< >

Pandora
1987-1988

Start

Info over mezelf

Interesses

Favorieten

Weekjournaal

Fotomap

 
In de Wau (mededelingenblad Klassieken van de UvA) heb ik me een tijdje bezondigd aan stukjes schrijven over zaken van algemeen belang. Er zit wel eens wat Latijn in, maar dat mag de pret niet drukken. Eerst was het Pandora, maar zij is later opgevolgd door Pan. (® Pan)
Nog weer later is het
® Bloemlezing (of Anthologia) en ® Bokkepootjes.
 

 Pandora van Bates
 

Pandora I: Roma

(Vooraf: *kwel- is een Indo-europese wortel voor 'draaien', waar ik me veel mee bezig gehouden heb.)

Rome is gesticht door bandieten: struikrovers, veedieven, maagdenrovers, die zich schuilhielden in een heuvelachtige streek bij de Tiber. Kan daar iets goeds uit voortkomen? Als je vandaag de dag als tourist door Rome loopt en je bent binnen de kortste keren al je tas en fototoestel kwijt, dan zou je denken van niet; en van andermans jonge dochters afblijven kunnen ze ook nog steeds niet. Het begon meteen al mooi: Romulus en Remus die ruzie kregen over iets lulligs, een muurtje of zo, als ik me goed herinner; toen sloeg de een de ander dood, net zoiets als Kaïn en Abel, alleen heeft God zich er deze keer niet mee bemoeid. Het kon natuurlijk ook niet goed gaan met die twee jongens, ze waren nota bene als baby door een lupa gezoogd.
Waar het me echter éigenlijk om gaat is een ander aspect van de Romeinse samenleving: de agricola, die zijn agrum colit, de coloni, die elders een ploegerij, een colonia, beginnen, wanneer de ruimte thuis te krap wordt, wat met de oude landbouwmethoden nogal gauw het geval was. Dit colere, het ploegen, is bepalend voor de leefwijze—de gebondenheid aan de werkplek leidt tot het kiezen van een vaste woonplek; ploegen, het land bebouwen, impliceert 'wonen', dit in tegenstelling tot het nomadische bestaan van jagers, die geregeld nieuwe jachtvelden moeten zoeken totdat ze de tijdelijke voor de eeuwige verwisselen, en van herders die hun beesten niet voortdurend kunnen afschepen met kaalgevreten terrein. U heeft het al in de gaten: hier is de *
kwel-geest van het instituut aan het woord. Toch zou ik er, als ik U was, even bij stilstaan dat de mensheid op boerse wijze is gekomen tot cultus en cultura, waardoor we nu kunnen werken aan het verwezenlijken van een studierichting culturele studies, een breed opgezette algemene studierichting waarin een breed publiek zich oppervlakkig kan oriënteren op een onafzienbaar gebied. Uiteindelijk is de ploeg dus de voorbode geweest van het einde van de alma mater van Amsterdam, al zijn er geloof ik wel mensen die er brood in zien, dus toch iets van cultura!
Ik moet nog even een extra-*
kwellische gedachte kwijt, die heel recent bij me opgeweld (Duits aufgequellt) is: ook de Grieken hebben landbouw bedreven en gewoond en gekoloniseerd. In dit verband komen we termen tegen die van een wortel *ktei- zijn afgeleid; de nultrap [kortste vorm van de wortel] kti- is welbekend, denk maar aan ktizein 'stichten' en het Homerisch eu ktimenos 'goed gebouwd, mooi aangelegd'; het Myceens heeft ook enkele van *ktei- afgeleide termen, waar ik hier niet verder op inga, maar die, als landbouwtermen, zouden kunnen wijzen in de richting van een oude agrarische betekenis van *ktei- als voorloper van de algemenere betekenis, die óok van toepassing is op andere woners, inclusief stadsbewoners, alsmede bouwers en stichters. Welnu: volgens de huidige inzichten van de Indo-europeïstiek gaat *ktei- terug op *tkei-. Mijn gedachte is nu simpelweg deze: *tk-ei- is een uitbreiding van *tek- 'voortbrengen' (Grieks teknon 'kind', tiktein 'baren', tokeus 'ouder', vul zelf maar aan, ik heb het al druk genoeg), en is zijn leven begonnen als aanduiding van het telen, kweken van gewassen, zoiets als phuteuein 'planten', 'kweken'.
De vlag Roma dekt de lading niet, ik weet het; maar ik troost me met de gedachte dat het me ook niet om veeteelt ging, dat het dekken dit keer buiten mijn gezichtsveld is gebleven—die beesten doppen voorlopig maar even hun eigen boontjes: het ging mij nu om landbouw. Phuteuein is niet altijd futuere [Latijn voor 'neuken'].
 

Pandora II: Calliope

Vroeger geloofde ik dat charme uit het Grieks kwam, denkend aan charis 'gratie' en charma 'genot'—een typisch hellenocentrische gedachte van een onervaren Graecus—, maar plotseling zag ik het licht en heb ik me bekeerd tot de ware leer: natuurlijk is charme de normale Franse ontwikkeling van het Latijnse woord carmen 'lied', 'bezwering', 'betovering'. Zingen kan bekorend, zo niet betoverend zijn, dat weten we van Lorelei en Sirenen, en jonge ouders maken nog altijd van die eigenschap van vocale expressie gebruik als ze voor hun kleintje een slaapliedje zingen. Want kinderen zijn leuk, maar ze moeten wel af en toe even de kop houden. De moderne vormgeving van de Sirene is van dien aard dat je ook zonder advies de neiging hebt was (of watjes) in je oren te stoppen; Chantraine schijnt hierover ooit iets te hebben gezegd in een voordracht voor het Institut de France, in 1954.
Ook de zangkwaliteiten van Circe misten hun uitwerking niet, daarmee beschikte ze over een effectief lokkertje, al was voor de verandering van Odysseus' makkers in zwijnen een paardenmiddel nodig, een soort kaasfondue met drugs erin. Tegen de tijd dat Odysseus bij Calypso arriveerde was hij het beu, zeven jaar lang, ook al was zij net als Circe audêessa, 'zoetgevooisd'.
Vaak is het betoverend zingen later ontaard in spreken, men neemt dan zijn toevlucht tot spreuken, die bovendien gepreveld worden—nou ja, het blijft tenminste oraal en formulair, in de goede oude tijd nog metrisch, en daarna onbegrijpelijk, abracadabra (verbastering van abecedarium?—met het opzeggen van het alfabet kun je een analfabeet gemakkelijk imponeren) en hocus pocus (volgens sommigen verbastering van hoc est corpus uit de roomskatholieke liturgie, maar daar wordt door beroepsetymologen sterk aan getwijfeld). Maar wat zit ik nou te mopperen, stille charmes kunnen ook heel charmant zijn. En wat Odysseus betreft, als hij toch al in Zeeland was had hij net zo goed even verder kunnen varen naar Stavoren, in een tijd dat betoveren nog zingend werd gedaan—veel veiliger, want Frisia non cantat.
 

Pandora III: Qui malum carmen incantassit ...

Het volk van Mozes had genoeg aan twee stenen tafelen, waarop hun heel kernachtig in tien geboden de wet voorgeschreven werd: je moet geen loopje nemen met God en met je ouders, en verder van andermans leven en have, levende (bijv. zijn vrouw) of anderszins (bijv. zijn fiets) afblijven (kopen mag uiteraard altijd), en er niet likkebaardend naar kijken met de intentie te doen waarvan net gezegd is dat het niet mag. Jahweh ging er tegen beter weten in van uit dat zijn volk zich aan zijn geboden (voor het merendeel trouwens verboden) zou houden en formuleerde de boel heel gedecideerd in het imperfectum (ofwel infectum, dat in het Hebreeuws o.a. futurumwaarde kan hebben), zoals lô tignôb 'gij zult niet stelen' (ti-GNôB: vergelijk gannef, oorspronkelijk 'dief').
De Romeinen deden het veel ingewikkelder; ze begonnen met tien mannen om wetten te schrijven, maar door het ontbreken van Jahwehs straffende hand in hun repertoire konden die Xviri legibus scribundis (451/0 v.C.) niet volstaan met elk éen bepaling op te stellen, ze kwamen eerst op de proppen met 10 tafelen, en toen was het nog niet eens in orde en moesten er nog twee tafelen bij komen. (Ondanks de lapidaire stijl van de teksten werden ze gegraveerd in brons.) Op school werden de wetten uit het hoofd geleerd, Cicero heeft althans als jongen nog de teksten moeten opzeggen, maar zijn jongere tijdgenoten hoefden dat blijkbaar niet meer: Discebamus enim pueri XII ut carmen necessarium quas iam nemo discit, 'want we leerden als jongens de 12 (tafelen) als een verplichte dreun, (de wetten) die niemand meer leert'. De geschiedenis herhaalt zich onherroepelijk; want moest ik vroeger de katechismus ("kattebak") uit het hoofd leren, eerst de kleine, en op rijpere lagereschoolleeftijd de grote, vandaag de dag weten de leerlingen van de (RK) basisschool niet eens meer wat katechismus is, jammer voor ze, want nu weten ze niet waartoe wij op aarde zijn—hun leraren wellicht ook al niet meer. Daar staat tegenover dat mijn kinderen dingen leren waar ze later (misschien) wat aan hebben.
De Romeinen waren vaak erg drastisch. In plaats van de politie erbij te halen knapten ze zelf hun arrestaties en hechtenissen op. Si in ius (deze keer géen jus! [vgl. Popina I]) vocat, ito. Ni it, antestamino. Igitur em capito. 'Als iemand een ander voor het gerecht (niet 'eten'!) daagt, moet deze gaan. Gaat hij niet, dan moet de ander een getuige erbij halen. En dán mag hij hem in zijn kraag grijpen'. Dat was dus de arrestatie. Nou de hechtenis: als iemand schulden had en niet betaalde, secum ducito, vincito aut nervo aut compedibus. XV pondo ne minore aut si volet maiore vincito, 'dan moet hij (de schuldeiser) hem meenemen en boeien met een keten of met voetboeien. De ketenen mogen niet minder maar eventueel wel meer dan 15 pond wegen'. (Misschien moeten 'minore' en 'maiore' worden omgedraaid.) De gevangene mag zelf voor zijn eten zorgen, maar als hij dat niet doet moet de schuldeiser libras farris endo dies dato, hem een pond spelt per dag geven. Si volet, plus dato, 'maar als hij wil moet hij meer geven', maar wie volet is me niet duidelijk, de gevangene, die nog rammelt van de honger, of de schuldeiser, die zijn gevangene wil vetmesten? Want het lijkt erop dat de schuldenaar geslacht mocht worden door zijn schuldeiser(s), al gelooft men dat later niet meer. Tertiis nundinis partis secanto. Si plus minusve secuerunt, se fraude esto. 'Op de derde marktdag mogen ze (de schuldeisers) hem aan stukken snijden; een onsje meer of minder doet er niet toe.' Zoals ik al zei, vaak erg drastisch.
Er valt nog veel meer plezier te beleven aan de twaalf tafelen, maar ik denk dat ik nu maar moet eindigen met een goed advies aan wie een testimonium had willen hebben maar er niet een gekregen heeft: Cui testimonium defuerit, in tertiis diebus ob portum obvagulatum ito. Wie zijn testimonium niet heeft gekregen moet er om de andere dag voor de deur van de hoogleraar, UHD of UD luid schreeuwend om komen vragen. Maar ... niet vloeken, nam qui malum carmen incantassit ... ['want wie een kwade spreuk heeft uitgesproken ...'].
 

Pandora IV: ® Babel
 

Pandora V, waarvan ik alleen het eind hier weergeef, bevat een unieke tekening van de hand van 'mijn tekenaar' Wim Regter, zinspelend op een les (Serpens in horto! 'Een slang in de
tuin!') uit de leergang Latijn 'Redde rationem'. Bij ons wordt de hortus hypernervosus van wat zich er allemaal afspeelt.

De slang

Kronk'lend lijf met groene strepen
vol venijn en naastenhaat—
zie nu hoe hij, lussen trekkend,
naar de boom van onheil gaat.
Loerend op een prooi vol onschuld
wacht hij eeuwig spiedend af,
hangend aan een tak vol mosgroen,
glibberglad van gluipend laf.

klik  op de afbeelding voor vergroting

 

Pandora VI: Hoofdzaak

Onlangs werd ik plotseling gekweld door een angstige vraag. Waar heb ik nou toch mijn capita selecta gelaten? Het was een tekeningetje van een plekje in een koppensnellersdorp. Heb ik niet terug kunnen vinden. Dan maar een klein onderzoekje naar het hoofd bij, laten we zeggen, Homerus. Je komt al gauw op karê komoôntes Achaioi, 'de Achaeërs met lange haren op hun hoofd'. Als komê 'hoofdhaar' is, waarom dan karê 'hoofd' erbij? Lijkt nogal overbodig. Je leest nooit iets als stêthos komoôntes Achaioi, 'Achaeërs met lang haar op de borst', of welk lichaamsdeel dan ook. Zou trouwens niet kunnen, want dan is het geen komê meer. Een contrast met andere lichaamsdelen kan dus niet de bedoeling zijn. Als er toch impliciet een tegenstelling aanwezig is, dan moet die haast wel gezocht worden in het participium: hoofden met lange haren, in tegenstelling tot hoofden met kortgeknipte/afgeschoren haren. Het moet maar even zo, 'met afgeschoren haren' is natuurlijk net zoiets als 'met zonder melk'.
Het is duidelijk: begin een hoofdstudie, en je raakt verzeild in haaronderzoek; en als je het hoofd van alle kanten bekijkt, kun je je nog niet eens beperken tot het nevenaspect haar, er zit nog veel meer aan vast. Ik heb besloten het hoofd maar in de schoot te laten rusten en het te buigen over zaken die me meer direct aangaan. Misschien bedenk ik nog wel eens wat voor het Myceense se-re-mo-ka-ra-a-pi, se-re-mo-ka-ra-o-re. Daar zit zo te zien ook een hoofd aan vast, alleen heb ik weinig vertrouwen in Sirenen aan de voorkant—het is al vaker gezegd: de combinatie is opmerkelijk, maar als je het hoofd van de romp scheidt zijn beide delen onopvallend gewoon.
Schertsend zou ik nu kunnen zeggen: "Zo, de kop is eraf." Maar dat is flauw, op het moment dat ik er net een staart aan ga breien. De Abanten. Volgens Homerus opithen komoôntes, het hoofd van voren kaal geschoren, van achteren een soort paardestaart. Ik heb de laatste jaren al heel wat Abanten in het wild waargenomen, zo maar op straat in Amsterdam.

 

Start | Info over mezelf | Interesses | Favorieten | Weekjournaal | Fotomap