|
Rasbeschrijving

Fokker Frans de Nijs
Het is inmiddels alweer meer dan
20 jaren geleden (voorjaar '84) dat in Duitsland
het nieuwe ideaalbeeld van de Duitse Sch.Postd. gepubliceerd werd.
Vooral de Zuid Duitse fokkers onder aan- voering van Wolfgang Knüpfer hebben
zich daar enorm voor ingezet.
Ook in Duitsland was er onder de fokkers aanvankelijk erg veel tegenstand tegen
de nieuwe standaardafbeelding.
Men vond vooral het type veel te extreem (te lange hals en benen) en de gewenste
kopdracht te laagzichtig.
Nu na 18 jaar kan men vaststellen dat vooral in het vroegere West- Duitsland
het nieuwe type door iedereen aanvaard is.
Ook pertinente tegenstanders zoals
Heinz Becker,
de auteur van "Der Deutsche Schautaube"
wisten maar al te goed dat op de shows
de prijzen gewonnen worden door elegante hooggestelde dieren.
In het vroegere Oost-Duits- land bleef men lang vasthouden aan het oude type.
Deze waren wat lager gesteld met halzen die korter en dikker waren.
Men selecteerde daar vooral op vorm en structuur van de neuswratten,
daarnaast werden de hoogste eisen gesteld aan vulling en volume van kop en
snavel.
Na de val van de muur en het samengaan van de beide "Sondervereinen" showden
de Oost-Duitse fokkers
hun duiven ook op de "Haupt Sonderschau- wen"
Het is verbazingwekkend hoe snel zij er in slaagden het type van hun duiven aan
te passen.
Type en kopbelijning is natuur- lijk onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Laaggestelde compacte duiven met korte dikke halzen hebben haast zonder
uitzondering ook korte koppen met veel breedte en vulling in de voorkop.
In de lengte van de voorkop laten ze het veelal zitten.
Voor de fok zijn dergelijke duiven onmisbaar.
Met alleen selecteren op elegantie van type en lengte in voorkop degenereert
het ras binnen enkele generaties ot een soort tuimelaar.
De selectie moet men dus richten op behoud van volume in snavel en voorkop.
Het Duitse ideaalbeeld is in realiteit natuurlijk nooit helemaal te verwezen-
lijken.
Lang in hals, benen en voorkop en extreem kort in achterpartij gaat nu eenmaal
niet samen.
Noodgedwongen zal men een compromis moeten aanvaarden.
Met de duimstok is zo iets niet aan te geven.
Het geoefende oog van fokker en keur- meester bepaald of het geheel kan bekoren.
Onlangs vond ik een oud artikeltje uit 1984 waar het toen nog nieuwe
ideaalbeeld
in omschreven werd Sindsdien zijn er veel nieuwe fokkers van DSP bijgekomen.
Reden genoeg om dat oude artikeltje iets aangepast, hier nogmaals te laten
volgen

Bij vergelijking van het oude Duitse ideaalbeeld (uit 1966)
met het nieuwe (van 1984) vinden we de volgende verschillen: De hals is slanker
en toont daardoor langer en wordt verticaler gedragen, vooral de keeluitsnijding
is mooi scherp,
de borst komt nog iets geprononceerder voor de vleugelbogen uit, meer lengte in
de voorkop
(bedoeld wordt de afstand tussen oog en mondhoek) vooral de belijning van
de bekspleet is ingrijpend veranderd;
was hij vroeger vrijwel recht getekend nu loopt hij mooi gebogen vrijwel
evenwijdig met de bovenkop.
De kopdracht was in het oude ideaal- beeld nog vrijwel horizontaal nu is die
duidelijk benedenwaarts gericht.
Ook de oogrand is nog iets smaller getekend.
Mede door de iets hoger gedragen vleugels lijken de benen langer.
Het heeft geen zin om de Duitse standaard letterlijk te vertalen, het gaat toch
vooral om de interpretatie.
In de Ned. standaard komen kop en snavel nog op de eerste plaats bij de
beoordeling, in
Duitsland komen type en stand voorop.
In de praktijk van het keuren speelt dat geen rol meer, ook de Ned. keurmeesters
beginnen altijd met type en stand.
Bij de beoordeling van het type dienen we uit te gaan van de harmonie van het
geheel, op een forse doffer kun je geen super slank halsje verwachten.
Dieren van een
gemiddelde grootte (iets groter dan een vlieg-postduif) voldoen als showdier het
best.
De benen royaal middellang en heel licht gehoekt, de borst iets voor de
vleugelbogen uitkomende,
de hals eveneens middellang (dus beslist niet middelkort) en slank,
vooral een scherpe keeluitsnijding is voor een juiste kopbelijning zeer
belangrijk.
Met een slanke hals wordt een hals bedoeld die mooi vol uit de borst komt en
naar de kop toe snel in doorsnede afneemt.
Een strakke bevedering kan veel bijdragen aan die indruk van slank zijn.
Voor het type is het zeer belangrijk dat de hals echt verticaal gedragen wordt,
aanleg tot "hengstennek", volle kelen en wam moet streng worden bestraft.
De vleugels verlangen we mooi hoog gedragen zodat de rug goed wordt afgedekt.
De iets afstaande
vleugelbogen die een aantal jaren geleden nog werden verlangd zien we nu liever
niet meer.
Bij zeer strak bevederde duiven zijn de vleugelbogen ook aan de voorzijde
zichtbaar, dit mogen we niet bestraffen.
Maar als de vleugelbogen door de borstveren worden bedekt heeft dat de voorkeur.
De achterpartij zo kort mogelijk, omdat dit een kwestie van harmonie is kan geen
exacte maat worden aangegeven.
Een duimbreed langer dan de vleugeleinden is een goed uitgangspunt.
Te laag gestelde duiven lijken haast altijd te lang.
Aan de stand doen we
geen concessies, van geen enkele duif kan men verlangen dat hij 24 uur per dag
de door ons gewenste horizontale stand aanneemt
maar dieren die alleen met behulp van de keurstok daartoe worden gedwongen
hebben op een show niets te zoeken.
De omschrijving van de kopbelijning in de standaard is niet veranderd.
Toch zijn die superbrede voorkoppen van de shows verdwenen.
Voor goed gevormde lange neuswratten moet er ook voldoende lengte in de voorkop
zijn, bij die extra brede koppen ontbreekt die veelal.

Vaak voorkomende kopfouten in beeld
gebracht
We verlangen nu koppen met
een behoorlijke lengte in de voorkop, goed afgebogen met het hoogste punt van de
schedel boven de ogen en vooral de achterkop goed afgerond in de nek overgaande.
Van de zijkant gezien vormt de bo- bovenbelijning een zwakke booglijn,
die tussen snavelpunt en schedel niet wordt onderbroken.
Het oog moet zo geplaatst zijn dat er een behoorlijke dekking boven de ogen is.
Een krachtige snavel is vooral voor fokdieren een absolute eis.
Te fijne ondersnavels zijn ook bij showdieren onacceptabel.
Laag zichtig is een
uitdrukking die op de keurkaarten bij de DSP vrijwel niet meer voorkomt.
Toch moeten we ons hoeden voor teveel afbuiging dit is rasvreemd en doet denken
aan Neurenberger Bagadetten.
Het oog wordt rond verlangd met een heel smal oograndje (hoe smaller hoe beter).
De kleur van de oogrand is aangepast aan de veerkleur.
Bij zwart en donker wordt bijvoorbeeld een grijs oograndje ge- wenst.
Dit is vrijwel niet te verwezenlijken, bij deze kleurslagen zullen we een witte
oogrand moeten accepteren.
Rode, gele of aangelopen oogranden behoren tot de ernstige fouten en moeten
streng bestraft moet worden.
Vooral bij de witte kleurslag zien we vaak dat de veergroei, voornamelijk aan
de onderzijde,
niet helemaal bij de oogrand aansluit dit is foeilelijk en moet worden
bestraft.
Dit moet wel in de kooi worden vastgesteld, eenmaal in de hand genomen vertonen
de meeste dieren dit euvel.
Behalve bij de witten
en aan de kop bonten die een donker oog moeten hebben
verlangen we bij de overige kleurslagen een kersen- tot kastanje-rood oog.
Vooral bij de gelen is dit vrijwel niet te realiseren.
Donkere, gele of parelkleurige ogen moeten als een ernstige fout worden gezien.
Alleen aan de
neuswratten zou men een heel boek kunnen wijden.
Hierbij gaat het om vorm en struc- tuur.
De wratstructuur moet zo glad mogelijk zijn, iedere vorm van ribbeling moet
streng bestraft worden.
Ook het ontbreken van poeder bij de snavelpunt kost minstens een predikaat.
Wat de vorm betreft: de wratten moeten zo lang mogelijk zijn,
dus vrijwel bij de snavelpunt beginnen en doorlopen tot aan het begin van de
bekopening.
De bo- venzijde van de wratten, dus bij de veeraansluiting verlangen we
hartvormig (dus zwak ingesneden)
De kopbelijning zelf mag door de wratten op geen enkele wijze worden onderbroken
er is geen ander ras waaraan op dit punt hogere eisen worden ge- steld.
Als ideaal gelden wratten zonder midden- scheiding,
bij de huidige stand van het ras is een zwakke middenscheiding nog steeds
geoorloofd en mits aan alle andere eisen voldaan wordt kunnen deze dieren nog
altijd een hoog predikaat behalen.



Een te grove
middenscheiding waarbij de snavel- rug zichtbaar wordt reduceert het predikaat
tot onvoldoende.
Ook een te diep ingesneden wrat, een opgestulpte wrat
(dit is een wrat die bij de veeraansluiting een verhoogde rand vertoont)
een blazige wrat (dit zijn wratten die vooral zijdelings de kopbel.
verstoren) of aanleg 3e wrat (een drie- hoekig wratje bij de snavelpunt)
allemaal fouten die sterk vererven, het predicaat G. is dan het hoogst haalbare.

1.vloeiende achterkop 2.slanke
hals 3.schouderbreedte
4.rugdekking 5.smalle & korte staart 6.veerlengte
7.kiel 8.onderlijn 9.been inplant 10 .tandhoogte
11,krachtige,brede beeninplant 12.onderlijn 13.diepe borst
14.vleugelboog 15.hals aanzet 16.slanke bovenhals
17.diepe geronde keeluitsnijding.
Hoewel kleur en
tekening bij de beoordeling op de laatste plaats komen,
worden de daaraan te stellen eisen toch steeds hoger.
Dieren met roest in de banden of gekleurde dieren met witte ruggen zijn met een
G. dik beloond.
Maar dieren met een wat open krastekening kunnen nog altijd het hoogste
predikaat halen.
Gekleurde nagels of aangelopen snavels bij de witten is een ernstige fout,
ook één of meer witte nagels bij een gekleurd dier wordt streng bestraft.
Frans de Nijs
|