Reglement voor de broodbakkers binnen Leiden

 

(begin 19e eeuw)  

 

 

 

 

 

 

 

 

Art. 1 Onder de nering en het ambacht der broodbakkers wordt begrepen het bakken en verkopen van alle soorten van brood, beschuit en hetgeen daaronder behoort, ook 't verkopen van tarwe en roggemeel, 't zij zulks bij de zak of maat geschied; en is van voorsz. nering of ambacht eener corporatie binnen de stad Leiden gevestigd onder 't bestuur van één overman en vier commissarissen.

 

 Art. 2 Al wie ten aanzien van deze nering als bakker en broodslijter het 3e art. van 't Algemeen Reglement op de neringen en ambachten binnen deze stad overtreedt, zal verbeuren f 25,-,- en als meelverkoper f 12,-,-.

 

Art. 3 Het inkomstgeld, bij deze corporatie te voldoen, is bepaald voor een bakker en broodslijter op f 25,-,- en voor een meelverkoper op f 10,-,- zullende nogtans zij die leden zijn geweest van het voormalig broodbakkersgilde kunnen volstaan met de betaling van de helft van het meerder bedragen van dit inkomstgeld boven hetgeen door hun voor inschrijving in 't voorsz. gild is voldaan.

 

Art. 4 Het jaargeld, door elk lid der corporatie die de bakkersnering uitoefenen, ten behoeve van de kas der corporatie te voldoen is bepaald op 1 stuiver voor elke zak graan welke door hen verbakken wordt, zoo echter dat hetzelve nimmer de som van f 6,-,- zal kunnen te boven gaan; moetende wijders de meelverkopers en broodslijters f 2,-,- 's jaars betalen.

 

Art. 5 Voor 't viseeren der patenten ingevolge art. 8 v 10 van het Algemeen Reglement zal bij deze corporatie worden betaald 6 stuivers.

 

Art. 6 Het bestuur der corporatie zal zorgen dat ten alle tijden een behoorlijk locaal aan den broodwegers wordt verzorgt.

 

Art. 7 Het zal niemand vrijstaan eenig brood, beschuit, noch meel binnen deze stad langs de straten te koop aan te bieden, op verbeurte van de te koop gepresenteerde goederen en eene boete van f 6,-,- daar en boven.

 

Art. 8 Niemand zal eenig brood, beschuit of meel in verkoop mogen geven, noch ook anderzints mogen verkopen, waardoor de broodzetting wordt overtreden, op een boete van f 50,-,-. Het zal echter aan de broodbakkers geoorloofd werden hun brood aan de slijters te geven 4 penningen beneden de zetting; het tarwebrood van 1½ lb. en het roggebrood van 3 lb., doch niet minder op gelijke boete.

 

Art. 9 Ten einde alle practijken, waardoor de bakkers elkander de nering en de kalanten onttrekken en door indirecte middelen de broodzetting overtreden, zal niemand aan zijn kalanten of aan diegenen, die het brood ten hunnen huizen halen, eenige gift van gebak van geld of geldwaarde, onder voorwendzel van een nieuwjaar, kermis, vastenavond, paasschen of andere hoegenoemde giften mogen doen of vereeren, op poene voor de eerste reize agterhaald wordende, te verbeuren eene boete van f 50,-,- en voor de tweede reizen agterhaald wordende arbitrair, hetzij met verbod van nering of anderzints, te worden gecorrigeerd.

 

Art. 10 Indien iemand, die zijn affaire verlaat, verkiest als broodbakker lid van deze corporatie te blijven, zal hij jaarlijks aan dezelve zoo veel moeten opbrengen, als hij in het laatste jaar van zijn affaire gecontribueerd heeft.

 

(GA Leiden, invnr. 509 - 10, Ontwerp-reglement)