Verhoor en bekentenis van Andries Barends

 

(6 en 7 februari 1788)

 

 

 

Foto van omstreeks 1895. Het derde pand van rechts is de herberg "De Witte Engel",  waarin  zich  ook het voormalige

 "Regthuys van Alkemade" bevond. Daarnaast aan de linkerkant staat het kerkgebouw van de Christelijk Gereformeerde Gemeente.

 

 

 

Verhoor en bekentenis van Andries Barends m.b.t. de moord op Jacobus Verhagen (6 februari 1788)

 

Pro Justitia. Crimineele regtdag gehouden binnen Alkemade op woensdag den 6e februarij 1788. Presentibus alle de Welgeboore Mannen. Articulen gedaan maaken en aan de Hooge Vierschaar van Alkemade overgeleverd bij Mr. Pieter Nikolaas Vossius, Baillu der hooge heerlijkheid van Alkemade voornoemd R: O: omme daar op te worden gehoord en geëxamineerd, Andries Barends, gevangen alhier.

 

Art. 1:

Langs welken weg hij gevangen, wanneer hij op dinsdag den 18e december 1787 des namiddags het roggebrood bij den bakker op het zuijdeijnde van de Oudeweetering had gekogt, na de Roelofarendsveen is gegaan?

 

Geandwoord:

Langs de ordinaire weg zuijdwaards tot aan de Galgekade, de Galgekade omme, voorbij de sluijs over de scheepmakerij in de Veen, de Veenderdijk langs en zoo noord aan na Trijntje van Ruijten.

 

Art. 2:

Of hij toen iets bij zig had, en zoo ja, wat?

 

Geandwoord:

Het brood en een paar kousseen in een blaauwe catoene zakdoek bij zig te hebben gehad.

 

Art. 3:

Bij wien hij in Roelofarendsveen is geweest?

 

Geandwoord:

Bij Trijntje van Ruijten.

 

Art. 4:

Wat hij daar gedaan heeft?

 

Geandwoord:

Bij Trijntje van Ruijten koffij gedronken en voor een bovenlander een brief voor zijn vrouw ter bezorging overgenomen.

 

Art. 5:

Hoe laat hij aldaar kwam en op welk uur weder vertrok?

 

Geandwoord:

Om 6 uuren in de Veen gekomen te zijn, aldaar aan de zuijdzijde van de herberg een ogenblik 2 ŕ 3 woorden met een meijsje gesproken te hebben en vervolgens bij Trijntje van Ruijten is aangekomen, wanneer kort daarna onder het koffij drinken de kaars wierd opgestoken en aldaar na besten onthoud ruijm een uur vertoefd heeft.

 

Art. 6:

Of toen nog bij iemand anders in de Veen is geweest en zoo ja bij wien?

 

Geandwoord:

Bij Dirk van Veen geweest te zijn.

 

Art. 7:

Of toen iets bij zig had en wat?

 

Geandwoord:

Het brood en de koussen in de blaauwe catoene zakdoek bij zig te hebben gehad.

 

Art. 8:

Wat hij daar deede?

 

Geandwoord:

Een brief van het wigt dat daar thuijs was en een … tabak voor haare vader meede genomen, de brief in zijn rokzak te hebben gestoken en de tabak eerst in zijn boezem in huijs en vervolgens in den doek bij het brood en de koussen buijten het huijs op den Veenderdijk gestoken te hebben.

 

Art. 9:

Op welk uur hij aldaar kwam en hoe laat hij van daar vertrok?

 

Geandwoord:

Daar gekomen te zijn direct nadat hij van Trijntje van Ruijten was gegaan en van daar vertrokken na gissing ruijm 7 uuren, zijnde hem, omtrent het huijs van den timmerman op het noordeijnde, ontmoet Cornelis Verkleij.

 

Art. 10:

Wat hij agter de heijning bij de draaijplank op het erf van den chirurgijn Nieuwenhuijs bij zijn aankomst niet tegenstaande den regen heeft nedergelegd en bij zijn vertrek weder opgenomen?

 

Geandwoord:

Het brood en de koussen in de blaauwe zakdoek zijnde.

 

Art. 11:

Of hij toen direct is na huijs gegaan, zonder zig agter een hegge of elders te verbergen?

 

Geandwoord:

Direct na huijs te zijn gegaan, zonder zig elders te verbergen en indien dat niet de waarheid was, wilde hij niet gezond van zijnen stoel oprijzen.

 

Art. 12:

Hoe laat hij des avonds tot zijn te huijs legplaats is aangekomen?

 

Geandwoord:

Zoo omtrent 8 uuren.

 

Art. 13:

Of hij toen niets heeft te huijs gebragt en wat?

 

Geandwoord:

Het brood en de koussen in de blaauwe catoene zakdoek. De brieven en de tabak in de Veen bekomen en hetgeen in die doek was, namentlijk brood, koussen en tabak in de keuken, direct bij zijn inkomst, op het kleijne tafeltje voor de glasen staande gelegd en uijt den anderen gebonden en vervolgens de tabak, de koussen des avonds in de zak gedaan, ter presentie van zijn slaapbaas en het brood nadat hij er een stuk had afgesneden, ´t welk door zijn slaapvrouw ook gezien was, des avonds of den volgende morgen zonder dat juijst te kunnen bepalen, in zijn rokzak heeft gestoken.

 

Art. 14:

Wat hij op woensdag den 19e december 1787 uijt het agterhuijs van zijn slaapplaats gehaald en in zijn groote zak heeft gepakt?

 

Geandwoord:

Een hoed die daar hing, welke hij op zijn hoofd heeft gezet en een tweede hoed die hij ´s avonds te vooren in de blaauwe catoene zakdoek, daar het brood, koussen en tabak in geweest was, had gebonden, uijt het agterhuijs heeft gehaald, dan niet te weeten dat hij iets in de groote zak des morgens gepakt heeft.

 

Art. 15:

Hoe laat hij dien morgen vertrok, wat hij bij zig had en op welken wijze hij dat droeg?

 

Geandwoord:

Des morgens om 5 uuren vertrokken te zijn met de groote zak op zijn rugge en de hoed in de blaauwe catoene zakdoek gebonden, aan zijn eene hand en een stok in de andere hand.

 

Art. 16:

Waarheen hij ging, langs welke weg, op wat wijze en met welk oogmerk?

 

Geandwoord:

Van zijn slaapplaats af de Nieuwe Weetering langs gelopen, vervolgens de Langeweg tot aan Dirk Koek om daar afscheijd te neemen, van daar na Arij van Amsterdam en Maarten Outshoorn insgelijks om afscheijd te neemen. Zoo de Langeweg langs na de Oudeweetering tot na bij het regthuijs, aldaar in een schip gegaan, daar meede gevaren binnendoor na Amsterdam. Van daar met de Elburger beurtman gevaren na Elburg, in gezelschap van anderen gereeden 4 uuren tot omtrent een uur aan deeze zijde Zwol. Vervolgens gedeeltelijk gereeden en gedeeltelijk geloopen de Heere of ordinaire weg langs op Lingen en van Lingen te voet na Schapen met oogmerk om aldaar te trouwen.

 

Art. 17:

Of hij dien dag aan den Billerdam een orloge te koop heeft gepresenteerd? En hoeveel daar voor geeijscht heeft?

 

Geandwoord:

Aan den Billerdam een horologie te koop gepresenteerd en daarvoor na beste onthoud twee en twintig guldens geeijscht te hebben.

 

Art. 18:

Welk zoort van orloge het was?

 

Geandwoord:

Een zilver met een gladde kas.

 

Art. 19:

Of en hoedanige ketting daar aan was, item of en welke ornamenten daar aan waaren?

 

Geandwoord:

Een staale ketting aan hetzelve geweest te zijn en aan die ketting een zilver besneede zegel, een koper sleuteltje en een koper ornamentje zonder te kunnen zeggen wat het was.

 

Art. 20:

Of en aan wien hij dat heeft verkogt en tot welken prijs?

 

Geandwoord:

Het horologie verkogt te hebben aan een smous te Amsterdam voor vijftien guldens en tien stuijvers.

 

Art. 21:

Hoe hij aan dat orlogie gekomen is?

 

Geandwoord:

Dat wanneer hij van zijn slaapsteede des morgens tusschen 5 en 6 uuren langs de Nieuweweetering loopende genaderd was tot aan de eerste schuur van Jan van den Bogaard, alwaar zig een stroohoop bevond en in hetzelve een gat, daarvoor staande bevond een onbekend persoon van een bekwaame grootte, rondagtige blaauwe rok, met klinken gemaakt van agteren, aan ´t lijf hebbende en laarsen aan de voeten, schuddende zig af als komende uijt dat gat, vragende hem hoe laat dat het was, ´t welk door hem was gezegd. Verder vragende of hij geen slok had, zeggende ik ben zoo koud, dat hij daar op had geandwoord, ik heb niet, je moest na de herberg loopen.

 

Dat gemelde persoon gezegd had ik ben laat gisteravond hier gekomen, dat zij al te bed waaren en nu heb ik de nagt hier moeten doorbrengen. Dat gemelde persoon vragende, als onbekend zijnde, hoe dat de plaats heette, ´t welk hij hem had gezegd. Dat dezelve persoon wijders had gezegd dat hij nat en koud was, want dat hij verdwaald was geraakt in ´t land en in een sloot was gesprongen, zeggende verder dat hij verleegen was om reijsgeld en hem gevangen vraagde of hij een horologie en 2 paar gespen (zijnde een paar schoen en een paar beengespen) van hem wilde koopen, als ook een roode zijde doek met een blaauwe rand erom, welke die persoon uijt zijn rokzak haalde. Eijsschende voor het horologie en de gespen zes en twintig guldens en voor de doek twee guldens. Dat hij met dezelve voortloopende tot aan het schuthok het horologie en de gespen had gekogt voor vier en twintig guldens en de doek voor vijf en dertig stuijvers.

 

Dat hij die persoon had betaald gedeeltelijk met het geld dat hij van de schoenmaker van Haarlem, ter somme van twintig guldens voor deszelvs moeder had ontfangen en hem de penningen had toegeteld met vijf en twintig enkele guldens, twee schellingen en een dubbeltje en agt duijten. Dat gemelde persoon hem verder vragende waar hij heen moest, daar op antwoorde, na Amsterdam, zeggende die persoon na Rotterdam, anwoorde hij na Amsterdam. Dat die persoon wijders had gezegd, ik wou dat je na Rotterdam moest, dan had ik gezelschap. Ik ben hier onbekend en ik weet de weg niet, wijst mij den weg. Dat hij die persoon op Alphen willende wijzen en hem dus na de Hoek van de Veen toe wilde meede neemen, gezegde persoon had gevraagd of hij over Leijden niet konde gaan. Denzelve de weg na Leijden onderregt had en daar na zijne reijs had voortgezet ende hem onbekende persoon verlaten had.

 

Art. 22:

Of aan den Billerdam ook gespen heeft geveijld en voor hoe veel?

 

Geandwoord:

Aan den Billerdam een paar zilvere schoen en een paar beengespen te koop gepresenteerd te hebben, zonder dat hij weet wat hij daar voor geëijscht heeft.

 

Art. 23:

Hoedanig die gespen waren?

 

Geandwoord:

Van een maaksel, rondagtig vierkant met zilvere beugels smalagtig van lijstwerk.

 

Art. 24:

Hoe hij daar aan was gekomen?

 

Beandwoord bij art. 21.

 

Art. 25:

Waar hij die heeft verkogt en tot wat prijs?

 

Geandwoord:

Aan een onbekende zilversmit te Amsterdam, de schoen en broekgespen nevens het zilver zegel van het horologie voor tien guldens min drie stuijvers verkogt te hebben.

 

Art. 26:

Hoe hij zijne reijse verder heeft voortgezet?

 

Beandwoord.

 

Aldus de gevangene gevraagd en bij dezelve geandwoord zoo als bij ieder articul staat geëxpresseert, dog heeft den gevangen op de resumptie nadat hem (overmits hij een en andermaal gezegd had dat hij wel aan de Heeren zien konde dat ze hem niet geloofden) gevraagd was of alle hetgeen hij had geandwoord na waarheid zoude zeggen en heeft vervolgens buijten pijn van banden en ijzer beleeden, dat hij het horologie en de gespen bekomen had door den doodslag.

 

Dat hij van den bakker op het zuijdeijnde gekomen zijnde, was gegaan na den Galgerkade. Dat hij aldaar een stuk van zijn gekogt brood had gegeeten, dat inmiddels de Oudeweetering af quam aanlopen een hem onbekend manspersoon, dat hem als ´t waare bij die gelegendheid was gezegd, deeze zult gij doodslaan, even alsof het hem met een lepel wierd ingegeeven. Dat hij van de Galgerkade afkomende, gemelde manspersoon, stilstaande hem gevraagd had waar hij heen moest, daar op had geantwoord, na de Veen. Dat hij gevangen aan dat manspersoon had gevraagd, waar heen hij moest en daar op had geandwoord, na den Rhijn. Dat gezegde manspersoon vooruijt loopende en hij gevangen agter hem aan in ´t voortloopen eenige treeden op de Langeweg gepasseerd zijnde, door hem gevangen met een stok, hem in de Hooge Vierschaar vertoond, dewelke hij erkende dezelve te zijn, twee slagen agter den anderen op ´t hoofd waren toegebragt, zoodanig dat gezegde manspersoon bij ´t geeven der eerste slag reeds viel en bij het bekomen van de tweede slag, welke hij onmiddellijk toebragt onder het vallen, nadat hij de stok vervat had, dood ter aarde wedersloeg.

 

Dat hij dezelve had beroofd van deszelvs zilvere schoen en broekgespen, hebbende van de eene schoen de gesp gesneeden omdat hij tot het losmaaken derselve zig geen tijd gunde en van de andere gesp afgemaakt en van de broek de gespen afgedraaijd. Dat die manspersoon gevallen was voorover en hij ter bekoming van deszelvs horologie dezelve had omgedraaijd. Dat daardoor gezegde manspersoon onder het uijtruken van deszelvs horologie in het water was gevallen. Dat hij gevangen op het zien aankomen van een manspersoon de Langeweg op van de Veen af, met de geroofde gespen en het horologie, mitsgaders de hoed van den doodgeslaagene, welke was vercierd met een orange strik, en in ´t midden van dien een blaauw roosje (zijnde die hoed bij het toebrengen van de eerste slag reeds van het hoofd af in ´t water gevallen) nadat dezelve uijt het water door hem gevangen was opgevist, is teruggekeerd na de Galgerkade en dezelve opgegaan. Dat hij de hoed aldaar had gedaan in een wit linde zakje, dat hij van de Hussaaren bekomen had.

 

Dat hij verder met den hoed in ´t zakje de Galgerkade rond was gelopen, bij de sluijs heen op de Veenderdijk aan, die langs na Trijntje van Ruijten en dezelve hoed in ´t zakje op een plankje in ´t voorhuijs had neergezet. Dat hij bij zijn vertrek dezelve weder had opgenomen en gedragen onder zijn rok tot bij Dirk van Veen, aldaar die agter de heijning neergezet en bij zijn vertrek weder opgenomen en in zijn arm gedragen tot aan zijn slaapsteede, alwaar hij dezelve in ´t voorhuijs op een plank had neergezet. Dat hij dezelve des woensdags morgens van daar gehaald en in een blaauwe catoene zakdoek heeft gedaan en dezelve gedragen heeft bij aanhoudendheijd, zelfs tot in het huijs van Dirk Koek en Arij van Amsterdam tot aan het schip, waarmeede hij gevaren is na Amsterdam, hebbende alleenlijk dezelve niet bij zig gehad in het huijs van Maarten Outshoorn, maar als dan voor het huijs op de bank neergezet.

 

Dat hij den hoed aan den Billerdam uijt den doek had gedaan, de hoed welke hij op zijn hoofd had in de zak gedaan en de hoed van den doodgeslagene op zijn hoofd gezet, vercierd met een orange quastje van de hoed, die hij op zijn hoofd gehad hadde en neemende de orange strik, die op den doodgeslagene zijn hoed geweest was af, en leijde dat in een punt van zijn eijgen hoed. Dat hij zoo gekomen zijnde te Amsterdam des donderdags morgens zijn eijgen hoed weder had opgezet en den andere verruijld aan een smous, tegen die hoed welke bij zijne goederen gevonden wordt en daar op vier stuijvers had toegegeeven, hebbende hij, zoo hij zegt, die ruijling gedaan omdat de hoed van den doodgeslagene zoo slegt was als zijnde in de binnenrand een gat, ´t welk met een draadje was toegenaaijd. Dat hij de orange strik bij zijne goederen had ingelegd en meede genomen na Schaapen. Dat hij het horologie en de gespen eerst aan den Billerdam te koop gepresenteerd heeft, zonder regt te weeten wat door hem geëijscht is, vervolgens het horologie te Amsterdam bij een horologiemaker, die hetzelve niet kopen wilde en bij het uijtgaan van den horologiemaker aan een burgerman, die merkte dat hij het verkopen wilde, hebbende daar voor geëijscht twee en twintig guldens. Dan zulks die man te veel zijnde het zelve eijndelijk aan een smous voor vijftien guldens en tien stuijvers had verkogt, zonder het zilvere cachet, ketting of ornamenten, alleen daar bij het kopere sleuteltje. Dat hij het zilver cachet en de zilvere schoen en broekgespen aan een zilversmit, woonende aan ´t water digt bij de Nieuwebrug te Amsterdam, had verkogt voor f 9: 15: - of negen guldens, zeventien stuijvers, na dat hij de gespen des woensdags aan den Billerdam te koop gepresenteerd en daar voor geld geëijscht had, zonder te kunnen bepalen hoe veel.

 

Dat hij de staale ketting van het horologie en het kopere ornamentje, ´t welk hij geen naam konde geeven, in zijn rokzak had gestoken en daar in nog gehad te Schapen. Dat hij aldaar gearriveerd zijnde na Lingen wordende hergebracht, na het zelve gevoeld had, dan niet meer in zijn zak zijnde ook tot heede toe niet weet waar het zelve gebleeven is. En heeft de gevangen wijders na dat het voorenstaande hem distinctelijk was voorgeleezen, daar bij gepersisteerd en met zijne onderteekening bekragtigd in de Hooge Vierschaar van Alkemade den 6e februarij 1788.

 

(was geteekend:) +++, waarom geschreeven stond, deeze merken stelde Andries Barends.

Mij present P: van Veen, gesworen clercq, 1788.

 

(NA, Rechterlijk archief van Alkemade, inv.nr. 3.03.08.009-42)

 

 

Verhoor van Andries Barends over de moord op Jacobus Verhagen (7 februari 1788)

 

Pro Justitia. Crimineele regtdag gehouden binnen Alkemade, 7 februari 1788. Presentibus alle de Welgeboore Mannen. Articulen gedaan maaken en aan de Hooge Vierschaar van Alkemade overgeleeverd door Mr. Pieter Nikolaas Vossius, Baillu van Alkemade voornoemd R: O:, omme daar op te worden gehoord en geëxamineerd, Andries Barends, gevangen alhier en geconfesseerden, den gevangen en geconfesseerden voor te houden de confessie van gisteren nopens den moord door hem aan Jacobus Verhagen gepleegd en te vraagen:

 

1. Wat hij daar heeft bij te voegen?

 

Geandwoord: Niets, alleenlijk dat hij de stok, waarmeede hij den doodslag begaan had, kort bij den Galgenkade had afgebroken, dan als dat met de intentie om die te gebruijken om een pak aan te dragen en dat hij de gesp van eene schoen met zijn zakmes had afgesneden, dat den doodgeslagene was gevallen met het hoofd aan de noordzijde van ´t voetpad, even in het gras en met de voeten schuijns afhellende in de Ringsloot. Dat hij ter bekoming van de gespen de beenen had opgehaald, den doodgeslagene opgebeurd en dezelve daardoor in de Ringsloot was gevallen, onder het uijtrukken van het horlogie.

 

2. Of hij niet moet bekennen dien moord met voorbedagten raade en in koelen bloede te hebben begaan?

 

Geandwoord: Ja

 

3. En zulks op een verraderlijke wijze aan eenen onbekenden, met wien hij zoo terstond in een vriendelijk gesprek getreden was? En dat wel met het oogmerk om hem te berooven en zig zelve te verrijken?

 

Geandwoord: Ja.

 

4. Of hij niet overtuijgd is desweege naar goddelijke en menschelijke wetten met de dood strafbaar te zijn?

 

Geandwoord: Ja.

 

5. Waar hij den hoed van den vermoorden in de blaauwe katoene zakdoek heeft gebonden?

 

Geandwoord: Dat hij den hoed in het kleijne witte zakje uijt het agterhuijs bij zijn vertrek genomen heeft en daar meede de deur aan zijn hand is uijtgegaan en dezelve hoed bij de heijning van Gerrit Dijkman uijt dat zakje en in de blaauwe katoene zakdoek gedaan heeft.

 

6. Of hij nog een roode zijdendoek, behalve die in zijn zak is, heeft gehad? Hoe hij daar aan gekomen en waar die gebleeven is?

 

Geandwoord: Nog een roode zijde doek met een blaauwe rand gehad en dezelve te Amsterdam van een werkman gekogt voor twee gulden en die aan zijn vrijster te Schaapen gegeven te hebben.

 

7. Hoe hij de gouden ring bekomen heeft?

 

Geandwoord: Derzelve bij den zilversmit, daar hij de gespen bij verkogt heeft, voor zes guldens en zeven stuivers gekogt te hebben.

 

8. Waarom hij ontkend agter schuur en hegge te hebben geloerd, daar het zeker is dat hij eenige dagen voor den moord in het vallen van den avond agter de schuur van Jacob van Benten, aan de Nieuweweetering staande, door Arend Schouten is gezien, loerende van agter de zuijdwest hoek dier schuur en wel een quartier lang in die houding is gebleeven, koomende eijndelijk wanneer Arend Schouten uijt de voeten was met een witte stok onder den arm na de Nieuweweteringerdijk? Gelijk hij ook door Pieter Jansz. Schuijn is gezien, komende van agter de Turfotters nevens de Langeweg bij de Nieuwewetering met een kneppel onder den arm agter het schuthok om. En door Jacob van der Lugt op dinsdag den 18e december 1787 des morgens vroeg op de Galgerkade is gevonden met een bloot mes in de handen? Alsmeede op den avond van dien zelven dag, maar weijnige uuren na den moord, door Willem Dukels agter de heijning aan de Langeweg tusschen de Franschebrug en Ebdeuren is aangetroffen?

 

Geandwoord: Dat hij agter de schuur van Jacob van Benten gezeten had om Willem Dukels op te wagten, ten eijnde aan dezelve meede te geeven een schoen, die hij van den schoenmaker te Haarlem voor het wigt bij Dirk van Veen t´huis zijnde, bekomen had. Dat hij agter de Turfotters nevens de Langeweg staande niet was geweest maar wel aan de schuthok had staan wateren, hebbende een ijke stok bij zig. Dat hij op dinsdag den 18e december 1787 des morgens vroeg op de Galgerkade had gestaan met een bloot mes in de hand, snijdende daar meede het brood ´t welk hij at en wagtende aldaar op een kameraat met wien hij was afgesproken na Langeraar en Leijmuijden te gaan. Dat hij niet dien avond dat hij den moord begaan had, maar wel op een andere avond door Willem Dukels agter die hegge was gevonden dan aldaar uijt de broek geweest te zijn en dierhalven geen oogmerk te hebben gehad het zelve tegen te spreeken, alleenlijk ontkennende te hebben staan loeren.

 

9. Of hij niet al eenige dagen bevorens een opzet had genomen om den een of ander te berooven, dien hij mogt aantreffen en zoo het niet anders konde ook met het dooden van zijnen evenmensch?

 

Geandwoord: Neen.

 

10. Of hij zig niet zulk een voornemen in den vroegen morgen van gemelden dinsdag op de Galgerkade onthouden had?

 

Geandwoord: Neen.

 

11. Met welk oogmerk hij in den namiddag van dien dag twee uuren lang in een geduurigen regen op de Geestlaan gebleven is?

 

Geandwoord: Met het oogmerk om twee keerels, zijnde stikkers, daar op te wagten ten eijnde dezelve te vragen of zij niemand wisten welke ook na het Bovenland moesten.

 

12. Of en welke moorden, roov en diverijen hij al meerder heeft gepleegd?

 

Geandwoord: Neen, geene meerdere gepleegd te hebben.

 

13. Uijt welken hoofde hij voor circa 4 jaaren uijt zijn vaderland is gevlugt?

 

Geandwoord: Dat hij voor circa 4 jaaren na Holland was gegaan om meerder geld te verdienen, maar niet gevlugt was. In het Hanoversche in Colshoorn bij Hendrik Boekhols had gediend, van daar na Staal, 4 ŕ 5 uuren van Hamburg, was gegaan om de vesting te helpen slegten en bevindende dat al daar niet genoeg te verdienen was op Holland was afgegaan.

 

14. Wat hij tot zijne verschooning wegens den beleeden moord aan Jacobus Verhagen gepleegd en andere euveldaaden weet in te brengen?

 

Geandwoord: Niet met al.

 

Aldus den gevangen en geconfesseerde gehoord en bij denzelve geandwoord zoo als bij ieder articul staat geëxpresseerd en heeft denzelve na distincte voorleezinge daar bij gepersisteerd en het zelve onderteekend in de Hooge Vierschaar van Alkemade aan d´Oude-weetering den 7e februarij 1788.

 

(:was geteekend:) + + +, waarom geschreeven stond, deeze merkens stelde Andries Barends, mij present P: van Veen, gezworen clercq, 1788.

 

(NA, Rechterlijk archief van Alkemade, inv.nr. 3.03.08.009-42)