|
Start
Info over mezelf
Interesses
Favorieten
Weekjournaal
Fotomap |
In de Wau
(mededelingenblad Klassieken van de UvA) heb ik me een tijdje bezondigd
aan stukjes schrijven over zaken van algemeen belang. Er zit wel eens
wat Latijn in, maar dat mag de pret niet drukken. Eerst was het
Pandora, maar zij is later opgevolgd door Pan. (®
Pan)
Nog weer later is het
®
Bloemlezing (of Anthologia)
en ® Bokkepootjes.
Pandora van Bates
Pandora I:
Roma
(Vooraf: *kwel-
is een Indo-europese wortel voor 'draaien', waar ik me veel mee bezig
gehouden heb.)
Rome is gesticht
door bandieten: struikrovers, veedieven, maagdenrovers, die zich
schuilhielden in een heuvelachtige streek bij de Tiber. Kan daar iets
goeds uit voortkomen? Als je vandaag de dag als tourist door Rome loopt
en je bent binnen de kortste keren al je tas en fototoestel kwijt, dan
zou je denken van niet; en van andermans jonge dochters afblijven kunnen
ze ook nog steeds niet. Het begon meteen al mooi: Romulus en Remus die
ruzie kregen over iets lulligs, een muurtje of zo, als ik me goed
herinner; toen sloeg de een de ander dood, net zoiets als Kaïn en Abel,
alleen heeft God zich er deze keer niet mee bemoeid. Het kon natuurlijk
ook niet goed gaan met die twee jongens, ze waren nota bene als baby
door een lupa gezoogd.
Waar het me echter éigenlijk om gaat is een ander aspect van de Romeinse
samenleving: de agricola, die zijn agrum colit, de
coloni, die elders een ploegerij, een colonia, beginnen,
wanneer de ruimte thuis te krap wordt, wat met de oude landbouwmethoden
nogal gauw het geval was. Dit colere, het ploegen, is bepalend
voor de leefwijze—de gebondenheid aan de werkplek leidt tot het kiezen
van een vaste woonplek; ploegen, het land bebouwen, impliceert 'wonen',
dit in tegenstelling tot het nomadische bestaan van jagers, die geregeld
nieuwe jachtvelden moeten zoeken totdat ze de tijdelijke voor de eeuwige
verwisselen, en van herders die hun beesten niet voortdurend kunnen
afschepen met kaalgevreten terrein. U heeft het al in de gaten: hier is
de *kwel-geest van het instituut aan het woord. Toch
zou ik er, als ik U was, even bij stilstaan dat de mensheid op boerse
wijze is gekomen tot cultus en cultura, waardoor we nu
kunnen werken aan het verwezenlijken van een studierichting culturele
studies, een breed opgezette algemene studierichting waarin een breed
publiek zich oppervlakkig kan oriënteren op een onafzienbaar gebied.
Uiteindelijk is de ploeg dus de voorbode geweest van het einde van de
alma mater van Amsterdam, al zijn er geloof ik wel mensen die er
brood in zien, dus toch iets van cultura!
Ik moet nog even een extra-*kwellische gedachte kwijt,
die heel recent bij me opgeweld (Duits aufgequellt) is: ook de
Grieken hebben landbouw bedreven en gewoond en gekoloniseerd. In dit
verband komen we termen tegen die van een wortel *ktei- zijn
afgeleid; de nultrap [kortste vorm van de wortel] kti- is
welbekend, denk maar aan ktizein 'stichten' en het Homerisch
eu ktimenos 'goed gebouwd, mooi aangelegd'; het Myceens heeft ook
enkele van *ktei- afgeleide termen, waar ik hier niet verder op
inga, maar die, als landbouwtermen, zouden kunnen wijzen in de richting
van een oude agrarische betekenis van *ktei- als voorloper van de
algemenere betekenis, die óok van toepassing is op andere woners,
inclusief stadsbewoners, alsmede bouwers en stichters. Welnu: volgens de
huidige inzichten van de Indo-europeïstiek gaat *ktei- terug op *tkei-.
Mijn gedachte is nu simpelweg deze: *tk-ei- is een uitbreiding
van *tek- 'voortbrengen' (Grieks teknon 'kind', tiktein
'baren', tokeus 'ouder', vul zelf maar aan, ik heb het al druk
genoeg), en is zijn leven begonnen als aanduiding van het telen,
kweken van gewassen, zoiets als phuteuein 'planten',
'kweken'.
De vlag Roma dekt de
lading niet, ik weet het; maar ik troost me met de gedachte dat het me
ook niet om veeteelt ging, dat het dekken dit keer buiten mijn
gezichtsveld is gebleven—die beesten doppen voorlopig maar even hun
eigen boontjes: het ging mij nu om landbouw. Phuteuein is niet
altijd futuere [Latijn voor 'neuken'].
Pandora II:
Calliope
Vroeger geloofde ik dat
charme uit het Grieks kwam, denkend aan charis 'gratie' en
charma 'genot'—een typisch hellenocentrische gedachte van een
onervaren Graecus—, maar plotseling zag ik het licht en heb ik me
bekeerd tot de ware leer: natuurlijk is charme de normale Franse
ontwikkeling van het Latijnse woord carmen 'lied', 'bezwering',
'betovering'. Zingen kan bekorend, zo niet betoverend zijn, dat weten we
van Lorelei en Sirenen, en jonge ouders maken nog altijd van die
eigenschap van vocale expressie gebruik als ze voor hun kleintje een
slaapliedje zingen. Want kinderen zijn leuk, maar ze moeten wel af en
toe even de kop houden. De moderne vormgeving van de Sirene is van dien
aard dat je ook zonder advies de neiging hebt was (of watjes) in je oren
te stoppen; Chantraine schijnt hierover ooit iets te hebben gezegd in
een voordracht voor het Institut de France, in 1954.
Ook de zangkwaliteiten van Circe misten hun uitwerking niet, daarmee
beschikte ze over een effectief lokkertje, al was voor de verandering
van Odysseus' makkers in zwijnen een paardenmiddel nodig, een soort
kaasfondue met drugs erin. Tegen de tijd dat Odysseus bij Calypso
arriveerde was hij het beu, zeven jaar lang, ook al was zij net als
Circe audêessa, 'zoetgevooisd'.
Vaak is het betoverend zingen later ontaard in spreken, men neemt dan
zijn toevlucht tot spreuken, die bovendien gepreveld
worden—nou ja, het blijft tenminste oraal en formulair, in de goede oude
tijd nog metrisch, en daarna onbegrijpelijk, abracadabra
(verbastering van abecedarium?—met het opzeggen van het alfabet
kun je een analfabeet gemakkelijk imponeren) en hocus pocus
(volgens sommigen verbastering van hoc est corpus uit de
roomskatholieke liturgie, maar daar wordt door beroepsetymologen sterk
aan getwijfeld). Maar wat zit ik nou te mopperen, stille charmes kunnen
ook heel charmant zijn. En wat Odysseus betreft, als hij toch al in
Zeeland was had hij net zo goed even verder kunnen varen naar Stavoren,
in een tijd dat betoveren nog zingend werd gedaan—veel veiliger, want
Frisia non cantat.
Pandora III: Qui malum
carmen incantassit ...
Het volk van Mozes had
genoeg aan twee stenen tafelen, waarop hun heel kernachtig in tien
geboden de wet voorgeschreven werd: je moet geen loopje nemen met God en
met je ouders, en verder van andermans leven en have, levende (bijv.
zijn vrouw) of anderszins (bijv. zijn fiets) afblijven (kopen mag
uiteraard altijd), en er niet likkebaardend naar kijken met de intentie
te doen waarvan net gezegd is dat het niet mag. Jahweh ging er tegen
beter weten in van uit dat zijn volk zich aan zijn geboden (voor het
merendeel trouwens verboden) zou houden en formuleerde de boel
heel gedecideerd in het imperfectum (ofwel infectum, dat in het
Hebreeuws o.a. futurumwaarde kan hebben), zoals lô tignôb 'gij
zult niet stelen' (ti-GNôB: vergelijk gannef, oorspronkelijk
'dief').
De Romeinen deden het veel ingewikkelder; ze begonnen met tien mannen
om wetten te schrijven, maar door het ontbreken van Jahwehs straffende
hand in hun repertoire konden die Xviri legibus scribundis (451/0
v.C.) niet volstaan met elk éen bepaling op te stellen, ze kwamen eerst
op de proppen met 10 tafelen, en toen was het nog niet eens in
orde en moesten er nog twee tafelen bij komen. (Ondanks de lapidaire
stijl van de teksten werden ze gegraveerd in brons.) Op school werden de
wetten uit het hoofd geleerd, Cicero heeft althans als jongen nog de
teksten moeten opzeggen, maar zijn jongere tijdgenoten hoefden dat
blijkbaar niet meer: Discebamus enim pueri XII ut carmen necessarium
quas iam nemo discit, 'want we leerden als jongens de 12 (tafelen)
als een verplichte dreun, (de wetten) die niemand meer leert'. De
geschiedenis herhaalt zich onherroepelijk; want moest ik vroeger de
katechismus ("kattebak") uit het hoofd leren, eerst de kleine, en op
rijpere lagereschoolleeftijd de grote, vandaag de dag weten de
leerlingen van de (RK) basisschool niet eens meer wat katechismus is,
jammer voor ze, want nu weten ze niet waartoe wij op aarde zijn—hun
leraren wellicht ook al niet meer. Daar staat tegenover dat mijn
kinderen dingen leren waar ze later (misschien) wat aan hebben.
De Romeinen waren vaak erg drastisch. In plaats van de politie erbij te
halen knapten ze zelf hun arrestaties en hechtenissen op. Si in ius
(deze keer géen jus! [vgl. Popina I]) vocat, ito. Ni it, antestamino.
Igitur em capito. 'Als iemand een ander voor het gerecht (niet
'eten'!) daagt, moet deze gaan. Gaat hij niet, dan moet de ander een
getuige erbij halen. En dán mag hij hem in zijn kraag grijpen'. Dat was
dus de arrestatie. Nou de hechtenis: als iemand schulden had en niet
betaalde, secum ducito, vincito aut nervo aut compedibus. XV pondo ne
minore aut si volet maiore vincito, 'dan moet hij (de schuldeiser)
hem meenemen en boeien met een keten of met voetboeien. De ketenen mogen
niet minder maar eventueel wel meer dan 15 pond wegen'. (Misschien
moeten 'minore' en 'maiore' worden omgedraaid.) De gevangene mag zelf
voor zijn eten zorgen, maar als hij dat niet doet moet de schuldeiser
libras farris endo dies dato, hem een pond spelt per dag geven.
Si volet, plus dato, 'maar als hij wil moet hij meer geven', maar
wie volet is me niet duidelijk, de gevangene, die nog rammelt
van de honger, of de schuldeiser, die zijn gevangene wil vetmesten? Want
het lijkt erop dat de schuldenaar geslacht mocht worden door zijn
schuldeiser(s), al gelooft men dat later niet meer. Tertiis nundinis
partis secanto. Si plus minusve secuerunt, se fraude esto. 'Op de
derde marktdag mogen ze (de schuldeisers) hem aan stukken snijden; een
onsje meer of minder doet er niet toe.' Zoals ik al zei, vaak erg
drastisch.
Er valt nog veel meer plezier te beleven aan de twaalf tafelen, maar ik
denk dat ik nu maar moet eindigen met een goed advies aan wie een
testimonium had willen hebben maar er niet een gekregen heeft: Cui
testimonium defuerit, in tertiis diebus ob portum obvagulatum ito.
Wie zijn testimonium niet heeft gekregen moet er om de andere dag voor
de deur van de hoogleraar, UHD of UD luid schreeuwend om komen vragen.
Maar ... niet vloeken, nam qui malum carmen incantassit ...
['want wie een kwade spreuk heeft uitgesproken ...'].
Pandora IV:
®
Babel
Pandora V,
waarvan ik alleen het eind hier weergeef, bevat een unieke tekening van
de hand van 'mijn tekenaar' Wim Regter, zinspelend op een les (Serpens
in horto! 'Een slang in de
tuin!') uit de leergang Latijn 'Redde
rationem'. Bij ons wordt de hortus hypernervosus van wat zich er
allemaal afspeelt.
De slang
Kronk'lend
lijf met groene strepen
vol venijn en naastenhaat—
zie nu hoe hij, lussen trekkend,
naar de boom van onheil gaat.
Loerend op een prooi vol onschuld
wacht hij eeuwig spiedend af,
hangend aan een tak vol mosgroen,
glibberglad van gluipend laf.
klik op de afbeelding voor
vergroting
Pandora VI:
Hoofdzaak
Onlangs werd ik
plotseling gekweld door een angstige vraag. Waar heb ik nou toch mijn
capita selecta gelaten? Het was een tekeningetje van een plekje in
een koppensnellersdorp. Heb ik niet terug kunnen vinden. Dan maar een
klein onderzoekje naar het hoofd bij, laten we zeggen, Homerus.
Je komt al gauw op karê komoôntes Achaioi, 'de Achaeërs met lange
haren op hun hoofd'. Als komê 'hoofdhaar' is, waarom dan karê
'hoofd' erbij? Lijkt nogal overbodig. Je leest nooit iets als stêthos
komoôntes Achaioi, 'Achaeërs met lang haar op de borst', of welk
lichaamsdeel dan ook. Zou trouwens niet kunnen, want dan is het geen
komê meer. Een contrast met andere lichaamsdelen kan dus niet de
bedoeling zijn. Als er toch impliciet een tegenstelling aanwezig is, dan
moet die haast wel gezocht worden in het participium: hoofden met
lange haren, in tegenstelling tot hoofden met
kortgeknipte/afgeschoren haren. Het moet maar even zo, 'met
afgeschoren haren' is natuurlijk net zoiets als 'met zonder melk'.
Het is duidelijk: begin een hoofdstudie, en je raakt verzeild in haaronderzoek;
en als je het hoofd van alle kanten bekijkt, kun je je nog niet eens
beperken tot het nevenaspect haar, er zit nog veel meer aan vast.
Ik heb besloten het hoofd maar in de schoot te laten rusten en het te
buigen over zaken die me meer direct aangaan. Misschien bedenk ik nog
wel eens wat voor het Myceense se-re-mo-ka-ra-a-pi,
se-re-mo-ka-ra-o-re. Daar zit zo te zien ook een hoofd aan vast,
alleen heb ik weinig vertrouwen in Sirenen aan de voorkant—het is al
vaker gezegd: de combinatie is opmerkelijk, maar als je het hoofd van de
romp scheidt zijn beide delen onopvallend gewoon.
Schertsend zou ik nu kunnen zeggen: "Zo, de kop is eraf." Maar dat is
flauw, op het moment dat ik er net een staart aan ga breien. De Abanten.
Volgens Homerus opithen komoôntes, het hoofd van voren kaal
geschoren, van achteren een soort paardestaart. Ik heb de laatste jaren
al heel wat Abanten in het wild waargenomen, zo maar op straat in
Amsterdam.
Start |
Info over mezelf
|
Interesses |
Favorieten |
Weekjournaal |
Fotomap
|