|
Start
Info over mezelf
Interesses
Favorieten
Weekjournaal
Fotomap
|
(Pan, Wau 12:2 en
12:3 [december 1991, april 1992])
Beré'šiyt bârâ' 'élohiym
'ét haššâmayim we'ét hâ'ârèts. De eerste zin van het eerste boek van de
Thora, het boek dat naar het eerste woord van de eerste zin Beré'šiyt
heet, bij ons bekend als het boek Genesis. In het eerste hoofdstuk wordt
verhaald hoe het eerst een chaos was; als na verloop van een paar dagen
de boel een beetje op orde is wordt het eerste mensenpaar geschapen. In
het tweede hoofdstuk wordt een gedeelte van de schepping nog eens
opnieuw verteld; het congrueert niet helemaal met het verhaal van
hoofdstuk 1, een bewijs, of althans een aanwijzing, dat ook verlichte
geesten soms in het duister tasten. Er wordt een tuin aangelegd, en dan
wordt de mens geschapen, Adam, een man, maar vooreerst heeft zijn
instrumentarium geen enkel nut of doel—je zou denken dat de Schepper
bezig is als een Kip zonder Kop. Dan denkt Hij bij zichzelf: "Ach God,
die arme kerel is zo alleen, ik zal wat gezelschap scheppen". Zo gezegd,
zo gedaan. Hij schept een stel dieren en laat die zien aan Adam, die hun
namen moet geven. Hier wordt het interessant voor de taalkundige: het
oudste vocabulaire van de mensheid bestond blijkbaar uit dierennamen.
Adam dacht: "Wat leuk", maar niet echt overtuigend. Opeens kreeg de
Schepper een lumineus idee. Hij bracht Adam onder zeil met verdovende
middelen en haalde een rib uit zijn lijf; daarvan creëerde hij de Vrouw.
Toen Adam weer bijkwam zag hij haar en dacht: "Ja, dat is nou precies
waar ik al die tijd op heb zitten wachten". Een paar hoofdstukken verder
wemelt het op aarde al van de mensen. Het kan haast niet anders of het
moet een knap incestueuze bedoening zijn geweest, in den beginne. Liever
ruil ik deze monocentrische ontstaansmythe in voor de gedachte dat op
verschillende plekken op aarde de diersoort die mens geheten wordt over
de drempel van het menselijk bewustzijn is gestapt. Eventueel zullen we
dan ook afstappen van een solistische oorsprong van de taal, en rekening
mogen houden met de mogelijkheid van een meervoudig aantal oertalen (en
dan ook echt oer).
In het gekerstende Europa heeft men zich eeuwenlang absoluut geen zorgen
gemaakt over prehistorie en oorsprong van de menselijke taal—het
Hebreeuws was Gods eigen taal, geschapen met de mens, vanaf de schepping
onveranderd gebleven, en alle andere talen waren aberraties, veelal
onherkenbare verminkingen, de zelfkant van het taalgebeuren. Langzaamaan
echter is in de laatste eeuwen in het denken over de taal een kentering
opgetreden. Al in het begin van de 18e eeuw hadden sommige
geïnteresseerden een aantal overeenkomsten ontdekt tussen Sanskrit,
Grieks en Latijn, maar pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw
wordt de veronderstelling geuit dat er sprake is van een ontwikkeling
van oudere naar jongere taalvormen: William Jones heeft in 1786 als
eerste de gedachte uitgesproken dat Sanskrit, Grieks en Latijn "have
sprung from some common source which, perhaps, no longer exists", en ook
Germaans en Keltisch, dacht hij, hadden waarschijnlijk dezelfde
herkomst. Enig verband met de tale Kanaäns en dergelijke kon hij niet
ontdekken; hij zei dan ook: "Ik zie me genoodzaakt te bekennen dat ik de
taal van Noach als onvindbaar beschouw". Een wat sombere gedachte, want
wie zoekt zal vinden. Zo verwijt in 1851 een zekere Parrat de etymologen
van de voorafgaande decennia dat zij het Sanskrit te vaak als moeder
hebben beschouwd in plaats van als dochter, dat hun etymologieën vaak
meer waren gebaseerd op verbeeldingskracht dan op de natuur van de taal
zelf, en bovenal dat zij teveel de taal van Mozes buiten beschouwing
hadden gelaten. Na diepgaande studie verblijdde Parrat de wereld met een
boekje getiteld "Principes d'étymologie naturelle basés sur les origines
des langues sémitico-sanscrites". Natuurlijk zijn we nog lang niet bij
Noach, maar alle stukjes helpen.
De gedachte van ontwikkeling raakte in de 19e eeuw in een
stroomversnelling. Darwin schokte de wereld omstreeks het midden van de
eeuw met zijn evolutietheorie, de geologie en paleontologie begonnen
serieus tot ontplooiing te komen, de Junggrammatiker brachten discipline
in de historisch-vergelijkende grammatica. Er werden vele stambomen
opgezet, op verschillende terreinen. Er kwam meer diepte in het
verleden; in plaats van uit te gaan van een schepping op 4 oktober 4004
vC om 9 uur 's morgens, die ons, zoals Frederick Bodmer zegt, weinig
speelruimte laat, rekent men nu met een ouderdom van de aarde van
misschien 5 miljard jaar en met leven op aarde sedert zo'n 2 miljard
jaar. De eerste tekenen van menswording doen zich wellicht al een
miljoen jaar geleden voor, maar dan is het nog een lange weg naar de
moderne mens. Waar en wanneer ongeveer is "een soortement mens" nu "een
echte mens" geworden? Waaraan kunnen we dit zien? Biologisch houdt men
zich vast aan een opgerichte lichaamshouding, korte hoektanden, een
tandenboog in de vorm van een halve ellips, een terugwijkende snuit die
geen grijpfunctie meer heeft. Zulk een wezen, met loopvoeten, grijp- en
hanteerhanden, en voor een goede balans het achterhoofdsgat niet aan de
achterkant van de schedel maar aan de onderkant, en met een lichtelijk
S-vormige ruggengraat, heeft iets menselijks. Wie aan dit signalement
beantwoordt heeft de handen vrij en kan een zekere mate van handigheid
ontwikkelen. Hanteren is echter niet specifiek menselijk, men heeft
mensapen met stenen noten zien kraken en potentiële belagers bekogelen,
met takken in termietenheuvels zien porren, als ik me goed herinner. Wat
zijn dan wèl essentiële verworvenheden van de mens? In de eerste plaats
is men er op een gegeven moment toe gekomen niet langer uitsluitend
natuurlijke werktuigen te gebruiken, die zo voor het grijpen lagen, maar
daarnaast ook werktuigen bij te werken, te bewerken; geen enkel ander
dier maakt gereedschap. Een verdere karakteristieke verworvenheid van de
mens is vuurgebruik—verstandige dieren maken dat ze wegkomen als er vuur
is, maar de mens heeft van het vuur profijt getrokken, is het gaan
zoeken en bewaren, en in bepaalde streken heeft men zelfs vuur leren
máken. De eerste ontwikkeling van menselijke vaardigheden staat
hoogstwaarschijnlijk volledig in het teken van toevallige ontdekkingen,
van gebeurtenissen die werden nageaapt.
Bezien wij in het kort de menselijke aftakking van de mensapensoort. De
oudste vertegenwoordiger die wij kennen is het type Australopithecus, de
Zuidaap, waarvan skeletresten zijn gevonden in zuidelijk Afrika—daar
liggen dus onze roots. Hij was een tweevoeter met handige handen
en korte hoektanden, het hoofd recht op de schouders. Maar hij was nog
geen gereedschapmaker, nog geen vuurgebruiker. Men plaatst hem aan het
einde van het Tertiair, in de periode van ongeveer 1 miljoen tot 600.000
jaar geleden. Sommigen dateren de oudste Zuidapen zelfs op 3 miljoen
jaar geleden; ik weet niet of dit berust op de kunst der overdrijving.
Uit de eerste drie ijstijden van het Quartair en de tussenliggende
interglacialen stammen overblijfselen van het type Pithecanthropus, de
Aapmens, en nog wat andere vondsten; de naam Pithecanthropus, door de
zoöloog Ernst Haeckel bedacht voor de ontbrekende schakel tussen aap en
mens, is door onze Eugène Dubois toegekend aan de door hem gevonden
Javamens, maar het type heeft een veel groter verspreidingsgebied,
ruwweg de tropische gordel om de Indische Oceaan, van oostelijk Afrika
tot in Indonesië, dat lange tijd door landbruggen met het continent
verbonden was, en er zijn ook enkele uitlopers in koudere streken,
bijvoorbeeld in de buurt van Peking. Dit type is zeker vanaf het tweede
interglaciaal, ruim 400.000 jaar geleden, vertrouwd met het maken van
gereedschap en het gebruik van vuur. Na deze Aapmensen van ruim 1/2
miljoen tot ruim 200.000 jaar geleden duikt het Neanderthalertype op,
dat thuishoort in de periode van het derde interglaciaal en een deel van
de vierde ijstijd, ruwweg van 150.000 tot 60.000 jaar geleden. Alle
opgesomde hominiden hadden nog geen kin, het voorhoofd week terug, en
boven de oogkassen waren vrij sterk ontwikkelde wenkbrauw-beenwallen
aanwezig. Vanaf zo'n 100.000 jaar of nog wat langer geleden had de
Neanderthaler gezelschap van de moderne mens, het Crô-Magnon-type,
dat zich voornamelijk in twee varianten manifesteert: Homo Sapiens en
Homo Insipiens. Vlak na de geboorte valt het verschil nog niet te
constateren. Hoe het in deze evolutie van Zuidaap tot moderne mens
precies zit met de lijnen, welke doorlopen en welke doodlopen, waar en
wanneer zich vertakkingen hebben voorgedaan, daarover is men het
natuurlijk niet eens.
De grote vraag voor
glottofielen is: wanneer en waar is de menselijke taal ontstaan? En hoe?
Wie beweert dat hij het weet is een bedrieger, en als hij het zelf
gelooft heeft hij in elk geval fantasie. Het antwoord op de vraag
wanneer en waar is van belang als men wil weten waar de eerste sprekers
het over hadden met hun eerste woorden. Men veronderstelt meestal dat de
gereedschap makende en vuur gebruikende mens moet hebben beschikt over
taal, in verband met de koppeling die wordt geacht te bestaan tussen
taal en denken, met name vooruit-denken, en het vervaardigen van
gereedschap duidt in elk geval op doelbewust vooruit handelen. Als deze
veronderstelling juist is zou de menselijke taalvaardigheid een ouderdom
hebben van 1/2 miljoen jaar of daaromtrent; aan de andere kant hebben
biologen uit het ontbreken van een kin bij de oudere hominiden
geconcludeerd dat de ontwikkeling van de tongspieren, die verband zou
houden met de kinvorming, tot en met de Neanderthaler nog zó weinig
geavanceerd was dat ook het articulatievermogen nog niet veel kan hebben
voorgesteld. Het grote gezwam lijkt daarom een verworvenheid te zijn van
de moderne mens; de vroegste exemplaren, van 100.000 jaar of meer
geleden, moet het maar weinig moeite hebben gekost hun Neanderthaler
buren ondersteboven te kletsen, totdat deze laatsten omstreeks 60.000
jaar geleden definitief de moed hebben opgegeven, misschien wat later.
Dan heeft volgens de Britse archeoloog Paul Mellars zo'n 45.000 jaar
geleden nog een revolutionaire verrijking van de taal plaatsgevonden,
wat hij afleidt uit een technische revolutie op het gebied van
gespecialiseerde gereedschappen, met aansluitend een opmerkelijke
migratie, vanuit Palestina en omstreken naar Europa. Volgens Mellars
behelsde de betreffende taalrevolutie de ontwikkeling van de tempora
(werkwoordstijden), die voordien zouden hebben ontbroken.
Wat betreft de vraag hóé de menselijke taal is ontstaan, daarover zijn
enkele vermakelijke theorieën gelanceerd. Niet door leden van de Société
de Linguistique, die in haar statuten de uitdrukkelijke bepaling heeft
opgenomen dat "La Société n'admet aucune communication concernant, soit
l'origine du langage, soit la création d'une langue universelle".
Niet-leden heeft het echter altijd vrijgestaan zich over te geven aan
speculaties. Zo hebben we de "mama-papa"-hypothese, of als de rol van
papa nog niet werd onderkend, de "mama"-hypothese. Uitleg is nauwelijks
nodig: de moeder reageert op mammalistische geluidjes van de baby; de
kleine, niet op zijn achterhoofd gevallen, heeft al gauw door dat er
iemand reageert, en maakt daar dankbaar gebruik van. Het verschijnsel is
echter niet typisch menselijk, en biedt geen basis waarop we kunnen
bouwen. Een andere hypothese is de "bow-wow"-hypothese, zeg maar de
"waf-woef"-hypothese; hominiden doen dierengeluiden na, leggen verband
tussen deze imitatie en het geïmiteerde dier, en zo zou er een relatie
zijn gelegd tussen menselijke articulatie en de wereld om de mens heen.
Men heeft echter geconstateerd dat onomatopeeën een betrekkelijk
marginale rol spelen in de talen der mensheid, ook in zogenaamde
primitieve talen. Dezelfde bedenking geldt dan ook de
"ding-dong"-hypothese, die inhoudt dat allerlei zaken, als je er een mep
op geeft met een stok of zo, een eigen natuurlijke resonantie laten
horen, die zou kunnen worden geïmiteerd. Ook met de
natuurlijke-kreten-theorie, de "au-au"-hypothese, komen we niet veel
verder, evenmin met de interjectiehypothese. Interjecties getuigen van
een zekere sophistication; in tegenstelling tot onwillekeurige kreten
(afgezien van gevloek), wanneer je je vingers tussen de deur krijgt of
een spook ziet, zijn interjecties gemáákt, en cultuurgebonden—U kent ze
wel, "ojé", "shit" e.d. Zó kan het nauwelijks begonnen zijn. Nog weer
anderen zoeken hun heil bij de lichamelijke-inspanning-ondersteunende
uitroepen; je zou het de "hoepla"-hypothese kunnen noemen. Jespersen
denkt aan betekenisloos zingen onder het werk, in groepsverband; laten
we dit maar de "tralala-tierelierelier"-hypothese noemen. AL doende
heeft men karakteristieke deuntjes geassocieerd met bepaalde
werkzaamheden. Persoonlijk voel ik veel voor een speelse benadering: een
groepje van het type Homo Ludens zit behaaglijk in de zon; de een zit op
zijn kop te krabben en kijkt wat hij tussen zijn nagels te pakken heeft
gekregen, een ander zit met een stok in de grond te wroeten om een
eetbare wortel te bemachtigen. Weer een ander zit te experimenteren met
zijn mond, produceert allerlei vreemde geluiden. Als hij op een gegeven
moment "Joep" zegt richten plotseling alle blikken zich op hem.
Aangemoedigd door het succes zegt hij nog een keer "Joep", en de hele
groep begint te krijsen van plezier. Een ander probeert ook eens wat,
"Kurk" komt eruit, de hele troep weer brullen, en zo gaat het spelletje
door tot iedereen iets leuks gezegd heeft. DE volgende ochtend haakt
iemand in op het spelletje. "Joep." De Joep-zegger van de vorige dag
kijkt op. Het duurt nu niet lang, of de groep heeft door dat het niet
alleen leuk is, maar ook bijzonder handig als je de aandacht van de
afzonderlijke leden van de groep kunt trekken met een bepaalde
combinatie van geluiden. Deze hypothese zouden we de
persoonsnamenhypothese kunnen noemen. Als men eenmaal is begonnen met
het leggen van een verband tussen willekeurige klankbeelden en
afzonderlijke leden van de groep, als men, met andere woorden, de vondst
van het naamgeven heeft gedaan, dan is het geen grote stap naar verdere
naamgeving, naar het bedenken van namen voor dieren en dingen in de
omringende wereld, zelfs namen voor gebeurtenissen en bezigheden. Als
het begin er maar is komt de rest later wel. Dit wat betreft aspecten
van de inhoud van het oudste taalgoed; men zou een combinatie van
de minst belachelijke theorieën kunnen overwegen. Zoveel is anderzijds
echter wel zeker: over de vorm van de elementen van de oudste
taal of talen kunnen we absoluut niets weten. Het kost al genoeg moeite
stukjes van het Proto-Indo-europees te reconstrueren, en zoals het hoort
zijn er allerlei soms diepgaande meningsverschillen over details, zelfs
over hoofdlijnen. Als we beseffen hoe weinig we afweten van een taal die
5000, misschien 6000 jaar geleden gedateerd moet worden, kunnen we over
wat voor taal dan ook van 1/2 miljoen jaar geleden, of van 100.000 jaar
geleden, wat mij betreft van "slechts" 50.000 of 40.000 jaar geleden,
alleen maar zeggen: "Non liquet". Niettemin ligt het in de aard van de
mens steeds verder te wroeten; met Proto-Indo-europees is men niet
tevreden, evenmin met Proto-Semitisch en dergelijke. Sommigen hebben
verwantschap menen te kunnen constateren tussen enerzijds Semitisch,
Hamitisch, misschien de Bantoetalen en enige Soedantalen, samengevat
onder de noemer Afroaziatisch, anderzijds Indo-europees, eventueel
enkele Kaukasische talen en misschien het Fins-Oegrisch. De stammoeder
van Afroaziatisch, Indo-europees en de eventuele rest heeft de naam
Nostratisch meegekregen, die door Holger Pedersen is bedacht voor de
stamtaal van "ons soort mensen". Maar wie zijn "Wij", en wie zijn "De
Anderen"? Eigenlijk een zinloze vraag, want talen storen zich in hun
verbreiding absoluut niet aan volken of rassen, ze leveren allemaal hun
eigen prestigeslag. Nostratisch dus—bij gebrek aan beter laten we het
maar zo. Een indrukwekkend dossier van Afroaziatische en Indo-europese
wortelovereenkomsten is, om de Nostratische theorie van een stevig
fundament te voorzien, aangelegd door Allan Bomhard. Ik moet eerlijk
bekennen: hoe meer ik ernaar kijk, hoe meer ik onder de indruk raak,
ècht onder de indruk.
Start |
Info over mezelf
|
Interesses |
Favorieten |
Weekjournaal |
Fotomap
|