verhagen en Heintje Spaargaren, door de arrondissementsrechtbank te Haarlem bij vonnis failliet verklaard. In de krant verschijnt daarop de volgende mededeling: 

 

 

 

 

 

 

Op 22 januari 1884 vond 's morgens om elf uur in de herberg van Jacob Pasmooi te Nieuw-Vennep de openbare verkoop plaats van de boedel van Jacobus Jacob, onder leiding van notaris Pieter van Greuningen in tegenwoordigheid van de Edel Achtbare Heer Meester Frederik Reinhard Crommelier, rechter voor het kanton Haarlemmermeer, wonende te Lisse. Tevens is aanwezig de Weledel Gestrenge Heer Meester Willem Hendrik Smit, advocaat, wonend te Haarlem, als bij vonnis van de arrondissements-rechtbank aldaar benoemd tot curator over de boedel.

 

Op deze veiling werden de volgende percelen uit de boedel van Jacobus Jacob te koop aangeboden:

 

Ten eerste: "Een huis, ingerigt om in twee gedeelten te worden bewoond, staande nabij den Venneperweg op een gedeelte van den ringdijk des Haarlemmermeerpolders, afdeeling Burgerveen, alsmede het regt van opstal op dien grond tot den laatsten december achttienhonderd een en negentig, tegen betaling van zestien gulden 's jaars, een en ander op den kadastralen ligger der gemeente Haarlemmermeer, bekend in sectie N onder de nommers 2162, 2163 en 2169, te zamen ter grootte van vijf aren acht en negentig centiaren. Bij monde voor onbepaalden tijd verhuurd, gedeeltelijk aan W. van der Steen tegen een gulden vijf en twintig cents 's weeks en gedeeltelijk aan C. de Moor voor een gulden vijf en twintig cent in de week".

 

Ten tweede: "Een huis, ingerigt om in drie gedeelten te worden bewoond, staande ten zuidwesten van het voorgaande op een perceel dijkgrond van den Haarlemmermeerpolder, benevens het regt van opstal op dien grond tot den laatsten juni achttienhonderd twee en negentig, tegen betaling van zestien gulden per jaar, een en ander bij het kadaster der gemeente Haarlemmermeer bekend in sectie N onder de nommers 2164, 2165, 2166 en 2170, te zamen ter grootte van zes aren twee en veertig centiaren. Gedeeltelijk bij monde voor onbepaalden tijd verhuurd aan de weduwe C. van der Spruijt, tegen een gulden vijf en twintig cent 's weeks en gedeeltelijk aan B. Thur voor vijftig cent in de week".

 

En ten derde: "Een huis, ingerigt om in twee gedeelten te worden bewoond, staande ten zuidwesten van het voorgaande op een perceel dijkgrond van den Haarlemmermeerpolder, alsmede het regt van opstal op dien grond tot den laatsten juni achttienhonderd twee en negentig, tegen betaling van veertien gulden 's jaars, een en ander bij het kadaster der gemeente Haarlemmermeer ingedeeld in sectie N onder de nommers 2167, 2168 en 2171, te zamen ter grootte van vijf aren vier en zestig centiaren".

 

Op het eerste huis rustte nog een hypotheek van 800 gulden tegen een rente van 5% per jaar ten behoeve van Margje Waardenburg, weduwe van Johannes Sernee, zonder beroep, wonende te Oudshoorn.

 

Het tweede en derde huis waren nog bezwaard met een hypotheek van 1.000 gulden tegen een rente van 5% per jaar ten behoeve van Johannes Bernardus Nierman, koopman, wonende aan de Oudewetering binnen Alkemade.

 

Tijdens deze veiling werd het eerste perceel gekocht door Jan Verhagen voor een bedrag van 550 gulden en nam Johannes Bernardus Nierman de borgstelling hiervoor op zich.

 

Het tweede en derde perceel werd in combinatie gekocht door Johannes Bernardus Nierman voor een bedrag van 960 gulden.

 

 

Geldlening-III

Op 13 maart 1884 verklaarde Jan Verhagen voor notaris Pieter van Greuningen een bedrag van 850 gulden geleend te hebben van Margje Waardenburg, weduwe van Johannes Sernee, zonder beroep, wonende te Oudshoorn. Jan moet de schuld afbetalen met minimaal 50 gulden per jaar en een rente van 5% per jaar. Als onderpand zet Jan de volgende onroerende goederen in:

 

1. "Een huis met timmerwinkel, verder getimmerte, erf en tuin, staande en liggende aan de Oudewetering binnen Alkemade, op den kadastralen ligger dier gemeente bekent in sectie B onder nommer 1090, ter grootte van twee aren zestig centiaren".

 

2. "Een woonhuis met verder getimmerte, staande te Burgerveen, op een gedeelte van den ringdijk der Haarlemmemeerpolders met het regt van opstal op dier grond tot den laatsten december achttienhonderd een en negentig, een en ander op den kadastralen ligger der gemeente Haarlemmermeer bekend in sectie N onder de nommers 2162, 2163 en 2169, te zamen ter grootte van vijf aren acht en negentig centiaren".

 

Jan verklaarde dat het eerste huis nog belast was met een hypotheek van 1.125 gulden in verband met een lopende geldlening bij Lambertus Vester te Voorhout.

 

 

Ouderling en preses

Op de eerste bladzijde van het boek met de kerkeraadsnotulen van de Gereformeerde Gemeente onder het Kruis, gesticht op 12 maart 1850, staat de eed beschreven voor de ambtsdragers van de kerk:

 

"Wij ondergeschreven kerkeraadt, ouderlingen en diakene van de Oudewetering verklaren opregtelijk in goeder konscientie voor den Heere met deze onze ondertekening dat wij van harten gevoelen en gelooven dat alle de artikulen en stukken der Heere in deze belijdenis en katechismus der Gereformeerde Nederlandsche Kerken begrepen, mitsgaders de verklaringe over eenige artikulen der voorzeide Heere in de Nationale Sinodus tot Dordrecht anno 1619 gedaan in alles met Gods Woord overeenkomen beloven derhalven dat wij de voorzijde Heere getrouwelijk zullen voorstaan en de jeugt na eisch van ons beroep en naar begrip naarstelijk in scherpen op poene dat wij hier tegen doen de van ons ze diens zullen afgezet worden".

 

Deze eed is ondertekend door: ouderling F. Waasdorp, ouderling J. Verhagen, diaken J. Bakker en J. Vreeken.

 

Jan Verhagen was dus nauw betrokken bij de stichting van de Gereformeerde Gemeente onder het Kruis in Ouderwetering en staat tot 1892 regelmatig vermeld als ouderling. In de laatste periode staat hij zelfs vermeld als preses van de kerkeraad en heeft vanuit die functie de laatste kerkeraadsbijeenkomst van 30 juni 1892 voorgezeten en afgesloten met een dankwoord. 

 

Op 17 oktober 1893 stuurde de ouderlingen en diakenen van de beide Gereformeerde kerken van Oude-Nieuwewetering de volgende brief naar de burgemeester van Alkemade:

 

"Aan den Edelachtbaren Heer Burgemeester der gemeente Alkemade. De kerkraad der Gereformeerde kerk te Oude- en Nieuwewetering gemeente Alkemade A en de kerkraad der Gereformeerde kerk Oude-Nieuwewetering gemeente Alkemade B, thans vereenigd als de kerkraad der Gereformeerde kerk te Oude-Nieuwewetering gemeente Alkemade heeft U Edelachtbaren deze mede te deelen, dat tot dusver hier ter plaatse twee Gereformeerde kerken bestonden, geheel met elkander overeenkomende in belijdenis en in kerkenordening en beide behoorende tot het kerkverband der Gereformeerde kerken in Nederland, welke twee kerken sedert 17 junij 1892 bij de regeering bekend zijn als de Gereformeerde te Oude en Nieuwewetering gemeente Alkemade A en de Gereformeerde kerk te Oude en Nieuwewetering gemeente Alkemade B.

 

Bij beiden ook vermeld op de aan de regeering overlegde officiëele lijst van de Gereformeerde kerken in Nederland, dat echter door de bovengenoemde kerkeraden, na overleg met de aan hen toevertrouwde Gemeenten en met goedkeuring van de classe waartoe zij behooren, thans besloten is tot de plaatselijke in eensmelting van die twee kerken, met dien verstande dat zij blijven voortbestaan, maar dan nu geheel vereenigd en dat dus voor die twee gelijknamige kerken, die slechts door de bijvoeging van A en van B onderscheiden werden, van nu in de plaats komt de Gereformeerde kerk te Oude-Nieuwewetering gemeente Alkemade. De kerkeraad heeft hiervan kennis gegeven aan Hare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin Regentes en beveelt voorts zijne kerk ook in uw bescherming bij voortduring onder toebidding van des Heeren genade.

 

De kerkeraad der Gereformeerde kerk te Oude-Nieuwewetering gemeente Alkemade. Oude-Nieuwewetering gemeente Alkemade den 17 october 1893.

 

Ouderlingen: J. Verhagen, P. van Dam, Joh. Sepers, F. Waasdorp, F. van Bostelen, W. Cousing

Diakenen: W. Spaargaren, J. Vreeken, W.C. van Geel, J. Bonda

 

 

Inventaris

Na het overlijden van Jan Verhagen op 21 december 1894 verzochten de nabestaanden notaris Pieter van Greuningen om op 8 oktober 1895 de nagelaten boedel te inventariseren. De nabestaanden en erfgenamen waren:

 

Jacobus Jacob Verhagen, timmerman te Amsterdam,  

Jan Verhagen junior, timmerman te Haarlem,

Elisabeth Verhagen, zonder beroep, wonend te Oudewetering, weduwe van timmerman Andries Ketel van Egmond,

Hendrik van Heek, schoenmaker te Oudewetering en gehuwd met Jansje Verhagen en

Arie Verhagen, timmerman te Oudewetering.

 

Na het overlijden van zijn vader kreeg Arie Verhagen het beheer over de nalatenschap toegewezen en moest nu tijdens de inventarisatie aanwijzen welke goederen hiertoe behoorden. De waardebepaling van de roerende en onroerende goederen werd uitgevoerd door de deskundigen Jacobus Kolijn, metselaar, Maarten Scheepmaker, timmerman en Gerrit van Bijeren, kleermaker, die alledrie in Oudewetering woonden en hiervoor waren aangewezen en beëdigd door Reinhard Crommelin, kantonrechter te Haarlemmermeer.

 

Deze inventarisatie leverde de volgende beschrijving op:

 

Op den zolder:  
Vier diverse dekens, gewaardeerd op vijf gulden f 5,00
Vijf dito op vijf gulden  f 5,00
Drie kassen kussens en een dito peluw op zestig cent f 0,60
Een tafeltje met boeken op een gulden f 1,00
Matten op vijfenzeventig cent  f 0,75
Een vederen bed en zes kussens op twaalf gulden f 12,00
Een kastje op een gulden f 1,00
Een dito op een gulden f 1,00
Twee tobbes op zestig cent f 0,60
Een wieg, lessenaar, tekenraam en twee … op een gulden f 1,00
Glas en aardewerk op drie gulden f 3,00
Twintig oude stoelen op drie gulden f 3,00
Een kachel met toebehoren op een gulden vijftig cent f 1,50
Enige rommeling op drie gulden f 3,00
Twee tafels op een gulden vijftig cent f 1,50
 
In een woonkamertje:  
Een bureau op twee gulden vijftig f 2,50
Zes stoelen op twee gulden f 2,00
Eenige diverse maatkleederen en een paar laarzen op vijf gulden f 5,00
Een schilderij, een klokje, boekenhanger en glasgordijn op drie gulden  f 3,00
Een spiegellamp en crulwenken op twee gulden f 2,00
Een boekenhanger met verschillende boeken op zes gulden f 6,00
Vier stoven en een kussen op  een gulden dertig cent f 1,30
Een partij oude kleederen, enige lakens, slopen en servetten op vijf gulden f 5,00
Vloermatten en kleedjes op vijfenzeventig cent f 0,75
Een vederen bed, dito peluw, drie kussens, twee dekens en bedgordijnen op vijfentwintig gulden f 25,00
Een vederen bed en kassen peluw op twintig gulden f 20,00
Een linnenkast op vijf gulden f 5,00
Een eiken kast en latafel op drie gulden f 3,00
 
In den winkel:  
Twee takels op vijfendertig gulden f 35,00
Een teerton op vijftien gulden f 15,00
Twee steekrepen op vijf gulden f 5,00
Touwwerk op een gulden f 1,00
Vier blokken en drie sloopnagels op negen gulden f 9,00
Vier kettingen en drie schoppen op vier gulden f 4,00
Een slijpsteen op vijf gulden f 5,00
Een kruiwagen op 2 gulden vijftig cent f 2,50
Een ….. op acht gulden f 8,00
Twee bergreelaters op twee gulden vijftig cent f 2,50
Een trap op twee gulden f 2,00
Een dito op vijfenzeventig cent f 0,75
Een trekzaag en twee spanzagen op drie gulden f 3,00
Drie sleden op zes gulden f 6,00
Een kist met timmergereedschap op vijf gulden f 5,00
Een gereedschapskist op drie gulden  f 3,00
Zes schagen op een gulden vijftig cent f 1,50
Avegaars en dissels op acht gulden f 8,00
Drie bijlen op een gulden f 1,00
Boren, bijtels en kruis….. op zeven gulden f 7,00
Diverse schaven op twintig gulden  f 20,00
Zagen en winkelhaken op twee gulden en vijftig cent   f 2,50
 
In een schuur:  
Twee dommekrachten op tien gulden f 10,00
Twee stootkeien op twee gulden  f 2,00
Twee vijzels op een gulden vijftig cent f 1,50
Een spade, ….. en slee op twee gulden f 2,00
 
Aan de werf:  
Een roeiboot met zeil en toebehoren op twintig gulden f 20,00
 
Op de werf:  
Twee ladders op veertig cent f 0,40
Eenig aardewerk op drie gulden f 3,00
 
Tezamen uitmakende driehonderd zes gulden vijftien cent f 306,15
 
Ongemunt goed en zilver:  
Een zilveren horloge bij gis gewaardeerd op drie gulden f 3,00
Dito pijpen…… bij gis op vijf en twintig cent f 0,25
 
Uitmakende tezamen drie gulden vijfentwintig cent f 3,25
 
Onroerende goederen:  
De aangever verklaart dat tot den onderwerpelijke boedel behooren de volgende onroerende goederen,  
 
Een huis met timmermanswinkel, schuur, verder getimmerte, erf, een tuin, staande en liggende
aan de Oudewetering binnen Alkemade, op den  kadastralen ligger der gemeente bekend in sectie
B onder nummer 1090, ter grootte van twee aren zestig centiaren door bovengenoemde schatters
gewaardeerd op veertienhonderd gulden 
f 1.400,00
 
Een woonhuis met schuur en verder getimmerte staande op een gedeelte van den ringdijk der
Haarlemmermeerpolders, nabij Burgerveen, met het recht van opstal op dien gronden tot ultimo
december negentienhonderd een, een en ander op den kadastralen ligger der gemeente
Haarlemmermeer bekend in sectie N onder de nummer 2169, 2162 en 2163, te zamen ter
grootte van vijf aren achtennegentig centiaren door bovengenoemde deskundigen gewaardeerd
op vier honderd zestig gulden
f 460,00

 

 

Arie Verhagen verklaarde dat het huis te Oudewetering aan hem verhuurd werd door zijn vader voor een bedrag van 75 gulden per jaar tot 30 september 1899. Het huis in Burgerveen was gedeeltelijk verhuurd aan Adam de Groot en gedeeltelijk aan Willem van der Steen, die daar ieder 1 gulden per week voor moesten betalen.

 

Verder gaf Arie Verhagen aan dat in de nalatenschap de volgende vorderingen nog openstonden:

 

Van Dirk Cornelis Los te Alkemade wegens gedaan timmerwerk acht gulden vijftien cent f 8,15
En van Jan Watses de Vries te Oudewetering wegens idem vier en twintig gulden f 24,00
 
Schulden en lasten:  
De rekwirant aangever verklaart dat deze boedel is verschuldigd,  
 
Aan Lambertus Vester te Voorhout eene kapitale som van dertienhonderd gulden wegens geleend geld,
rentende tegen vijf percent, welke renten verschuldigd zijn sedert den eersten januari jongstleden.
f 1.300,00
 
Aan Margje Waardenburg, weduwe Johannes Sernee te Oudshoorn, een kapitale som van vierhonderd
tachtig gulden, wegens geleend geld, rentende tegen vijf percent, welke renten verschuldigd zijn sedert
den eersten mei achttienhonderd vier en negentig.
f 480,00
 
Aan den rekwirant Arie Verhagen wegens voorgeschoten gelden honderd twee en tachtig gulden negen
en zeventig cent
f 182,79
 
Aan Pieter van der Keldert te Oudewetering wegens gedaan verfwerk twee en dertig gulden veertien cent f 32,14
 
Aan Gerrit Gortzak aldaar wegens idem vijf gulden vijf en zeventig cent f 5,75
 
Aan Gerrit Boot aldaar wegens gedaan timmerwerk drie gulden f 3,00
 
Aan docter Kimmel aldaar wegens verleende geneeskundige hulp zeven en twintig gulden vijf cent f 27,05
 
Aan Cornelis van der Lip aldaar wegens geleverde manufacturen zes gulden tachtig cent f 6,80
 
Aan de weduwe Pieter Boot aldaar wegens gedaan scheepmakerswerk zes en twintig gulden twee en
dertig en een halve cent
f 26,32½
 
Aan Spreij te Alphen wegens geleverd hout vier en veertig gulden f 44,00
Wegens verschuldigd erfpachtsgeld aan den Haarlemmermeerpolder zestien gulden f 16,00

 

 

Tot slot verklaarde Arie Verhagen na de eed te hebben afgelegd voor de notaris "van alles getrouwelijk naar zijne kennis opgegeven te hebben, wat op dezen inventaris behoorde te worden gebracht, zonder iets verzwegen of verduisterd te hebben noch gezien te hebben of te weten dat iets verduisterd is, direct of indirect".

 

 

 

"Weest tsamen eendrachtich" (penning timmermansgilde, 1627)

 

 

 

 

Boedelscheiding

Na de inventarisatie van 8 oktober 1895 vond op 22 november 1895 voor notaris Pieter van Greuningen de boedelscheiding plaats in aanwezigheid van de Edel Achtbare Heer Meester Frederik Reinhard Crommelin, rechter van het kanton Haarlemmermeer.

 

In de akte wordt eerst een opsomming gegeven van de totale boedel en de nog openstaande schulden, waarna de nalatenschap in vijf gelijke delen van f 20,20 aan de erfgenamen wordt toegewezen:

 

Artikel een
Meubelen, huisraad, inboedel, timmermansgereedschappen, ongemunt zilverwerk en verdere roerende
goederen, bij den aangehaalden inventaris stuks gewijze vermeld en daarbij door drie beëedigde
deskundigen geschat op eene gezamelijke waarde van driehonderd negen gulden veertig cent, aan
welke goederen door de comparanten, met onderling goedvinden, eene hoogere waarde is toegekend
van zeventien gulden, zoodat dezelve alhier worden uitgetrokken tot drie honderd zes en twintig gulden
veertig cent.
f 326,40
Artikel twee
Een huis met timmermanswinkel, schuur, verder getimmerte, erf en tuin, staande en liggende aan de
Oudewetering binnen Alkemade, op den kadastralen ligger dier gemeente bekend in sectie B onder
nommer 1090, ter grootte van twee aren zestig centiaren.
 
Door Jacobus Kolijn, metselaar, Maarten Schoenmaker, timmerman en Gerrit van Beijeren, kleermaker,
allen wonende aan de Oudewetering voormeld, als door partijen gekozen en door den bovengenoemden
heer kantonrechter bij procesverbaal van den negentienden september dezes jaars zoodanig beëedigde
deskundigen, bij den aangehaalden inventaris waard geschat veertienhonderd gulden.
f 1400,00
Voorschreven onroerende goederen zijn den erflater Jan Verhagen in eigendom over gedragen,
gedeeltelijk bij acte van transport op den twee en twintigsten mei achttienhonderd drie en zestig voor
nu wijlen den te Oudewetering binnen Alkemade geresideerd hebbende notaris August Wilhelm Ernst
Gunning verleden, waarvan den dertigsten mei daaraanvolgende een afschrift is overgeschreven ten
kantore van de bewaring der hijpotheken te Leiden in deel driehonderd veertien, nommer zeventien;
gedeeltelijk bij acte van transport op den negenden augustus achttienhonderd zeventig voor denzelfden
notaris Gunning gepasseerd, waarvan op den zeven en twintigsten augustus daaraanvolgende een
afschrift is overgeschreven ten kantore van de bewaring der hijpotheken te Leiden, in deel driehonderd
een en negentig nummer zes; en gedeeltelijk bij acte van transport op den een en twintigsten september
achttienhonderd zes en zeventig voor mij notaris verleden, waarvan op den derden october
daaraanvolgende een afschrift is overgeschreven ten boven gemelde hijpotheekkantore in deel
vierhonderd zestig numero veertig.
 
Artikel drie
Een woonhuis met schuur en verder getimmerte, staande op een gedeelte van den ringdijk der
Haarlemmermeerpolders nabij Burgerveen, met het recht van opstal op dien grond tot ultimo december
negentienhonderd een, een en ander op den kadastralen ligger der gemeente Haarlemmermeer bekend
in sectie N onder de nommers 2169, 2162 en 2163, te zamen ter grootte van vijf aren acht en negentig
centiaren. Door de bovengenoemde deskundigen bij den aangehaalden inventaris gewaardeerd op
vierhonderd zestig gulden.
f 460,00
De voorschreven gebouwen zijn den erflater Jan Verhagen in eigendom toegewezen bij procesverbaal
van publieke veiling en toewijzing op den twee en twintigsten januari achttienhonderd vier en tachtig ten
overstaan van mij notaris gehouden, waarvan op den twintigsten februari daaraanvolgende een afschrift
is overgeschreven ten kantore van de bewaring der hijpotheken te Haarlem in deel vierhonderd vier en
tachtig numero zes en tachtig; terwijl het bovengemelde opstalrecht hem door heeren dijkgraaf en
heemraden van den Haarlemmermeerpolder is verleend bij acte den een en twintigsten december
achttienhonderd een en negentig in duplo onder de hand geteekend, waarop staat: "In duplo
geregistreerd te Haarlem den een en twintigsten december 1800 een en negentig deel 101 folio 62 recto,
vak 6, twee bladen, drie renvooien. Ontvangen voor recht twee gulden zeventig cent f 2,70.
De ontvanger (geteekend) O ter Kuile.", overgeschreven ten kantore van de bewaring der hijpotheken te
Haarlem den drie en twintigsten december achttienhonderd een en negentig in deel vijfhonderd tachtig
numero zeven en dertig.
 
Artikel vier
Eene vordering ten laste van den comparant Arie Verhagen, wegens huur van de onder artikel twee
vermelde onroerende goederen sedert den eersten october achttienhonderd vier en negentig, tot den
twintigsten november achttienhonderd vijf en negentig (tot welken dag partijen hebben goed gevonden
alle baten en lasten des boedels voor gemeene rekening te brengen tegen vijf en zeventig gulden per
jaar, vijf en tachtig gulden een en veertig en een halve cent.
f 85,41½
Artikel vijf
De bij meergemelden inventaris vermelde vorderingen wegens gedaan timmerwerk ten laste van de
volgende personen als:
 
Van Dirk Cornelis Los te Alkemade, groot acht gulden en vijftien cent f 8,15
Van Jan Watses de Vries aldaar, groot vier en twintig gulden f 24,00
Te zamen uitmakende twee en dertig gulden vijftien cent f 32,15
De onzuivere staat der gemeenschappelijken boedels beloopt alzoo tweeduizend driehonderd drie
gulden zes en negentig en een halve cent.
f 2303,96½
Waarvan alsnu moeten worden afgetrokken de schulden en lasten des boedels (met de voldoening
waarvan de comparant Arie Verhagen zal belast blijven, aan wien daarvoor een geëvenredigd hooger
bedrag in de baten zal worden toegekend) bestaande die schulden blijkens den aangehaalden inventaris
in de volgende:
 
Aan Lambertus Vester te Voorhout, wegens geleend geld, eene kapitale som van dertienhonderd gulden f 1300,00
Renten daarvan sedert den eersten januari achttienhonderd vijf en negentig tot den twintigsten
november daaraanvolgende tegen vijf percent, zeven en vijftig gulden acht en zeventig cent
f 57,78
Aan Margje Waardenburg, weduwe van Johannes Sernee te Oudshoorn, wegens geleend geld, eene
kapitale som van vierhonderd tachtig gulden
f 480,00
Renten daarvan sedert den eersten mei achttienhonderd vier en negentig tot als voren, tegen vijf
percent, zeven en dertig gulden drie en dertig cent
f 37, 33
Aan den comparant Arie Verhagen, wegens voorgeschoten gelden, honderd twee en tachtig gulden
negen en zeventig cent
f 182,79
Aan Pieter van der Velden te Oudewetering, wegens gedaan verfwerk, twee en dertig gulden veertien
cent
f 32,14
Aan Gerrit Gortzak aldaar, wegens idem, vijf gulden vijfenzeventig cent f 5,75
Aan Gerrit Boot aldaar, wegens gedaan timmerwerk, drie gulden f 3,00
Aan docter Kimmel aldaar, wegens verleende geneeskundige hulp, zeven en twintig gulden vijf cent f 27,05
Aan Cornelis van der Lip aldaar, wegens geleverde manifacturen, zes gulden tachtig cent f 6,80
Aan de weduwe Pieter Boot aldaar, wegens gedaan gedaan scheepmakerswerk, zes en twintig gulden
twee en dertig en een halve cent
f 26,32½
Aan Spreij te Alphen wegens geleverd hout, vier en veertig gulden f 44,00
(Bij den aangehaalden inventaris is abusievelijk opgegeven een schuld aan den Haarlemmermeerpolder
wegens erfpachtsrecht, groot zestien gulden, als zijnde dit bereids tot den een en dertigsten december
aanstaande aangezuiverd)
 
Al welke schulden gezamenlijk uitmaken een bedrag van tweeduizend tweehonderd twee gulden zes en
negentig en een halve cent
f 2202,96½
Na aftrek, waarvan de zuiver te verdeelen staat der gezamenlijke nalatenschappen van de echtelieden
Jan Verhagen en Heintje Spaargaren, beloopt honderd een gulden
f 101,00
Waarin een vijfde deel bedraagt twintig gulden twintig cent f 20,20
Volgt scheiding en verdeeling:
Hem comparant Jacobus Jacob Verhagen komt toe uit de gezamenlijke nalatenschappen zijner ouders
een bedrag van twintig gulden twintig cent
f 20,20
In voldoening daarvan wordt hem bij deze in eigendom toegescheiden en aanbedeeld:
Eerstelijk van de meubilaire en andere roerende goederen op voormelden boedelstaat onder artikel een
voorkomende, een waarde van zeven gulden vijf en twintig cent
f 7,25
En ten tweede van de contanten, welke zooals hierna zal blijken door den deelgenoot Jan Verhagen,
wegens overbedeeling in den boedel zijn ingebracht, eene som van twaalf gulden vijf en negentig cent
f 12,95
Te zamen het aandeel van dien comparant uitmakende twintig gulden twintig cent f 20,20
Den comparant Jan Verhagen komt eveneens uit de gezamenlijke nalatenschappen zijner ouders, een
bedrag van twintig gulden twintig cent
f 20,20
In voldoening daarvan wordt hem bij deze in eigendom toebedeeld en afgegeven van de meubilaire en
andere roerende goederen op voormelden staat onder artikel een gebracht, eene waarde van vier en
dertig gulden en vijf en zeventig centen
f 34,75
En aangezien dien comparant slechts toekomt twintig gulden twintig cent f 20,20
Zoo is hem te veel toebedeeld een waarde van veertien gulden vijf en vijftig cent f 14,55
Welk bedrag door hem op heden in contanten in den boedel is ingebracht.
Den deelgenoote Elisabeth Verhagen competeert uit de nalatenschappen harer ouders zooals boven is
gebleken een bedrag van tien gulden tien cent
f 10,10
In voldoening waarvan haar bij deze wordt toegescheiden:
Eerstelijk van de meubilaire en andere roerende goederen, op meergemelden boedelstaat onder artikel
een vermeld, eene waarde van zes gulden
f 6,00
Ten tweede van de contanten welke hiervoren door haren broeder den comparant Jan Verhagen wegens
overbedeeling in den boedel zijn ingebracht, een som van een gulden zestig cent
f 1,60
En ten derde van de comparanten welke, zooals nader zal blijken, door den comparant Hendrik van Heek,
wegens overbedeeling in den boedel zijn ingebracht, een bedrag van twee gulden vijftig cent
f 2,50
Te zamen uitmakende het aandeel van de comparante Elisabeth Verhagen, de som van tien gulden tien
cent
f 10,10.
De minderjarige Hendrika, Jan Ketel en Elisabeth van Egmond zijn te zamen gerechtigd in de
nalatenschappen hunner genoemde grootouders tot een bedrag van tien gulden tien cent
f 10,10
In voldoening daarvan wordt hun vader goedkeuring en bekrachtiging van hunner toezienden voogd
toebedeeld en aan hunne moeder en voogdesse, de comparante Elisabeth Verhagen, in administratie
afgegeven van de contanten welke, zooals hierna zal blijken door den deelgenoot Hendrik van Heek
wegens overbedeeling in den boedel zijn ingebracht, een gelijk bedrag van tien gulden tien cent
f 10,10
Den deelgenoot Hendrik van Heek competeert uit de gezamenlijke nalatenschappen van de gemelde
echtelieden Jan Verhagen en Heintje Spaargaren, een bedrag van twintig gulden twintig cent
f 20,20
In voldoening daarvan wordt hem bij deze toebedeeld en afgegeven van de meubilaire en andere
roerende goederen hiervoren op den staat des boedels onder artikel een vermeld, een waarde van acht
en veertig gulden tien cent
f 48,10
En aangezien dien deelgenoot slechts toekomt twintig gulden twintig cent f 20,20
Zoo is hem teveel toebedeeld een waarde van zeven en twintig gulden negentig cent f 27,90
Welk bedrag door hem op heden in contanten in den boedel is ingebracht.  
Eindelijk komt den comparant Arie Verhagen zoals hierboven is gebleken:
a. Met de gezamenlijke nalatenschappen zijner ouders twintig gulden twintig cent f 20,20
en b. In voldoening van de schulden en lasten des boedels, twee duizend twee honderd twee gulden zes
en negentig en een halve cent
f 2202,96½
Dus te zamen twee duizend twee honderd drie en twintig gulden zestien en een halve cent f 2223,16½
In voldoening daarvan wordt hem bij deze in afzonderlijken eigendom toegescheiden en aanbedeeld:
Eerstelijk van de meubilaire en andere roerende goederen op gezegden boedelstaat onder artikel een
voorkomende, een waarde van tweehonderd dertig gulden dertig cent
f 230,30
Ten tweede, het huis met timmermanswinkel en verdere getimmerten, erf en tuin aan de Oudewetering
binnen Alkemade, kadaster sectie B nommer 1090, op voormelden staat des boedels onder artikel twee
breeder vermeld en omschreven en zulks tegen de waarde, waarvoor die goederen zijn uitgetrokken ad
veertienhonderd gulden
f 1400,00
Ten derde het woonhuis met verdere getimmerten, staande op den ringdijk van den
Haarlemmermeerpolder met het recht van opstal op dien grond, een en ander kadastraal bekend
gemeente Haarlemmermeer sectie N nommers 2169, 2162 en 2163 op den voorgaanden boedel
omschreven tegen de aldaar uitgetrokken waarde van vierhonderd zestig gulden
f 460,00
Ten vierde, de vordering ten laste over heur comparant, op denzelver staat onder artikel vier vermeld en
aldaar uitgetrokken tot vijf en tachtig gulden een en veertig en een halve cent
f 85,41½
Ten vijfde, de aldaar onder artikel vijf voorkomende vorderingen ten laste van diverse personen, te
zamen groot twee en dertig gulden vijftien cent.
f 32,15
En ten zesde, van de contanten, welke hiervoren door den deelgenoot Hendrik van Heek wegens
overbedeeling in den boedel zijn ingebracht, een bedrag van vijftien gulden dertig cent
f 15,30
Te zamen uitmakende het aan dien comparant toekomende de som van twee duizend twee honderd drie
en twintig gulden zestien en een halve cent
f 2223,16½

 

 

 

Tot slot verklaarden de erfgenamen "in privé en kwaliteit met den voorgaanden staat en begroting, gelijk met de daarop gevolgde scheiding en verdeeling, volkomen genoegen te nemen en daarmede den boedel tusschen wijlen de genoemde echtelieden Jan Verhagen en Heintje Spaargaren gemeenschappelijk bezeten, evenals de nalatenschap van ieder hunner, te houden als bij deze finaal te zijn vereffend, gescheiden en verdeeld, hebbende de comparanten deelgenooten verklaard ontvangen, overgenomen en voor hunne rekening aanvaard te hebben wat hun hiervoren respectievelijk is toegescheiden".

 

Op 17 mei 1897 wordt het voormalige huis te Oudewetering van Jan Verhagen en Heintje Spaargaren verkocht door Arie Verhagen aan wie het huis was toegewezen bij de boedelscheiding. Willem Slootweg, van beroep verveener, wonend te Haarlemmermeer, kocht het huis voor 1.700 gulden. Na de verkoop van het huis vertrekt ook Arie naar Haarlem, waar hij met zijn vrouw Neeltje van Vliet gaat wonen. Daarmee eindigt het verblijf van meer dan honderd jaar van de familie Verhagen in Oudewetering.

 

 

Herinneringen

Dat Jan Verhagen een bekende persoonlijkheid was in Oudewetering blijkt wel uit een brief van 27 juni 1932 van John J. Otten, 38 jaar na het overlijden van Jan. John J. Otten was geboren in 1871 en vertrok uit Oudewetering op 18 jarige leeftijd in 1889 naar Amerika. De brief was gericht aan zijn broer Celis Otten, die nog in Roelofarendsveen woonde. In de brief haalt John allerlei jeugdherinneringen op die zich afspeelden in Oudewetering en het volgende gedeelte begint waarschijnlijk met een reactie op een ontvangen foto of ansichtkaart:

 

"Ik zie geen enkel schip in de Wetering. Toen ik klein was, was het altijd druk met schepen en sleepbooten. Alle dagen gingen 70 tot 80 schepen voorbij. Friesche tjalken, Groninger schuiten en Meppeler praamen, Zuiderzee botters en vlotten met timmerhout voor de zaagmolens aan de Zaan, somstijds 300 meter lang. En dan was daar Piet van Dam, de scheepstimmerman, en Sjollema en dan nog een andere, allen aan den overkant. Gaan de booten van Karsjens altijd nog naar Leiden en Amsterdam? Of is hij dood- geconcurreerd bij de spoor? Toen was de Wetering een mooie bedrijvige plaats. Ik hoorde altijd het getik van die breeuwhamers op de werven. En komen er altijd nog Duitsche muzikanten? En beerenleiders? En dan die zangers met de harmonica, Andries Roet was er één van. En dan was er nog een andere, die had zulk een groote mond, als hij zong kon je wel een sinaasappel zoo door zijn mond in zijn maag gooien. En als je in die mond keek als hij zong, dan zag je niets dan tabak. In mijn geest zie ik nog Jan van Kruisen aan den waterkant staan. Dan keek hij over het water naar den overkant. Ik werkte voor Vlasveld in die tijd. Van dat reisje daar Celis herinner ik mij ook nog iets. Ik geloof dat ik van Alkmaar over was. Ik heb 2½ jaar in Alkmaar gewerkt. En vraag Jaantje eens of ze nog Juffrouw Beukman herinnert, met haar aschgrauw haar. Ze joeg Jaantje eens op een avond een doodschrik op haar lijf. Het was donker en opeens kwam ze met haar spookachtige gezicht voor het keukenraam. Jaantje gilde het uit en rende in de kamer. Ze kwam om een kleinigheidje te eten vragen en moeder zeide dat ze moest aan de voordeur in den winkel komen. Haar man was een zeer aardige en een goede kerel. Ik mocht hem graag. Wij werkten samen bij Vlasveld. Hij was zeer fijn Protestants, maar hij was nooit vervelend met dat gepreek waar zoovele fijne Protestanten een mensch mee konden vervelen. Jan Verhagen en Gortzak de schilder, die twee konden een paar uur staan preeken somstijds. Dat was helemaal niets voor die twee. Jaantje vraagde of ik nog herinnerde dat Cornelis Dijd 2 centen aan Leendert gaf en dan moest hij Sliedrecht “leelijke Chinees” noemen. Ik herinner mij dat niet, want ik was niet veel met Leendert. Wij hadden elk onze eigen vrienden, en Leendert heeft nooit erg veel met mij opgehad. Als we bij elkaar waren, dan hadden we altijd dadelijk ruzie. Zoo natuurlijk wij zochten elk onze eigen vrienden. En dan was ik twee jaren ouder, zoo dat maakt ook eenig verschil. Maar nu is dat natuurlijk allemaal vergeten en vergeven".

 

Bron: Stichting Oud Alkemade

 

 

Bedrijvigheid aan de Oudewetering omstreeks 1900.

 

 

 

 

 

   

Back Home Next