|
Start
Info over mezelf
Interesses
Favorieten
Weekjournaal
Fotomap
|
Vita Frederici Barbati nondum sancti
Ik ben geboren op 6 augustus 1945 te Zwolle, in het R.K. Ziekenhuis.

Na een dag of tien ben ik in een koets naar huis gereden. We woonden
toen aan de Groeneweg, nummer 164. Aan die tijd heb ik geen
herinneringen, ik zou een knappe baby zijn geweest als ik het allemaal
nog wist.
Ik was bijna twee jaar toen we van Zwolle naar Apeldoorn verhuisden;
volgens de overlevering was het een hete zomer, maar dat kwam echt niet
door mij. Ons nieuwe adres was Berghuizerweg 86, in een landelijke
omgeving: grindweg met kuilen die af en toe dichtgemaakt werden met
nieuw grind en leem, bomen en struiken om het huis, een voortuin en een
grote achtertuin, weiland achter onze achtertuin, met aan het eind de
beek, waar je kikkerdril kon vangen (zwemt niet weg), en met iets meer
moeite stekelbaarsjes. Ik ben er een keer in gevallen, je kon er niet
makkelijk in verdrinken—niet diep—, maar er ontstond toch paniek. Water
in mijn laarzen en een natte broek, dat was eigenlijk de hele schade.
Intermezzo:
Van Z tot A, Herinneringen van Frits
Zwolle is de stad waar ik ter
wereld kwam,
maar tegenwoordig woon ik in Amsterdam.
Ik was
nog net niet twee jaar toen we naar Apeldoorn verhuisden; mijn vroegste
bewuste herinneringen gaan terug naar Berghuizerweg 86 aldaar, Zwolse
herinneringen heb ik meer door bezoekjes aan familie, en door
logeerpartijen bij oma en opa Lemmens en bij tante Netta en oom Gé—mijn
nichtje Minie is van mijn leeftijd, dus dat klikte wel. Dat ik mij in
Zwolle in het ziekenhuis voor het eerst heb geopenbaard, en dat ik
prinselijk in een rijtuig naar huis reed, dat weet ik alleen van horen
zeggen.
Oma en opa (Lemmens; oma en opa Waanders waren ‘anderoma’ en ‘anderopa’)
woonden, toen ik als klein jochie bij ze logeren ging, aan de Groeneweg;
in de keuken hing een ding aan de muur met bakjes voor zand, zeep en
soda (dat zat er toentertijd geloof ik ook echt nog in), in de tuin was
een houten plee, zo’n soort bank met een rond gat erin en een deksel met
knop erop, en iets verder achter in de tuin stond een perenboom. Later
zijn oma en opa verhuisd naar de Rembrandtlaan, hondje Teddie verhuisde
mee; met zijn allen waren ze intussen een beetje oud geworden, ook
Teddie vertoonde grijze haren.
In die tijd woonden tante Netta en oom Gé in de Molendwarsstraat; achter
het huis was een betonnen binnenplaatsje, waar contact kon worden
gezocht met buurjongen Jurrie, en op zolder iets geheimzinnigs: een
afgeschut gangetje. Nou ja, of het zo geheimzinnig was valt nader te
bezien, maar geheimzinnig gemaakt werd het in elk geval wel. In dat
gangetje bewaarden mijn neven allerlei geheimzinnige dingen. Later
werden er flats gebouwd aan wat toen zo’n beetje de buitenkant van
Zwolle was, en tante Netta en oom Gé, benevens neven en nichtje (de
oudste, Annie, was toen al getrouwd), verhuisden toen naar de
Minervalaan. Oom Gé had daar in de kelder een werkruimte met onder meer
een draaibank. De geur van die kelder was precies zoals die moest zijn.
Ons thuis aan de Berghuizerweg was landelijk (ruraal, niet nationaal)
gelegen. De hal, met graniet bekleed, kwam je binnen door de ‘voordeur’.
De voordeur had een klein raampje dat je open kon doen, en een
ouderwetse bel—niet elektrisch, meer een soort grote fietsbel. Vóór de
voordeur bevond zich een stoepje met een rooster, waaronder het
keldergat zichtbaar was. Vanuit de kelder kon je door het raam ook in
dat gat kijken. Toen het rooster enigszins caduc was plachten er benen
doorheen te gaan, met als gevolg geschaafde schenen, maar zo was het
niet altijd geweest. Als ik me goed herinner zijn er toen planken aan te
pas gekomen om het gat in het rooster te dichten. Verder naar achteren
bevond zich de ‘achterdeur’. Deze had geen klapraampje en ook geen bel,
nette visite meldt zich aan de voordeur. Ook voor de achterdeur was een
stoepje, maar zonder rooster en keldergat. Door de achterdeur kwam men
in de bijkeuken, een vierkant voorportaal van de keuken, en via de
bijkeuken in de keuken. In de bijkeuken konden we onze emmers en bezems
kwijt.
In de keuken bevond zich onder het keukenraam, met uitzicht op het
noorden—en dus op de schuur, want die stond daar—, een granieten
aanrecht, met rechts een gootsteen, en aanvankelijk alleen koud water;
een geiser is er pas later gekomen. Die koude kraan was meteen de enige
kraan in huis, daar moest iedereen zich ’s morgens wassen, weer of geen
weer. Links op het aanrecht stond een rood geëmailleerd
petroleumstelletje en het gasstel, waarop grote pannen stonden te
pruttelen wanneer het de bedoeling was een warme maaltijd te serveren
(alle dagen behalve ’s zaterdags). Kilo’s aardappelen stonden daar te
koken, of pannen snert, soms ook wasketels met vuile was die schoon
poogde te worden. Voordat de eerste wasmachine ons keukenlicht zag werd
er druk geboend op een wasbord, waarschijnlijk betaal je je daar nou
blauw voor. Die eerste wasmachine was er een met een vin, en bovenop een
wringer. Eerst werd er ruzie om gemaakt wie aan de wringer mocht
draaien, maar toen het nieuwtje er af was mocht ik zonder concurrentie
mama helpen met dat aspect van de was.
Boven het aanrecht zat aan de muur een wandkoffiemolen; als men aan de
slinger draaide vulde het uitschuifglaasje aan de onderkant zich met
gemalen koffie. Men trok het glaasje als het vol was naar voren en
ledigde het in de koffiepot, schepje Buisman erbij, dan kokend water
erop en even laten trekken, omroeren, en door een zeefje inschenken.
Jaren later, toen we allang gewend waren aan filterkoffie, waren we in
Elburg op de Rivièracamping. We ontdekten dat we vergeten waren
koffiefilters mee te nemen. Dat werd dus ouderwetse kannetjeskoffie: een
openbaring! Wat een geur, wat een smaak, ouderwets lekker. (En dat is
niet ironisch bedoeld.)
Vanuit de keuken kwam men in de al eerder genoemde hal. Tegenover de
voordeur bevond zich links de kelderdeur, rechts de trap naar boven, met
halverwege een bocht naar links. Het was een vermakelijk vermaak om de
trap half op te lopen en dan vanaf de bocht naar beneden te springen. Er
moest goed opgelet worden: soms schoven de traproeden los, en dan liep
je het risico met loper en al anders beneden te komen dan de bedoeling
was.
Als men de tocht langs de trap niet onderbrak om naar beneden te
springen kwam men boven, waar zich de overloop uitstrekte. Links was er
eerst een deur naar de achterste slaapkamer, die de luxe van een balkon
had. De volgende deur links bood toegang tot de middelste kamer, die de
luxe van een koekoeksraam had. Recht vooruit was er tenslotte de deur
naar de voorste slaapkamer, waar mama en papa sliepen (en soms een
baby). Vlak vóór de slaapkamerdeur van onze ouders zat in het plafond
van de overloop een luik. Tegen Kerstmis werd het luik geopend en over
een ladder de vliering betreden: daar bevonden zich de kerstspullen, een
stalletje met beeldjes van Maria en Jozef, kindje Jezus, wat bijbehorend
gedierte, drie koningen uit het oosten, een engel om in de nok te
hangen, kandelaartjes voor kaarsjes bij het stalletje—één keer is het
mos in het stalletje in de fik gevlogen toen een kaarsenvlammetje zich
er te dicht bij gewaagd had, maar er stond veiligheidshalve altijd een
emmer water met schep naast de kerstboom, dus de brand was gauw weer
geblust—, en een grote doos met kerstballen en een piek en verdere
versierselen voor de boom. Het vlieringluik ging soms ook open voor het
aanleggen van een appelvoorraad, voor zover de appels niet in de kelder
werden ondergebracht.
De kelder. Als je de kelderdeur binnenging was daar eerst een soort nis
waarin het brood werd bewaard. Van bewaren was echter nauwelijks sprake:
de consumptie lag zo hoog dat de bakker moeite had om al dat brood aan
te slepen. Voor de nis langs draaide zich een trap naar beneden (of naar
boven, het lag er maar aan waar je vandaan kwam). Onder de trap lagen de
aardappels (voor de fauna daar raadplege men Frieda), verder waren er
schappen langs de muur, die zullen wel vol gelegen hebben. Ook op die
schappen lagen ’s winters soms bewaarappels, in vele soorten en maten en
geuren en kleuren en smaken. De kelder was de plek waar Frieda en ik
circusje speelden (acrobatiek), en waar ik chemische gevaren liep: een
aspirientje op een Buismanlepeltje boven een vlammetje plofte eens
plotseling, de hele kelder was gevuld met witte damp. Ik kon in ieder
geval dus mist maken. Toen ik later, buiten, aan het experimenteren was
met magnesiumpoeder en kaliumpermanganaat en dat soort troep, schoot er
een steekvlam over mijn vingers, dikke brandblaren en martelende pijnen.
Sindsdien had ik geen aspiraties meer om een beroemd chemicus te worden.
Gewoon uitvinder kon nog wel, maar de Voorzienigheid had anders
beschikt.
Vanuit de hal kwam je na binnenkomst door de voordeur links in de
‘kamers-en-suite’, met een schuifdeur ertussen. De kamer aan de voorkant
van het huis werd om begrijpelijke redenen de voorkamer genoemd, de
andere kamer heette de achterkamer. De achterkamer was de eigenlijke
woonkamer, de voorkamer was meer bestemd voor speciale gelegenheden
zoals verjaardagsvisite, daar dronk oma dan haar brandewientje of
jenever met suker, en tante Netta lustte ook wel wat op dat gebied.
Optredens ‘tussen de schuifdeuren’ hebben er ook plaatsgevonden, de
zilveren bruiloft van mama en papa was daar een goede gelegenheid voor.
Het huis is nu wel uitgeplozen. Op naar de schuur. In de schuur stond
het kolenhok. Dat betekende dus met de kolenkit naar de schuur om kolen
te scheppen. En laat het nou net altijd koud zijn als je kolen moest
halen! Dat heeft tenslotte wel eens tot gemarchandeer geleid, drie
stuivers of zoiets als beloning voor een hele week kolen halen. Achter
de schuur was de achtertuin, een aardig stukje land waarop papa groente
verbouwde. We hadden, afhankelijk van het jaargetijde, sla,
sperciebonen, doperwten, capucijners, tuinbonen, snijbonen, boerenkool,
rode kool en andere koolsoorten, worteltjes, andijvie, spruitjes en ik
geloof ook wel eens witlof en radijsjes, en beslist ook rabarber, uit
eigen tuin. Vlak achter de schuur stond een eierpruimenboom, en iets
verderop een appelboom. Tussen die twee bomen had ik een eigen tuintje,
jaarlijks goed bemest door de bladeren die in het najaar van die twee
bomen vielen. De groentetuin werd bemest met beer uit de beerput, daar
kan geen kunstmest tegenop. Achter in de achtertuin was links Johnny’s
tuintje en een klein schuurtje—oorspronkelijk een duivenhokje—, dat als
broeikasje van Johnny dienst deed, en rechts stond het (nieuwe, grotere)
duivenhok, op palen.
Vanaf de weg kwam je door een hekje het tuinpad op. Normaal gesproken
was het hekje breed genoeg, maar ik heb onder onopgehelderde
omstandigheden wel eens met mijn fiets het paaltje links of rechts
geraakt. Links van het tuinpad lag een gazonnetje met bloemenborders
erlangs, rechts van het pad was ook een border, het thuis van phlox en
hoe heten die gele bloemen ook al weer. Het pad verder volgend kwam je
dan bij het huis (links) en seringenbomen (rechts), een witte sering en
een paarse sering, en nog wat verdere begroeiing.
In die omgeving heb ik, met de afwisseling van de seizoenen zichtbaar en
voelbaar, door planten en struiken en bomen en kitten kolen in sneeuwige
en vorstige tijden, mijn jeugd doorgebracht. Ik was al een tijdje
geleden doorgeschoten naar Amsterdam toen er verhuisd werd, naar de
IJsselstraat. De huizenmarkt was een tijd nogal krap, en het heeft lang
geduurd voordat een wat moderner huis met meer gemakken (of minder
ongemakken) in zicht kwam. Ja, Driehoek 7, dat was prachtig, een mooi
huis met dennenbomen eromheen; maar meneer pastoor van de Victorparochie
heeft daar een stokje voor gestoken. We waren al zowat aan het inpakken
toen we te horen kregen dat het niet doorging: de eigenares van het huis
was met klem verzocht het huis toe te wijzen aan de nieuwe hoofdmeester
van de lagere school dewelke meneer pastoor onder zijn katholieke
vleugels had. Terwijl wij toch ook nette katholieke mensen waren!
het leven in ons buitenhuis
Het was niet
onplezierig wonen aan de Berghuizerweg. We hadden er een beek met
stekelbaarsjes en kikkerdril, een weiland (van de buren) met
pinksterbloemen, boterbloemen, meizoentjes, paardenbloemen, vleesbloemen
en nog veel meer, een tuin met variërende flora, al naar gelang het
jaargetijde, en bloeiende bomen. Altijd vers: groente uit eigen tuin, en
appels en pruimen, rode bessen, kruisbessen en frambozen (en bij de beek
ook bramen). Om ons te beschermen tegen het roekeloos eten van bessen
stonden onze ouders ons niet toe vlierbessen te eten, ook al kun je er
jam van maken (en smaakt vlierbessenjenever me voortreffelijk). Het
Orderbos en Willemsbos waren dichtbij. Over het Berkenlaantje liep je
langs korenvelden met in de zomer klaprozen en korenbloemen tussen het
gouden graan. Over het spoor was er een veld met knollen, die ons
uitnodigden er af en toe een te jatten (net radijs, maar dan in het
groot). Met al die natuur om ons heen beleefden we de jaargetijden op
een natuurlijke manier. Het hielp ook wel dat er toen iedere winter nog
druk gesneeuwd en gevroren werd; als dan een waas van jonge groene
blaadjes de berken langs de weg, vlak bij de Brouwersmolenweg, tooide,
wisten we: het wordt lente. En als aan de Veldekster de bladeren aan de
bomen rood, oranje, geel kleurden was het onherroepelijk herfst.
Maar er was wel een bezwaar, de afgelegen ligging (er waren nog geen
stadsbussen). Het was een eind lopen naar school (zeker drie kwartier
voor korte beentjes). Een tijd lang liepen Frieda en ik dat hele eind,
over de Berghuizerweg, Brouwersmolenweg, langs Van Gelder, een stukje
Eendrachtstraat, Hoenderparkweg, Rondweg Zuid, Arnhemseweg,
Fabianusstraat, en dan waren we er. Of we gingen het laatste stukje over
de Ravenweg en dan over woeste grond met brem, iets beneden
straatniveau. Als daar sneeuw lag, opgestoven tegen het walletje,
verdwenen we er haast in. Waar de Hoenderparkweg overging in de Rondweg
Zuid stond een kruidenierswinkeltje met een groene lantaarnpaal ervoor.
We kwamen op die hoogte soms een dame tegen die ons dan een pepermuntje
gaf. Ik meen me verder te herinneren dat we in het winkeltje wel eens
wat kochten, misschien kauwgom.
Er was nog een ander bezwaar: het huis was aan de kleine kant voor een
groot gezin. De zeven kinderen hebben weliswaar nooit allemaal tegelijk
daar gewoond—toen Lidy werd geboren was Berna het huis al uit, maar ook
met acht personen was het krap in drie slaapkamers. We stonden dus
ingeschreven voor een grotere woning, met slechte vooruitzichten in een
tijd van woningnood. Als kinderen waren we helemaal weg van een huis aan
de Molleruslaan, met een toren met zeshoekige kamers en een vijver in de
tuin. Daar zat een kantoor in van Landbouw en Voedselvoorziening; we
zouden er graag wonen wanneer dat kantoor werd opgedoekt. Maar daar is
het niet van gekomen. Een huis aan de Driehoek (nummer 7, als ik het me
goed herinner; mijn lievelingsgetal) hebben we bekeken en heel
aantrekkelijk bevonden. Het leek rond te zijn dat we daarheen konden
verhuizen, we waren al bezig met inpakken. Maar pastoor Gerritsen
beschikte anders, hij wilde de hoofdmeester van de nieuwe school in zijn
parochie daar huisvesten. Meneer pastoor heeft de eigenares van het huis
bepraat, en toen ging de verhuizing niet door. We mochten pastoor
Gerritsen toch al niet zo graag, hij had de nare gewoonte om mensen die
de kerk binnenkwamen als de mis al begonnen was (en dan onopvallend
achterin bleven staan) voor schut te zetten door te zeggen: “Komt u maar
naar voren, daar zijn nog plaatsen.”
Pastoor Gerritsen was een bouwpastoor, en het moet gezegd worden: het
resultaat, de Victor, was heel wat aantrekkelijker dan de Fabianus (en
Sebastianus), onze parochiekerk. Voordat de Victor was gebouwd werden ’s
zondags de missen in die parochie gecelebreerd in een gebouwtje dat door
de week als kleuterschool dienst deed. Aan de ne kant was het altaar,
aan de andere kant de preekstoel. Voor de preek moesten we ons dus
omdraaien, en daarna weer terug. Er waren meer van die noodkerken: we
gingen wel eens naar de Hubertus in Ugchelen (ik geloof aan de G. P.
Duringlaan—zo te zien ben ik dus nog gelovig), waar door de week een
post van het Rode Kruis zetelde (het kan ook een andere kleur dan rood
zijn geweest). Papa had een voorliefde voor de Mariakerk aan de
Hoofdstraat. Johnny, Frieda en ik waren een keer op zondagmorgen aan het
spijbelen bij La Venezia aan de Paslaan, in plaats van naar de kerk te
gaan. We zaten daar een ijsje te eten toen papa langs kwam fietsen; voor
zover we weten heeft hij ons niet opgemerkt, anders hadden we het wel
gehoord.
In onze jaren aan de
Berghuizerweg was er maar één telefoon in de buurt, bij Jonker. Als de
dokter moest worden gebeld gingen we naar Jonker, voor een dubbeltje
konden we dan telefoneren. We stonden op een gegeven moment op een
wachtlijst voor een eigen telefoon, maar je moest in die tijd nog heel
veel geduld hebben. Jonker had een drukkerij, mensen met een bedrijf
hadden voorrang. In de vroege fase van de televisie was er ook maar één
tv in de buurt, bij Oevermans. Op woensdagmiddag en zaterdagmiddag zaten
alle kinderen uit de buurt daar op de grond om de televisie heen.
Dappere Dodo, Varen is fijner dan je denkt, De Verrekijker (Verfkijker
zei Reggy). Alle programma’s werden aangekondigd door tantes, tante
Hannie, tante Ageeth, noem maar op. Als opgeschoten jongens (inmiddels
niet meer aan de Berghuizerweg) vonden Reggy en ik Dieuwertje wel leuk,
maar haar hebben we nooit tante genoemd.
Toen ik
bijna 4 ½ jaar oud was werd mijn broertje Reggy geboren. Boven mij waren
er al drie zussen en een broer (Berna, Willy, Johnny [overleden in 1980]
en Frieda), Reggy was dus nummer 6 in het rijtje, en vier jaar na hem
kwam ons kleine zusje Lidy, onze Batjamin. Lidy noem ik Tietje, maar dat
blijft onder ons. Van kleine Reggy en mij is er een befaamde foto:
(die grote ben ik)
Intermezzo:
Luchtrekenen, een oude vriendin en een sleetje
Als kind
had ik al een hoop fantasie. Ik trok streepjes in de lucht, die ik dan
ging tellen. “Fritsje, hoeveel is drie en vijf?” Drie streepjes in de
lucht en dan nog vijf, ik telde ze op en dan waren het er acht. “Acht.”
Ik had ook een vriendin, Mevrouw Lakschoen, ze woonde in Kootwijk. Als
ik bij haar op bezoek ging, hoefde ik niet een eind te fietsen of zo,
een gedachtesprongetje was genoeg, en ik kon binnen een paar minuten
terug zijn. Buiten mijn familie is Mevrouw Lakschoen niet bekend, de
burgerlijke stand heeft geen weet van haar. Als ze is overleden (zou
onderhand best kunnen; een kaart heb ik nooit ontvangen) is het
nutteloze moeite om naar haar graf te zoeken. Maar bij dezen plaats ik
een steen, uiteindelijk was ze een dierbare vriendin.
We hadden een oude slee, waar na vele jaren een paar plankjes vanaf
waren. De schroeven bungelden eronderaan. Wat deed Fritsje? Sleetje
melken.
Duur speelgoed had ik niet echt nodig, in en om het huis vermaakte ik me
met weinig of niets.
Er waren
kinderen in de buurt om mee te spelen, ik ben nooit naar de
kleuterschool geweest en heb het ook nooit gemist. Toen ik in de zomer
van 1951 zes jaar was geworden ging ik meteen naar de ‘grote school’, de
St. Jozefschool aan de Fabianusstraat. Na een jaar of wat werd er een
meisjesschool naast gebouwd, heel toepasselijk de Mariaschool geheten.
In de eerste klas van de lagere school had ik juffrouw Bruins, in de
tweede meester Jacobs, in mijn herinnering een saaie man (en ook het
leesboekje ‘Klaas en grootje’ was geloof ik nogal saai): ik lette vaak
niet op en moest dan nablijven, en dan kwam mijn zusje Frieda me halen
en mocht ik naar huis. In de derde klas werd het leuk, toen kregen we
meester Voskuilen, van wie ik van Frieda al had gehoord dat hij aardig
was en moppen vertelde. Onze hoofdmeester, meester Straus, kwam tekenles
geven; toen ik een klein paddestoeltje aan het tekenen was zei hij: “Dat
mag best wat groter, het hele vel is van jou!”
Meester Straus ging dood en toen werd meester Tanke hoofdmeester. Ik mag
me gelukkig prijzen dat ik meester Tanke in de klassen 4, 5 en 6 heb
gehad. Zo’n ouderwetse schoolmeester was een halve geleerde,
tegenwoordig vind je ze zo niet meer (geloof ik).
“Overhoor regelmatig de opgegeven katechismuslessen. Kortom, leef
mee met Uw schoolgaande kinderen.” Een aansporing tot de ouders van
Katholieke kinderen, op de Verslagkaart, een simpele kaart van het
formaat briefkaart. Gewoon cijfers, geen gekleurde bolletjes of andere
fancy manieren om ouders die zelf nog cijfers kregen helemaal in de war
te brengen. Als ik mijn katechismus had geleerd (eerst de Kleine, dan
voor rijpere leerlingen de Grote) haalde ik een 10, anders een zware
onvoldoende. In ieder geval wisten katholieke kinderen waartoe zij op
aarde waren.
Intermezzo:
pepermunt
en ander snoep
Tegenwoordig neem ik heel ouderwets pepermunt mee als ik op reis ga,
vooral wanneer ik reis met (klein)kinderen. Favoriet is nu Wilhelmina.
Vroeger was dat anders, toen was het King of Vaals. De pepermuntjes van
Vaals waren klein en rechthoekig, heel geliefd bij ons als kinderen;
grote mensen gaven de voorkeur aan King, dé pepermunt van toen. Opa
Lemmens gaf ons altijd een pepermuntje als we op bezoek kwamen, die
bewaarde hij in het rookkastje.
Je kon geloof ik twee rolletjes Vaals kopen voor de prijs van één
rolletje King. Maar King had een toch wel speciale positie in onze
jeugd: op onze verjaardag kregen we een Kingdoos vol met snoep,
eenduidig bekend als dé Kingdoos. Van tijd tot tijd prikte papa gaatjes
in een Kingdoos, daar stak hij dan lucifers in, zodat we solitaire
konden spelen.
Voor het geld dat we kregen voor onze ‘zaterdagsnoepjes’ (dan werd er
verder niet meer gezeurd over snoep) kochten we eerder Vaals, dat hakte
er minder in. We stonden altijd geruime tijd bij kruidenier Westhoff (De
Spar) te dubben wat we voor ons geld zouden kopen, toffees, tumtum,
kauwgom (met filmsterrenplaatjes), of bij drogist De Bruin gemalen drop.
Zwart-op-wit is van latere datum, maar dat kan niet tippen aan de
gemalen drop van toen.
Soms kregen we vrijdag al geld voor de zaterdagsnoepjes, dat kan ik met
zekerheid reconstrueren, want kapelaan Jansen (de saaie; kapelaan
Boelens was veel jovialer) betrapte me een keer op snoepen onder de
godsdienstles; toen ik het over zaterdagsnoepjes had merkte hij op dat
het pas vrijdag was. Dat klopte natuurlijk, maar je gaat niet ineens de
naam van je snoepjes veranderen. Of hij ze heeft afgepakt weet ik niet
meer. Bijbelse geschiedenis en catechismus kregen we gewoon van meester
Tanke, de kapelaan kwam speciaal om ons op het hart te drukken dat we
ons niet schuldig mochten maken aan onkuisheid. Dus als je in bad ging
mocht je niet aan je piemel komen en dat soort zaken. Trouwens ook niet
als je niét in bad ging. Maar dat heeft niet zo veel meer met pepermunt
of ander snoep te maken.
De Bijbelse geschiedenis, de structuur van het Kerkelijk jaar, in de
Advent toeleven naar Kerstmis, de 40-daagse vasten met het
vastentrommeltje, dan Palmpasen (met een palmpaasstok over de weg
lopen), de Goede week en eindelijk Pasen, dat zijn elementen in mijn
opvoeding die ik beslist waardevol vind. De Kleine Communie en de Grote
Communie waren echte feesten, het Vormsel heeft minder indruk op mij
gemaakt, ook al werd dat door de bisschop gedaan. Naar de schoolmis ben
ik nooit geweest, het kostte al moeite genoeg om op tijd op school te
komen, ’t was een heel eind lopen.
Intermezzo:
’s morgens vroeg
Het was, vooral
in de donkere maanden, moeilijk om ’s morgens vroeg je bed uit te komen.
Als je naar school moet, moet je wel. We hadden één warmtebron in huis,
de kachel in de woonkamer (“achterkamer”; de voorkamer was voor bezoek).
Als het vroor stonden in de slaapkamer de ijsbloemen op de ruiten, en
het zeil was koud. Nog even onder de dekens, lekker behaaglijk, maar op
het laatst is er geen ontkomen meer aan: “Opstaan!!!” Beneden, als we
eenmaal zover waren gekomen, stond de radio aan. Papa moest de tijd in
de gaten houden, anders miste hij de bus naar zijn werk. De radio
vertelde om de vijf of tien minuten hoe laat het was. En wat hoorden we
om de tijdmeldingen heen? Waterstanden (“was zo-en-zoveel”; ik begreep
toen nog niet wat ‘was’ was), “Komt socialisten, sluit de rijen”, nieuws
voor boeren en tuinders; er was iets op dicteersnelheid, maar ik weet
niet meer wat dat was. Natuurlijk ging het om de tijd, de rest was
bijzaak. Papa had altijd haast, de laatste hap brood terwijl hij zijn
jas aandeed, nog gauw een slok thee. Thee heeft de eigenschap lang heet
te blijven, dat is dus oppassen geblazen, of gewoon geblazen, want wie
zijn mond brandt kauwt met blaren. Met één arm al in de mouw van zijn
jas sprong papa op de fiets, naar de Brinklaan, waar de bus naar
Hoenderloo en Ede een halte had, of naar het station voor de bus naar
Arnhem. Qua standplaats was papa een zwerver. Die dus altijd ’s morgens
vroeg de tijd in de gaten moest houden. Als katholiek kind hoorde ik
zodoende dagelijks het socialistisch strijdlied. Dat zal wel niet op de
KRO geweest zijn.
Op de lagere school hadden we 6 dagen per week les. De schooluren waren
van 9 tot 12 (met een speelkwartier erin) en van half 2 tot half 4,
woensdag- en zaterdagmiddag vrij. Ook toen ik op het Gymnasium zat
hadden we op zaterdag nog school, de vrije zaterdag heb ik pas in mijn
studietijd leren kennen.
Toen ik naar het gymnasium ging zei meester Tanke dat dat wel even
wennen zou zijn: daar zei je tegen de leraren niet ‘meester’ maar
‘meneer’—daar schijnt een beetje de klad in te zijn gekomen. Een
juffrouw was altijd een juffrouw, of juf. Op het gymnasium kreeg je voor
ieder vak een andere docent, dat was steeds wisselen van lokaal.
Op het gymnasium heb ik al snel mijn hart verpand aan het Latijn, en
daar kwam in de 2e klas nog Grieks bij, met vreemde letters
(die ik in de 1e klas al had proberen te ontcijferen in een
mythologieboekje); Fortuna/Tyche heeft mijn verdere levensloop
waarschijnlijk toen reeds bepaald, al wist ik dat nog niet.
Op de lagere school kon je in de vijfde en zesde klas na schooltijd
Frans doen; waarom ik er pas in de zesde mee begonnen ben, weet ik niet
meer. Ik heb ook nog wat lessen moeten missen: ik was een zenuwpees en
daarom leek het een goed idee mij zes weken naar een vakantiekolonie te
sturen. Egmond aan Zee. Zes weken strandwandelingen, schelpen zoeken,
ook een keer een wandeling naar de Abdij van Egmond—er lag toen een
platgereden egel op de straatweg. Ik was er in de tijd van de Hongaarse
opstand, de nonnen zaten aan de radio gekluisterd; ook Sinterklaas heb
ik daar gevierd. Ik was ‘APD 4’, ook Coby zal een APD zijn geweest, want
ze kwam net als ik uit Apeldoorn. In de kapel keken we naar elkaar, dat
was een soort verkering; in de trein naar huis zaten we naast elkaar,
maar eenmaal terug in Apeldoorn heb ik haar nooit meer gezien.
Ik zat dus in de zesde klas van de St. Jozefschool, en bij Franse les
zat een meisje uit de vijfde van de Mariaschool, Mieke. (Frans mocht
gemengd.) Op een goed moment kwam tijdens het speelkwartier een vriendin
van Mieke aan het hek tussen de jongens- en de meisjesschool me zeggen:
“Mieke wil met je gaan.” Ik zei: “Laat haar maar komen.” Toen had ik dus
verkering met Mieke. Na mijn overstap van de lagere school naar het
gymnasium heb ik ook Mieke nooit meer gezien.
Als je naar het gymnasium wilde moest je een soort toelatingsexamen
doen, de proefweek (nulde klas). De meeste uren werden gevuld met Latijn
en wiskunde, “canis animal quadrupes est” en rekenen in het tweetallig
stelsel en, als ik me goed herinner, in nog meer stelsels met een ander
grondtal dan tien. Ook hadden we een uur lichamelijke opvoeding, we
moesten iemand uitbeelden (soldaat, dronkelap, dat soort dingen; ik wist
niets beters te bedenken dan een manke man). Aan het eind van de
proefweek kregen we te horen wie er toegelaten waren, en dus ook wie er
afgewezen waren. De psychologische test en het ‘eindexamen’ lagere
school met het daarbij horende advies waren dus niet doorslaggevend, je
moest echt nog slagen voor het toelatingsexamen.
In de eerste klas gymnasium kregen we meteen zeven uren Latijn, dat tikt lekker
aan. Verder hadden we Nederlands, Frans, geschiedenis, aardrijkskunde,
wiskunde (ik hield eerlijk gezegd meer van algebra dan van meetkunde),
natuurlijke historie (natte his, d.w.z. biologie), lichamelijke
opvoeding, tekenen. Op de een of andere manier ging het wat mis met
geschiedenis, door de jaren heen meestal een vijf op mijn rapport, bij
het eindexamen gelukkig een zes, en daardoor geen onvoldoende op de
lijst. Bij tekenen kon ik me uitleven in kleuren mengen met
plakkaatverf; nonfiguratief, maar wel kleurrijk, en meneer Post Greve
beloonde mijn kleurencomposities met achten op het rapport.
In de tweede klas kregen we Grieks en Engels erbij. Ik was er
dolgelukkig mee. Vreemde talen en schriften zijn me altijd blijven
boeien. Voor Nederlands heb ik een spreekbeurt gehouden over 50 eeuwen
schrift, waarbij ik me baseerde op het boekje van Engelhart en de
Clercq. Prismaboeken kostten indertijd één gulden, ik heb daar dankbaar
gebruik van gemaakt. Het was ook het jaar dat ik iets had met J.,
smoorverliefd, tijdens dansles altijd snel oversteken om te vragen ‘Wil
je met me dansen?’, voordat andere gegadigden me voor waren. Na de
zomervakantie was het voorbij, dat wist ik niet maar ik merkte het
vanzelf. Het lijden van de jonge Frits heeft een hele tijd geduurd, op
het gymnasium heb ik verder geen verkering meer gehad (wel sjans, maar
niet van een meisje waar ik op viel).
De derde klas voegde aan het vakkenpakket Duits en natuurkunde toe, de
vierde scheikunde. De vierde klas bood ook een herhaling en verdieping
van Oude geschiedenis. Ik heb toen een spreekbeurt gehouden over wat er
van de Etruskische taal bekend was. Aan het eind van de vierde klas werd
er gekozen tussen
a en
b. Met al mijn liefde en belangstelling voor de
exacte vakken koos ik toch met overtuiging voor
a. De vakken tekenen en aardrijkskunde verdwenen
van het rooster. In 5a was er een cluster natuurwetenschappen, voor natuurkunde was het
onderwerp radioactiviteit, scheikunde was gewijd aan de organische
scheikunde, biologie aan de erfelijkheidsleer, en we kregen ook
kosmografie. De wiskunde voor
a-leerlingen
behelsde de geschiedenis van de wiskunde (Egyptisch en Babylonisch
rekenen, de kwadratuur van de cirkel en nog meer Griekse wiskunde),
statistiek en vierkantsvergelijkingen. Daar heb ik erg van genoten, met
een rol Gilda-drop op mijn tafeltje (juffrouw Boekhoff vond dat goed).
De exacte vakken werden in de vijfde afgesloten, behalve wiskunde.
Maarten Michel, die in 1959 van het Christelijk Lyceum was overgestapt
naar het Apeldoorns Gymnasium (we zaten toen samen in de derde klas),
heeft me geattendeerd op de boekenkraam van George (of Sjors) Yntema, ’s
zaterdags op de markt. Ik ging daar geregeld mijn zakgeld spenderen. Zo
is het gekomen dat ik in mijn vrije tijd, na mijn huiswerk, Maleis ben
gaan leren, en Italiaans (uit een Duits leerboek) en Spaans (uit ‘Se
habla español’, geruild met mijn zwager John voor een paar andere
Spaanse boeken, die ik bij Yntema had gekocht). Een Zweeds leerboek heb
ik in de Oudemanhuispoort op de kop getikt, toen ik in Amsterdam bij
mijn zus Berna logeerde. Inmiddels in de zesde klas beland zag ik bij
Yntema een leerboek Portugees liggen. Ik had geen geld bij me, dat werd
naar huis fietsen, geld halen en weer terug naar de markt. ‘Falo
português’ was inmiddels verkocht, jammer genoeg. Aan wie? Aan mijn
beste vriend Willem Anne! Maar ik kon het boek van hem lenen en in een
schrift opschrijven wat ik belangrijk vond voor een elementaire kennis
van het Portugees. Samen met Willem Anne heb ik in de vijfde en zesde
klas facultatief Hebreeuws gevolgd bij dominee Steenbeek, die daarvoor
iedere week een uurtje uit Amersfoort naar Apeldoorn kwam. Hij noemde
Willem steevast Steenbergen; Willem zei dan ‘van’, maar dat is nooit
goed tot dominee Steenbeek doorgedrongen. Steenbergen in het Hebreeuws
... Haré-Èvèn; ik noemde Willem toen voor het gemak Arie Even.
Samen met Karel J., een broer van mijn jaargenoot Bas, ben ik ook nog
bezig geweest met Gotisch, Deens en Egyptisch, maar het eindexamen stond
voor de deur, daardoor ben ik daar halverwege in blijven steken. Dat heb
ik later ten dele ingehaald.
Naast de ernst van het onderwijs was er ook luim. Ons schoolblad
heet(te) Cratera seriorum et iocorum, ‘Mengvat van ernst en
luim’. Al mijn kolderieke invallen stuurde ik naar Cratera, ze
werden trouw geplaatst. Verder was er de Apeldoornse Gymnasiasten Bond,
de AGB, waarvan alle leerlingen vanzelfsprekend lid waren. De AGB
organiseerde een propaganda-avond in oktober, voor leerlingen en hun
ouders, met toneel, voordrachten, muziek, en tegen het einde van het
schooljaar de Grote Avond: een toneelstuk en bal na. Vlak voor de
kerstvakantie hadden we de Boerenkoolfuif (zelf bord en bestek
meenemen), die werd afgesloten met een dansfestijn; iedereen leek zoveel
mogelijk de maretak aan het plafond te vermijden. Om de zoveel tijd was
er verder een debatingavond, apart voor junioren en voor senioren—geen
sterke drank, er stonden kratjes met Vissertje klaar voor dorstige
kelen. Ook de kersentocht was een feest, met zijn allen naar een
boomgaard en daar kersen eten vers van de boom.
Natuurlijk mag het AGB-lied niet onvermeld blijven:
Celebremus
diem festum
nunc, sodales AGB,
sit gaudium inter nos et iocus,
numquam desint feriae.
Sit gaudium omnibus gymnasium,
leve onus multa laborare.
Vivant rector, praeceptores,
vivat AGB!
In die tijd rijmden AGB en feriae nog. Onze klas
leerde al wel Kikero, kena en prinkeps zeggen, maar
nog niet Kaisar, kailoem en kaikoes, doch Kesar,
keloem en kekoes. Natuurlijk moet je bij oude teksten
letten op de tijd (en plaats) van ontstaan, een christenmens AD (anno
domini) D (500) zei echt niet Kikero, eerder Tsjitsjero of
Tsitsero. Basta, verder geen academische kwesties. Middeleeuwers
kunnen Cicero’s redevoeringen hebben uitgesproken volgens hun
eigentijdse uitspraak van het Latijn, maar Cicero zal die redevoeringen
niet op zijn middeleeuws hebben uitgesproken.
Toen er sprake was van een universitaire studie deed de vraag zich voor
wat het zou worden. Frans?—mijn beste vak. Spaans?—taal in opkomst, en
ook leuk. Nee, ik wilde leraar Oude (= Klassieke) Talen worden, een vak
met rijke inhoud doorgeven aan volgende generaties. Met die intentie
begon ik in Amsterdam aan de GU, de Gemeentelijke Universiteit, later
UvA, Universiteit van Amsterdam, mijn studie Klassieke Talen. Ik bofte,
al wist ik dat niet vantevoren: meneer Ruijgh (in 1966 lector, in 1969
hoogleraar) onderwees de eerstejaars Historische Grammatica van het
Grieks, en voor alle jaargangen (facultatief) Myceens.
Intermezzo (uit het voorwoord van mijn proefschrift):
Hooggeleerde Ruijgh, U weet als geen ander dat ik, beslist ook dank zij
Uw inspirerende presentatie van de Griekse taalkunde, mijn hart verpand
heb aan de Historische Grammatica en de Mycenologie.
De verpanding is altijd gebleven.
Na een Inleiding tot de Mycenologie kon je het Privatissimum gaan lopen.
Aan het eind van een semester was er dan een Myceens avondje bij meneer
Ruijgh thuis, een rijke traditie met vaste versnaperingen, gezellige
gesprekken, verslagen van colloquia en congressen, en na afloop
nachtelijke fietstochten naar huis. Naar huis, dat was naar mijn kamer
aan de Houtmankade.
Intermezzo
Op kamers
De baas van het bedrijf waar mijn broer Johnny werkte had kennissen in
Amsterdam. Om als student een kamer te vinden was bijzonder moeilijk, ik
was ingeschreven bij Casa Academica, maar het zou wel even duren voordat
ik daar een kamer kon krijgen. Johnny’s baas zei toen dat ik maar eens
contact moest opnemen met zijn Amsterdamse kennissen, een ouder echtpaar
met getrouwde kinderen en een paar kleinkinderen. Met mijn moeder ben ik
na het maken van een afspraak naar Amsterdam gereisd om kennis te maken
met mevrouw Kroezen (haar man was aan het werk). Het klikte meteen. Het
kamertje was klein, misschien niet veel meer dan 6 m2; maar
de huur was ook klein, en ik kon gebruik maken van de keuken en de rest
van de woning aan de Houtmankade.

Toen ik mijn kamer betrok waren mevrouw en meneer Kroezen nog niet terug
van vakantie op hun boot. Ik ging meteen op verkenning uit in de buurt.
De deur uit, linksaf, dan was ik bij de brug over de Zoutkeetsgracht.
Over de brug was de standplaats van tramlijn 3. Maar wanneer ik direct
linksaf de hoek omging was ik in de Barentzstraat, met een melkwinkel,
een drogist, een boekhandel en nog wat meer. De deur uit en rechtsaf: de
sigarenzaak, op de hoek van een zijstraat (met een fourniturenwinkel en
een bazar). Voor moeder en zoon in de sigarenwinkel was ik al gauw een
vertrouwd gezicht. Van moe leerde ik wat winkeliers bij hun buurtnamen
kennen, bijvoorbeeld het Melktrutje en Jantje van Alles.
Over de brug kwam je in de Planciusstraat, met halverwege een buurtcafé
en aan het eind het Haarlemmerplein met de Haarlemmerpoort. Ik liep vaak
over de Haarlemmerdijk en Haarlemmerstraat in de richting van het Singel
(in Amsterdam onzijdig) en dan over de brug en verder over de
Nieuwendijk, de Dam en de Kalverstraat. Op de Haarlemmerdijk waren
allerlei winkels, o.a. een sigarenzaak waar ik vierrittenkaarten kocht
voor bus en tram en waar ik geld kon opnemen—indertijd hadden we nog de
Gemeentegiro. Om een rekening voor mij te openen is mijn grote zus Berna
meegegaan naar het hoofdkantoor van de Gemeentegiro, aan het Singel op
de hoek van de Raadhuisstraat. Mijn studietoelage werd op die rekening
overgemaakt, voor een heel jaar tegelijk.
Voor mevrouw en meneer Kroezen werd ik een soort pleegkind, ik zei al
gauw moe en pa tegen ze. Eerst ging ik wel eens bij de mensa in de
Damstraat eten, baklapje met rode kool en dat soort dingen, maar thuis
eten was gezelliger en lekkerder; voor een klein bedrag, een gulden of
zo, at ik voortaan bij pa en moe.
Na verloop van tijd kon ik een kamer krijgen in de Casa, maar toen
hoefde ik allang niet meer, ik had het prima naar mijn zin bij de
Kroezens en ben daar blijven wonen totdat ik was afgestudeerd.
Vanuit het raam van mijn kamer (en van de huiskamer) keek ik uit op het
water. Het raam schoof ik altijd open als ik ging slapen, zomer en
winter. Ik ben wel eens wakker geworden met sneeuw op het voeteneind van
mijn bed. Behalve een bed stond er in mijn kamertje een tafel, een stoel
en een hoekkastje. Na een poosje was het kastje te klein om mijn boeken
te herbergen, pa heeft toen een boekenplank aan de muur boven de tafel
aangebracht, en toen ook dat niet meer voldoende was kwamen er een paar
boekenkasten in de ‘tussenkamer’. Ik zat toch altijd te studeren in de
huiskamer, met radio Veronica aan voor achtergrondmuziek, kopje thee of
koffie erbij, en met die kasten in de tussenkamer had ik mijn boeken
direct bij de hand. Er zullen ooit wel schuifdeuren tussen de voorkamer
en de tussenkamer hebben gezeten, maar die waren al voor mijn tijd
verdwenen. De tussenkamer was de eetkamer, de voorkamer de zitkamer (en
de achterkamer, want die verwacht je natuurlijk ook, was de grote
slaapkamer). Tijdens het eten had ik een prachtig uitzicht op mijn
bibliotheek.
Aan de gevel, tussen de ramen van de voorkamer, zaten spionnetjes, zo
kon je mooi in de gaten houden wat er links en rechts gebeurde op
straat.
De eerste jaren woonde boven ons een echtpaar met een dochtertje van een
jaar of tien. Die zijn verhuisd en toen kwamen Sjaan en Nico boven ons
wonen, een jong stel, en beneden ons de ouders van Sjaan. Toen ik een
jaar of 25 later oude post aan het doorkijken was, kwam ik een
ansichtkaart tegen, “Kusje, Sylvia”. Ik heb heel diep in mijn geheugen
moeten graven voordat ik het wist: mijn vroegere bovenbuurmeisje, van
vóór Sjaan en Nico. Ik denk dat ze me wel aardig vond.
’s Zomers ben ik wel eens mee geweest naar de boot, voordat pa en moe ’s
zomers gingen varen lag die in het Bosplan (Amsterdamse Bos). Ik had dan
mooi zicht op belendende boten, met meisjes in bikini en zo, die op het
dek lagen te zonnen. Soms werd in de jachthaven van Monnickendam
aangelegd, daar ben ik ook ooit op de boot geweest. Het streekvervoer
werd destijds nog verzorgd door Maarse en Kroon en NZH.
Zoon Rien woonde met Kitty en hun zoon Rientje (die later versterking
kreeg van Geert Jan, geboren op de dag dat we het veertigjarige huwelijk
van pa en moe aan het vieren waren in een restaurant aan het
Kwakerplein) in Westzaan; daar ben ik een paar keer op visite geweest.
Dochter Roel (‘Zus’) woonde met Chris en hun kinderen Arend en Fenna in
Geuzenveld—later zijn ze verhuisd naar Roden. Met verjaardagen aan de
Houtmankade zag ik de hele familie, vaak ook de vader van Kitty met zijn
vrouw (‘oom Jan en tante Jo’). Verder kwamen er soms kennissen
aanwaaien, heel geregeld oom Ab en tante Jenne, om te klaverjassen, af
en toe tante Rie voor een kopje thee en een babbeltje.
Zo had ik als student op kamers een tweede thuis.
Wordt vervolgd,
hoop ik.
Kijk ook even naar
In de schoolbank en nog
wat meer
Start |
Info over mezelf
|
Interesses |
Favorieten |
Weekjournaal |
Fotomap
|