Voorwoord
Eind 1990 vertelde mijn vader dat een familielid onderzoek had verricht naar de herkomst van onze familie. Later vernam hij dat dit onderzoek bleek aan te sluiten bij dat van de genealoog N. Plomp, zijn vrouw Z. Plomp-Kamphuis en mej. S.M. Verhagen uit Sneek. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt en in maart 1991 besloot ik contact op te nemen met de heer Plomp. Zijn vrouw stuurde mij daarna een aantal exemplaren toe van hun omvangrijke onderzoek, genaamd 'Bijdragen tot de genealogie van een geslacht Verhagen in Rijnland en Delfland'. Van belang voor onze tak zijn de vermelde doop-, trouw- en overlijdens-akten van de periode 1642 tot 1795 en verder de rechterlijke en notariële stukken van 1623 tot 1716.
Ondanks de beschrijvingen van de akten in dit onderzoek miste ik bij de bestudering toch de letterlijke transcripties van de oorspronkelijke documenten. Met de nodige inspanning werd het mogelijk van alle voor onze familietak relevante documenten kopieën te laten maken voor transcriptie en verdere bewerking. Daarna ben ik zelf op zoek gegaan naar aanvullend materiaal, waardoor over de periode van de 17e en 18e eeuw meer dan honderd nieuwe akten boven water kwamen. Behalve extra informatie over nog onbekende kinderen leverden deze akten ook nieuwe testamenten, boedelscheidingen, machtigingen en alle handtekeningen van de voorvaderen op. Bovendien kon door verder onderzoek de exacte woon- en werkplaats van vrijwel alle voorouders worden teruggevonden. Ook het verdere onderzoek over de periode van de 19e eeuw leverde veel nieuwe informatie op over onze voorgeschiedenis in Alkemade/Oudewetering. Inmiddels zijn vrijwel alle documenten gedigitaliseerd en voorzien van een transcriptie. De bedoeling is dat na de afronding van het onderzoek alle akten en transcripties nog eens in een aantal boeken worden uitgegeven.
Voor het terugvinden van alle doop- trouw- en begrafenis-akten (DTB-akten) is uiteraard veel gebruik gemaakt van de daarvan aanwezige kerkregisters. Na de Synode van Dordrecht in 1578 werd een begin gemaakt met de registratie van de lidmaten van de kerkgemeenschappen. Hierbij werden de doop-, huwelijk- en overlijdens-gegevens van de betrokken lidmaten bijgehouden. Van de periode voor 1642 zijn van onze familietak geen DTB-akten meer bekend. Na de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 nam het belang van deze kerkelijke registratie af, waardoor deze akten vaak nog moeilijk te achterhalen zijn. Toch vormt het uiteindelijke bijeengebrachte materiaal, op een paar uitzonderingen na, een vrijwel compleet overzicht van de stamboom van onze familie van 1642 tot heden. Indien van familieleden geen DTB-akten zijn teruggevonden zijn van hen vermeldingen uit andere bronnen toegevoegd.
Tijdens mijn speurtocht door de archieven kwam ik het tot nu toe oudste document tegen van onze familie, namelijk van 16 juli 1617. De verdere herkomst van onze familie is echter nog in nevelen gehuld. Uit onderzoek van verschillende akten uit de eerste helft van de 17e eeuw blijkt verder dat de oorspronkelijke familienaam wellicht niet Verhagen was maar Schout of Schouten. Dat zou kunnen duiden op het beroep van één van onze voorvaderen in de periode vóór de 17e eeuw. De naam Verhagen kan op verschillende manieren zijn ontstaan. In de eerste plaats zou het een ‘veredeling’ kunnen zijn geweest van de patroniem Hagen, die wel meer voorkwam in de 16e en 17e eeuw. In de eerste helft van de 17e eeuw begonnen steeds meer families hun naam te verfraaien door de toevoeging van ‘van der’ ook wel verdicht tot ‘ver’. Zo heb ik nog namen van vóór die periode teruggevonden als: ‘Jacob Pietersz. Hagen’ en ‘Pieter Jacobsz. Hagen’, die heel wel tot onze voorouders kunnen behoren. Een andere variant is dat de naam Verhagen ontstaan is uit een verwijzing naar de plaats van herkomst van één van onze voorvaderen. De naam Verhagen is dan een afgeleide vorm van de naam 'van der Hagen', die in de 17e eeuw ook in onze familietak nog wel voorkomt. De naam 'van der Hagen' verwijst dan waarschijnlijk naar de plaatsnaam 'Terhagen' of 'Ter Hagen'.
Uit een onderzoek naar de herkomst van een andere familie 'van der Hagen' blijkt deze verwijzing eveneens. De geschiedenis van die familie gaat uiteindelijk terug tot het jaar 1417. Rond 1574 komt een deel van deze familie uit Antwerpen via Dordrecht terecht in verschillende plaatsen in Nederland. In het oudst bekende document van 22 februari 1417 (GA Antwerpen, Scabinale Protocollen anno 1415-1417 fol. 548) van deze familie is sprake van een zekere 'Janne van der Haghen, alias Puwe'. Deze akte luidt als volgt:
"Jan de Scuijtere vercocht Janne van der Haghen, alias Puwe ende Beatrisen, sier dochter, advitam superstitus suam (aan de langst levende) tjaers 1 zister rogs op 1 huys met hove, lande, etc. houdende omtrent iii vierendeelen buynders, gestaen ende ghelegen ter List, tusschen Heer Wouters van der List etc. ende Jan Boods etc., dwele etc., dandum op Sente Peters in sporkille, te leverene Antwerpiae cum mensura ter stede …..".
De naam Puwe is een variant van de naam Pauw. Hieruit blijkt dat de oorspronkelijke familienaam van deze familie Pauw was, later aangevuld met een verwijzing naar de plaats van herkomst, namelijk 'van der Hagen'.
In een akte van 4 juni 1491 (GA Antwerpen, Scabinale Protocollen anno 1491, vol. II folio 101) van dezelfde familie verkoopt Jacop van der Hage alias Pu (kleinzoon van Janne van der Haghen) een stuk land te Edegem, dat hij van zijn vader Peter van der Hagen had geërfd en beschreven staat als: "oie aldaer ter Hage, tusschen 't goet ter Hage etc.".
Op deze plaats in Edegem (vlak onder Antwerpen) ligt nu het kasteel Arendsnest en herinnert de naam van de vlakbij gelegen straat "Ter Hoger Hagen" nog aan dit landgoed. Wat de verdere geschiedenis daarvan precies is weet ik niet, maar wellicht kwam 'Jan Puwe' of één van zijn voorouders hier vandaan. De verdichting van 'van ter Hage' via 'van der Hage' naar 'Verhagen' komt in meer familienamen voor (zie ook in bovenbeschreven akte "ter List" en "Heer Wouters van der List").
Indien onze familienaam inderdaad voortkomt uit de verwijzing naar een plaats, dan zou een tweede mogelijke plaats van herkomst van onze familie het dorpje Terhagen kunnen zijn dat eveneens vlak onder Antwerpen aan het riviertje de Rupel ligt, en van oudsher bekend is om z'n steenbakkerijen. In een akte van 23 januari 1504 (Stadsarchief Antwerpen, stadsrekeningen vol. 125 VB anno 1504 folio 257) staat dit plaatsje als 'Terhaegen' reeds beschreven. Monniken van de nabijgelegen abdij van Hemiksem begonnen reeds in de 13e eeuw in deze streek de klei tot stenen te bakken, vaak aangeduid als 'papenstenen'. Een snelle toename van het aantal steenbakkerijen langs de Rupel ontstond, toen na de brand van Antwerpen in 1546 het stadsbestuur de bouw van houten gevels ging verbieden en het gebruik van baksteen verplicht stelde. Het feit dat onze voorvaderen (de eerste drie generaties) vrijwel de gehele 17e eeuw werkzaam zijn geweest in steen- en pannenbakkerijen rondom Leiden maakt een dergelijke plaats van herkomst heel goed mogelijk, omdat veel Vlamingen aan het eind van de 16e eeuw naar Holland vluchtten als gevolg van de 80-jarige oorlog met de Spanjaarden.

Steenbakkerij bij Hemiksem, David Teniers de Jonge, 1660
Een derde plaatsje dat in aanmerking komt is het gehucht Terhagen vlakbij Elsloo in Limburg. De geschiedenis van dit plaatsje aan de oever van de rivier de Maas gaat zeker zo'n duizend jaar terug en ook hier bevonden zich steenbakkerijen.
Verder was er nog een dorpje Hage dat ook wel Ter Hage of Terhage werd genoemd en (evenals Terheyden) vlakbij Breda lag. Tegenwoordig ligt deze dorpskern binnen Breda en heet nu Prinsenhage. In de Vestboeken van Hage (Gemeente-archief Breda) staat in akte nr. 79 van 27 augustus 1500 en in akte nr. 37 van 26 maart 1501 vermeld: "Philips de Bye, scoutet des dorps van der Hage". De vervoeging van “van Ter Hage” naar “van der Hage” was ook in die tijd dus niet ongebruikelijk! De geschiedenis van dit dorpje gaat terug tot 1327.
Een volgende optie zou Den Haag kunnen zijn dat voorheen niet alleen ’s Gravenhage werd genoemd, maar in documenten van de 16e eeuw ook wel vermeld staat als "het dorp van der Hage". Tot slot bevinden zich in België nog drie plaatsjes met de naam Terhagen. Deze liggen op 50° 53' NB - 3° 53' OL, 50° 51' NB - 5° 4' OL en 50° 45' NB - 5° 55' OL. Of het onderzoek naar de herkomst van onze familie inderdaad tot één van deze plaatsjes leidt of toch ontstaan is uit een patroniem, moet nog blijken.
Tijdens mijn onderzoek in het notarieel archief van Leiden vond ik het tot nu toe oudste document van onze familie uit 1617. Deze akte is ondertekend met "Bij mijn Wollebrant Jacobsz.". Wollebrant Jacobsz. is de (tot nu toe) oudst bekende voorvader van onze familie. Hoewel zijn familienaam (van der Hagen of Verhagen) in deze akte niet wordt vermeld, blijkt uit zijn handtekening, die ook onder een akte van 26 maart 1623 voorkomt, dat het om dezelfde persoon Wollebrant gaat. In deze laatste akte staat hij namelijk samen vermeld met zijn vrouw Marijtge Adriaensdr. van der Marck. In een andere notariële akte van 15 oktober 1623 staat Wollebrant Jacobsz. beschreven als ondermeester op een 'steenplaets' (steenbakkerij) in Koudekerk aan de Rijn, waarvan Huijch Coedijck (burgemeester van Leiden) de eigenaar was. Ook in het belastingkohier hoofdgeld van Rijnland uit 1623 staat hij beschreven als ondermeester met zijn vrouw Marijtgen Adriaensdr., en hun kinderen Jan, Jacob (de oude), Jacob (de jonge), Pieter en Gijsbert. Ook hun knecht Beer en de meid Joleuntgen worden hierin nog vermeld.
In latere akten van 1638, waarin een deel van de erfenis van Jan Adriaensz. van der Marck wordt toegewezen, staan als erfgenamen de kinderen Jacob (de oude) en jonge Jacob genoemd in relatie met hun moeder Marijtgen Adriaensdr. van der Marck en hun vader Wollebrant Jacobsz. van der Hagen. Dit is het tot nu toe oudste document met de vermelding van de familienaam van onze tak. Jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen is de zoon, waarvan onze tak verder afstamt. De transcriptie van het eerste deel van deze akte luidt:
"Ick Dirck Pietersz. vant Rietvelt, Schout inden ambachte van Soeterwoude, doe cont een ijegelick, dat voor mij ende voor Jan Cornelisz. van Ouwater ende Tonis Huijgen, Schepenen in den selven ambachte, als getuijgen ten dezen versocht, gecompareert ende verschenen sijn Jacob Adriaensz. van der Marck ende Adriaen Adriaensz. van der Marck, soo voor hen selven mitsgaders als testamentare voochden over oude Jacob en Jonge Jacob Wollebrantsz. van der Hagen, beijde naergelaeten kinderen van Marijtgen Adriaensdr. van der Marck, gewonnen bij Wollebrant Jacobsz. van der Hage."
Het oudste document met de familienaam Verhagen (van der Hagen), 24 april 1638
In de akte van 1617 staat Wollebrant Jacobsz. vermeld als wonende "aen der Wadding". Ter Wadding is een buitenplaats even buiten Leiden binnen de gemeente Voorschoten en ligt dicht bij de Rijn. De naam Ter Wadding verwijst waarschijnlijk naar een verbreding in de Rijn vlakbij de stad Leiden, waardoor het water ondieper was. Op een kaart van Pieter Sluyten uit 1550 staat vlak bij Ter Wadding al een 'steenplaetse' (steenbakkerij) en een kalkbranderij afgebeeld. Door het beleg van Leiden door de Spanjaarden in 1574 is deze steenplaats afgebroken en naderhand weer opgebouwd. Misschien dat Wollebrant daar in de periode rond 1617 heeft gewerkt. Ook familieleden van zijn vrouw woonden en werkten "aen der Wadding".
Onderzoek naar de verdere herkomst van onze familie blijkt een weerbarstige zaak. Hoewel deze speurtocht inmiddels veel nog onbekende stukken aan het licht heeft gebracht, waardoor een beter beeld tot stand kwam van onze voorouders, blijft de weg verder terug vooralsnog in nevelen gehuld. In eerste instantie heb ik mijn aandacht gericht op literatuur met betrekking tot de steen- en pannenbakkerijen aan de Oude Rijn. Zoals boven reeds vermeld, staat Wollebrant Jacobsz. (van der Hagen) in 1623 als ondermeester van een steenplaats in Koudekerk aan de Rijn beschreven in een notariële akte en een belastingkohier. Zijn zoon Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude was als eigenaar van een steenplaats aangesloten bij één van de eerste kartels in Nederland, en staat in de notulen van dit gezelschap beschreven als het eerste lid dat de gemaakte afspraken wist te schenden.
De andere zoon, jonge Jacob Wollebrantsz. Verhagen (van onze tak), kwam door zijn tweede huwelijk in het bezit van een pannen- en tichelbakkerij in Valkenburg. Ook zijn zonen Arent en Engel werkten op een pannenbakkerij, evenals de zoon van Arent, Jacobus.
Omdat nader onderzoek omtrent Wollebrant in Leiden en omgeving vooralsnog geen stukken heeft opgeleverd van vóór 1617, houd ik er rekening mee dat hij van elders is gekomen. Met de mogelijkheid van een herkomst uit Vlaanderen in gedachte ben ik begonnen met een onderzoek naar een relatie via de steenbakkerij. Op meerdere plaatsen rondom Antwerpen bevonden zich in die tijd eveneens veel steen- en pannenbakkerijen, waarvan vrijwel zeker is dat werknemers en/of eigenaren naar Leiden en omgeving zijn gevlucht tijdens de 80-jarige oorlog (1568 - 1648). Misschien kwam hij uit Dordrecht, waar tevens steenbakkerijen waren en in die periode bovendien een Verhagen-tak zat, die uit Antwerpen kwam.
Een andere aanwijzing biedt wellicht z'n voornaam. De naam Wollebrant kwam ik tijdens mijn speurtocht in en rondom Leiden niet zo heel vaak tegen. In het "Caertboeck van den bailliuwschappe van Naeltwijck" van ca. 1620, vervaardigd door Floris Jacobsz. van der Sallem, staat een beekje of afwatering in de Nieuwe Broekpolder vermeld onder de naam "De Wollebrant". Verder kwam ik de naam Wollebrant nog een aantal keer tegen in de oude registers van Delft dus ook in de omgeving van Delfland kwam deze naam wel voor.
.jpg)
Detail uit "Caertboeck van den Balliuwschappe van Naeltwijck", ca. 1620
Tevens heb ik nog beperkt onderzoek verricht naar een mogelijke relatie via een familiewapen. In een aantal documenten gebruikte Jonge Jacob Wollebrantsz. namelijk de toevoeging "Schout" in zijn naam (de doopinschrijving van 1 december 1641 van Wollebrant, de zoon van Jacob de oude, de doopinschrijving van 26 december 1643 van zijn eigen zoon Arent en de notariële akten van 13 april 1647 en 15 mei 1648). Omdat deze toevoeging alleen door Jonge Jacob werd gebruikt leek dit een mogelijke verwijzing naar zijn functie, waarbij hij wellicht ook gebruik gemaakt heeft van een familiewapen ter bezegeling van de rechterlijke protocollen. Hoewel de documenten met betrekking tot de schout-benoemingen van de heerlijkheid Valkenburg en de beide Katwijken over de periode 1624 tot 1735 verloren zijn gegaan, bleek ook uit verder onderzoek dat hij nergens als schout vermeld staat in de protocollen van het rechterlijk archief van Valkenburg en Maassluis, waar hij in die periode heeft gewoond. Hierdoor lijkt het waarschijnlijk dat deze toevoeging geen verwijzing was naar zijn beroep, maar naar dat van één van zijn voorouders, waaruit later een familienaam was ontstaan, die weer verdween door het gebruik van de naam Verhagen.
Wel blijken de beide broers Jacob Wollebrantsz. als welgeboren man gediend te hebben in de hoge vierschaar. Jacob de oude staat vermeld als één van de welgeboren mannen van de hoge vierschaar van het baljuwschap Rijnland in het boek 'Costumen, Keuren ende Ordonantien van het Baljuwschap ende Lande van Rijnland' van Mr. Simon van Leeuwen (1667). De bevestiging hiervan vond ik terug in de decreetbrief uit 1659 van de hoge vierschaar van Rijnland. Jacob de oude woonde aan de Hoge Rijndijk in het ambacht Zoeterwoude, dat voor de hogere rechtspraak onder de jurisdictie van Rijnland viel. Jonge Jacob woonde in het dorpje Valkenburg en staat in de rechterlijke protocollen van die tijd vermeld als welgeboren man. In Valkenburg werden de schouten benoemd door de heer of vrouw van dat dorp, die met deze heerlijkheid beleend was. Omdat Valkenburg bovendien een vrije heerlijkheid was, viel de functie van schout samen met die van de baljuw, die in de hoge vierschaar met de welgeboren mannen tevens de rechtspraak deed over criminele- of halsmisdaden.
Van onze tak van de familie Verhagen is (nog) geen familiewapen teruggevonden, maar in de vloer van de dorpskerk van Leiderdorp vond ik nog wel twee grafstenen van Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude (overleden 1679/1680) en zijn compagnon in de steenbakkerij Willem Huijbertsz. van Arckel. Op beide grafstenen staat een inscriptie van een eigen meesterteken of huismerk. De verticale lijn met bovenaan een (omgekeerde) 4 staat voor het kruis van het christendom. De overige tekens staan voor de initialen van de naam. Op de grafsteen van Willem Huijbertsz. van Arckel (zie afbeelding) zijn de letters W, V en A duidelijk herkenbaar. Op de grafsteen van Jacob Wollebrantsz. de oude is dat minder eenvoudig. De letter W van Wollebrantsz. is natuurlijk wel duidelijk, maar de overige lijnen zijn niet direct herleidbaar tot begrijpelijke initialen.
Grafsteen van Jacob Wollebrantsz. Verhagen de oude