Vonnis van Andries Barends

 

(12 mei 1788)

 

 

Justitia, Pieter Breughel, 1554

 

 

Vonnis van Andries Barends voor de moord op Jacobus Verhagen

 

Pro Justitia. Alzo Andries Barends, geboren te Uhlen in het ampt Steijnbrück, oud 34 à 35 jaaren, van handteering een dijkwerker of daggelder, laatstgewoond hebbende aan de Nieuweweetering onder deese hooge en vrije heerlijkheijd, thans gevangen van den Weledele Gestrenge Heere Mr. Pieter Nikolaas Vossius, Bailliuw dezer hooge en vrije heerlijkheid R:O:, buijten pijn en banden en ijzer aan deeze hooge vierschaar heeft geconfesseerd en beleeden:

 

Dat hij gevangen op dinsdag den 18e december 1787 na dat hij dien dag sedert den vroegenmorgen onder Leijmuijden, Langeraar en Rhijnsaterwoude had omgezworven, om drie uuren des namiddags aan het Zuijdenveer overgevaaren en aan de Oudeweetering onder Alkemade gekomen is. Dat hij gevangen bij den Bakker op het Zuijdeijnde, een drieponds roggenbrood gekogt hebbende voort gegaan is zuijdwaards na de Galgenkade en kort na bij die kade een stok heeft afgebroken, met intentie zoo als hij zegt, om een pak daar aan te draagen. Dat hij gevangen aldaar een stuk van zijn brood eetende en inmiddels zeker manspersoon hem gevangen onbekend van de Oudeweetering derwaards ziende aankomen, hem gevangen op dat gezigt, of bij die gelegendheid (zoo als hij zig uijtdrukt) als ´t waare gezegd was, even of het hem met een lepel wierd ingegeven: Deezen zult gij doodslaan.

 

Dat hij gevangen van de Galgenkade afkomende door gemelden manspersoon welke volgens des gevangens voorgeeven stil bleev staan, is gevraagd geworden: Waar hij heen moest?, dat hij gevangen daar op geandwoord hebbende: Na de Veen, voorts daar op aan den zelven onbekende man heeft gevraagd: Werwaards hij ging? en tot antwoord bekomen heeft: Na den Rhijn. Dat gezegde manspersoon vooruijtloopende en hij gevangen agter hem aan in ´t voortloopen eenige treeden op de Langeweg gepasseerd zijnde denzelve, door hem gevangen met de voors: stok die aan hem gevangen in judicio is vertoond, en welke hij voor dezelve heeft erkend, zijn toegebragt twee slagen agter den anderen op het hoofd, zodanig dat gemelde manspersoon bij het ontfangen van den eersten slag reeds viel en bij het bekomen van den tweeden slag, welken hij gevangen na dat hij den stok hervat had, hem onmiddellijk onder het vallen toebragt, dood ter aarde nedersloeg.

 

Zoo als dan ook naderhand is gebleeken, dat de nedergeslagene had bekomen twee zeer sterk gecontundeerde verwondingen aan het boven agtergedeelte des hoofds, zijnde de wonde aan de linker zijde van het agterhoofd ter lengte van wel vier dwarsche vingeren breedte, bogts of slangsgewijze even als men in zwaare kneuzingen der bekleedzelen gewoon is waar te neemen, en als pijramidaal gestrekt, zonder genoeg voelbaare uijtwendige panbreuk en zijnde de wonde meer ter regter zijde dog op gelijke hoogte als de eerste bevonden triangulair gapende vrij sterk in zijnen stompen hoek met hooggezwollen wanden der solutie in de hoofd bekleedzelen. Zijnde bij betastinge dezer verwondinge bevonden een deegelijke panbreuk met uijtsteekende scherpe beenpunten en het bekkeneel ter zijde daar van sterk ingedrongen en welke dat dan ook zoo uijt deeze als andere omstandigheeden al verder is gebleeken, dat de dood onmiddellijk op voors: kwetzing gevolgd is.

 

Dat de aldus neergeslagene voorover gevallen zijnde op het aangezigt met het hoofd even in het gras aan de noordzijde van het voetpad en met de voeten schuijns afhellende in de Ringsloot, hij gevangen ten eijnde de gespen der schoenen van den nedergeslagene te kunnen bekomen, deszelfs beenen heeft opgehaald en vervolgens de eene schoengesp losgemaakt, dog de andere vermits hij zig geen tijd gunde, met zijn zakmes heeft afgesneeden en voorts de broekgespen afgedraaijd en in zijn zak gestoken heeft. Dat hij gevangen al verder ten eijnde het horlogie uijt de broekzak van den vermoorden man te bekomen, denzelve heeft omgedraaijd en hetzelve uijt zijn zak gerukt, waardoor het lighaam in het water was gevallen of gezakt, hebbende hij gevangen het voors: horlogie ook bij zig gestooken. Dat hij vervolgens op het zien aankomen van iemand de Langeweg op van de Veen af met de geroovde gespen en het horlogie, waar aan een staalen ketting, zilver cachet, koperen sleuteltje en nog een dito ornamentje, mitsgaders de hoed van den nedergeslagene, welke vercierd was met een orange strik en in het midden van dien een blaauw roosje, welke bij het toebrengen van den eerste slag van het hoofd en in het water gevallen, door hem gevangen was opgevist, is terug gekeert na den Galgekade en aldaar den voors: hoed heeft gedaan in een wit linnen zakje, het welk, zoo als hij zegt, van de Hussaaren bekomen had.

 

Dat hij gevangen alzoo met de hoed in het zakje de Galgenkade rond geloopen, voor bij de sluijs na de Veenderdijk langs dezelve na Trijntje van Ruijten is gegaan. Dat hij gevangen aldaar in huijs komende het zakje met de hoed daar in op een plankje in het voorhuijs nedergelegd en na een weijnig vertoeven bij zijn vertrek weder heeft opgenomen, dragende het zelve onder zijn rok tot bij Dirk van Veen. Dat hij gevangen het zelve aldaar agter den heijning heeft nedergezet en bij zijn vertrek weder opgenomen, tot in zijn slaapsteede onder den arm gedraagen en aldaar in het voorhuijs op een plank nedergezet. Dat hij gevangen al verder denzelven hoed in het zakje den volgende morgen, zijnde woensdag den 19e december laatstleeden tijde, wanneer hij gevangen na Schapen in het Graafschap Lingen is vertrokken, weder van daar en meede genomen heeft, dragende dezelve alzo aan de hand, dog dat hij gemelde hoed bij de heijning van Gerrit Dijkman aan de Nieuweweetering in een blaauwe catoene zakdoek gedaan en alzo weder aan de hand gedragen heeft tot aan de Oudeweetering en en passant op de Goog bij eenige lieden afscheid neemende dezelve doorgaans bij zig gehouden heeft, hebbende alleenlijk niet bij zig gehad in het huijs van Maarten Outshoorn, maar als toen voor het huijs op de bank neergezet.

 

Dat hij gevangen zijne reijze van de Oudeweetering met een schip voortzettende aan den Billerdam gekomen, zijne eijgen hoed welken hij op had in de zak gedaan en dien van den nedergeslagene uijt den doek genomen en op zijn hoofd heeft gezet, na dat hij dezelve met het orange quastje welke aan den hoed dien hij had opgehad was geweest, vercierd had, terwijl hij de orange strik van den hoed der vermoorden mans afgenomen en in den zak in een der punters van zijnen eijgener hoed had neergelegd. Dat hij gevangen alzo gekomen zijnde te Amsterdam op donderdag den 20e decemberlaatstleeden, zijn eijgen hoed weder heeft opgezet, de orange strik bij zijne overige goederen in de zak gelegd, die hij na Schapen had meedegenoomen en den geroofden hoed verruijld aan een Jood tegen dien hoed welke bij zijne goederen nog gevonden is hebbende daar op maar vier stuijvers toegegeeven. Dat hij gevangen ondertusschen het voors: horlogie eerst aan den Billerdam te koop gepresenteerd hebbende, hoe zeer hij zegt niet te weeten wat door hem daar voor is geeijscht, vervolgens het zelve te Amsterdam bij een horlogiemaker, dog die het zelve niet koopen wilde, mede heeft geveijld en bij het uijtgaan weder aan een burgerman, dewelke merkte dat hij het verkoopen wilde hebbende, daar voor geeijscht twee en twintig guldens, dan zulks dien man te veel zijnde het zelve eijndelijk aan een Jood heeft verkogt voor vijftien guldens en tien stuijvers, alleen met het koperen sleuteltje, zonder het zilveren cachet, ketting of ornamentje.

 

Dat hij gevangen het zilveren cachet en de zilvere schoen en broekgespen ten zelven dage aan een hem onbekend zilversmit te Amsterdam meede heeft verkogt, hebbende volgens opgaave daar van ontfangen negen guldens en vijftien stuijvers of negen guldens en zeventien stuijvers na dat hij gevangen de voors: gespen al mede den voorigen woensdag aan den Billerdam te koop had gepresenteerd en daar voor geld had geeijscht zonder egter te kunnen bepalen hoe veel. Hebbende daar en tegen van het geld ´t welk hij voor dezelve gespen en het cachet ontfangen had, gekogt een gouden ring voor een somme van zes guldens en zeven stuijvers, terwijl hij gevangen de staalen ketting en het koperen ornamentje in zijn zak heeft gestooken, zonder te weeten waar het gebleeven is.

 

Dat hij gevangen daar na zijne reijze van Amsterdam eerst op Elburg en vervolgens gedeeltelijk met rijtuijg en gedeeltelijk te voet na Schapen in het Graafschap Lingen heeft voortgezet, alwaar hij dan ook op requisitie van den Heeren van den Heere Bailliuw R:O: ingevolge bekomen decreet van deeze hooge vierschaar op den 2e januarij deezes jaars is geapprehendeerd geworden.

 

Dat hij gevangen zig alzo heeft schuldig gemaakt aan een geweldadige, verradelijke en voorbedagte moord, gepleegd aan een onbekend persoon met wien hij even te vooren en een vriendelijke mondgesprek getreden was, zonder dat hij gevangen tot zijne onschuld of verdediging iets het allerminste heeft weeten in te brengen. En na dien het zaaken zijn, die in een Land van Justitie niet kunnen worden getolereerd, maar in tegendeel den Menschelijke Maatschappij daar aan ten uijtersten gelegen is, dat zulke bloedschulden van den landen worden weggenoomen, en anderen ten afschrik met de dood worden gestraft. Zoo is´t dat Welgeboore Mannen van de hooge vierschaar van Alkemade, gezien en geëxamineerd hebbende den crimineelen eijsch en conclusie door den Weledele Gestrenge Heere Mr. Pieter Nikolaas Vossius, Bailliuw deezer hooge en vrije heerlijkheid, R:O: gedaan en genomen en hun Ed: Agtb: overgeleverd, mitsgaders gelet hebbende op des gevangens eijgen en vrijwillige confessie buijten pijn en banden van ijzer gedaan en op alles waar op in deesen te letten stond en van eenige consideratie was, na ingenomen advis van neutraale regtsgeleerden, regt doende op des gevangens confessie, in Naam van Haar Edele Groot Mogende, de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland, den gevangen hebben gecondemneerd, gelijk Haar Ed: Achtb: denzelve condemneeren bij deezen, omgebragt te worden op het publicq schavot, alwaar men alhier gewoon is openbaare crimineele justitie te doen en aldaar gelegd op een kruijs en voorts van onderen op geradbraakt te worden mitsgaders eijndelijk dat zijn doode lighaam op het Galgeveld op een rad ten toon zal worden gestelt, en condemneeren den gevangen in de kosten en misen van Justitie, mitsgaders in de kosten van den processe.

 

Aldus gevonnist en gearresteerd bij welgeboren Mannen van de hoge vierschaar van Alkemade, collegialiter vergaderd zijnde aan de Oudeweetering, dempto Cors Outshoorn, op den 12e meij 1788. (ondertekend) in kennisse van mij (was getekend) P: van Veen, gesworen clerq, 1788. En gepronuntieerd in de hooge vierschaar voornoemd, present allen de leeden, deesen 21e meij 1788 en ten zelven dage aan den gevangen geëxecuteerd. (onderstaand) in kennisse van mij als Secretaris (was getekend) A:H: Engelbert van Banchem, 1788.

 

(NA, Rechterlijk archief Alkemade, inv.nr. 3.03.08.009-42)