Commissie voor de scherprechter Jacobus van Aanholt

 

(28 juni 1784)

 

 

 

Radbraakkruis met ijzeren staaf en bijl

 

De ergste doodstrafvorm waartoe iemand veroordeeld kon worden was radbraken: aan handen en voeten op het radbraakkruis vastgebonden werd de veroordeelde letterlijk door de beul kapot geslagen. Met een ijzeren staaf werden al zijn botten gebroken. Veelal onthoofdde de scherprechter het slachtoffer nadien en zette het hoofd op een ijzeren pin op het radbraakkruis.

 

 

 

 

 

Pro Justitia

 

Commissie voor Jacobus van Aanholt, als Scherprechter van den Hove van Holland. Alzoo Jacobus van Aanholt, Bewaarder van den Scherpen Zwaarde van justitie, resideerende te Deventer, den Hove van Holland by Requeste heeft te kennen gegeven.

 

Dat enz.

 

Zoo is 't, dat 't voorsz. Hof, geexamineerd hebbende den inhoud van de voorenstaande Requeste, den Suppliant aangesteld heeft, en steld hem aan by deezen tot Scherprechter van den Hove, ende om de Steden onder de Jurisdictie van dien resorteerende, als Scherprechter, des verzogt zynde, te bedienen. Mits de Suppliant zyne residentie, geduurende zyne voorschreeven Bediening houde binnen de Stad Haarlem: ende dat onder den behoorlyken Eed en op de Articulen en Ordonnantiën hier na geïnfereerd:

 

Art. 1

Eerstelijk zal hy jaarlyks hebben een Tractement van vyf honderd Ponden te veertig Grooten 't Pond, betaald te worden by handen van den Rentmeester van Kennemerland, ofte van den Schout van Haarlem.

 

Art. 2

Als hy reizen zal drie ponden van veertig Grooten 't pond daags zoo lange als hy uit is, uitgezonderd den dag dat hy Justitie doet, zal hy geen Dag-geld hebben, maar te vreden zyn met het Loon.

 

Art. 3

Van elken Persoon, dien hy aan den lyve straffen zal, zal hy hebben zes ponden te veertig grooten 't pond, uitgezeyt binnen Haarlem alwaar hy hebben zal, na ouder gewoonte, een Stoop Wyns met een paar Handschoenen; en zoo wanneer hy, boven de dood, 't Lichaam op een Rad, en 't Hoofd op een Staak zal stellen, zal hy daar voor nog genieten een halve Justitie, te weten drie ponden Munten voorschreeven; ende van elken Persoon dien hy met den Zwaarde over 't Hoofd straffen zal, zal hy mede hebben zes ponden: gelyk hy ook nog in cas van onthalzing, en van 't Zwaard over 't Hoofd, zal mogen rekenen voor 't Zwaard drie ponden Munte als boven.

 

Art. 4

Van elken Persoon, dien hy ter Tortuure effectualiter leggen zal, drie ponden van veertig grooten voor elke reize, dat het zal gebeuren, en als hy niet en pynigt, maar dat alleen in zyne tegenwoordigheid iemand met de Bank of Pyne werd gedreigd, zal als dan hebben dertig stuivers zonder meer.

 

Art. 5

Van alle Justitie daar de dood niet na en volgd, te weeten, Geeselen, Oore, ofte Ooren aftesnyden, door de Tonge te steeken, Ooge, ofte Oogen uittesteeken, en Hand aftehouwen, ten toon te stellen of diergelyke, daar af zal hy hebben drie ponden te veertig grooten voor elken Persoon, en indien aan een Persoon meer dan eene executie valt, als Geeselen en Brandmerken, Geeselen en Ooren aftesnyden of diergelyke, daar voor zal genieten nog drie ponden als boven, gelyk ook meede drie ponden, wanneer daar eenige Instrumenten boven het hoofd van den Gecondemmeerden moet opgehangen, of denzelven een strop aandoen en die aan de Galg vast maaken.

 

Art. 6

Ende alzoo op een dagh twee of meer Gegeeseld, Oore ofte Ooren afgesneden worden, zoo zal hy voor elk Persoon een volle Justitie daaraf hebben, en dat zoo wel als hy Executie doet in den Haag als by andere Officiers.

 

Art. 7

Wyders zal hy gehouden zyn by alle Capitaale Executiën daar zulks nodig mogte wezen, zich van een of meer Knegts tot zyne Adsistentie te voorzien, zonder daartoe te mogen employeeren de Dienaars van de Justitie.

 

Art. 8

Als hy ergens ontboden word en zal hy niet meer mogen eisschen dan twaalf Stuivers voor elken myle voor zyn Waagenhuur.

 

Art. 9

Dat hy ook alle jaare zal hebben een nieuwe Mantel van alzulken pryze, als de Dienaars van den Procureur Generaal van deezen Hove jaarlyks zyn genietende.

 

Art. 10

Dat hy voorts gehouden zal zyn datelyk en praecise te komen, zoo wanneer hy by den Procureur Generaal of andere Officieren zal werden ontboden, zonder eenigzints te tardeeren, ten ware by notelyke Absentie, Ziekte of andere wettige oorzaaken, daarvan hy gehouden zal wezen op zyn komst suffisant bewys mede te brengen.

 

Art. 11

Dat hy ook getrouwelyk ende volkomentlyk doen zal, 't gunt dat hem by zyn Oversten, den Officier ofte Regters belast wordt, 't zy in strengelyk te Geeselen, als iemand daartoe gecondemneerd is; in 't Pynigen en anders wat zyn dienst aangaan mag, zonder kennisse van zaaken te nemen, of iemand daarinne te verschoonen, of aantezien, of eenige uitwegen te zoeken.

 

Art. 12

Dat hy ook te vreden zal wezen met zyn Loon hier getaxeerd, zonder daarboven te gaan, of ietwes meer van iemand te eisschen, in eenigerhande manieren, op poene van privatie van zynen dienst, ende voorts aan Lyf en Goederen gestraft te worden van alle Officieren en Regteren, die hem van stonden aan, als hy in eenige manieren contrairie van deeze ordres deede, zullen mogen apprehendeeren en corrigeeren, na gelegenheid van der zaake als vooren.

 

Art. 13

Ende ten einde de zaaken van Justitie niet veragterd en werden, zal hy niet mogen reizen uit Holland, dan by oorlof ofte consent van den Advocaat Fiscaal en Procureur-Generaal, op arbitraire correctie.

 

Gedaan in den Raade, den 28 Juny 1784.

 

(Onder stond) In kennisse van my (was getekend) J.F. Royer.

 

Accordeerd voor zoo veel het geëxtraheerde aangaat met de origineele Commissie, by my Secretaris in den Hove van Justitie van Holland en Zeeland, den 2 July 1802.

 

Raymond Slicher.