Brandkeur van Valkenburg (ZH)

 

(30 april 1690)

 

 

Het wapen van Valkenburg (1666)

 

 

Brantkeure

 

Wij Susanna Studler van Zurich, Vrouwe Douagiere van Valckenburgh doen kont ende kennelijck eenen ijgelijcken die desen aangaat dat naarde maal tot onser kennisse is gekoomen, hoe dat veele quaataardie menschen haer niet en ontsien de goede luijden haare huijsen, wooningen ende schuieren inde brant te steecken, soo als ons de nabuirige voorvallen ende bedroefde exemplen hebben doen sien, oock wel bij versuijm ende onverhoedelijck ongeval kan komen te ontstaan ende dat tot lessinge vandien gans geene genoechsaame ordre daar ontrent bij ons nochte onse predecesseurs en is gestelt, derhalven omme soo veel als ons mogelijck is ten dienste ende behoudenisse van onse goede ingesetenen daar inne te voorsien. Soo is 't dat wij te rade sijn geworden te maacken ende te ordonneeren dese brantkeure omme in tijde van brant ('t welck godt de heere genaedelijck gelieve te verhoeden) binnen onse heerlijckheijt van Valckenburgh geobserveert ende onderhouden te werden, alles op de boete ende pene hier naar gestatueert.

 

1.

Eerstelijck dat voortaan inde gemelte onse vrije heerlijckheijt van Valckenburgh beneffens de Officier indertijt sullen werden gestelt twee brantmeesters woonende in de selve heerlijckheijt ende dat gemelte Officier ende brantmeesters ijder jaar tweemaelen aldaar schouwinge ende ondersoeck sullen doen van 't brantgereetschap daarop ijder huijs en erve is gestelt namentlijck even voor ofte ontrent meij ende november respective.

 

2.

Dat een ijgelijck (wanneer de brantschouw sal geboden wesen) de gereetschappen daar op sij sullen sijn gestelt ten geprefigeerden dage sullen moeten stellen buijten haar deur op de buierstraaten ofte des selfs dammen omme aldaar bij den gemelten Officier ende brantmeesters gevisiteert ende voor goet off quaat gekeurt te komen werden op de boete van ijder stuck dat quaat gekeurt sal werden voor de eerste maal van acht stuijvers, voor de tweedemaal van sestien stuijvers ende dat daar nae de gebrekige gecompelleert sal werden tot sijnen kosten bij gijselingh ende daar en boven voor ijder dagh die den selven dien aangaande gijselingh sall komen te houden noch verbeuren gelijcke sestien stuijvers boven ende behalven alle gerechtelijcke kosten.

 

3.

Dat gemelte Officier ende brantmeesters oock behalven de voors. twee schoudagen t' allen tijden daar sij suspitie souden mogen hebben dat het brantgereetschap insuffant soude geworden sijn daar van inspectie sullen mogen neemen, ofte doen neemen ende 't geen daar aan gebreeckigh mochte gevonden werden ordonneeren binnen seeckeren korten dage t´selve te doen verbeeteren.

 

4.

Dat wiens gereetschap ten schoudage niet goet genoegh bevonden sal werden sulx daar aan ijets verbetert ofte vernieut soude moeten werden 't selve sal moeten laaten doen binnen acht dagen daar aan voor de eerste maal op een boete van twaeleff stuijvers, voor de tweedemaal van vierentwintigh stuijvers ende indien daar nae jemant nogh mochte komen in gebreecken te blijven van 't selve te doen repareeren, dat soodanigh person daart toe bij gijselingh tot sijnen kosten sal mogen werden geconstringeert ende boven dien alle dagen nogh verbeuren een boete van vierentwintigh stuijvers.

 

5.

Dat ten reguarde van die geene de welcke op de voors. schoudagen mochten bekeurt sijn acht dagen daer naer wederom beschouwinge sal werden gedaan ende dat ijmant als dan sijn gebreeckigh brantgereetschap niet behoorlijck gebetert hebbende verbeuren sal niet alleen de boete van vierentwintigh stuijvers, maar oock bij gijselingh als vooren tot het repareeren van dien geconstingeert werden ende boven de kosten van gijselinge nogh dagelijcx verbeure vierentwintigh stuijvers.

 

6.

Dat die op ladders gestelt sijn de selve wel langer en van meerder sporten sullen mogen doen maacken dan sij luijden gehouden sijn te weeten van achtien voet (voorsien met een ijsere haacke) maar niet korter ofte van minder sporten op peijne van twaeleff stuijvers.

 

7.

Dat de stengen vande branthaacken ten minsten sullen moeten lanck wesen van achtien voeten boven met een groote ijsere haack ende daar onder aan met twee houte bouten ten minsten van twee voeten langh op peene als vooren.

 

8.

Dat die op ladders met haacken sijn gestelt boven aan elcken priem van dito ladders sullen doen maacken een ijsere haack ende de selve alsoo moeten onderhouden op een boete van eene gulden.

 

9.

Dat ijder op gelijcke boete 't geheele jaar door sijn brantgereetschap als emmers, haacken, ladders ende anders daar hij op gestelt is in sijn huijs ofte bijderhant sal moeten hebben goet ende wel geconditioneert omme in tijt van noot op t´spoedigste te konnen bekomen ende gebruijckt te werden.

 

10.

Dat een ijgelijck op sijn brantgeweer van emmers (die alle van goet leer moeten sijn) haacken, ladders etc: sal moeten doen stellen sijn merck en teijken omme t´selve naar den brant te konnen kennen ende den eijgenaar wederom beschicken.

 

11.

Dat bij tijde van brant een ijder met sijn brantgereetschap waar op hij alvooren sal weesen gestelt metterdaat op 't luijden vande brantklock sal moeten gereet sijn ende in aller haast haar vervoegen op de plaetse vanden brant op boete van vierentwintigh stuijvers.

 

12.

Dat die op lantaerns gestelt sijn de selve ten tijde van brant sullen moeten stoffeeren met een brandende kaarse ende dat eenen ijgelijcken oock als dan voor sijn glasen sullen moeten stellen twee ofte meer brandende keerssen ten eijnde de hulpers beter souden mogen sien alles op een boete van twaeleff stuijvers.

 

13.

Dat een huijs ofte wooninge verkocht werdende het brantgereetschap van t´selve huijs ofte wooninge der kooper als een nootsaackelijck appendicx sal volgen ende sal geen verkooper het contrarie van dien mogen conditioneeren op een boete van twaeleff stuijvers en op een peene van vierentwintigh stuijvers daar over geen actie mogen moveeren.

 

14.

Dat bij tijde van vorst soo wel huierder als eijgenaar het ijs twee duijm dick sijnde geduierende ter naaster gelegentheijt bij ofte voor sijn huijs ende erff sal moeten maacken ende openhouden een bijte van 3 off 3˝ voet wijt ende de schotsen daar uijt komende boven op 't íjs schuijven ten eijnde elck passant vande beijte mach sijn gewaarschout op een boete ijder dagh tegens de gebreekige van ses stuijvers.

 

15.

Dat mede de huierders van huijsen ofte wooningen sullen moeten onderhouden alle 't geen waar op de eijgenaers vande selve huijsen sijn gestelt op gelijcke boeten als vooren.

 

16.

Item off het quame te gebeuren dat de gestelde brantmeesters in gebreecke bleeven de aangestelde schoudagen waar te neemen ende hen in haaren dienst niet behoorlijck en queten sullen sij elcx verbeuren tweeenveertigh stuijvers ende sullen des niet te min bij gijselingh in haaren dienst gecompelleert werden.

 

17.

Ende sullen de brantmeesters ende haar assistenten tot vervall vande onkosten op de schoudagen ofte anders vallende jaarlijcx tot lasten vande gemeente mogen brengen een somme van thien carolij guldens sonder meer.

 

18.

Lasten ende authoriseeren der halven onsen Officier ende Burgemeesteren omme elck een onser ingesetenen huijsen binnen onse vrije heerlijckheijt van Valckenburgh staande naar hunne groote waarde ende gelegentheijt op brantgereetschap te stellen ende 't selve gedaan sijnde sullen brantmeesters gehouden sijn sorge te gedragen dat alle het selve wel ende naar behooren wert onderhouden.

 

Ende werden bij desen tot brantmeesters aangestelt ende verkooren Burgemeesteren inder tijt. Alle welcke voors. boeten komen sullen ten profijte vanden Officier voor vijffsesdeparten ende de resteerende sesdepart voor den armen. Ende ten eijnde desen aangaande geene ignorantie sal konnen werden gepretendeert soo hebben wij gelast ende geordonneert gelijck wij lasten ende ordonneeren bij desen dat desen naar gedaane klockgeslagh van het raathuijs onser vrije heerlijckheijt van Valckenburgh sal werden affgekondicht ende dubbelt van dien geaffigeert. Aldus gedaan op den vierentwintigsten april anno sestienhondert ende t´negentigh.

 

(w.g.) Susanna Studler van Zurick, Vrou Douagere van Valckenburg.

 

Onder stont: Op huijden den 30en april 1690 is dese bij mij ondergeschreven Secretaris naers voorgaande klockgeslagh affgelesen.

 

Was onderteijkent D: Camper 1690.

 

Lijste volgens welcke bij den Officier ende Burgemeesteren van Valckenburgh in gevolge van de last ende macht op de selve verleent bij de Hoogh Edele Vrouwe Douagiere van Valckenburgh voors. de huijsen ende wooningen binnen de voors. heerlijckheijt sijn gesett op soo danigen brantgereetschap als hier nae volgt.

 

No. 1. Het huijs en steenplaets van Arij Hendericxe Binnendijck, een lantaeren met twee emmers.

2. Het huijs van Boudewijn van Leeuwen, een seijl, een emmer en een haeck.

3. De twee huijsen van ……. Egmont, een emmer en een haeck.

4. Het huijs en de pannebackerije van de wed. van Jasper Verhoeff, twee emmers, een lantaern en een tobbe.

5. Jacob van Egmont voor sijn twee huijsen, een emmer met een tobbe.

6. Het huijs van de weduwe Verhoeff, sijnde haer boerewooninge, een emmer met een hoosvat.

7. Het huijs van de wed: Gillis Merkan, een ladder met een emmer.

8. De pannebackerije van Jacob Naalhout, drie emmers met een haeck.

9. Het huijs van Jan Baerntsz. van den Bergh, een emmer, een lantaern met een hoosvat.

10. De huijsen van de wed: van Jan Claasz. van Weenen, een emmer, een tobbe.

11. Het huijs van Cornelis Outshoorn, een emmer, een hoosvat, een tobbe.

12. Het huijs van Jan Claesz. Boon de jonge, een emmer, een lantaern en een hoosvat.

13. Het huijs van Jan Boon den ouden, een emmer, een lantaern, een hoosvat.

14. Het huijs van Jan ten Holte, een emmer met een tobbe.

15. Het huijs van Pieter van Leeuwen, een emmer en een tobbe.

16. Het huijs van Arij van Diest, een emmer.

17. Het huijs van Pieter van der Hutt, een emmer, een tobbe.

18. Het huijs van de Hoogh Ed: Vrouwe Douagiere van Valckenburgh, een seijl, een emmer.

19. Het huijs van Jan Noordermeer, een emmer, een tobbe.

20. De vier huijsen van de Heer Duijvenvoorde, een seijl, twee emmers.

21. Het huijs van Willem Gravekamp, een lantaern, een tobbe.

22. Het huijs van Dirck Verkade, een emmer, een haeck.

23. Het huijs van Maartje Stevens, een emmer, een tobbe.

24. Het huijs Pieter Borsboom, een haeck en een emmer.

25. Het huijs van Anna Pieters, een tobbe.

26. Het huijs van Arent Willemsz. Borsboom, een emmer.

27. Het huijs van Arij Hendericxz. Binnendijck, een emmer en een lantaern.

28. Het huijs van Jan van Duijcker, een emmer, een hoosvat, een tobbe.

29. Het huijs van Jan Willeboortsz., een emmer, een hoosvat, een tobbe.

30. Het huijs van den Heijligengeest armen, een emmer.

31. Het huijs van Arij Stockert, twee emmers.

32. Het huijs met de pannebackerije van Jacob Verhoeff, twee emmers, een haeck, een tobbe.

33. Het huijs en molewerff van Jacob Arentsz. van der Merck, een emmer.

34. Het huijs vande heer Johan Hallingh, twee emmers, een ladder.

35. Het heeren en boeren huijs van Jonck: Cornelis Kruijck van Mierop, drie emmers, een haeck.

36. De twee huijsen van de heer van Heusen, vier emmers, een haeck, een ladder.

37. Het huijs van den heer van Bergen, twee emmers, een ladder.

38. De drie huijsen van de heer Berckelbach, twee emmers.

39. Het schoolhuijs, een emmer.

40. Het huijs van Willem van Egmont, twee emmers, een hoosvat, een tobbe.

41. De huijsen van IJsbrant Kouwenhoven, twee emmers. Nu Joost van Leeuwen, een lantaern, een hoosvat, een tobbe.

42. Het huijs daer't wapen van Valckenburgh uijthangt op den hoeck vande Sluijpsteeg, twee emmers.

43. Het huijs van de heer Just Valerius van Vasmaer, Officier, een haeck, een lantaern.

44. Het huijs van Anna Soetens, een emmer en een tobbe.

45. Het huijs de Haesewinthont, een lantaern.

46. De drie huijsen van Jacob Boll, drie emmers, een hoosvat.

47. Het huijs van Lodewijck Aarntsz. Taerlingh, een emmer.

48. Het huijs van den voors. heer Officier, een ladder, een emmer.

49. Het huijs van Aarnt Verhage, twee emmers.

50. Het huijs van de wed: van Cornelis Reijnsz. Sterrevelt, twee emmers, een hoosvat, een tobbe.

51. Het huijs van Arij Langevelt, een ladder en een haeck.

52. Het huijs van Ariaentje Buijsse, een lantaern met een tobbe.

53. Twee huijsen van Jacob Tomassz. Snaphaan, twee emmers.

54. Het huijs van Cornelis vander Beelt, smitt, een haeck, een tobbe.

 

(w.g.) V: van Vassmaes Cornelis Outshoorn Joh: ten Holt

 

Aldus gedaen ende gesett bij Schout ende Burgemeesteren voors: huijden den 30en april 1690.

 

Onder stont, Ter ordonnantie vande selve en was geteijkent D: Camper, Secretaris. 1690.

 

(GA Valkenburg, Keurboek van Valkenburg, folio 12 - 24 verso)