Reglement voor de bakkers, grutters en molenaars binnen Alkemade
(9 januari 1818)

De bakker, Jan van Vliet, 1635
Reglement voor de bakkers, grutters en molenaars van Alkemade B No: 21397 - 9 januarij 1818.
De Schout en Gemeenteraad van Alkemade C.a., gezien hebbende de aanschrijving van Hun Ed. Groot Achtb. de Heeren Gedeputeerden Staten van Zuid-Holland de dato 17 october 1817 no 2139/3 en de begeerte van Zijnen Majesteit daar bij gemanifesteerd; In aanmerking nemende dat sedert de afschaffing van den impost op het gemaal de zoo nuttige en noodzakelijke bepalingen van politie vervallen zijn;
Overwegenden dat het belang en hoogst mogelijk welzijn der ingezetenen gebiedend vorderd de vernieuwing en handhaving der bepalingen en verordeningen van politie. Heeft goedgevonden te arresteren onder nadere approbatie van Hun Ed. Groot Achtb., gearresteerd het aanvolgende reglement betrekkelijk de uitoeffening der brood en beschuitbakkers, broodslijters, grutters, meelverkoopers en koornmolenaars bedrijven in de Gemeente van Alkemade Ca.
Art. 1 Niemand zal het geoorloofd zijn het bedrijf van bakker, grutter, brood of meelverkooper en koornmolenaar uit te oeffenen dan behoorlijk gepatenteerd zijnde.
Art. 2 Geen andere soorten van brood zullen mogen gebakken of verkocht worden dan zoo als de zetting inhoud, namentlijk: best tarwebrood, mindere soort of huisbak, het zogenaamde krop uit de zak en het zuivere roggebrood, zonder dat echter daarbij verboden word het bakken van bolletjes of broodjes van zes looden en verder bekend kleingoed en krentebrood.
Art. 3 De brood of beschuitbakkers zullen geen ander brood of beschuit mogen bakken dan van zuivere gemalen tarwe of rogge, daaronder gereekend het zoogenaamde krop uit de zak en derhalven geen ongemalen rogge, uitgebuilde zemelen, geen gruttenmeel of achterblijfsel van boekweit, haver, gerst of grutten, noch eenigen anderen dergelijke specien onder het brood vermengen op eene boete van tien gulden en verbeurte van het brood.
Art. 4 Er word aan bakkers scherpelijk verboden eenige der voornoemde verbodene specien van elkanderen in te slaan of van hun zelve in hunne huizen te hebben, uitgezonderd hunne eigenen uitgebuilde zemelen en een kleine kwantiteit van ten hoogsten vijf ponden boekweitenmeel tot hunne eigen consumptie, veel min uit hunne huizen, noch ook elders winkelsgewijze eenige handel daar in te doen, zij zelven noch hunnen huijsgenoten op een boete van tien guldens.
Art. 5 De bakkers zullen geen brood mogen bakken of verkoopen dan hetgeen met hun merk getekend is en de Gemeenteraad met dit hun merk moeten bekend maken alsmede hunne namen op de manden, zakken etc., waarmede zij het brood rondbrengen en het graan ter maling bezorgen moeten stellen en zullen een of ander hier omtrent overtreeden verbeuren eene boete van tien gulden.
Art. 6 De bakkers, brood en meelverkoopers zullen het brood en meel tot geene meerdere of mindere prijzen mogen verkoopen dan zooals zulks voor ieder soort bij den zetting is bepaald en van welke zetting bij ieder van hun een afschrift in de winkel zal moeten opgehangen worden op eene boete als voren te verbeuren.
Art. 7 Geen presenten van brood of meel hetzij onder de benaming van Paaschbrood of Vastenavondmeel als andersints zullen door de bakkers of broodslijters op het door hun te verkoopen brood of meel mogen geschonken worden op verbeurte van boete als boven.
Art. 8 De bakkers en broodverkoopers zullen alle soort van brood moeten verkoopen volgens het gewigt zodanig als den zetting inhoud echter onder deezen verstande nochtans dat roggebrood van 12 lb. zal mogen wegen 12 lood meer of 8 lood minder, roggebrood van 6 lb. 8 lood meer of 4 lood minder, roggebrood van 3 lb. 6 lood meer of 4 lood minder, idem van 1½ lb 4 lood meer of 3 lood minder, hiervan nochtans uitgesloten wordende den kantbroden en kleingoed, alles onder verbeurte van 't brood en eene boete van tien guldens.
Art. 9 Geen brood hetwelk in de Gemeente ter verkoop mocht worden ingevoerd zal in geen geval anders dan volgens den inhoud der zetting op het brood van deze Gemeente mogen aangeboden en verkocht worden op eene gelijke boete van tien guldens en verbeurte van het brood.
Art. 10 De bakkers zullen gehouden zijn bij eede in handen van den schout af te leggen, te verklaren: "dat zij geen andere granen zullen laten malen dan onbedorven en bakbare tarwe en rogge en mitsdien geen andere granen tot het bakken van brood, beschuit of koek bezigen dan zuiver gemalen tarwe of rogge, noch eenig ander meel verkoopen dan zuiver en onvervalscht tarwe en roggemeel en zich wijdens stiptelijk naar den inhoud van dit reglement te gedragen".
Art. 11 De bakkers zullen niet meerder dan 25 lb meel tegelijk voor anderen mogen inslaan ten einde daar van brood voor menschen of vee te bakken zonder schriftelijk consent van den Schout, inhoudende den kwantiteit en kwaliteit van het meel, zullende mede de zak gemerkt moeten zijn met de naam van den eigenaar, welk consent insgelijks zal moeten inhouden de naam van den bakker bij wien het meel tot brood zal gebakken worden en zulks op eene boete van tien guldens door den eigenaar van het meel, alsmede op eene gelijke boete door den bakker te verbeuren, die bevonden zal worden contraire deezes gehandeld te hebben.
Art. 12 De molenaar zal niet vermogen voor den bakkers eenige andere granen dan onbedorven tarwe en rogge te malen en word aan hun wel expresselijk en ten ernstigste verboden het malen of breeken van eenige geraspten of gepelde tarwe, spelt of rogge op eene boete van tien guldens voor iedere zak. Niettemin zal den molenaar voor den ingezetenen ook anderen graan specien en mesting of beestevoeder mogen malen, zullende denzelven gehouden zijn zodanig graan waarvan mesting of beestenvoeder bij een bakker gebakken word ten minste met 3 lb. zand of aarde per Amsterdamsche zak te vermengen en hier declaratoir inhoudende dat hetzelve meel na behoren door hem met zand of aarde vermengd is aan den eigenaar van het meel moeten afgeven op eene boete als boven.
Art. 13 De molenaar zal zich omtrent het ontvangen van het maalloon moeten bepalen bij het navolgende tarief: als voor een zak tarwe 10 stuivers, idem rogge 8 stuivers, idem mesting 8 stuivers, ten waren hetzelve alleen bestond of vermengd was met erwten of boonen als dan 8 stuivers, alles per Amsterdamsche zak, zonder minder of meerder te mogen vorderen of ontvangen op verbeurte van tien guldens. En zal den molenaar gehouden zijn hiervoor het meel goed te malen, bij gebreken van dien zal op aanklachte gegrond bevonden wordende, zal den molenaar onverminderd dadelijk schadevergoeding voor den eerste maal ernstig worden gecorrigeerd en vervolgens telkens beboet met tien guldens.
Art. 14 Het gewigt van het gemalen graan zal niet meerder mogen verschillen met het gewigt van het graan voor den maling dan een en een half pond voor stuifmeel per Amsterdamsche zak op poene van tien guldens en dadelijke schadevergoeding van het vermiste.
Art. 15 De molenaar zal niet mogen malen op den zon of feestdagen dan na bekomen schriftelijk consent van den Schout op verbeurte van tien guldens.
Art. 16 De grutters zullen geen ander meel dan van boekweit mogen malen en hetzelve niet anders mogen verkoopen zoo dan als geen tarwe, spelt, rogge, haver, gerst, erwten, boonen of eenige andere specien tot meel mogen malen noch ook in hunnen grutterijen eenige steenen mogen hebben, die bekwaam zijn om er eenige tarwe, spelt of rogge op te malen, alles op de boete van tien guldens.
Art. 17 De grutters zullen niet vermogen vreemde meelsoorten onder het boekweit meel te mengen, maar hetzelve moeten geven, zuiver van kwaliteit, zoo als de zetting voorschrijft op verbeurte eener boete van tien guldens.
Art. 18 Ter richtige naarkoming deezer keure en teneinde Schout en assessoren ingevolge art. 30 van het reglement van het plaatselijk bestuur te adsisteeren, zullen dezelven bevoegd zijn, zodanige keurmeesteren te adsumeeren als zij luiden zullen geraden vinden en zulks tegen billijke belooning en ten einde altoos het nodige gewigt bij de hand te hebben zal zulks voor rekening der Gemeente worden aangeschaft.
Art. 19 Bij het doen der visitatien de kwaliteit en waardij van het brood en meel of het gewigt derzelven, niet conform aan dit reglement bevonden wordende zal al het voorhanden en niet in orde bevonden brood of meel worden prijs verklaard ten behoeve van de Algemeene Armen, onverminderd de bij ieder articul bepaalde boetens te verbeuren bij den overtreders.
Art. 20 Alle boetens zullen worden verhaald en moeten worden betaald in handen van den Schout en worden genoten, een derde voor de plaatselijke kas, een derde bij den ontdekker en een derde bij de Algemeene Armen der Gemeente, zullende gezegde boetens worden geïnt zoo als zulks met den invordering der plaatselijke belastingen gebruikelijk is.
Art. 21 Alle den in het hoofd dezer genoemde personen zullen zich ten hunnen kosten van een behoorlijke afdruk van dit reglement moeten voorzien. En zal deeze na bekomen approbatie van Hun Ed. Groot Achtbare Gedeputeerde Staten dezer provincie worden gedrukt, gepubliceerd en alommen in de Gemeente geaffigeerd.
Aldus gearresteerd bij den Gemeenteraad van Alkemade Ca. den 5e januarij 1818.
(w.g.) P. van Veen, Schout, 1818
Ter ordonnantie van dezelven
(w.g.) P. van Veen, secretaris.
(GA Alkemade inv.nr. 819)